Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2019-202035431 nr. J

35 431 Tijdelijke regels omtrent het kunnen verlengen van huurovereenkomsten voor bepaalde tijd (Tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten)

J BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 juni 2020

Uw Kamer heeft op 9 juni jl. de motie-Kox c.s. (Kamerstukken I 2019/20, 35 431, H) aangenomen. Het lid Otten heeft daarbij verzocht om een brief van de regering hoe zij uitvoering wil geven aan deze motie.

In de afgelopen periode heb ik naar aanleiding van de eerdere motie-Kox c.s. (Kamerstukken I 2019/20, 35 431, D) met uw Kamer gesproken over de uitvoering van deze motie. Ik voer deze motie uit binnen de kaders en op de wijze die ik met uw Kamer heb gedeeld in het interpellatiedebat op 2 juni en ik daarna nader uiteen heb gezet in mijn brief van 5 juni jl. aan uw Kamer «Betaalbaar huren: generieke en specifieke maatregelen» (Kamerstukken I 2019/20, 35 431, I).

In deze brief heb ik uw Kamer aangegeven welke stapsgewijze aanpak ik hanteer om uitvoering aan de motie te geven. Ik heb uw Kamer daarbij geschetst welke aanvullende maatregelen ik in overweging neem wanneer ik in augustus beter zicht heb op de resultaten van de monitoring, alsmede van de economische gevolgen en koopkrachteffecten van de coronacrisis voor huurders met betalingsrisico’s. Deze mogelijke aanvullende maatregelen richten zich op generieke maatregelen of generiek maatwerk. Zoals ik aangaf in het interpellatiedebat met uw Kamer verwacht ik u rond Prinsjesdag te kunnen informeren over eventueel aanvullende maatregelen. Nu de Eerste Kamer de motie-Kox c.s. van 9 juni jl. (Kamerstukken I 2019/20, 35 431, H) heeft aangenomen lijkt het mij goed te bevestigen dat dit mijn benadering is en ik nu geen mogelijkheden zie nog verder te gaan dan ik in het debat en de eerder genoemde brief heb aangegeven. Ik hoop daarmee in voldoende mate aan de gedeelde zorgen over huurders in de knel tegemoet te zijn gekomen zonder de overige opgaven van verhuurders zoals woningbouw, onderhoud en verduurzaming onnodig in de problemen te brengen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren