35 420 Noodpakket banen en economie

BT VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 1 maart 2022

De leden van de vaste commissies voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1, voor Financiën2 en voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid3 hebben kennisgenomen van de brief4 van 14 december 2021 inzake het steunpakket in het eerste kwartaal van 2022 en van de brief5 van 21 december 2021 inzake de aanpassing steunmaatregelen.

Naar aanleiding hiervan zijn op 2 februari 2022 brieven gestuurd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft op 25 februari 2022 gereageerd.

De commissies brengen bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De waarnemend griffier voor dit verslag, Van Luijk

BRIEF VAN DE VOORZITTERS VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT / LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT, VOOR FINANCIËN EN VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat

Den Haag, 2 februari 2022

De leden van de vaste commissies voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, voor Financiën en voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief6 van 14 december 2021 inzake het steunpakket in het eerste kwartaal van 2022 en van de brief7 van 21 december 2021 inzake de aanpassing steunmaatregelen. De leden van de fracties van het CDA en D66 hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen en opmerkingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de CDA-fractie verzoeken u om in te gaan op een aantal in de praktijk gebleken knelpunten. Veel detailhandelszaken, in bijvoorbeeld herenmode, liepen voor het tweede jaar op rij de beste weken voor de verkoop mis, namelijk de verkoopperiode in december en de uitverkoopperiode in januari. Dit betekent dat zij de najaarscollectie (die inmiddels bestaat uit een overschot van 2020 en 2021) weer moeten opslaan en pas in september weer in de winkel kunnen hangen. Van het seizoen 2021 hebben ze nu nog ongeveer 50% over; van het seizoen 2020 hebben ze nog steeds 20% over. Dit heeft drie grote nadelen voor deze bedrijven, die momenteel niet worden gedekt in de steunmaatregelen:

  • 1. De voorraad is modisch en daarom na verloop van tijd een stuk minder waard. De waardevermindering van de voorraad als gevolg van de lockdown van eind 2021 tot begin 2022 is tot op heden nog niet vergoed.

  • 2. De vaste lasten van het huidige kwartaal worden vergoed op basis van het omzetverlies. De meest recente lockdown heeft echter als gevolg dat dergelijke bedrijven tot en met september méér vaste lasten hebben (huur van extra magazijnruimte). Ervan uitgaande dat zij in Q2/Q3 weer normale omzet realiseren, zijn de extra vaste lasten in deze periode volledig voor hun rekening.

  • 3. Deze bedrijven dragen ook de negatieve gevolgen met betrekking tot de liquiditeit, omdat ze de voorraad langer vast moeten houden.

Bovenstaande problematiek speelt niet alleen in de modebranche, maar geldt ook voor horecazaken en hotelketens. De leden van de CDA-fractie vragen u om het voornemen om geen voorraadvergoeding meer te verlenen voor de horeca en detailhandel mede met het oog op vorenstaande te heroverwegen, in die zin dat een vorm van compensatie aan de steunmaatregelen wordt toegevoegd die ziet op de waardevermindering van de modegevoelige voorraad en soortgelijke voorraden.

Er zijn winkelketens die in 2020 en 2021 verschillende nieuwe winkels hebben geopend. Deze winkelopeningen waren in 2020 vaak al dusdanig ver voorbereid dat deze niet meer konden worden afgeblazen na de coronagolven. De winkelopeningen in 2021 werden doorgezet vanuit de insteek dat de vaccinatiegraad toekomstige lockdowns zou voorkomen. De huidige TVL-regeling kijkt naar het omzetverlies van de BV ten opzichte van de referentieperiode. Indien deze nieuwe winkels in totaliteit waren opgenomen in een al bestaande werkmaatschappij, is het goed mogelijk dat de grens van 20% omzetverlies niet wordt gehaald, ondanks dat in al deze winkels een fors lagere omzet is behaald. Aan de 20%-grens wordt dan niet voldaan doordat er meer winkels in de betreffende BV zijn dan in de referentieperiode het geval was. Voor de NOW-regeling geldt ditzelfde nadeel. Het schrijnende van deze gevallen is dat deze ondernemers meer vaste lasten hebben en meer personeel in dienst hebben (door de opening van nieuwe winkels), maar dat zij juist door de omzet van deze nieuwe winkels geen recht hebben op vergoedingen vanuit de NOW of TVL. In hoeverre ziet u mogelijkheden om het omzetverlies in dergelijke gevallen te bepalen op winkelniveau in plaats van alleen op BV-niveau?

Voor onderdelen van een groot concern kan maar één TVL-aanvraag worden gedaan. Onderdelen van een mkb-concern kunnen daarentegen een aanvraag doen per BV. Grote concerns met twee divisies die zowel modegevoelige (direct omzetverlies) als niet-modegevoelige zaken (uitgesteld omzetverlies) verkopen dreigen daarmee de TVL-steunmaatregelen mis te lopen. Bent u bereid om in voorkomende gevallen ook grote concerns de mogelijkheid te bieden om op BV-niveau een TVL-aanvraag te doen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De NOW-regeling voor ondernemingen is verlengd tot en met Q1 van 2022. De TOZO-regeling voor zelfstandigen is niet verlengd. Deze regeling is vanaf 1 oktober 2021 gesloten. Er zijn veel zelfstandigen die eerder gebruik hebben gemaakt van de TOZO-regeling en nu alleen terug kunnen vallen op het (vereenvoudigde) Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz). Er zijn, volgens de leden van de D66-fractie, twee belangrijke verschillen tussen de TOZO-regeling en de het Besluit bijstandverlening zelfstandigen:

  • 1. Om in aanmerking te komen voor het Bbz moet een bedrijf of beroep levensvatbaar zijn. Bij het Bbz wordt dit getoetst, terwijl dat bij de TOZO-regeling niet gebeurde.

  • 2. De hoogte van het Bbz is afhankelijk van het aantal huisgenoten van 21 jaar en ouder. Hoe meer huisgenoten van 21 jaar en ouder, hoe lager de uitkering. Dit was niet het geval bij de TOZO-regeling.

Verder verschilt de TOZO-regeling, volgens deze leden, niet van het vereenvoudigde Bbz. Bij de NOW-regeling vindt overigens geen toets op levensvatbaarheid plaats. Kunt u aangeven of de bovenstaande omschrijving van de verschillende regelingen juist is? Daarnaast vragen deze leden om een uitleg bij de verschillende behandelingen voor steun bij bedrijven die in aanmerking komen voor de NOW-regeling en voor zelfstandigen met een eigen onderneming. Acht u deze verschillen redelijk en billijk? Hoe kan op langere termijn worden gewaarborgd dat er zoveel mogelijk gelijke behandeling plaatsvindt van ondernemers bij steun in de Coronaperiode?

Kunt u aangeven, zo vragen de leden van de D66-fractie, hoe u coulance betracht met terugbetalingsregelingen en met het betalen van uitgestelde belastingen voor ondernemers, in het bijzonder voor ZZP’ers? Kunt u aangeven hoe u ervoor gaat zorgen dat de informatievoorziening naar ondernemers hierover goed verloopt?

De leden van de vaste commissies voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 25 februari 2022.

Een gelijkluidende brief is verzonden aan de Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, L.P. van der Linden, MSc.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, P.H.J. Essers

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M.L. Vos

BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 februari 2022

Hierbij zend ik u de antwoorden mede namens de Minister van Sociale Zaken, de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, op de vragen van de leden van de fracties van het CDA en D66 over de brief8 van 14 december 2021 inzake het steunpakket in het eerste kwartaal van 2022 en van de brief9 van 21 december 2021 inzake de aanpassing steunmaatregelen aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat (kenmerk: 170319.05U) ingezonden 2 februari 2022.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, M.A.M. Adriaansens

170319.05U

1

De leden van de CDA-fractie vragen u om het voornemen om geen voorraadvergoeding meer te verlenen voor de horeca en detailhandel mede met het oog op vorenstaande te heroverwegen, in die zin dat een vorm van compensatie aan de steunmaatregelen wordt toegevoegd die ziet op de waardevermindering van de modegevoelige voorraad en soortgelijke voorraden.

Antwoord

Een dergelijke opslag is niet goed uitvoerbaar gebleken en maakt het niet goed mogelijk om tijdig steun te verlenen. Omdat de hiertoe gehanteerde SBI-codes in de praktijk niet voldoende eenduidig zijn voor fijnmazige subsidieverlening, hebben eerdere vergoedingen geleid tot zeer forse aantallen bezwaar- en beroepsprocedures die in de uitvoering zeer arbeidsintensief zijn. Een voorraadvergoeding voor de horeca en detailhandel wordt daarom niet opnieuw ingevoerd.

Gelukkig was het in de recente lockdown voor de horeca veelal mogelijk om snel over te schakelen op afhaal. Voor de niet-essentiële detailhandel gold dat per direct click & collect mogelijk werd gemaakt. Hiermee werden er meer mogelijkheden gecreëerd om de voorraden te verkopen dan in de voorgaande lockdown.

2

Er zijn winkelketens die in 2020 en 2021 verschillende nieuwe winkels hebben geopend. Deze winkelopeningen waren in 2020 vaak al dusdanig ver voorbereid dat deze niet meer konden worden afgeblazen na de coronagolven. De winkelopeningen in 2021 werden doorgezet vanuit de insteek dat de vaccinatiegraad toekomstige lockdowns zou voorkomen. De huidige TVL-regeling kijkt naar het omzetverlies van de BV ten opzichte van de referentieperiode. Indien deze nieuwe winkels in totaliteit waren opgenomen in een al bestaande werkmaatschappij, is het goed mogelijk dat de grens van 20% omzetverlies niet wordt gehaald, ondanks dat in al deze winkels een fors lagere omzet is behaald. Aan de 20%-grens wordt dan niet voldaan doordat er meer winkels in de betreffende BV zijn dan in de referentieperiode het geval was. Voor de NOW-regeling geldt ditzelfde nadeel. Het schrijnende van deze gevallen is dat deze ondernemers meer vaste lasten hebben en meer personeel in dienst hebben (door de opening van nieuwe winkels), maar dat zij juist door de omzet van deze nieuwe winkels geen recht hebben op vergoedingen vanuit de NOW of TVL. In hoeverre ziet u mogelijkheden om het omzetverlies in dergelijke gevallen te bepalen op winkelniveau in plaats van alleen op BV-niveau?

Antwoord

Allereerst is het belangrijk om onderscheid te maken tussen mkb-ondernemingen en grote ondernemingen. De TVL-regeling verwijst naar de definitie van een mkb-onderneming uit de algemene groepsvrijstellingsverordening (hierna: AGVV). Hier worden mkb-ondernemingen als ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen en/of het jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen niet overschrijdt (artikel 2 van bijlage I AGVV). Voor mkb-bedrijven geldt dat ieder afzonderlijke rechtspersoon (zoals een BV binnen een groep verbonden ondernemingen) een aanvraag voor TVL-steun in kan dienen, zolang deze mkb-onderneming voldoet aan de voorwaarden voor steun. Daarbij geldt het maximum staatssteunbedrag voor de groep verbonden mkb-ondernemingen als geheel. Als een onderneming niet onder de definitie van een mkb-onderneming uit de AGVV valt, wordt deze binnen de TVL-regeling als grote onderneming aangemerkt. Voor grote ondernemingen geldt dat zij per groep een aanvraag kunnen indienen en dat het omzetverlies wordt berekend op het niveau van de groep.

Indien een rechtspersoon filialen heeft geopend zal dit van invloed zijn op de omzetdaling die gerealiseerd is in de meetperiode ten opzichte van de omzet in de referentieperiode.

Er is in de inrichting van de TVL gekozen om zo dicht mogelijk aan te sluiten bij het gangbare economische verkeer. Voor het bepalen van de omzet wordt daarom aangesloten bij de btw-aangifte, die in de regel op het niveau van de rechtspersoon of de fiscale eenheid (de groep) wordt gedaan. Hiermee is de regeldruk voor ondernemers zo laag mogelijk en het verkleint het risico op misbruik en oneigenlijk gebruik. Het maakt de controleerbaarheid voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zo optimaal mogelijk, waardoor steun snel en goed uitbetaald kan worden. Deze inrichtingskeuze maakt dat de TVL niet aansluit bij eenheden binnen een rechtspersoon (zoals winkelfilialen binnen een BV), waardoor het niet mogelijk is om de aangifte op winkelniveau te doen.

Voor de NOW geldt, net als bij de TVL, dat een rechtspersoon (of in geval van een groep meerdere rechtspersonen) aanspraak kan maken op de NOW. Onderdelen van rechtspersonen, zoals het geval bij een enkele winkelvestiging, kunnen niet in aanmerking komen. Hier is voor gekozen, omdat dit in de uitvoering tot moeilijkheden zou leiden doordat de 1-op-1 koppeling met de loonaangifte in de polisadministratie op deze manier verdwijnt en er hogere M&O-risico’s zijn als de bepaling van het omzetverlies op een lager niveau dan de rechtspersoon plaatsvindt.

De grofmazigheid van de regeling en de hierboven genoemde aandachtspunten maken het niet mogelijk om hiervan af te wijken. Ik zie dan ook geen mogelijkheid om het omzetverlies in dergelijke gevallen op een andere wijze te bepalen dan nu in de regeling is verwerkt.

3

Voor onderdelen van een groot concern kan maar één TVL-aanvraag worden gedaan. Onderdelen van een mkb-concern kunnen daarentegen een aanvraag doen per BV. Grote concerns met twee divisies die zowel modegevoelige (direct omzetverlies) als niet-modegevoelige zaken (uitgesteld omzetverlies) verkopen dreigen daarmee de TVL-steunmaatregelen mis te lopen.

Bent u bereid om in voorkomende gevallen ook grote concerns de mogelijkheid te bieden om op BV-niveau een TVL-aanvraag te doen?

Antwoord

Voor het indienen van één aanvraag per groep verbonden ondernemingen in het geval van grote ondernemingen is gekozen omdat grote ondernemingen vaak in meerdere branches actief zijn, veelal vestigingen in meerdere landen hebben en een complexere structuur kennen dan mkb-bedrijven. Door het indienen van één aanvraag per groep grote ondernemingen wordt gewaarborgd dat de omzet en daarmee het omzetverlies van de gehele groep in Nederland tezamen in aanmerking wordt genomen voor de berekening van TVL. Daarmee wordt misbruik en oneigenlijk gebruik voorkomen en wordt voorkomen dat bijvoorbeeld een groep die als geheel genomen geen omzetverlies heeft en winstgevend is in Nederland, maar die een kleine, verlieslatende rechtspersoon in Nederland heeft, toch TVL kan aanvragen. Beleidsmatig heeft dit ook het effect dat een concern met grote draagkracht, eerst onderling solidair is. Tot slot is het indienen van één aanvraag per groep verbonden ondernemingen in het geval van grote ondernemingen noodzakelijk omdat RVO moet controleren of het totale bedrag voor de groep niet hoger is dan het maximaal toegestane staatssteunbedrag. De maximale staatssteunbedragen gelden namelijk niet per rechtspersoon, maar voor de onderneming als geheel (de groep), waarbij de Europese definitie van «één onderneming» van toepassing is. Aangezien grote ondernemingen vrijwel altijd uit meerdere in een groep zelfstandige rechtspersonen bestaan, is het indienen van één aanvraag per groep ondernemingen noodzakelijk om dit maximum te controleren. Om bovenstaande redenen ziet het kabinet geen reden om hier van af te wijken.

4

De NOW-regeling voor ondernemingen is verlengd tot en met Q1 van 2022. De TOZO-regeling voor zelfstandigen is niet verlengd. Deze regeling is vanaf 1 oktober 2021 gesloten. Er zijn veel zelfstandigen die eerder gebruik hebben gemaakt van de TOZO-regeling en nu alleen terug kunnen vallen op het (vereenvoudigde) Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz). Er zijn, volgens de leden van de D66-fractie, twee belangrijke verschillen tussen de TOZO-regeling en de het Besluit bijstandverlening zelfstandigen:

  • 1. Om in aanmerking te komen voor het Bbz moet een bedrijf of beroep levensvatbaar zijn. Bij het Bbz wordt dit getoetst, terwijl dat bij de TOZO-regeling niet gebeurde.

  • 2. De hoogte van het Bbz is afhankelijk van het aantal huisgenoten van 21 jaar en ouder. Hoe meer huisgenoten van 21 jaar en ouder, hoe lager de uitkering. Dit was niet het geval bij de TOZO-regeling.

Verder verschilt de TOZO-regeling, volgens deze leden, niet van het vereenvoudigde Bbz. Bij de NOW-regeling vindt overigens geen toets op levensvatbaarheid plaats. Kunt u aangeven of de bovenstaande omschrijving van de verschillende regelingen juist is?

Antwoord

De verschillen die de D66-fractie ziet kloppen. Het vereenvoudigde Bbz is net zoals de Tozo een aanvulling tot het sociaal minimum. In tegenstelling tot de Tozo geldt bij het vereenvoudigde Bbz een levensvatbaarheidstoets en de kostendelersnorm, zoals in het reguliere Bbz.

Het Bbz is tijdelijk vereenvoudigd om het voor gemeenten eenvoudiger te maken snel Bbz toe te kennen. Specifiek wijkt het tijdelijk vereenvoudigde Bbz op drie onderdelen af van het reguliere Bbz: (1) er geldt geen vermogenstoets, (2) er geldt een maandsystematiek i.p.v. een jaarsystematiek en (3) aanvragen met terugwerkende kracht is mogelijk. Deze vereenvoudigingen zijn verlengd tot 1 april 2022.

Het tijdelijk vereenvoudigde Bbz en de NOW verschillen van elkaar in zowel de aard van de regeling als de uitvoering van de regeling (de uitvoering van de NOW ligt bij UWV; van het Bbz bij gemeenten). De NOW-regeling kent daarbij inderdaad geen levensvatbaarheidstoets. Hoewel het maken van een onderscheid naar levensvatbaarheid ook in de NOW wenselijk kan zijn om steun beter te richten, is dit bij de NOW niet op een controleerbare en verantwoordelijke wijze mogelijk. Een dergelijke toets zou zorgen voor een aanzienlijke verhoging van de administratieve lasten en forse vertragingen in de vaststellingen, wat zorgt voor meer onzekerheid bij werkgevers en uiteindelijk de effectiviteit van loonsteun zal verkleinen.

5

Daarnaast vragen deze leden om een uitleg bij de verschillende behandelingen voor steun bij bedrijven die in aanmerking komen voor de NOW-regeling en voor zelfstandigen met een eigen onderneming. Acht u deze verschillen redelijk en billijk? Hoe kan op langere termijn worden gewaarborgd dat er zoveel mogelijk gelijke behandeling plaatsvindt van ondernemers bij steun in de Coronaperiode?

Antwoord

De verschillende toegangsvoorwaarden voor steun volgen uit de doelstellingen van de regelingen. De NOW is een tegemoetkoming in de loonkosten van werknemers en heeft als doel het behoud van werkgelegenheid. Het Bbz (en hiervoor de Tozo) biedt een uitkering tot het sociaal minimum en heeft als doel inkomensondersteuning. Voor zelfstandigen gelden dezelfde toegangseisen tot de NOW als elke andere ondernemer of bedrijf. Vanwege de doelstelling van de NOW (het tegemoetkomen in de loonkosten van het personeel) komen alleen zelfstandigen met personeel in aanmerking voor de NOW.

Omdat de doelen van de regelingen verschillen, vindt het kabinet het ook redelijk en billijk dat er verschillen tussen de regelingen zelf zijn. Omdat er sprake is van regelingen met een generiek karakter, zijn de voorwaarden voor vergelijkbare ondernemers hetzelfde.

6

Kunt u aangeven, zo vragen de leden van de D66-fractie, hoe u coulance betracht met terugbetalingsregelingen en met het betalen van uitgestelde belastingen voor ondernemers, in het bijzonder voor ZZP’ers? Kunt u aangeven hoe u ervoor gaat zorgen dat de informatievoorziening naar ondernemers hierover goed verloopt?

Antwoord

Het kabinet ondersteunt ondernemers om aflossingen van de belastingschuld zo soepel mogelijk te laten verlopen. Het kabinet biedt ondernemers daarom een ruimhartige betalingsregeling om hun belastingschuld af te lossen. De datum waarop ondernemers uiterlijk beginnen met het aflossen van de opgebouwde belastingschuld is vastgesteld op 1 oktober 2022. Op die manier hebben ondernemers een adempauze voordat de aflossingsverplichting begint. De aflossingstermijn is vijf jaar, wat betekent dat de opgebouwde belastingschuld pas uiterlijk op 1 oktober 2027 volledig moet zijn afgelost. Door de aflossing over een langere periode te spreiden, hebben ondernemers meer financiële ruimte. De invorderingsrente, die tot en met juni 2022 0,01% bedraagt, wordt bovendien geleidelijk teruggebracht naar het oorspronkelijke niveau dat gold voorafgaande aan de coronacrisis. Het percentage wordt per 1 juli 2022 vastgesteld op 1%. Op 1 januari 2023 wordt de invorderingsrente 2%. Hierna wordt de rente op 1 juli 2023 vastgesteld op 3%. Pas vanaf 1 januari 2024 gaat de invorderingsrente terug naar het oorspronkelijke niveau van 4%. Daarnaast wil het kabinet in de kern gezonde bedrijven met een problematische schuldenlast extra ondersteunen door in specifieke situaties saneringsakkoorden tijdelijk kansrijker te maken. Om deelname aan een saneringsakkoord aantrekkelijker te maken voor private schuldeisers, stelt de Belastingdienst (en Douane) zich tijdelijk soepeler op bij minnelijke saneringsakkoorden. Van 1 augustus 2022 tot en met 30 september 2023 neemt de Belastingdienst genoegen met hetzelfde uitkeringspercentage als aan concurrente schuldeisers toekomt.

Ondernemers worden tijdig geïnformeerd over het betalen van hun uitgestelde belastingschulden. Zo stuurt de Belastingdienst in april een eerste informatieve brief naar alle ondernemers die nog een bedrag aan uitgestelde belastingschuld in verband met corona hebben openstaan. In die brief wordt een overzicht van de openstaande schuld gegeven. Ook wordt in die brief beschreven wat de ondernemer kan doen als hij nu al verwacht niet aan die betalingsverplichtingen te kunnen voldoen. Voor verdere hulp bij samenloop met andere schulden verwijst de brief naar de Kamer van Koophandel en naar de gemeente voor schuldhulpverlening.

De verdere communicatie met ondernemers zal mede afhankelijk zijn van de ontwikkelingen van het coronavirus en de eventuele contactbeperkende maatregelen die dat tot gevolg kan hebben. In ieder geval worden ondernemers gedurende de loop van de betalingsregeling periodiek geïnformeerd over hun schuldpositie.

Omdat veel ondernemers door de aangescherpte coronamaatregelen nog niet in staat waren omzet te behalen is besloten om te regelen dat ondernemers die de Tozo-lening zijn aangegaan en verplicht zijn om deze per 1 januari 2022 terug te betalen dit pas hoeven te doen op 1 juli 2022. Dit uitstel zal gelden voor alle Tozo-leningen, ongeacht het moment van verstrekking. Tegelijk wordt voor alle Tozo-leningen de looptijd (de periode vanaf het moment van verstrekking tot het moment waarop deze moet zijn terugbetaald) met 1 jaar verlengd van 5 jaar tot 6 jaar. Vanwege de verlenging wordt voor de periode van januari 2022 tot en met juni 2022 geen rente opgebouwd.

Ondernemers die NOW hebben aangevraagd en (een deel van) de subsidie moeten terugbetalen krijgen hier ruim de tijd voor. UWV gaat coulant om met dergelijke terugbetalingen. Een werkgever wordt per beschikking geïnformeerd over het terug te betalen bedrag, of over het nog te ontvangen bedrag als daarvan sprake is; en krijgt vervolgens zes weken de tijd om het bedrag te betalen of om telefonisch of digitaal contact op te nemen met UWV om een betalingsregeling af te spreken die bij hen past. Werkgevers kunnen hierbij tot vijf jaar de tijd krijgen om het bedrag in termijnen te betalen. Daarnaast kan op verzoek van de werkgever een betaalpauze van een jaar worden ingelast en is er bij de betaaltermijnen geen sprake van rente. Het huidige beeld is dat werkgevers de weg richting UWV goed weten te vinden: rond de 60% van werkgevers die (een deel van) de NOW moeten terugbetalen, doet dit binnen zes weken. Met het merendeel van de overige werkgevers is een betalingsregeling getroffen.

Om ondernemers snel van geld te voorzien werkt RVO met een voorschot in de toekenning van de TVL. Daardoor kan het voorkomen dat het omzetverlies bij de vaststelling van de TVL lager is dan dat bij de aanvraag van de TVL-subsidie werd verwacht. Dit betekent dat de ondernemer het verstrekte voorschot, deels of geheel moet terugbetalen. Hiervoor hanteert RVO zeer coulante terugbetalingsregelingen op maat. Hierbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de draagkracht van de ondernemer. Een terugbetalingsregeling kan variëren van enkele weken tot een periode van 24 maanden. Als terugbetaling in 24 maanden niet lukt, is er maatwerk tot 5 jaar mogelijk. Bij het voortduren van de crisis zien we ook dat ondernemers meer moeite hebben om een teveel aan steun terug te betalen. In dat geval neemt RVO tijdig contact op met de ondernemer om ruimere opties van terugbetaling te bespreken. Daarmee wil RVO voorkomen dat ondernemers in problematische schulden wegzakken en schenkt zoveel mogelijk aandacht aan de menselijke maat.


X Noot
1

Samenstelling:

Koffeman (PvdD), Faber-Van de Klashorst (PVV), Van Strien (PVV), Gerkens (SP), Atsma (CDA) (ondervoorzitter), Pijlman (D66), Schalk (SGP), Klip-Martin (VVD), Van Rooijen (50PLUS), Van Ballekom (VVD), Vos (VVD), Crone (PvdA), Dessing (FVD), Van Gurp (GL), Huizinga-Heringa (CU), Kluit (GL), Van der Linden (Fractie-Nanninga) (voorzitter), Meijer (VVD), Otten (Fractie-Otten), Prins (CDA), Vendrik (GL), Van der Voort (D66), Berkhout (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA) en vacant (CDA).

X Noot
2

Samenstelling:

Essers (CDA) (voorzitter), Prast (PvdD), Backer (D66), Ester (CU), Faber-van de Klashorst (PVV), Van Apeldoorn (SP), Van Strien (PVV), Jorritsma-Lebbink (VVD), N.J.J. van Kesteren (CDA), Schalk (SGP), Van Rooijen (50PLUS), Vos (VVD), Van Ballekom (VVD), Berkhout (Fractie-Nanninga), Crone (PvdA), Frentrop (FVD) Geerdink (VVD), Karimi (GL) (ondervoorzitter), Van der Linden (Fractie-Nanninga), Otten (Fractie-Otten), Rietkerk (CDA), Rosenmöller (GL), Vendrik (GL), Van der Voort (D66) en Raven (OSF) en Fiers (PvdA).

X Noot
3

Samenstelling:

Kox (SP), Essers (CDA), Ester (CU), Vos (PvdA) (voorzitter), Van Strien (PVV), Oomen-Ruijten (CDA), Schalk (SGP), Stienen (D66), De Bruijn-Wezeman (VVD) (ondervoorzitter), A.J.M. van Kesteren (PVV), Van Rooijen (50PLUS), Van Ballekom (VVD), Crone (PvdA), Frentrop (FVD), Geerdink (VVD), Van Gurp (GL), Moonen (D66), Rosenmöller (GL), Vendrik (GL), De Vries (Fractie-Otten), De Blécourt-Wouterse (VVD), Van Pareren (Fractie-Nanninga), Berkhout (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Prast (PvdD) en vacant (CDA).

X Noot
4

Brief van de Ministers van Economische Zaken en Klimaat, Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Kamerstukken I, 2021–2022, 35 420, BL.

X Noot
5

Brief van de Ministers van Economische Zaken en Klimaat, Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Kamerstukken I, 2021–2022, 35 420, BN.

X Noot
6

Brief van de Ministers van Economische Zaken en Klimaat, Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Kamerstukken I, 2021–2022, 35 420, BL.

X Noot
7

Brief van de Ministers van Economische Zaken en Klimaat, Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Kamerstukken I, 2021–2022, 35 420, BN.

X Noot
8

Brief van de Ministers van Economische Zaken en Klimaat, Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Kamerstuk 35 420, BL.

X Noot
9

Brief van de Ministers van Economische Zaken en Klimaat, Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Kamerstuk 35 420, BN.

Naar boven