Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135830-VII nr. 6

35 830 VII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2020

Nr. 6 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 10 juni 2021

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 28 mei 2021 voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bij brief van 8 juni 2021 zijn ze door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De fungerend voorzitter van de commissie, Martin Bosma

De adjunct-griffier van de commissie, De Vos

1

Vraag:

Hoe vaak heeft de overheid het afgelopen jaar één van de vier grote consultantbureaus (Deloitte, KPMG, PwC en EY) ingeschakeld? Hoeveel heeft dit in totaal gekost?

Antwoord:

De inkoopuitgaven van het Rijk worden middels een proces, dat enkele maanden in beslag neemt, opgehaald, gecontroleerd en verder opgeschoond. Dit proces aangaande de gegevens/data van 2020 loopt door tot oktober en daarom zijn deze gegevens pas tegen die tijd volledig beschikbaar. De gegevens worden in oktober openbaar gemaakt en online gepubliceerd op Dataregister van de Nederlandse Overheid | Data overheid. Hier is extra informatie te vinden over de wijze van publiceren: Informatie over spenddata | Data overheid. Hier kunnen alle publicaties gevonden worden: Zoeken | Data overheid.

2

Vraag:

Hoeveel hebben alle ICT-projecten van de overheid in totaal gekost, uitgesplitst in de afgelopen 5 jaar? Hoeveel was hiervoor oorspronkelijk begroot?

Antwoord:

Op het Rijks ICT-dashboard www.rijksictdashboard.nl staan alle grote ICT-projecten van de rijksoverheid. De totale daadwerkelijke uitgaven voor deze ICT-projecten zijn als volgt (in miljoenen euro’s) en terug te vinden in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk van het desbetreffende jaar:

  • 2016: € 626,0

  • 2017: € 633,3

  • 2018: € 647,8

  • 2019: € 461,0

  • 2020: € 680,8

Het is niet aan te geven wat de oorspronkelijke begroting van deze specifieke uitgaven was. Deze begroting («de geschatte kosten») worden op het Rijks ICT-dashboard voor de gehele looptijd van het ICT-project bepaald en zijn daarom niet op jaarbasis bekend.

Het is wel mogelijk om een vergelijking te maken met de afgeronde grote ICT-projecten. Hiervan zijn de oorspronkelijke begroting en de daadwerkelijke uitgaven wel te vergelijken. Per jaar geeft dat het volgende beeld (bedragen in miljoenen euro’s):

 

2016

2017

2018

2019

2020

Aantal afgeronde projecten met een kostenschatting

22

26

26

22

12

Initiële kostenschatting van deze afgeronde projecten

€ 288,3

€ 556,6

€ 372,9

€ 245,8

€ 138,9

Daadwerkelijke uitgaven van deze afgeronde projecten

€ 243,5

€ 515,2

€ 646,4

€ 354,2

€ 200,1

Verschil tussen de initiële kostenschatting en de daadwerkelijke uitgaven

– € 44,8

– € 41,4

€ 273,5

€ 108,4

€ 61,2

Verschil totaal (in %)

– 16%

– 7%

73%

44%

44%

3

Vraag:

Hoeveel externe bureaus zijn er betrokken bij de ICT-projecten van de overheid in de afgelopen 5 jaar? Welke zijn dit?

Antwoord:

In de afgelopen 5 jaar (2016–2020) hebben 242 grote ICT-projecten op het Rijks ICT-dashboard gestaan. Bij deze ICT-projecten zijn 170 verschillende externe partijen betrokken. De top 11 is als volgt:

1.

Cap Gemini

32 projecten

2.

IBM

25 projecten

3.

Atos

23 projecten

4.

KPN

14 projecten

5.

CGI

11 projecten

6.

Ordina

8 projecten

7.

Headfirst

7 projecten

8.

IT Staffing

7 projecten

9.

Microsoft

6 projecten

10.

Between

6 projecten

11.

Unisys

6 projecten

Waar deze 170 externe partijen aan bijdragen is na te lezen op www.rijksICTdashboard.nl.

4

Vraag:

Hoe is de ontwikkeling van de externe inhuur in de afgelopen 5 jaar, per ministerie?

Antwoord:

De ontwikkeling van de externe inhuur in de afgelopen 5 jaar, per ministerie treft u aan in onderstaande tabel. In deze tabel wordt het percentuele aandeel externe inhuur van de totale uitgaven personeel per ministerie weergegeven in de periode 2016 t/m 2020.

Aandeel externe inhuur in percentages van de totale uitgaven personeel periode 2016 t/m 2020

Jaar

AZ

BZ

BZK

DEF

EZK

FIN

IenW

LNV

OCW

SZW

J&V

VWS

2016

5,8%

4,6%

23,6%

3,3%

10,7%

10,4%

19,5%

 

24,0%

4,1%

11,1%

10,7%

2017

5,2%

8,4%

18,1%

2,9%

19,6%

8,0%

18,0%

 

22,6%

3,0%

11,5%

11,1%

2018

6,3%

9,1%

17,5%

3,8%

19,9%

8,7%

16,1%

 

19,7%

4,7%

13,1%

9.9%

2019

9,1%

7,2%

17,8%

3,9%

24,2%

10,7%

16,1%

11,6%

15,3%

4,1%

13,4%

11,2%

2020

10,8%

6,0%

20,9%

5,7%

24,9%

11,9%

17,6%

9,0%

12,0%

4,2%

13,5%

15,4%

5

Vraag:

Hoe is de ontwikkeling van het aantal communicatie- en pr-medewerkers in de afgelopen 5 jaar, per ministerie?

Antwoord:

De ontwikkeling van het aantal communicatie- en pr-medewerkers in de afgelopen 5 jaar, per ministerie treft u aan in onderstaande tabel. In deze tabel is het aantal FTE (vaste formatie) bij de directies communicatie bij de ministeries in de periode 2016 t/m 2020 meegenomen. Op centraal niveau zijn er geen andere gegevens beschikbaar.

Aantal FTE bij de directies Communicatie (vaste formatie) per ministerie periode 2016 t/m 2020

Jaar

AZ/ RVD

AZ/ DPC

BZ

BZK

DEF

EZK

FIN

IenW

LNV

OCW

SZW

J&V

VWS

2016

57,7

142,5

51

50

31

49

35

55,3

 

40,8

49,3

43

37,7

2017

57,7

138,5

51

34,5

32

48

39

56,7

 

40,8

48,4

43

43,8

2018

57,7

142,9

51

34,5

32

47

39

56,3

 

41,1

46,7

43

44

2019

57,7

148,7

51

32,9

38

46

44,4

61,8

27,2

42,1

48,7

47

58,1

2020

57,7

158,7

57

35,9

39

52,7

46,1

63,5

27,5

43,2

48,7

47

56,2

6

Vraag:

Hoeveel onderzoeken zijn er in de afgelopen 5 jaar per ministerie door externe bureaus uitgevoerd?

Antwoord:

Elk departement is zelf verantwoordelijk voor de coördinatie en het bijhouden van het openbaar maken van onderzoeken die uitgevoerd zijn door externe partijen. Het Ministerie van BZK houdt geen overzicht bij. Er is hierom geen totaaloverzicht per ministerie beschikbaar.

7

Vraag:

Kunt u aangeven waarom het verplichtingenbudget voor de Financieringsfaciliteit Binnenstedelijke Transformatie doorschuift naar 2021 en wat dit betekent voor de doelen van het programma in 2020?

Antwoord:

Bij de augustusbesluitvorming in 2020 is € 20 mln. beschikbaar gekomen voor de Transformatiefaciliteit voor 2021. Omdat de verwachting was dat de aanvullende middelen voor de Transformatiefaciliteit al in 2020 nodig zouden zijn, is het verplichtingenbudget geraamd voor 2020. Dit bleek uiteindelijk echter niet nodig te zijn. Het verplichtingenbudget is daarom doorgeschoven naar 2021 ten behoeve van het beschikbaar stellen van de subsidiebeschikking van € 20 mln. aan Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeente (SVn). Dit heeft ertoe geleid dat zowel de kasmiddelen als het verplichtingenbudget voor 2021 zijn geraamd. De doelen van het programma in 2020 zijn hiermee niet beïnvloed aangezien de aanvullende middelen nodig zijn geacht om de aanvragen te honoreren in 2021.

8

Vraag:

Kunt u nader duiden waarom de verplichtingen voor de regeling bevordering eigen woningbezit (BEW) € 19 mln lager uitvallen?

Antwoord:

De Wet Bevordering eigen woningbezit is gericht op de bevordering van het eigen woningbezit onder lagere inkomensgroepen. De regeling is gesloten en er is voor nieuwe toekenningen op grond van de Wet Bevordering eigen woningbezit geen budget meer beschikbaar (Kamerstukken II 2009/10, 32 123 XVIII, nr. 74). De meerjarig beschikbare middelen dienen uitsluitend voor de betaling van in het verleden aangegane verplichtingen.

De Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) voert de regeling uit. In 2020 zijn, op basis van de meest recente uitvoeringsinformatie, de openstaande verplichtingen per saldo neerwaarts bijgesteld. Dit leidt in 2020 tot een negatieve realisatie op de aangegane verplichtingen.

9

Vraag:

Kunt u aangeven wat er – naast de coronapandemie – voor welk bedrag aan heeft bijgedragen dat de uitgaven voor de huurtoeslag in 2020 € 45 mln hoger lagen dan geraamd?

Antwoord:

Het CPB heeft in de Centraal Economisch Plan (CEP) 2021 een hogere werkloosheid en een lagere inkomensontwikkeling geraamd dan in de CEP2020. Dit heeft bij de huurtoeslag geleid tot hogere voorschotten. Het grootste deel is naar verwachting een effect van corona. Naast corona was er sprake van hogere nabetalingen over de jaren 2019 en eerder. Dit gaat om een bedrag van ca. € 27 mln.

10

Vraag:

Hoe verhouden de € 45 mln extra uitgaven aan de huurtoeslag zich tot de € 91 mln meevaller die in de verticale toelichting van het Financieel Jaarverslag Rijk staan vermeld?

Antwoord:

Het in de Slotwet 2020 genoemde bedrag van € 45 mln. betreft een mutatie van de gerealiseerde uitgaven ten opzichte van de stand van de 2e suppletoire begroting 2020. Dit bedrag is in de verticale toelichting te vinden onder de noemer Realisatie.

De € 91 mln. betreft een ramingsbijstelling uit het voorjaar (bij 1e suppletoire begroting 2020), waarbij op dat moment gedacht werd dat de uitgaven mee zouden vallen. Deze meevaller heeft zich vooral als gevolg van corona dus minder voorgedaan (€ 45 mln. minder).

11

Vraag:

Hoeveel panden heeft het Rijksvastgoedbedrijf verkocht, uitgesplitst in de afgelopen 5 jaar? Hoeveel winst is daarmee gemaakt?

Antwoord:

In de afgelopen 5 jaar heeft het Rijksvastgoedbedrijf 139 panden verkocht die tot het eigendom van het RVB behoorden. In totaal is daarmee door het Rijksvastgoedbedrijf een positief resultaat van € 5,5 mln. gerealiseerd dat in de jaarrekening van het Rijksvastgoedbedrijf is verwerkt. Bij dit resultaat is rekening gehouden met eerdere afwaarderingen op incourant vastgoed. De aantallen panden per jaar bedragen:

Jaar

Aantal

2016

23

2017

25

2018

23

2019

34

2020

34

Totaal

139

12

Vraag:

Komen de lagere ontvangsten dan volledig in 2021 binnen, aangezien ze in het derde kwartaal 2020 zijn gefactureerd aan de NAM, maar niet meer in 2020 binnen zijn gekomen?

Antwoord:

Ja, de latere ontvangsten van 2020 worden in 2021 verwacht.