Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2020-202135483 nr. F

35 483 Regels over inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering 20..)

F BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 november 2020

Uw Kamer behandelt op 1 december het voorstel van wet inburgering 20.. Met het oog hierop stuur ik u bijgaand een afschrift van mijn brief aan de Tweede Kamer van vandaag, waarin ik aankondig dat de beoogde datum van inwerkingtreding van 1 juli 2021 opnieuw verschuift. Kortheidshalve verwijs ik u naar bijgevoegde brief voor een nadere toelichting bij dit besluit.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 november 2020

Tijdens het wetgevingsoverleg over de Wet inburgering 20.. op 29 juni jl. meldde ik uw Kamer dat we op koers lagen met de uitwerking van de wet in lagere regelgeving (het Besluit en de regeling inburgering). Afgelopen periode, onder andere tijdens de consulatie, ontving ik signalen over risico’s in relatie tot de beoogde invoeringsdatum van 1 juli 2021, met name van de ketenpartners IND, COA, DUO, VNG en Divosa. De gesignaleerde risico’s zijn soms stevig, uiteenlopend van aard en zwaarte, en verschillen per partij. Wat álle partijen raakt, zijn de gevolgen van de coronacrisis die de beschikbare capaciteit om voorbereidingen te treffen op de invoering het nieuwe inburgeringsstelsel onder druk zet.

Deze signalen heb ik uiterst serieus genomen en ik kom, alles afwegende en na consultatie van de ketenpartners, tot de conclusie dat inwerkingtreding van het nieuwe inburgeringsstelsel op 1 juli 2021 niet verantwoord is. Een complexe stelselherziening als inburgering is gebaat bij zorgvuldigheid en voldoende tijd, zodat de ketenpartners goed geëquipeerd en voorbereid aan hun uitvoeringstaken kunnen beginnen. Dit uitgangspunt lag destijds ten grondslag aan uitstel en geldt nog steeds1.

Ik realiseer mij dat het uitstel vragen oproept over de gevolgen ervan, ook tegen de achtergrond van de ambitie om het huidige stelsel niet langer dan noodzakelijk van kracht te laten zijn. Mijn streven is om de invoering met een half jaar door te schuiven naar 1 januari 2022. Of dit haalbaar is, zal moeten blijken na afstemming met de ketenpartners over wanneer en onder welke voorwaarden invoering wel haalbaar en verantwoord is. Ook de gevolgen van het uitstel worden in kaart gebracht. Over de uitkomsten van dit traject zal ik uw Kamer zo snel mogelijk informeren; dit zal naar verwachting medio december zijn.

De Eerste Kamer behandelt het wetsvoorstel Wet inburgering 20.. op 1 december aanstaande. De Eerste Kamer stuur ik daarom een afschrift van deze brief. Ik zie met vertrouwen de behandeling van de wet tegemoet.

Onverlet bovenstaande, worden de voorbereidingen van de implementatie samen met de ketenpartners onverminderd voortgezet.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Tweede Kamer 2019–2020, 32 824, nr. 294