Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2021-2022 | 35420 nr. BR |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2021-2022 | 35420 nr. BR |
Vastgesteld 7 februari 2022
De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 hebben kennisgenomen van de brief van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Financiën, de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 november 2021 inzake de aanvullingen in het steunpakket in het vierde kwartaal van 2021 en de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december 2021 ter aanbieding van de Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-5)2.
Naar aanleiding hiervan is op 20 december 2021 een brief gestuurd aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 3 februari 2022 gereageerd.
De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.
De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van der Bijl
Aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Den Haag, 20 december 2021
De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief d.d. 26 november 2021 (mede namens de Minister van EZK, de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst) inzake de aanvullingen in het steunpakket in het vierde kwartaal van 2021 en uw brief van 10 december 2021 ter aanbieding van de Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-5)3. De leden van de fracties van het CDA en D66 wensen naar aanleiding daarvan enkele vragen te stellen. De leden van de D66-fractie sluiten zich aan bij de vragen van de CDA-fractie en de leden van de CDA-fractie sluiten zich aan bij de vragen van de D66-fractie. De leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA sluiten zich aan bij de vragen van het CDA en D66. De fractie van de PvdD sluit zich aan bij de vragen van de D66-fractie over flexwerkers, zzp’ers en kleine makers in de cultuursector.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De omstandigheden die tot overweging van de heropening van de vijfde Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkbehoud (NOW-5) ten grondslag liggen werpen bij de evenementensector, die vanaf 2020 zeer zwaar is getroffen, hun schaduwen reeds duidelijk vooruit naar het eerste kwartaal 2022 en mogelijk al naar het kwartaal daarna. Reeds in de maanden november en december 2021 vinden in deze sector annuleringen van grote concerten van bijvoorbeeld meer dan 5.000 toeschouwers plaats. Zie bijvoorbeeld de activiteitenkalenders van de Ziggo Dome, MECC Maastricht, Ahoy Rotterdam et cetera. Deze annuleringen zullen zich naar de huidige stand van zaken naar alle waarschijnlijkheid voortzetten in het eerste kwartaal 2022. Daarbij speelt een belangrijke rol dat vanuit de huidige onzekerheid concertorganisatoren, toeleveringsbedrijven, orkesten en artiesten zich, vanwege de huidige Covid19-beperkingen, momenteel niet het risico kunnen veroorloven om deze (soms meer dan een jaar vooruit geplande) concerten te laten doorgaan. Is de regering het met de leden van de CDA-fractie eens dat dit nu reeds noodzaakt tot een verlenging van NOW-5 tot minimaal het eerste kwartaal 2022? Het te verwachten omzetverlies in het eerste kwartaal 2022 kan nu reeds in redelijkheid worden ingeschat. Hoe staat de regering tegenover het maken van een onderscheid in dit verband tussen bedrijven met een gezonde kern en continuïteit (verklaring/toetsing door accountant) en hun bijdrage aan de economie en werkgelegenheid en zogenaamde zombiebedrijven?
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de fractie van D66 vragen of de regering kan aangeven wat het verwachte effect is van de aanvullende steun en maatregelen op de spaartegoeden van Nederlandse huishoudens, en op de nu al hoge inflatie. Kan de regering de gevolgen van de aanvullende steun op de krapte op de arbeidsmarkt schetsen? Hoeveel banen worden door de NOW-5 in stand gehouden? Kan daarnaast inzicht worden gegeven in het aantal medewerkers dat de NOW-5 ontvangt en dat met weinig of geen bij- of omscholing aan het werk zou kunnen in een sector met grote personeelstekorten?
In de brief lezen de leden van de D66-fractie dat de steun uit het aanvullende sociaal pakket op veel onderdelen in 2022 doorloopt. Welke steun is er in 2022 voor bijscholing en omscholing voor banen in krimpende sectoren en sectoren met structurele personeelstekorten? Hoe worden medewerkers die de NOW-5 ontvangen, geïnformeerd over de mogelijkheden tot bijscholing en omscholing en acht de regering de informatievoorziening voldoende?
Heeft u kennisgenomen van de rapporten van de Boekmanstichting4, 5 over de precaire positie van zelfstandigen en andere flexwerkers in de culturele sector? Hoe beoordeelt de regering de aanbevelingen uit deze rapporten om zzp’ers en flexwerkers beter te beschermen en te steunen met deze en toekomstige steunmaatregelen? Naar aanleiding van berichten dat de steun aan instellingen in de culturele sector de makers niet voldoende bereikt6, vragen de leden van de D66-fractie hoe de regering waarborgt dat de steun ook terecht komt bij zelfstandige culturele makers.
Kan de regering toelichten waarom er niet voor is gekozen om de Tozo te verlengen om zzp’ers inkomensondersteuning te bieden, in plaats van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz), terwijl de NOW wel is verlengd om ondernemers te ondersteunen bij het doorbetalen en in dienst houden van hun werknemers? In tegenstelling tot de Tozo is er in de Bbz een levensvatbaarheidstoets en een kostendelersnorm. Waarom acht de regering deze voorwaarden nu wel nodig bij inkomensondersteuning voor zzp’ers? Wat is het verwachte effect van deze verscherpte voorwaarden op het aantal aanvragen door zzp’ers? Wat zijn de mogelijkheden voor zzp’ers om in bezwaar te gaan wanneer hun onderneming niet levensvatbaar wordt beoordeeld en wat zijn de gevolgen voor hun aanvraag?
De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken.
De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M.L. Vos
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 februari 2022
Hierbij zend ik u, mede namens de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen en de Staatssecretaris Cultuur en Media, de antwoorden op de vragen die de Eerste Kamerfracties van CDA en D66 hebben gesteld bij de kabinetsbrief aanvullende aanpassingen in het steunpakket in het vierde kwartaal en kabinetsbrief aankondiging publicatie NOW-5, ondersteund door de fracties van GroenLinks, PvdA en PvdD (kenmerk 170319.01u, ingezonden 20 december 2021).
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, C.E.G. van Gennip
Beantwoording van de vragen van de fractie van CDA
1)
Is de regering het met de leden van de CDA-fractie eens dat dit nu [het annuleren van evenementen] reeds noodzaakt tot een verlenging van NOW-5 tot minimaal het eerste kwartaal 2022?
Het kabinet is het ermee eens dat de verlenging van de contactbeperkende maatregelen grote gevolgen heeft voor bedrijven en werkenden. Om werkenden en ondernemers te helpen heeft het voorgaande kabinet besloten om het economische steunpakket ook in het eerste kwartaal van 2022 beschikbaar te maken.7 Daarmee zal er in het eerste kwartaal van 2022 ook NOW-subsidie voor werkgevers beschikbaar zijn.
2)
Het te verwachten omzetverlies in het eerste kwartaal 2022 kan nu reeds in redelijkheid worden ingeschat. Hoe staat de regering tegenover het maken van een onderscheid in dit verband tussen bedrijven met een gezonde kern en continuïteit (verklaring/toetsing door accountant) en hun bijdrage aan de economie en werkgelegenheid en zogenaamde zombiebedrijven?
Het maken van een dergelijk onderscheid kan wenselijk zijn om steun beter te richten, maar is niet verantwoord mogelijk. Een dergelijke toets zal zorgen voor een aanzienlijke verhoging van de administratieve lasten en forse vertragingen in de vaststellingen, wat zorgt voor meer onzekerheid bij werkgevers en wat uiteindelijk de effectiviteit van loonsteun zal doen afnemen. Verder zal het ook aanvullende capaciteit van accountants vragen, terwijl de huidige werkzaamheden al aanzienlijk zijn. Om deze reden is er vorig jaar een serie administratieve lastenverlichtingen doorgevoerd. De toets beleggen bij een uitvoerder zoals bijvoorbeeld UWV is niet uitvoerbaar omdat UWV niet beschikt over de benodigde gegevens, capaciteit en expertise. Tenslotte is het de vraag tot in hoeverre het maken van een onderscheid tussen bedrijven die wel en geen steun ontvangen toegestaan is in het kader van staatssteun.
Beantwoording van de vragen van de fractie van D66
3)
De leden van de fractie van D66 vragen of de regering kan aangeven wat het verwachte effect is van de aanvullende steun en maatregelen op de spaartegoeden van Nederlandse huishoudens, en op de nu al hoge inflatie.
De hogere inflatie in 2021 wordt vooral veroorzaakt door de prijsontwikkeling van elektriciteit en gas. Elektriciteit was in 2021 gemiddeld 22,2 procent duurder dan een jaar eerder. In 2020 was elektriciteit nog 39,6 procent goedkoper dan het jaar ervoor. Gas was gemiddeld 16,7 procent duurder dan het jaar ervoor, in 2020 was de stijging 2,6 procent. Bovendien had Nederland voor de pandemie een zeer lage inflatie. Doordat de inflatie wordt berekend ten opzichte van dezelfde periode in 2020, ontstaat een «statistisch basiseffect» en pakt de inflatie in 2021 automatisch hoger uit. Ten slotte, stijgen door verstoringen in de internationale waardeketens en de aantrekkende internationale vraag de prijzen van grondstoffen. Dit kan bedrijven ertoe bewegen de hogere productiekosten door te berekenen aan consumenten.
Daarmee hangt de nu al hoge inflatie meer samen met de (internationale) ontwikkelingen dan met de steunmaatregelen. De aanvullende steunmaatregelen zorgen er wel voor dat de effectieve vraag grotendeels in stand wordt gehouden en dat werknemers en ondernemers hun spaartegoeden minder hoeven aan te spreken, maar lijkt niet direct tot een prijsopdrijvend effect te leiden. Stel dat, bij het loslaten van de aanbodbeperkende maatregelen, de uitgave van de spaartegoeden toch tot extra (inhaal)consumptie leidt, dan is het mogelijk dat de productie van goederen en diensten bij deze extra vraag achterblijft. In dat geval zullen de prijzen stijgen en neemt de inflatie dus toe.
Naar verwachting zullen de spaartegoeden echter niet massaal uitgegeven worden, onder meer omdat de extra besparingen zich vooral hebben opgestapeld in de hogere inkomensgroepen.
Met oog op de toekomst valt nog te zeggen dat hoewel veel bedrijven het nu zwaar hebben door de coronamaatregelen, een groot deel van de economie op dit moment op volle toeren draait. Dit heeft ook consequenties, zo is de arbeidsmarkt zeer krap. In een dergelijke situatie kan langdurige en omvangrijke budgettaire stimulus het risico op oververhitting, waaronder ook inflatie, met zich meebrengen.
4)
Kan de regering de gevolgen van de aanvullende steun op de krapte op de arbeidsmarkt schetsen? Hoeveel banen worden door de NOW-5 in stand gehouden? Kan daarnaast inzicht worden gegeven in het aantal medewerkers dat de NOW-5 ontvangt en dat met weinig of geen bij- of omscholing aan het werk zou kunnen in een sector met grote personeelstekorten?
Het huidige ruimhartige steunpakket houdt bedrijvigheid en banen in stand. Dat heeft enerzijds positieve economische effecten omdat werknemers vaak bedrijfsspecifieke kennis hebben, er kosten gemoeid zijn met het zoeken naar een nieuwe baan of werknemer en werkloosheid kan leiden tot verlies van algemene vaardigheden. Anderzijds bestaan er ook economische nadelen aan deze vorm en omvang van steun, die naarmate corona langer bij ons blijft ook steeds groter zullen worden. Zo zijn de nadelen groter als de steun langer duurt en als de noodzaak om de economie en arbeidsmarkt aan te passen groter wordt. De steun is dan verstorend voor de economie, komt bovendien niet altijd op de juiste plekken terecht, en doet een groot beroep op de overheidsfinanciën. Dit zien we onder meer terug in de beperkte economische dynamiek van bedrijfsopheffing en bedrijfscreatie. Het in stand houden van niet levensvatbare bedrijven zorgt ook voor oneigenlijk concurrentie voor levensvatbare bedrijven. De verstoringen in de economie vertalen zich ook in verstoringen op de arbeidsmarkt.
De NOW zorgt er bovendien voor dat de arbeidsmarkt zich minder goed kan aanpassen, omdat de NOW werkenden (in getroffen sectoren) vasthoudt. De NOW is daarom naast de snelle opstart van de economie een van de medeoorzakers van de oplopende krapte op de arbeidsmarkt. Ook was er voor de coronacrisis al sprake van krapte. Dit terwijl er juist een grotere noodzaak is voor aanpassing op de arbeidsmarkt. De coronacrisis heeft namelijk gezorgd voor een verschuiving van werkgelegenheid van de ene sector naar de andere. In bepaalde sectoren zal er structureel of voor langere tijd minder werk zijn, terwijl er in andere sectoren een groot tekort aan personeel is. Het steunpakket kan op deze manier economische groei in de weg staan. Het is namelijk van belang dat mensen de overstap kunnen maken van sectoren met een verminderd perspectief, naar andere sectoren of andere branches waarin men juist staat te springen om extra werknemers.
Tot 14 januari 2022 zijn er 26.992 aanvragen voor NOW-5 binnengekomen bij het UWV, die betrekking hebben op 469.677 werknemers. De meeste steun is aangevraagd door werkgevers in de horeca en catering, overige commerciële dienstverlening en detailhandel. Deze sectoren ontvingen ook in de eerdere NOW regelingen de meeste steun. Er zijn geen gegevens beschikbaar over hoeveel van deze werkenden met weinig of geen bij- of omscholing aan het werk zouden kunnen in een sector met grote personeelstekorten. De NOW-regeling loopt op bedrijfsniveau, er is geen informatie bekend over welke werknemers er wel/niet kunnen blijven werken en over welke kwaliteiten deze werknemers beschikken. Gegevens hierover zullen bekend worden gemaakt via de evaluatie van het NL leert door programma als onderdeel van het aanvullend sociaal pakket. Omdat regelingen uit dit programma nog doorlopen tot eind 2022 zullen deze gegevens pas eind dit jaar, begin 2023 bekend worden.
5)
Welke steun is er in 2022 voor bijscholing en omscholing voor banen in krimpende sectoren en sectoren met structurele personeelstekorten? Hoe worden medewerkers die de NOW-5 ontvangen, geïnformeerd over de mogelijkheden tot bijscholing en omscholing en acht de regering de informatievoorziening voldoende?
De NOW is een subsidie voor werkgevers. Zij hebben een inspanningsverplichting om werknemers te stimuleren om deel te nemen aan een ontwikkeladvies of aan scholing. Daarnaast geldt de verplichting voor werkgevers om zich in te spannen voor de begeleiding van met ontslag bedreigde werknemers naar ander werk. De NOW-subsidie kan met 5% worden gekort als werkgevers in het geval van bedrijfseconomisch ontslag geen contact opnemen met UWV voor ondersteuning bij het vormgeven van de van werk naar werk begeleiding. Het kabinet heeft ondersteuning richting nieuw of ander werk mogelijk gemaakt voor begeleiding, ontwikkeling en scholing via maatregelen uit het aanvullend sociaal pakket. Een voorbeeld hiervan is de subsidieregeling omscholing naar kansrijke beroepen in de ICT en techniek die in 2022 opnieuw zal worden opengesteld.
Verder zal vanaf maart 2022 de STAP-regeling in werking treden. Iedereen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt kan dan een financiële tegemoetkoming aanvragen voor scholing gericht op eigen ontwikkeling en duurzame inzetbaarheid. Daarnaast zal begin 2022 het nieuwe aanbod uit NL leert door met inzet van scholing beschikbaar komen. Iedereen kan dan kosteloos scholing volgen via hoewerktnederland.nl en via de aangesloten opleiders.
6)
Heeft u kennisgenomen van de rapporten van de Boekmanstichting over de precaire positie van zelfstandigen en andere flexwerkers in de culturele sector? Hoe beoordeelt de regering de aanbevelingen uit deze rapporten om zzp’ers en flexwerkers beter te beschermen en te steunen met deze en toekomstige steunmaatregelen? Naar aanleiding van berichten dat de steun aan instellingen in de culturele sector de makers niet voldoende bereikt, vragen de leden van de D66-fractie hoe de regering waarborgt dat de steun ook terecht komt bij zelfstandige culturele makers.
Ja, de rapporten van de Boekmanstichting zijn mij bekend. Met de uitwerking van en specifieke afspraken rondom het vijfde specifieke steunpakket voor de culturele en creatieve sector streeft de regering naar een betere waarborg dat de middelen ook bij zelfstandige culturele makers terechtkomt. Zo sprak voormalig demissionair Minister van Engelshoven (OCW) eind december 2021 af met de Nederlandse Associatie voor Podiumkunsten (NAPK) en de Vereniging Vrije Theaterproducenten (VVTP) dat de coronasteunpakketten zo veel mogelijk zullen worden gebruikt om zelfstandigen uit de cultuursector, zoals acteurs en artiesten, door te betalen. Met deze afspraak wordt het belang van de makers, technici en andere zelfstandigen erkend. Onder andere de nieuwe compensatieregeling bij het Fonds Podiumkunsten die tot 85% van de kaartopbrengsten vergoedt stelt instellingen in staat zelfstandige culturele makers door te betalen, ook als voorstellingen door de maatregelen worden geannuleerd.
Vraag 7:
a) Kan de regering toelichten waarom er niet voor is gekozen om de Tozo te verlengen om zzp’ers inkomensondersteuning te bieden, in plaats van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz), terwijl de NOW wel is verlengd om ondernemers te ondersteunen bij het doorbetalen en in dienst houden van hun werknemers?
b) In tegenstelling tot de Tozo is er in de Bbz een levensvatbaarheids-toets en een kostendelersnorm. Waarom acht de regering deze voorwaarden nu wel nodig bij inkomensondersteuning voor zzp’ers?
c) Wat is het verwachte effect van deze verscherpte voorwaarden op het aantal aanvragen door zzp’ers?
d) Wat zijn de mogelijkheden voor zzp’ers om in bezwaar te gaan wanneer hun onderneming niet levensvatbaar wordt beoordeeld en wat zijn de gevolgen voor hun aanvraag?
Vraag 7, onderdelen a en b
Per 1 oktober jl. is de Tozo stopgezet en is er voor zelfstandigen inkomensondersteuning beschikbaar in de vorm van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Per 1 oktober is het Bbz tijdelijk (gedurende het vierde kwartaal van 2021) vereenvoudigd. Hierdoor is de overgang van de Tozo naar het Bbz voor gemeenten beter uitvoerbaar en kan aan zelfstandigen die dat nodig hebben tijdig inkomensondersteuning worden geboden. De verwachting was dat na deze overgangsperiode met ingang van 1 januari 2022 de overstap naar het reguliere Bbz zou kunnen worden gemaakt. Nu blijkt dat door de recente aanscherping van de contactbeperkende maatregelen het aantal aanvragen voor het Bbz snel oploopt heeft het kabinet besloten om het vereenvoudigde Bbz met drie maanden te verlengen (vanaf 1 januari 2022 tot 1 april 2022).
De verlenging van het vereenvoudigde Bbz houdt in dat de volgende vereenvoudigingen van het reguliere Bbz ook voor de periode van 1 januari tot 1 april 2022 gelden:
• Het buiten toepassing laten van de vermogenstoets;
• Het mogelijk maken van het aanvragen van de Bbz-uitkering met terugwerkende kracht (maximaal twee maanden);
• Het vaststellen van het inkomen en de hoogte van de Bbz-uitkering per kalendermaand (in plaats van per boekjaar) en de directe verstrekking van de Bbz-uitkering «om niet» (en niet als voorlopige lening).
Het kabinet heeft er niet voor gekozen om de Tozo opnieuw open te stellen. De Tozo is in maart 2020 ingevoerd om gemeenten in staat te stellen om het oplopende aantal aanvragen voor het Bbz tijdig af te kunnen doen. Ondanks dat er nu ook sprake is van een stijging van de aantallen aanvragen van het (vereenvoudigde) Bbz, is deze stijging niet te vergelijken met de situatie als bij de invoering van de Tozo in 2020. Vanuit uitvoeringstechnisch oogpunt is het daarnaast niet wenselijk om in korte tijd verschillende keren van systematiek te wisselen. Verder ontbreekt bij de Tozo een toets op levensvatbaarheid van de onderneming. Het kabinet vindt het in deze fase van de pandemie van belang dat de inkomensondersteuning bij die zelfstandigen terecht komt van wie verwacht wordt dat ze na het wegvallen van de contactbeperkende maatregelen in staat zijn hun onderneming succesvol voort te zetten. Voor zelfstandigen waarvan de onderneming niet levensvatbaar is, worden er naast inkomensondersteuning met voorwaarde van bedrijfsbeëindiging vanuit gemeenten mogelijkheden geboden tot heroriëntatie richting andere (bedrijfs)activiteiten. Dit is in het belang van zelfstandigen zelf. Het kabinet heeft samen met de VNG geconcludeerd dat voortzetting van het vereenvoudigd Bbz het beste past bij de huidige situatie. Gemeenten bieden daarnaast ook schuldhulpverlening aan zelfstandig ondernemers.
Onderdeel c:
Het mogelijke aantal aanvragen indien de Tozo in het eerste kwartaal van 2022 zou gelden is moeilijk in te schatten, omdat dit met veel onzekerheid is omgeven. De vergelijking tussen het aantal aanvragen Tozo en het aantal aanvragen voor het vereenvoudigde Bbz kan door deze onzekerheid niet op zinvolle wijze worden gemaakt.
Onderdeel d:
Indien een gemeente de aanvraag voor het vereenvoudigd Bbz afwijst (bijvoorbeeld omdat de onderneming niet levensvatbaar zou zijn) kan de ondernemer hiertegen in bezwaar gaan. In de bezwaarprocedure zal dan een herbeoordeling plaatsvinden van de aanvraag.
Samenstelling:
Kox (SP), Essers (CDA), Ester (CU), Vos (PvdA) (voorzitter), Van Strien (PVV), Oomen-Ruijten (CDA), Schalk (SGP), Stienen (D66), De Bruijn-Wezeman (VVD) (ondervoorzitter), A.J.M. van Kesteren (PVV), Van Rooijen (50PLUS), Van Ballekom (VVD), Crone (PvdA), Frentrop (FVD), Geerdink (VVD), Van Gurp (GL), Moonen (D66), Rosenmöller (GL), Vendrik (GL), De Vries (Fractie-Otten), De Blécourt-Wouterse (VVD), Van Pareren (Fractie-Nanninga), Berkhout (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Prast (PvdD) en vacant (CDA).
Boekmanstichting, 14 december 2021, «Jaarrapportage 2021», https://www.cultuurmonitor.nl/jaarrapportage-2021/.
Goudriaan, R. et al., 27 mei 2021, «Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund: Effecten van de coronacrisis in de culturele sector», https://www.boekman.nl/wp-content/uploads/2021/05/Ongelijk-getroffen-ongelijk-gesteund_def.pdf.
Elsje Jorritsma, 2 december 2021, «We dachten we redden het wel, maar het kan echt niet meer», NRC Handelsblad, https://www.nrc.nl/nieuws/2021/12/02/we-dachten-we-redden-het-wel-maar-het-kan-echt-niet-meer-a4067744.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35420-BR.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.