35 420 Noodpakket banen en economie

BQ BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 februari 2022

In de Kamerbrief «Steunpakket in het eerste kwartaal van 2022» van 14 december jl.1 heeft het kabinet aangekondigd dat het de coronafinancieringsregelingen Garantie Ondernemersfinanciering Corona (GO-C), Garantie Kleine Krediet Corona (KKC), Borgstelling MKB-Kredieten Corona (BMKB-C) en Qredits overbruggingskredieten opnieuw beschikbaar wil stellen tot en met 30 juni 2022.

Conform het beleidskader risicoregelingen vindt een aanpassing van een bestaande risicoregeling plaats aan de hand van het Toetsingskader Risicoregelingen dat na instemming van de ministerraad aan beide Kamers gestuurd wordt. Op vrijdag 14 januari jl. zijn de toetsingskaders geaccordeerd in de ministerraad. De toetsingskaders risicoregelingen rijksoverheid, inzake de verlenging tot en met 30 juni 2022 van de regelingen GO-C, KKC, BMKB-C, en Qredits Overbruggingskrediet bestaande ondernemers en starters, bied ik u hierbij aan. Deze toetsingskaders zijn ook aan de Tweede Kamer aangeboden.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, M.A.M. Adriaansens

TOETSINGSKADER RISICOREGELINGEN RIJKSOVERHEID

Conform het beleidskader risicoregelingen (dat onderdeel uitmaakt van de begrotingsregels 2018–2021) vindt besluitvorming over een nieuwe risicoregeling (garantie, lening en achterborgstelling) en/of aanpassing van een bestaande risicoregeling plaats aan de hand van het «Toetsingskader Risicoregelingen». Na besluitvorming in de ministerraad wordt het toetsingskader verstuurd aan het parlement.

Inleiding

Starters en kleine ondernemers worden hard geraakt door de coronacrisis. Deze doelgroep heeft behoefte aan overbruggingskredieten vanwege verminderde liquiditeit. Qredits, Stichting voor microfinanciering, is opgericht in 2009. De doelgroep van Qredits is starters en kleine ondernemers. EZK heeft garanties verstrekt aan EIB voor € 86,7 mln. (80%), CEB (€ 13,3 mln., 80% en € 5 mln., 50%) en BNG (€ 25 mln., 50%). Daarnaast heeft EZK een achterstelling verleend in 2020 aan BNP Paribas (€ 10 mln.) en in 2021 een achterstelling voor een lening van € 5 mln. en € 10 mln.

Qredits is in het eerste coronamaatregelenpakket, Kamerbrief van 17 maart 2020, opgenomen om uitstel tot aflossing met rentekorting aan te kunnen bieden aan bestaande klanten met een subsidie van € 6 mln. euro.

Om starters en kleine ondernemers te voorzien van overbruggingskredieten heeft het kabinet corona overbruggingskredieten via Qredits tot stand gebracht. Er is een achtergestelde lening van € 25 mln. door het kabinet ter beschikking gesteld (Tweede incidentele suppletoire begroting EZK inzake Noodpakket Banen en Economie van 15 april 2020). De Staat stelt via een lening aan Qredits de middelen ter beschikking, zodat Qredits corona overbruggingskredieten kan verstrekken aan starters en kleine ondernemers.

Sinds juli 2020 biedt Qredits voor starters en kleine ondernemers overbruggingskredieten aan van maximaal € 25.000 per klant, met een rente van 2% in het eerste jaar en 5,75% in de daarop volgende jaren. De looptijd van de overbruggingskredieten is in beginsel 48 maanden doch niet langer dan 72 maanden. Naast kredieten krijgen ondernemers ook coaching aangeboden. De overbruggingskredieten zijn voor bestaande en nieuwe klanten beschikbaar.

Deze regeling is opgehoogd met € 30 mln. voor bestaande ondernemers (Negende incidentele suppletoire begroting inzake diverse steunmaatregelen COVID-19 en nieuwe verlenging waardevermeerderingsregeling van 12 oktober 2021). De reden is dat er nog steeds sprake is van bedrijven die getroffen zijn door de coronacrisis en liquiditeit nodig hebben.

Daarnaast waren er flinke problemen voor startende ondernemers, die niet of nauwelijks effectief gebruik kunnen maken van de andere bestaande steunmaatregelen, zoals de TVL en de NOW. Hiervoor is een nieuwe regeling met coulante voorwaarden voor startende ondernemers (gestart in Q1 en Q2 2020) met een budget van € 40 mln. voor overbruggingskredieten in het leven geroepen (Negende incidentele suppletoire begroting inzake diverse steunmaatregelen COVID-19 en nieuwe verlenging waardevermeerderingsregeling van 12 oktober 2021). Sinds mei 2021 biedt Qredits voor starters gestart in Q1 en Q2 2020 overbruggingskredieten aan van maximaal € 35.000 per klant, met een rente van 1,75% gedurende de looptijd. De looptijd van de overbruggingskredieten is in beginsel standaard 60 maanden doch niet langer dan 72 maanden.

Zowel de Qredits overbruggingskredieten voor bestaande ondernemers en starters zijn verlengd tot 1 juli 2022. In de suppletoire begroting 2022 is voor Qredits overbruggingskredieten in totaal een subsidieplafond opgenomen van € 23 mln. (Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor het jaar 2022 (Incidentele suppletoire begroting inzake het steunpakket in het eerste kwartaal van 2022 en regeling omzetderving waterschade Limburg) | Tweede Kamer der Staten-Generaal)). Dit is onderverdeeld in € 11 mln. voor starters overbruggingskredieten en € 12 mln. voor overbruggingskredieten voor bestaande ondernemers. Hiermee is het totale budget dat Qredits kan verstrekken over de periode 2020–2022 voor het reguliere overbruggingskrediet € 55 mln en voor het starterskrediet in de periode 2021–2022 € 12,7 mln. Het bedrag voor de startersregeling kan nog iets oplopen. Dit bestaat uit budget 2022 (€ 11 mln) en de realisatie van 2021 (€ 1,7 mln) waarvan de laatste cijfers op 9/12/2021 bekend zijn geworden).

Probleemstelling en rol van de overheid

  • 1. Wat is het probleem dat aanleiding is voor het beleidsvoorstel?

    Nederland kent een verscheidenheid aan mkb-bedrijven zonder bancaire financieringsrelatie. Mkb-bedrijven zijn cruciaal voor het toekomstig verdienvermogen van Nederland, maar door de COVID-19-uitbraak ook kwetsbaar. Vaak kunnen starters en kleine ondernemers (nog) niet bij een bank terecht en komen daardoor bij Qredits terecht. De meeste ondernemers hebben een significant omzetverlies omdat tijdelijk gesloten of niet meer kunnen leveren. De vaste kosten lopen door, waardoor er acuut een liquiditeitstekort kan ontstaan. Dit geldt met name voor de klantengroep van Qredits, starters en kleine ondernemers. De meeste micro- en kleine ondernemingen hebben weinig financiële reserves. Dat is een typisch kenmerk van de kredietportefeuille van een microfinancieringsbedrijf als Qredits. De meeste ondernemers in het micro- en kleinbedrijf hebben behoefte aan tijdelijk lage financieringslasten én tijdelijk extra liquiditeit en werkkapitaal om de negatieve effecten van de COVID-19-virusuitbraak voor de komende maanden te kunnen opvangen.

    Ten behoeve van deze doelgroep heeft het kabinet besloten middelen beschikbaar te stellen via Qredits om starters en kleine ondernemers snel en accuraat te voorzien van kredieten (corona-overbruggingskredieten). Er is voor Qredits gekozen omdat deze als «trusted party» van de overheid de doelstelling en belangen van de Staat het beste kan waarborgen en ervaring heeft met dienstverlening aan deze doelgroep.

  • 2. Waarom rekent de centrale overheid het tot haar verantwoordelijkheid om het probleem op te lossen?

    Qredits richt zich als microfinanciersbedrijf op het helpen van het micro- en kleinbedrijf om door de (economische) crisis van de COVID-19-virusuitbraak heen te komen en wil haar doelgroep kunnen voorzien in de dringende behoefte aan overbruggingskredieten. Er zijn verder geen marktpartijen die overbruggingskredieten onder genoemde non-marktconforme condities willen en kunnen verstrekken (bijvoorbeeld door een capaciteitstekort bij de banken), ten behoeve van het ondersteunen van de getroffen doelgroep. Omdat de problematiek op landelijk niveau aan de orde is, heeft het kabinet besloten deze problematiek ook via een nationaal instrument – Qredits – aan te pakken, zodat de voorwaarden waaronder de overbruggingskredieten worden verstrekt nationaal gelden.

  • 3. Is het voorstel voor de risicoregeling:

    • a) ter compensatie van risico’s die niet in de markt kunnen worden gedekt, en/of

    • b) het beste instrument waarmee een optimale doelmatigheidswinst kan worden bewerkstelligd ten opzichte van andere beleidsinstrumenten? Maak een vergelijking met alternatieve beleidsinstrumenten.

      Het instrument dient ter afdekking van risico’s die niet in de markt kunnen worden gedekt (a). Er zijn geen marktpartijen die overbruggingskredieten onder genoemde non-marktconforme condities willen en kunnen verstrekken (bijvoorbeeld door capaciteitstekort bij de banken) ten behoeve van het ondersteunen van de getroffen doelgroep. Qredits heeft ca 12.000 bestaande klanten, de helft heeft gebruik gemaakt van uitstel tot aflossing, een kwart voor een tweede keer (wekelijks voortgangsoverzicht Qredits). Inmiddels hebben circa 3000 ondernemers gebruik gemaakt van een overbruggingskrediet (9/12/21). Dit gaat om bestaande en nieuwe klanten.

      Banken verwijzen voor kleine kredieten nu al door naar Qredits.

  • 4. Op welke wijze wordt het nieuw aan te gane risico gecompenseerd door risico’s vanuit andere risicoregelingen binnen de begroting te verminderen?

    Niet. De begroting van EZK is gesuppleerd ten behoeve van de uitvoering van deze tijdelijke en eenmalige regeling.

Risico’s en risicobeheersing

  • 5. Wat zijn de risico’s van de regeling voor het Rijk:

    • a. Wat is het totaalrisico van de regeling op jaarbasis? Kent de regeling een totaalplafond?

      Voor het reguliere overbruggingskrediet was er in 2020 en 2021 € 55 mln beschikbaar. Hiervan is t/m 9 december 2021 € 43,4 mln gebruikt. Voor het overbruggingskrediet starters was in 2021 € 40 mln beschikbaar waar op 9 december circa € 1,7 mln gebruikt was. Voor het jaar 2022 is in totaal (starters en regulier) € 23 mln beschikbaar. Hiervan is € 12 mln voor het reguliere overbruggingskrediet en € 11 mln voor het starterskrediet. Verlies op de regeling kan gezien het risicoprofiel van onderliggende portefeuille mogelijk significant zijn.

      Bestaande faciliteit voor overbruggingskredieten

      Het gaat om een overbruggingskrediet in de vorm van een lening die door Qredits wordt verstrekt aan onderneming (met een rentepercentage van 2% in het eerste jaar en vervolgens 5,75% per jaar). De top drie sectoren die gebruik maken van overbruggingskredieten zijn: zorg en verzorging (13,7%), horeca (13,4%) en zakelijke dienstverlening (13,0%). Er zijn ruim 2922 kredieten verstrekt peildatum 9/12/21. Deze lening moet binnen 6 jaar worden terugbetaald aan Qredits. Qredits lost na 10 jaar de lening van de Staat af. Afhankelijk van hoe de economie zich komende tijd ontwikkelt en de bedrijfsspecifiek situatie, zullen deze kredieten dus worden terugbetaald. Qredits hecht aan de lening voor 10 jaar. De afgeloste bedragen kunnen niet opnieuw worden ingezet voor andere leningen. Qredits moet een aparte registratie van deze lening voeren. Bij aflossing van Qredits op de lening aan de Staat vloeien de middelen terug naar het algemeen beeld van de Rijksbegroting.

      De regeling betreft leningen tot max. € 25.000,–, het gemiddelde bedrag was € 15.000,– bij de reeds verstrekte € 25 mln. We verwachten met de resterende circa € 12 mln. circa. 800 ondernemers te kunnen bereiken.

      Faciliteit voor starters

      Het gaat om een overbruggingskrediet in de vorm van een lening die door Qredits wordt verstrekt aan onderneming van een startende ondernemer in Q1 en Q2 2020 met een rentepercentage van 1,75% gedurende de looptijd. Deze lening moet binnen 6 jaar worden terugbetaald aan Qredits. Qredits lost na 7 jaar de lening van de Staat af. Afhankelijk van hoe de economie zich komende tijd ontwikkelt en de bedrijfsspecifiek situatie, zullen deze kredieten dus worden terugbetaald. Qredits moet een aparte registratie van deze lening voeren. Bij aflossing van Qredits op de lening van de Staat vloeien de middelen terug naar het algemeen beeld.

      De regeling betreft leningen tot max. € 35.000,–. Het gemiddelde bedrag was € 18.000,– bij de reeds verstrekte € 1,7 mln. We verwachten met de resterende circa € 11 mln. circa 600 ondernemers te kunnen bereiken.

    • b. Hoe staan risico en rendement van de regeling tot elkaar in verhouding?

      Vergoeding op onderliggende leningen in het kader van de bestaande faciliteit overbruggingskrediet is gestandaardiseerd op 2% het eerste jaar en 5,75% de daaropvolgende jaren. Naar verwachting zal dit niet voldoende zijn om de verliezen te kunnen opvangen. Dit past binnen het tijdelijk staatsteunkader van de Europese Commissie. Dit is conform de afgesloten overeenkomst met Qredits.

      Voor de startersleningen is het 1,75% rente gedurende de looptijd en geen aflossing in het 1e jaar.

    • c. Wat is de inschatting van het risico voor het Rijk in termen van waarschijnlijkheid, impact, blootstellingduur en beheersingsmate?

      Uitvoering van de regeling is belegd bij Qredits, die hiervoor een beheervergoeding ontvangt. Gezien de looptijd van de leningen moet rekening gehouden worden met beheersmatige activiteiten tot 7 jaar (exclusief uitloop in relatie tot inning van achterstallige verplichtingen leningnemers).

  • 6. Welke risico-beheersende en risico-mitigerende maatregelen worden getroffen om het risico voor het Rijk te minimaliseren? Heeft de budgettair verantwoordelijke Minister voldoende mogelijkheden tot beheersing van de risico’s, ook als de regeling op afstand van het Rijk wordt uitgevoerd?

    Er is periodiek overleg tussen EZK en Qredits om de voortgang van de uitvoering te bespreken. De beoordeling van de aanvragen wordt uitgevoerd door Qredits en worden geselecteerd op onder andere voldoende verdienvermogen ten behoeve van de terugbetaling van de overbruggingskredieten. Tevens moet de financiering aantoonbaar COVID-19 gerelateerd zijn.

    Voor de startersleningen loopt dit tot in beginsel 2028. Daarna kan de periode worden verlengd op basis van de dan nog uitstaande portefeuille. Voor de overbruggingskredieten voor bestaande ondernemers loopt dit tot in beginsel 2030.

    De uiteindelijke begunstigden betreffen de klanten van Qredits. Dit betreffen starters en kleine ondernemers in diverse branches. De klanten van Qredits worden gescreend bij het aangaan van de lening op basis van kwantitatieve criteria. Deze screening is gericht op een goed onderbouwd ondernemersplan in relatie tot de levensvatbaarheid van het bedrijf. Daarnaast vindt ook altijd een gesprek plaats met één van de bedrijfsadviseurs van Qredits. Het risico op onbetrouwbaarheid van de starters en kleine ondernemers wordt klein geacht. De betalingsmoraal van de klanten blijkt elke maand uit de incasso van rente en aflossing. Qredits houdt de aflossing van haar klanten goed in de gaten en heeft meteen contact met ondernemer als hij een maand achterloopt met aflossing.

  • 7. Bij complexe risico's: hoe beoordeelt een onafhankelijke expert het risico van het voorstel en de risico-beheersende en risico-mitigerende maatregelen van Rijk?

    Er is geen sprake van complexe risico’s, de klantscreening door Qredits dekt de complexe risico’s af voor de reguliere overbruggingskredieten. Het risico voor de starters wordt hoger ingeschat.

Vormgeving

  • 8. Welke premie wordt voorgesteld en hoeveel wordt doorberekend aan de eindgebruiker? Is deze premie kostendekkend en marktconform. Zo nee, hoeveel budgettaire ruimte wordt het door het vakdepartement specifiek ingezet?

    Rente voor de overbruggingskredieten is gestandaardiseerd op eerste jaar 2%, daarna 5,75% per jaar. Deze rente is naar verwachting niet voldoende om alle verliezen op de portefeuille te kunnen dekken. In de eerste 12 maanden is er geen aflossing vereist. De terugontvangsten worden na 10 jaar verwacht en vloeien dan terug naar het generale beeld. Deze ontvangsten worden niet geraamd.

    Rente voor de startersleningen is gestandaardiseerd op 1,75% gedurende looptijd. Deze rente is naar verwachting niet voldoende om alle verliezen op de portefeuille te kunnen dekken. In het eerste jaar is er geen aflossing vereist. De terugontvangsten worden niet geraamd. Budgettair is de lening ingepast in het generale beeld. Eventuele terugontvangsten vloeien dan eveneens terug naar het generale beeld.

  • 9. Hoe wordt de risicovoorziening vormgegeven?

    De middelen worden als lening aan Qredits verstrekt voor het uitzetten van de overbruggingskredieten.

    Het risico is dat vanwege verliezen op de portefeuille er uiteindelijk minder middelen worden terugontvangen dan de initiële € 23 mln. die hiervoor beschikbaar is gesteld. Daarom worden er vooralsnog geen terugontvangsten geraamd. De tegenvaller komt daardoor ten laste van het generale beeld. Eventuele terugontvangsten komen ten gunste van het generale beeld.

  • 10. Welke horizonbepaling wordt gehanteerd (standaardtermijn is maximaal 5 jaar)?

    De looptijd van de lening van de Staat aan Qredits om corona overbruggingskredieten te verstrekken is 10 jaar tot 22 juli 2030. De middelen die door de Staat beschikbaar zijn gesteld aan Qredits voor de corona overbruggingskredieten, zijn bedoeld voor aanvragen ingediend in de periode tot en met 30 juni 2022. De leningen hebben een looptijd van maximaal 6 jaar.

    De looptijd van de starterslening van de Staat aan Qredits om corona overbruggingskredieten te verstrekken is 7 jaar tot 21 mei 2028. De middelen die door de Staat beschikbaar zijn gesteld voor de corona overbruggingskredieten, zijn met deze laatste wijziging bedoeld voor aanvragen ingediend in de periode tot en met 30 juni 2022. De leningen hebben een looptijd van maximaal 6 jaar. Dit betekent dat er zal worden ingezet om de einddatum van de starterslening van de Staat aan Qredits te verleggen van 21 mei 2028 naar 30 juni 2028. De looptijd van de starterslening van de Staat aan Qredits zal daarmee wijzigen.

  • 11. Wie voert de risicoregeling uit en wat zijn de uitvoeringskosten van de regeling?

    Qredits voert de regeling uit. De uitvoeringskosten van Qredits zijn niet goed te vergelijken met overige kredietverleners. Qredits verstrekt overbruggingskredieten tot € 25.000 en startersleningen tot € 35.000,– en biedt daar persoonlijke coaching bij aan. De ondersteuning van Qredits voorkomt dat ondernemers failliet gaan. De uitvoeringskosten van Qredits zijn 8% in het eerste jaar2 en 4% in de daaropvolgende jaren. De uitvoeringskosten van Qredits zijn in het eerste jaar hoger vanwege de zorgvuldige dossierscreening en het aanpassen van de ICT-systemen. De reguliere uitvoeringskosten van 4% zijn in lijn met de kosten voor het beheer van de huidige non-coronadossiers. De uitvoeringskosten zijn niet kostendekkend met de renteopbrengsten en worden indien nodig van de lening afgeschreven.

  • 12. Hoe wordt de regeling geëvalueerd, welke informatie is daarvoor relevant en hoe wordt een deugdelijke evaluatie geborgd?

    De corona-overbruggingskredieten en de startersleningen zullen na 5 jaar in 2025/2026 worden geëvalueerd. Qredits verstuurt wekelijks een overzicht van het gebruik van regeling overbruggingskredieten aan EZK. Na deze termijn is er naar verwachting voldoende informatie voorhanden om de doeltreffendheid en doelmatigheid van dit instrument te kunnen evalueren.

TOETSINGSKADER RISICOREGELINGEN RIJKSOVERHEID

Conform het beleidskader risicoregelingen (dat onderdeel uitmaakt van de begrotingsregels 2018–2021) vindt besluitvorming over een nieuwe risicoregeling (garantie, lening en achterborgstelling) en/of aanpassing van een bestaande risicoregeling plaats aan de hand van het «Toetsingskader Risicoregelingen». Na besluitvorming in de ministerraad wordt het toetsingskader verstuurd aan het parlement.

Inleiding

Het kabinet heeft een breed pakket aan regelingen opgesteld om ondernemers te ondersteunen tijdens de coronacrisis. Deze regelingen zijn echter niet geschikt voor micro-ondernemingen3 met een financieringsbehoefte tussen € 10.000 en € 50.000. Om ervoor te zorgen dat deze doelgroep van bedrijven bereikt wordt, is de regeling Garantie Klein Kredieten Corona (KKC) opgesteld. Onder de regeling wordt 95% van het kredietbedrag dat kredietinstellingen verstrekken aan ondernemingen gegarandeerd door de Staat. De Staat ontvangt een eenmalige premie van 2% voor deze garantie en de kosten die financiers aan de ondernemers mogen doorrekenen als zij gebruik maken van deze garantieregeling zijn gemaximeerd op 4% van het kredietbedrag. Het doel van de regeling is om zoveel mogelijk kleine ondernemingen te bereiken die als gevolg van de coronacrisis liquiditeitsbehoeftes hebben. Door een groot gedeelte van de risico’s op zich te nemen en alleen toe te staan dat de handelingskosten van de financiers kunnen worden doorgerekend aan de klanten, wil de Staat zo gunstig mogelijke condities creëren voor deze groep ondernemingen die normaal gesproken niet of nauwelijks in aanmerking zou komen voor kredietfinanciering. De KKC-regeling zal verlengd worden tot en met 30 juni 2022, in lijn met de verlenging van het tijdelijk Staatssteunkader van de Europese Unie («TSSK»).

Probleemstelling en rol van de overheid

  • 1. Wat is het probleem dat aanleiding is voor het beleidsvoorstel?

    Uitvraag bij banken leert dat bedrijven die relatief kleine bedragen aan financiering nodig hebben, hier nog moeilijker aan kunnen komen als gevolg van de coronacrisis. Deze kleine ondernemingen zijn daarmee extra kwetsbaar als gevolg van de coronacrisis. Het kabinet heeft dan ook deze nieuwe regeling opgesteld om specifiek deze groep bedrijven aan liquiditeit te helpen tegen relatief gunstige condities.

  • 2. Waarom rekent de centrale overheid het tot haar verantwoordelijkheid om het probleem op te lossen?

    Het mkb is van grote waarde voor de concurrentiekracht en werkgelegenheid van de economie. Het kabinet richt zich op liquiditeitssteun voor bedrijven in de verschillende steunpakketten. Dit gebeurt onder andere met de garantieregelingen BMKB-C en GO-C. Echter blijkt met deze regelingen een doelgroep niet te worden bereikt die zonder overheidsinzet niet aan financiering komt. Het mkb – en dan met name het microbedrijf (tot 10 werkzame personen) – wordt getroffen door de coronacrisis. Financiële buffers om deze crisis op te vangen ontbreken vaak. De financieringsproblematiek is grofweg in drie categorieën onder te verdelen. Eén is de verslechtering van toekomstperspectief van bedrijven als gevolg van vraagonzekerheden of vraaguitval. Dit heeft vooral zijn weerslag op nieuwe investeringen. Twee is de financieringsbehoefte die ontstaat door weggevallen omzet, mogelijk in combinatie met beperkte mogelijkheden om in kosten te snijden van activiteiten die met vreemd vermogen zijn gefinancierd. Uitstel/opschorting van aflossingen en/of renteverplichtingen kan de financiële positie van de ondernemingen verlichten. De derde categorie ligt in het verlengde van twee. Hier is sprake van wanneer naast of in plaats van het beperken van de uitgaven voor rente en/of aflossing er sprake is van een additionele liquiditeitsbehoefte c.q. kredietruimte ter overbrugging van een tijdelijke, onzekere periode. De KKC-regeling is gericht op deze derde categorie financieringen. Hetzelfde geldt voor de BMKB-C waarbij de ervaring ons leert dat deze voor grotere mkb-kredieten wordt ingezet (gemiddeld 120.000 euro, maximaal 1.500.000 euro).

    Voor al de genoemde categorieën geldt; hoe kleiner het bedrijf en de financiering, hoe minder de bank genegen is om te voorzien in de financieringsbehoefte als gevolg van verhoogde financieringsrisico’s en naar verhouding hogere handling kosten van de banken. Dit heeft de NVB ook aan de Staat duidelijk gemaakt. Om deze reden is vanuit de overheid extra inzet nodig in termen van garantstelling aan de onderkant van de financieringsmarkt, aanvullend op de BMKB-C. Normaliter ligt er een verdienmodel ten grondslag aan deze additionele financiering, maar bij de kleine kredieten zal -nog sterker dan bij BMKB-kredieten- de extra financiering veelal gekenmerkt worden door hogere risico’s zonder extra dekking van zekerheden of cashflow, waarbij ook het continuïteitsrisico moeilijker in te schatten is. Met overheidsgarantstelling worden banken en andere financiers toch in staat gesteld deze groep te bedienen.

  • 3. Is het voorstel voor de risicoregeling:

    • a) ter compensatie van risico’s die niet in de markt kunnen worden gedekt, en/of

    • b) het beste instrument waarmee een optimale doelmatigheidswinst kan worden bewerkstelligd ten opzichte van andere beleidsinstrumenten? Maak een vergelijking met alternatieve beleidsinstrumenten.

      Ja, dat geldt voor allebei de vragen. Het kabinet heeft een breed pakket aan regelingen opgesteld om ondernemers te ondersteunen tijdens de coronacrisis. Voorbeelden zijn de verruiming van de borgstelling midden- en kleinbedrijf (BMKB-C) en van de Garantie Ondernemingsfinanciering regeling (GO-C). Naast deze regelingen verschaft het kabinet financiële ondersteuning aan andere initiatieven; te denken valt aan allerlei maatregelen in de fiscale sfeer zoals belastinguitstel en subsidies als de NOW en TVL, de tijdelijke crisismaatregel van Qredits en het Programma Corona-Overbruggings Lening (COL), gericht op de verschaffing van overbruggingskrediet aan start- en scale-ups en andere bedrijven die geen bancaire kredietrelatie hebben en naast krediet veelal ook behoefte hebben aan coaching. Echter, de «onderkant» van de markt aan bedrijven die liquiditeit nodig hebben tussen € 10.000 en € 50.000 komen moeilijk in aanmerking onder de bestaande regelingen die veelal gericht zijn op hogere financieringsbedragen of specifiek op startende bedrijven. Hiervoor is de KKC opgetuigd. De relatief kleine financieringsomvang in verhouding tot de handelingskosten maakt dat dit type ondernemingen doorgaans sowieso moeilijk aan financiering komt; banken beschouwen dit als een te risicovol segment. Aangezien de Staat garant staat voor verreweg het grootste deel van de risico’s die de financiers lopen (95%); kan financiering van deze groep aan onderneming plaatsvinden tegen relatief gunstige voorwaarden. Daarbij speelt ook mee dat het gaat om een relatief grote groep ondernemers. Om die reden kunnen banken binnen deze regeling ook met een deels geautomatiseerde kredietbeoordeling werken.

  • 4. Op welke wijze wordt het nieuw aan te gaan risico gecompenseerd door risico’s vanuit andere risicoregelingen binnen de begroting te verminderen?

    Het Ministerie van EZK kent verschillende instrumenten (zowel garanties als leningen) die zich richten op bedrijfsfinanciering. Naast de KKC zijn zowel de GO(-C)-regeling als de BMKB(-C) regelingen die zich ook richten op financiering van vreemd vermogen en die ook recent vanwege de coronacrisis zijn verruimd. De GO(-C)-regeling richt zich op het boven-segment van het mkb en (middel)grote ondernemingen (leningen vanaf € 1,5 mln. tot maximaal € 150 mln. per onderneming). De maximale borgstelling onder de BMKB(-C) betreft € 1,5 mln. en heeft formeel geen ondergrens. De KKC richt zich op financiering tussen de € 10.000 en € 50.000. Het deel dat gebruik maakt van de KKC zal geen gebruik maken van de BMKB(-C).

Risico’s en risicobeheersing

  • 5. Wat zijn de risico’s van de regeling voor het Rijk:

    • a. Wat is het totaalrisico van de regeling op jaarbasis? Kent de regeling een totaalplafond?

    • b. Hoe staan risico en rendement van de regeling tot elkaar in verhouding?

    • c. Wat is de inschatting van het risico voor het Rijk in termen van waarschijnlijkheid, impact, blootstellingduur en beheersingsmate?

      De inschatting van de budgettaire gevolgen van de uiteindelijke regeling zijn voor een belangrijk deel opgesteld op basis van het verwachte bereik van de regeling, premie-inkomsten en mogelijke verliezen als gevolg van het kredieten en het risico dat sommige leningen niet volledig terugbetaald kunnen worden. Voor de openstelling in 2021 is € 250 mln. garantieruimte ter beschikking gesteld. Hiervan is slechts € 26 mln. benut. Verklaring hiervoor is de zeer ruime benutting van NOW, TVL en belastinguitstel. Het voorgenomen garantieplafond voor 2022 bedraagt € 100 mln. Het verwachte verlies wordt ingeschat op 25%. De Staat ontvangt een eenmalige premie van 2%. Ter afdekking van eventuele verliezen is in het voorjaar van 2020 een kasbuffer van € 164 mln. beschikbaar gesteld. Aangezien de benutting van de regeling in 2020 fors lager lag dan de aanvankelijke verwachtingen (vanaf de start van de regeling zijn volgens ca. 2.000 KKC-leningen verstrekt voor een totaalbedrag van € 65 mln.), is deze buffer afgeroomd. Een aanzienlijk deel is teruggestroomd naar het algemene beeld. Stand van de begrotingsreserve bij de Najaarsnota 2021 was € 24.8 mln. In het voorjaar van 2022 zal de begrotingsreserve herijkt worden. Aangezien de financiering van de betreffende groep ondernemingen relatief risicovol is, is het waarschijnlijk dat de Staat een financieel risico loopt met deze regeling. De insteek is om de betreffende ondernemingen te helpen aan financiering. De kredieten hebben een reguliere looptijd van 5 jaar.

  • 6. Welke risico-beheersende en risico-mitigerende maatregelen worden getroffen om het risico voor het Rijk te minimaliseren? Heeft de budgettair verantwoordelijke Minister voldoende mogelijkheden tot beheersing van de risico’s, ook als de regeling op afstand van het Rijk wordt uitgevoerd?

  • 7. Bij complexe risico's: hoe beoordeelt een onafhankelijke expert het risico van het voorstel en de risico-beheersende en risico-mitigerende maatregelen van Rijk?

    Beantwoording bij vraag 6 en 7: Het belangrijkste risico-beheersende middel is dat de Staat samenwerkt met kredietverschaffers. De overheid staat garant voor 95% van de risico’s, de andere financiers voor 5%, waardoor er een prikkel bij de andere financiers is om goed te selecteren welke bedrijven een krediet toegewezen krijgen. Het samenwerken met andere financiers zorgt er niet alleen voor dat zij een gedeelte van de risico’s op zich nemen, maar ook dat gebruik kan worden gemaakt van de expertise van die groep bij de beoordeling van kredieten. Daarmee kunnen op efficiënte wijze leningen worden verschaft aan in de kern gezonde bedrijven. Ten slotte geldt ook dat met ondernemers een persoonlijke borg wordt afgesproken van 10% van de lening. Het merendeel van de ondernemers kent echter een rechtsvorm waarbij de ondernemer wettelijk 100% persoonlijk borg staat. Dit leidt ertoe dat zij een prikkel hebben om niet zomaar een krediet aan te vragen en te zorgen dat de verkregen gelden goed worden ingezet. Tenslotte geldt in het geval van een zogenoemde default van de leningen, dat de waarde van de uitgewonnen onderpanden/activa voor 95% bij de Staat terecht komt.

Vormgeving

  • 8. Welke premie wordt voorgesteld en hoeveel wordt doorberekend aan de eindgebruiker? Is deze premie kostendekkend en marktconform. Zo nee, hoeveel budgettaire ruimte wordt door het vakdepartement specifiek ingezet?

    De Staat ontvangt eenmalig een premie van 2% over de omvang van toegewezen kredieten. De premie is niet kostendekkend en ook niet marktconform, maar past binnen het tijdelijk staatssteunkader van de EU. De premie wordt door de kredietverstrekkers in rekening gebracht en doorgerekend aan de klanten. Ter afdekking van eventuele verliezen is in het voorjaar van 2020 een kasbuffer van € 164 mln. beschikbaar gesteld. Een aanzienlijk deel hiervan is teruggestroomd naar het algemene beeld. Stand van de begrotingsreserve bij de Najaarsnota 2021 was € 24.8 mln. In het voorjaar van 2022 zal de begrotingsreserve herijkt worden

  • 9. Hoe wordt de risicovoorziening vormgegeven?

    Ultimo 2020 bedroeg de risicovoorziening € 164,8 mln. Dit betreft de beschikbaar gestelde kasbuffer van € 164 mln. en de ontvangen premies in 2020. De risicovoorziening is bedoeld voor het opvangen van verliesdeclaraties en de verevening van premieontvangsten en schadebetalingen over de looptijd van de regeling. In 2021 is de omvang van de kasbuffer herijkt. De stand van de begrotingsreserve bij de Najaarsnota 2021 was € 24.8 mln. In het voorjaar van 2022 zal de begrotingsreserve herijkt worden.

  • 10. Welke horizonbepaling wordt gehanteerd (standaardtermijn is maximaal 5 jaar)?

    De regeling vervalt per 30 juni 2022 gelijk aan het tijdelijk staatssteunkader van de EU. Onder de regeling kunnen leningen worden afgesloten met een maximale reguliere looptijd van 5 jaar.

  • 11. Wie voert de risicoregeling uit en wat zijn de uitvoeringskosten van de regeling?

    De regeling staat open voor alle kredietverstrekkers die aan de voorwaarden voldoen en daarvoor geaccrediteerd zijn door RVO; bancair en non-bancair. Verschillende banken (ABN AMRO, Volksbank, ING, Rabobank, Triodos) bieden de regeling aan. Er is afgesproken dat de kosten die financiers aan de ondernemers mogen doorrekenen als zij gebruik maken van deze garantieregeling is gemaximeerd op 4% van het kredietbedrag. De uitvoeringskosten voor RVO in 2021 betreffen € 275.000. De kosten worden gedekt binnen de € 5 mln. die in 2021 beschikbaar is voor de uitvoeringskosten van de KKC, BMKB-C en GO-C.

  • 12. Hoe wordt de regeling geëvalueerd, welke informatie is daarvoor relevant en hoe wordt een deugdelijke evaluatie geborgd?

    De evaluatie van de KKC regeling vindt regulier plaats, net zoals geldt voor alle andere regelingen. Deze worden eens in de vijf jaar geëvalueerd. Derhalve zal de eerste evaluatie in beginsel plaatsvinden in 2025, tenzij op een eerder moment uit de uitvoering van de regeling blijkt dat op basis van de dan beschikbare data steekhoudende conclusies kunnen worden getrokken, of eerder indien de regeling voor 2025 komt te vervallen. In de evaluatie zal informatie worden betrokken van RVO, de uitvoerende financiers, enquêtes onder ontvangende ondernemers en interviews met marktpartijen. Indien mogelijk zal hierbij een kwantitatieve analyse worden uitgevoerd.

TOETSINGSKADER RISICOREGELINGEN RIJKSOVERHEID

Inleiding

Beschrijving regeling en voorgestelde wijzigingen

De regeling Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) is een antwoord van de overheid op de moeilijkheden die ondernemingen sinds de crisis in 2008 ondervinden bij het aantrekken van bankleningen en het verkrijgen van bankgaranties. In 2020 is vanwege de coronacrisis de maximale lening per onderneming met GO-staatsgarantie opgehoogd van € 50 mln. naar € 150 mln. Hierdoor kunnen banken een 50% Staatsgarantie krijgen op middelgrote- en grote leningen van € 150 mln. (de maximale omvang van de garantie is dan € 75 mln.).

Door die Staatsgarantie wordt het risico voor de bank op de te verstrekken bedrijfsfinanciering gereduceerd. Dit vergroot voor banken de mogelijkheden om te voorzien in de financieringsbehoefte bij het Nederlandse bedrijfsleven. De GO-regeling is bestemd voor ondernemers die krediet willen aantrekken bij banken en is gericht op het grotere mkb en (middel)grote ondernemingen met substantiële activiteiten in Nederland en met bevredigende rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven.

Bovenop de eerdere verruiming is de GO tijdelijk verruimd met een GO-corona module (GO-C). Met de GO-C kunnen leningen tot een maximum van € 150 mln., met als doel te voorzien in de liquiditeitsbehoefte die is ontstaan als gevolg van de uitbraak van het coronavirus, worden gegarandeerd met een staatsgarantie van 90% voor het mkb4 en 80% voor het grootbedrijf. De GO-C module is ook opengesteld voor alle landbouwsectoren (zoals glastuinbouw).

De GO-C module moet voldoen aan de voorschriften van de «Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak» (TSSK) van de Europese Commissie. De CO-C module kent in lijn met het tijdelijk staatssteunkader van de EU een vervaldatum van 1 juli 2022. De reguliere GO-regeling is een kostendekkende regeling, deze regeling is recent verlengd tot en met 30 juni 2023. Ook binnen de GO-C zal vooraf getoetst worden of een onderneming voldoende continuïteitsperspectief heeft.

Probleemstelling en rol van de overheid

  • 1. Wat is het probleem dat aanleiding is voor het beleidsvoorstel?

    Door de coronacrisis worden ondernemingen uit diverse sectoren direct dan wel indirect getroffen, doordat bijvoorbeeld goederen niet uitgeleverd kunnen worden of productielijnen stilvallen door een gebrek aan onderdelen. Ook kunnen ondernemingen fors geraakt worden door vraaguitval.

    Hierdoor ontstaan liquiditeitsproblemen, ook bij in principe economisch gezonde ondernemingen.

    Het mkb en (middel)grootbedrijf zijn van grote waarde voor de concurrentiekracht en werkgelegenheid van de economie. Banken geven aan dat bedrijven in liquiditeitsproblemen kunnen komen door de coronacrisis en dat het negatieve effect als gevolg van de coronacrisis wel eens lang kan aanhouden. Banken kunnen bedrijven helpen door tijdelijke verstrekking van investerings- en/of werkkapitaal. In dit geval zal de extra financiering veelal gekenmerkt worden door hogere risico’s waarbij ook het continuïteitsrisico moeilijker in te schatten is. Door o.a. te toetsen of de onderneming op 31 december 2019 (pre-corona) nog niet in financiële problemen verkeerde en een analyse te maken van de cashflow projecties wordt een inschatting gemaakt of een onderneming structureel levensvatbaar is en de extra financieringslast kan dragen.

    Wat betreft toegang tot kapitaal is enerzijds bij de banken nog voldoende liquiditeit beschikbaar om te financieren, maar anderzijds worden de buffers door financiële regelgeving beperkt om verliezen op te vangen en willen banken ook niet een te hoog risico op zich nemen. Dit risico kan deels worden beperkt met de bestaande GO-regeling. Voor een effectievere ondersteuning vanuit de Staat, binnen de mogelijkheden die het TSSK biedt, is een verruiming van de GO-regeling doorgevoerd met een aparte coronamodule. De GO-C module zal worden opengesteld tot 15 juni 2022 om uiterlijk op 30 juni 2022 alle ingediende aanvragen te kunnen beoordelen.

  • 2. Waarom rekent de centrale overheid het tot haar verantwoordelijkheid om het probleem op te lossen?

    De GO-C is een tijdelijke verruiming van de GO-regeling van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en komt tegemoet aan de financieringsproblemen die zijn ontstaan door een exogene schok aan de economie door de corona-uitbraak. Hierdoor kunnen banken het mkb en (middel)grootbedrijf met een acute liquiditeitsbehoefte blijven financieren.

    Het kabinet heeft in de Kamerbrief van 12 maart 20205 een aantal maatregelen aangekondigd voor burgers en bedrijven ter bestrijding van het coronavirus en de (economische) gevolgen daarvan. Eén van deze maatregelen is het creëren van een luik onder de BMKB voor bedrijven die getroffen zijn door de coronaproblematiek. Onder het luik worden financieringen toegelaten om opgetreden liquiditeitsproblemen te verzachten van in de kern gezonde mkb- bedrijven. Met de GO-C module kunnen ook ondernemingen die, vanwege hun omvang, niet in aanmerking komen voor de BMKB(-C) (maximale borgstelling BMKB is € 1,5 mln.) gebruik maken van een verruimde staatsgarantie. Dit moet ervoor zorgen dat bedrijven met een garantiefaciliteit geholpen worden om de crisis te doorstaan.

    Een dergelijke regeling dient op centraal niveau te liggen omdat de betreffende problematiek landelijk geldt en in de praktijk ook aansluit bij de banken, die vooral landelijk opereren.

  • 3. Is het voorstel voor de risicoregeling:

    • a) ter compensatie van risico’s die niet in de markt kunnen worden gedekt, en/of

    • b) het beste instrument waarmee een optimale doelmatigheidswinst kan worden bewerkstelligd ten opzichte van andere beleidsinstrumenten? Maak een vergelijking met alternatieve beleidsinstrumenten.

      Ja voor zowel a) als voor b).

      De GO-C module dient voor acute liquiditeitsbehoeften van ondernemingen, waarbij het risico’s betreft die in de markt niet zonder meer kunnen worden ondergebracht. Zo biedt de GO-C module een uitkomst bij dekkingstekorten. De organisatie/bedrijfsvoering van de banken is ingericht op het verstrekken van kredieten met een beperkt risicoprofiel tegen een gematigde rente. Het verstrekken van leningen met een hoog risicoprofiel, als gevolg van corona, is voor banken ongebruikelijk en past niet in de reguliere kredietverlening naar hun klanten. Dit heeft onder andere te maken met kapitaalvereisten waarmee banken te maken hebben.

      De provisiestructuur van de GO-C module volgt het TSSK van de EC en sluit aan bij de reguliere GO-regeling (in beginsel roomt de GO de gehele marge af van het gegarandeerde margedeel van de banken) en geeft een prikkel aan banken om bij een herstel van de financiële markten deze verstrekking weer zelf ter hand te nemen.

      De GO(-C) is anders van opzet dan de BMKB(-C), mede omdat de BMKB(-C) een first loss-regeling is. Dit betekent dat de opbrengsten bij een eventuele uitwinning bij de BMKB(-C) eerst naar de financier gaan, en alleen wat resteert aan de Staat toekomt. Bij de GO(-C) deelt de Staat naar rato met de bank in de zekerheden bij een eventueel faillissement. Daarnaast kent de BMKB(-C) heeft een maximum plafond voor borgstellingskredieten van € 1,5 mln. Bij de G(-C)O ligt het plafond voor kredieten tussen de € 1,5 mln. en de € 150 mln. De GO(-C) en de BMKB(-C) zijn derhalve complementair.

  • 4. Op welke wijze wordt het nieuw aan te gane risico gecompenseerd door risico’s vanuit andere risicoregelingen binnen de begroting te verminderen?

    Dit gebeurt niet. EZK kent verschillende instrumenten (zowel garanties als leningen) die zich

    richten op bedrijfsfinanciering. Naast de GO-regeling is de BMKB en de Klein Krediet Corona garantieregeling (KKC) de enige regeling die zich ook richt op financiering van vreemd vermogen. De GO-regeling richt zich op het boven-segment van het mkb en (middel)grote ondernemingen. De maximale borgstelling onder de BMKB betreft € 1,5 mln. en de KKC betreft garanties op kredieten tot € 50.000.

Risico’s en risicobeheersing

  • 5. Wat zijn de risico’s van de regeling voor het Rijk:

    • a. Wat is het totaalrisico van de regeling op jaarbasis? Kent de regeling een totaalplafond?

    • b. Hoe staan risico en rendement van de regeling tot elkaar in verhouding?

    • c. Wat is de inschatting van het risico voor het Rijk in termen van waarschijnlijkheid, impact, blootstellingduur en beheersingsmate?

      Vanaf de start van de GO-C eindapril 2020 zijn volgens de cijfers van RVO 101 GO-C leningen verstrekt waarbij de Staat voor een bedrag van € 620 miljoen garant staat. Voor de GO inclusief de coronamodule is in 2021 een plafond opengesteld van € 2,5 miljard (2020: € 10 miljard). Voor 2022 bedraagt het gezamenlijke plafond € 700 miljoen (reguliere GO € 400 miljoen, GO-C € 300 miljoen). In het voorjaar van 2020 is een kasbuffer aangelegd van in totaal € 1 miljard om eventuele verliezen te kunnen opvangen op basis van het garantieplafond van 2020. Het gebruik van de GO-C bleek achteraf in 202/2021 veel lager dan verwacht, vooral vanwege de zeer ruime benutting van de NOW en het belastinguitstel. Daarom is de kasreserve voor de GO-C tussentijds verlaagd tot € 102 mln. (stand Najaarsnota 2021) De beschikbare kasbuffer zal in de loop van 2022 worden afgewogen tegen de gerealiseerde benutting in 2022 en de bijbehorende risico’s.

  • 6. Welke risico-beheersende en risico-mitigerende maatregelen worden getroffen om het risico voor het Rijk te minimaliseren? Heeft de budgettair verantwoordelijke Minister voldoende mogelijkheden tot beheersing van de risico’s, ook als de regeling op afstand van het Rijk wordt uitgevoerd?

  • 7. Bij complexe risico's: hoe beoordeelt een onafhankelijke expert het risico van het voorstel en de risico-beheersende en risico-mitigerende maatregelen van Rijk?

    Beantwoording 6 en 7

    De GO-C module is gekoppeld aan de eisen van de Europese Commissie zoals voorgeschreven in het TSSK. Dit houdt o.a. in dat een onderneming op 31 december 2019 niet in moeilijkheden mag hebben verkeerd en dus alleen geholpen kan worden door de GO-C regeling indien de acute liquiditeitsbehoefte gerelateerd is aan de coronacrisis.

    Aanvullend geldt dat de hoofdsom van de GO-C lening niet meer bedraagt dan de hoogste van:

    • 2x de bruto jaarloonsom incl. uitzendkrachten en medewerkers via payrollbedrijven (kortom loonsom in de meest brede vorm) of

    • 25% van de bedrijfsomzet over 2019 of

    • 18 maanden liquiditeitstekorten voor MKB en 12 maanden liquiditeitstekorten voor grootbedrijf.

    Ook blijven de bestaande GO-voorwaarden van kracht dat sprake moet zijn van een onderneming met een bevredigend rentabiliteits- en continuïteitsperspectief en de GO alleen van toepassing is op «fresh money». D.w.z. dat bestaande schulden niet onder de GO-C module kunnen worden gegarandeerd.

    Financiers/banken zijn zeer bepalend bij het risicobeheer; zij lopen voor een deel zelf risico voor de verstrekte kredieten (in het geval van de GO-C module een eigen risico van 10% bij verstrekkingen aan het mkb met een omzet tot € 50 mln. en 20% bij verstrekkingen aan het --middel-grootbedrijf met een omzet vanaf € 50 mln.) en zullen daarom de kredietwaardigheid van de ondernemingen conform professionele standaarden beoordelen. Zij dienen net als bij iedere andere financiering die ze verstrekken actie te ondernemen als dat nodig is. Financiers moeten daarbij niet alleen voldoen aan hun eigen voorschriften (toezicht door DNB) maar zijn ook vooraf geaccrediteerd door RVO om gebruik te kunnen maken van de GO-regeling. De financiers spannen zich in (op «best effort» basis) om separate zekerheden ten gevolge van verstrekkingen onder de GO-C te vestigen voor zover deze beschikbaar zijn. De financier heeft de regie over eventuele herstructurering en/of uitwinning van eventuele bestaande en nieuwe zekerheden.

    Gedurende de looptijd van de GO-C leningen zullen de bank en RVO blijven toetsen op continuïteit van de bedrijfsvoering en terugbetaalcapaciteit van ondernemingen. In de toelichting bij het kredietvoorstel zal de bank aangeven welke acties de ondernemer heeft ondernomen om de schade van het coronavirus zoveel mogelijk te beperken. RVO toetst of dit aandachtspunt is opgenomen in het voorstel van de bank. RVO heeft daarbij geen inhoudelijk oordeel over de informatie die de ondernemer heeft aangeleverd en ook niet over de beoordeling door de bank. De bank en RVO doen een lichte toets dat aannemelijk is dat kredietbehoefte Corona gerelateerd is. Tevens is het uitgangspunt dat er de afgelopen 12 maanden geen overmatige onttrekkingen hebben plaatsgevonden door de aandeelhouder(s) van een onderneming en er naar vermogen commitment van de bestaande aandeelhouders is.

    Periodiek wordt door RVO in beeld gebracht welke risico’s aan de portefeuille met GO-C leningen kleven. Bij de behandeling binnen het GO-team van RVO en in de externe Adviescommissie (Kredietcommissie) wordt beoordeeld of de prijsstelling het risico adequaat reflecteert. Op basis van de rating van de onderneming vindt de feitelijke afweging plaats van het risico en het rendement. Daarnaast zal er een externe audit op de GO-reserve worden gedaan.

    Voor leningen die niet meer bedragen dan € 25 mln. is de mogelijkheid in de regeling opgenomen voor de Minister om af te wijken van de reguliere aanvraagprocedure en naar voorbeeld van de BMKB-aanvraagprocedure te werken. Hiervan wordt alleen gebruik worden gemaakt als het aantal GO-C aanvragen de beoordelingscapaciteit van RVO te boven gaat. Bij de BMKB wordt achteraf, in het geval van een verliesdeclaratie, getoetst door RVO of aan alle voorwaarden is voldaan en vindt er geen uitvoerige beoordeling aan de voorkant plaats. Bij twijfel of een lening aan de gestelde voorwaarden voldoet, kan de financier altijd contact opnemen met RVO. Indien de Minister gebruik maakt van deze mogelijkheid ontvangt de financier een mededeling met daarin opgenomen de omstandigheden waarin en de voorwaarden waaronder van deze meldingsprocedure gebruik gemaakt kan worden. Op dit moment is daarvan geen sprake en worden alle GO-C aanvragen vooraf door RVO beoordeeld.

    Het ligt in de rede de uitvoering bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) te houden, waar veel ervaring aanwezig is met het uitvoeren van de GO-regeling en andere garantie instrumenten. Bij RVO is een team werkzaam dat toegerust is met de kennis en ervaring van kredietverlening om kredietaanvragen en wijziging van kredieten te kunnen beoordelen. Daarnaast is een kredietcommissie met externe deskundigen geïnstalleerd.

Vormgeving

  • 8. Welke premie wordt voorgesteld en hoeveel wordt doorberekend aan de eindgebruiker? Is deze premie kostendekkend en marktconform. Zo nee, hoeveel budgettaire ruimte wordt het door het vakdepartement specifiek ingezet?

    De banken beprijzen de leningen onder de GO-C marktconform, conform hun eigen rating- en risicomodel. De Staat ontvangt hiervan een garantieprovisie naar rato van het garantiepercentage (80 of 90%). Dit is gelijk aan de rentemarge die de financier ontvangt over het niet-gegarandeerde deel van de lening, onder aftrek van 0,5% die de bank voor haar beheeractiviteiten mag behouden. De afsluitprovisie komt geheel ten goede aan de bank. Deze zal nooit meer bedragen dan 1,0%. De rentemarge en de daarvan afgeleide garantieprovisie zijn marktconform en voldoen aan de eisen die zijn gesteld in het TSSK.

  • 9. Hoe wordt de risicovoorziening vormgegeven?

    Er is een begrotingsreserve voor de GO ingesteld. De omvang van de begrotingsreserve was ultimo 2020 € 249,1 mln. voor de reguliere GO en GO-C samen. Als de schade van de GO-C onverhoopt meer is dan uit de huidige ramingen blijkt, zal dit generaal worden gecompenseerd. Wanneer wordt bevonden dat de kasbuffer voor de GO-C hoger is dan noodzakelijk en bij onderuitputting vloeien de middelen terug naar het algemene beeld. Voor de GO-C module wordt gebruik gemaakt van de begrotingsreserve van de reguliere GO-regeling, maar wordt wel apart bijgehouden welke onttrekkingen worden gedaan in het kader van de GO-C. In 2021 is de kasbuffer voor de GO-C herijkt. Deze was bij de najaarsnota 2021 vastgesteld op € 102 mln. In het voorjaar van 2022 zal de kasbuffer voor de GO-C herijkt worden.

  • 10. Welke horizonbepaling wordt gehanteerd (standaardtermijn is maximaal 5 jaar)?

    De horizonbepaling voor de GO-C regeling is 1 juli 2022. De GO-C module wordt opengesteld tot en met 15 juni 2022, zodat alle aanvragen tijdig beoordeeld kunnen worden.

  • 11. Wie voert de risicoregeling uit en wat zijn de uitvoeringskosten van de regeling?

    De uitvoering wordt gedaan door RVO De totale uitvoeringskosten de GO-regeling worden, inclusief GO-C, voor 2022 geschat op ca. € 0,9 mln.

  • 12. Hoe wordt de regeling geëvalueerd, welke informatie is daarvoor relevant en hoe wordt een deugdelijke evaluatie geborgd?

    De GO-regeling wordt eens in de 5 jaar geëvalueerd. De GO is recent geëvalueerd door Dialogic6.

    De evaluatie van de GO-C regeling vindt regulier plaats, net zoals geldt voor alle andere regelingen. Deze worden eens in de vijf jaar geëvalueerd. Derhalve zal de eerste evaluatie in beginsel plaatsvinden in 2025, tenzij op een eerder moment uit de uitvoering van de regeling blijkt dat op basis van de dan beschikbare data steekhoudende conclusies kunnen worden getrokken, of eerder indien de regeling voor 2025 komt te vervallen. In de evaluatie zal informatie worden betrokken van RVO, de uitvoerende financiers, enquêtes onder ontvangende ondernemers en interviews met marktpartijen. Indien mogelijk zal hierbij een kwantitatieve analyse worden uitgevoerd.

TOETSINGSKADER RISICOREGELINGEN RIJKSOVERHEID

Conform het beleidskader risicoregelingen (dat onderdeel uitmaakt van de begrotingsregels 2018–2021) vindt besluitvorming over een nieuwe risicoregeling (garantie, lening en achterborgstelling) en/of aanpassing van een bestaande risicoregeling plaats aan de hand van het «Toetsingskader Risicoregelingen». Dit toetsingskader betreft de verlenging van de coronaonderdelen van de regeling Borgstelling MKB-kredieten (BMKB). De periode tussen 31 december en de goedkeuring van de MR zal de regeling dus niet actief zijn. De verlenging van de coronaonderdelen in de BMKB tot 1 juli 2022 vergt geen extra garantiebudget. In de begroting 2022 is 765 miljoen opgenomen voor de BMKB en dit is voldoende. De BMKB-regeling heeft 1 juli 2022 als vervaldatum en wordt momenteel geëvalueerd. Het evaluatierapport zal in Q2–2022 met een beleidsvoorstel aan de Kamer worden voorgelegd.

Inleiding

Beschrijving regeling en voorgestelde wijzigingen

De regeling Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) geeft een borgstelling van 90% op een borgstellingskrediet (BSK) van maximaal € 1,5 mln. per onderneming. Het aandeel van de borgstelling is afhankelijk van de bedrijfscategorie:

  • regulier: maximaal de helft van het krediet bedraagt BSK (waardoor per saldo 45% overheidsborgstelling7);

  • starter: maximaal ¾ deel bedraagt BSK met een maximum van € 0,2 mln. (per saldo max.67,5% overheidsborgstelling8);

  • innovatief: maximaal 2/3 deel is BSK (per saldo max. 60% overheidsborgstelling9).

De borgstelling dekt het tekort aan bancaire zekerheden af. Het BSK draagt een hoger risico dan het niet geborgde deel van het krediet.

Per 16 maart 2020 is de regeling als volgt verruimd:

  • Corona-luik: Onder dit luik worden borgstellingen gebracht voor bedrijven voor met een looptijd van maximaal vier jaar die negatieve economische gevolgen ondervinden van het coronavirus. Het hogere borgstellingspercentage van per saldo 67,5% wordt gehanteerd.

Deze verruiming geldt tot 1 juli 2022 (vervaldatum BMKB).

De kredietverstrekker is altijd verplicht een deel krediet te verstrekken voor eigen risico. De ondernemer betaalt een eenmalige provisie bij verkrijging van een borgstellingskrediet. Voor het corona-luik wordt de eenmalige provisie gehanteerd van 2% voor een looptijd tot en met 2 jaar en 3% voor een looptijd langer dan 2 jaar, tot en met 4 jaar.

Voor de leningen onder het corona-luik met een looptijd van maximaal vier jaar gelden de reguliere voorwaarden tot opschorting (maximaal 8 kwartalen). Met betrekking tot rente en aflossing van leningen onder het corona-luik is aan de bestaande uitvoeringsregels toegevoegd dat het mogelijk is om na de looptijd rente en aflossing te voldoen. Dit om recht te doen aan het karakter van een rekening-courantkrediet c.q. overbruggingskrediet dat een bulletkarakter kan hebben, waarbij het krediet aan het einde van de looptijd wordt afgelost.

Ook is onder het corona-luik de eis van zekerheden losgelaten omdat dit niet past bij het karakter van rekeningcourant-krediet c.q. overbruggingskrediet, aangezien hier geen voorraden en/of andere activa als zekerheden van de financiering aan ten grondslag liggen. Als laatste wijziging ten opzichte van het reguliere luik is de persoonlijke borgtocht, die 25% van de hoogte van het bmkb-krediet bedraagt, verlaagd naar 10%. Deze verlaging maakt de regeling toegankelijk, gebruiksvriendelijker in relatie tot andere kredieten die de ondernemer al dan niet heeft uitstaan bij de financier/bank en sluit beter aan op de problematiek/karakter van de financiering.

Aan de hand van de voorwaarden van de regeling beslist de kredietverstrekker over inpassing van een BSK. Verstrekte BSK’s worden aangemeld bij RVO.nl. Niet-banken dienen, nadat zij zijn toegelaten, in een proefperiode alle BSK’s ter toetsing vooraf voor te leggen aan RVO.nl. Ook bij het corona-luik kan door de financiers gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om de BSK’s vooraf door RVO te laten toetsen.

In het besef dat de impact van de coronacrisis lastig in te schatten is en dat daarmee de gangbare continuïteitstoets niet toepasbaar is, vraagt dit om een andere aanpak. De bank doet een lichte toets om vast te stellen dat aannemelijk is dat kredietbehoefte corona-gerelateerd is. Bij een eventuele verliesdeclaratie toetst RVO of dit voldoende aannemelijk is in de toelichting van de bank. Met betrekking tot het continuïteitsperspectief wordt aan de banken gecommuniceerd dat bedrijven onder dit luik voorafgaand aan de coronacrisis niet al een continuïteitsprobleem hadden. RVO zal dit bij een eventuele verliesdeclaratie toetsen.

Banken die zijn aangesloten bij de BMKB ontvangen elk een quotum (deel van het jaarbudget),

gebaseerd op hun gebruik het voorgaande jaar. In overleg met de banken kan tussentijds met quota worden geschoven. Voor niet-banken die zijn toegelaten tot de BMKB wordt jaarlijks een apart budget gepubliceerd. Hierbij geldt het principe dat wie het eerst komt, het eerst maalt.

Indien een BSK leidt tot een verliesdeclaratie controleert RVO.nl onder andere of bij de kredietverstrekking aan de voorwaarde van voldoende zicht op rentabiliteit en continuïteit van de onderneming is voldaan.10

Naast de verlenging van de BMKB-C module wordt beoogd de BMKB-regeling op enkele onderdelen aan te passen om te voldoen aan EU-wetgeving op gebied van kapitaalvereisten aan banken, de Capital Requirements Regulation («CRR»). Verder in het toetsingskader volgt een toelichting op de aanpassing van de regeling aan de CRR.

Probleemstelling en rol van de overheid

  • 1. Wat is het probleem dat aanleiding is voor het beleidsvoorstel?

    Het mkb wordt getroffen door de coronacrisis. Het negatief effect op de financiering van bedrijven in het algemeen en het mkb in het bijzonder laat zich op dit moment echter moeilijk voorspellen. Het mkb is van grote waarde voor de concurrentiekracht en werkgelegenheid van de economie. Studie maakt duidelijk dat naar mate de gemiddelde bedrijfsgrootte stijgt, de groeivoet van de werkgelegenheid afneemt; het mkb kan terecht tot banenmotor bestempeld worden.11 Omdat het mkb moeilijker financiering kan verkrijgen dan grote(re) bedrijven, is de BMKB op het mkb-segment gericht.

    Banken geven aan dat bedrijven – en dan met name het mkb – in liquiditeitsproblemen kunnen komen door de coronacrisis en dat het negatieve effect als gevolg van de coronacrisis wel eens lang kan aanhouden. Banken kunnen bedrijven helpen door tijdelijke verstrekking van een overbruggingskrediet of een ophoging van het Rekening Courantkrediet (RC). Ook opschorting van aflossingen van bestaande kredietlijnen is een mogelijkheid. Normaliter ligt er een verdienmodel ten grondslag aan deze additionele financiering, maar in dit geval zal de extra financiering veelal gekenmerkt worden door hogere risico’s zonder extra dekking van zekerheden of cashflow, waarbij ook het continuïteitsrisico moeilijker in te schatten is.

    Op dit moment is de impact voor de banken nog te overzien, maar als de problemen groter worden lopen de banken ook aan tegen grenzen aan. Wat betreft toegang tot kapitaal is enerzijds bij de banken voldoende liquiditeit beschikbaar om te financieren, maar anderzijds worden de buffers door financiële regelgeving beperkt om klappen op te vangen en willen banken ook niet een te hoog risico op zich nemen. Dit risico kan worden beperkt met het bestaande garantie-instrument BMKB. Binnen het corona-luik wordt de persoonlijke borgstelling van 25% van het krediet verlaagd tot 10%. Met inachtneming van de wijzigingen genoemd in de inleiding blijven de regels voor de BMKB verder hetzelfde als binnen het reguliere luik.

  • 2. Waarom rekent de centrale overheid het tot haar verantwoordelijkheid om het probleem op te lossen?

    De BMKB is een generieke regeling van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en komt tegemoet aan een zekerhedentekort bij financiering zodat financiers het mkb kunnen blijven financieren. Het kabinet heeft in de Kamerbrief van 12 maart 202012 een aantal maatregelen aangekondigd voor burgers en bedrijven ter bestrijding van het coronavirus en de (economische) gevolgen daarvan. Eén van deze maatregelen is het creëren van een luik onder de BMKB voor bedrijven die getroffen zijn door de coronaproblematiek. Onder het luik worden financieringen toegelaten om opgetreden liquiditeitsproblemen te verzachten van in de kern gezonde mkb-bedrijven. Dit kan ervoor zorgen dat het bedrijf met een kortlopende faciliteit geholpen is om de crisis te doorstaan. In de brief van 14 december jl. heeft het kabinet aangekondigd het coronaluik van de BMKB te willen door te laten lopen tot en met 30 juni 202213.

  • 3. Is het voorstel voor de risicoregeling:

    • a) ter compensatie van risico’s die niet in de markt kunnen worden gedekt, en/of

    • b) het beste instrument waarmee een optimale doelmatigheidswinst kan worden bewerkstelligd ten opzichte van andere beleidsinstrumenten? Maak een vergelijking met alternatieve beleidsinstrumenten.

      Met betrekking tot a: Het Nederlandse mkb is van oudsher sterk afhankelijk van bancair krediet. Op dit moment zijn er – zeker voor de kleinere bedragen – onvoldoende alternatieven voor deze bancaire financiering.

      Banken zijn van nature risico-avers, in de zin dat ze zich primair richten op uitzettingen die gekenmerkt worden door (relatief) beperkte risico’s (en genoegen nemen met een (relatief) lager rendement), in plaats van zoeken naar uitzettingen met een hoog rendement (en daarbij een hoog risico accepteren).

      De organisatie/bedrijfsvoering van de banken is dan ook ingericht op het verstrekken van kredieten met een beperkt risicoprofiel tegen een gematigde rente. Het verstrekken van leningen met een hoog risicoprofiel (en bijbehorende hoge rente) is voor banken ongebruikelijk en past niet in de reguliere kredietverlening naar hun klanten.14 Het past ook niet bij de wijze van financiering van de banken, met o.a. direct opvraagbare middelen. De BMKB is zodanig ingericht dat bedrijven met voldoende zicht op rentabiliteit en continuïteit, maar die vanuit de optiek van de bank een te hoog risico kennen vanwege een gebrek aan zekerheden, toch in staat zijn krediet aan te trekken, omdat risico en rendement voor de bank daarmee in overeenstemming worden gebracht. Normaliter ligt er een verdienmodel ten grondslag aan een additionele financiering, maar in dit geval (kortlopende leningen met corona-gerelateerde financieringsproblematiek) zal de extra financiering veelal gekenmerkt worden door hogere risico’s zonder extra dekking van zekerheden of cashflow waarbij ook het continuïteitsrisico moeilijker in te schatten is.

      Met betrekking tot b: De regeling heeft vanwege de hoge hefboomwerking (de uitkering aan schades is vele malen lager dan het totaalbedrag waarvoor borg wordt gestaan en dus gefinancierd wordt aan het mkb) een duidelijke meerwaarde boven een kasstroom of subsidie. Een borgstelling richting financiers geeft een optimale operationele efficiency: financiers zijn veel beter dan de overheid in staat risico’s van mkb-financiering te beoordelen en nemen de operationele kosten van bedrijfsfinanciering (feitenonderzoek, bedrijfsanalyse) voor hun rekening; deze taakverdeling en de daarop afgestemde inrichting van de BMKB maakt het mogelijk tegen relatief geringe kosten op de expertise van de financier mee te liften. Bij het voorbereiden van het beleid t.a.v. microfinanciering is de mogelijkheid van een subsidie onderzocht; het bleek echter niet mogelijk om deze zodanig vorm te geven dat daarvan een prikkel uitging om de gewenste leningen te verstrekken zonder dat dit bijzonder forse financiële consequenties voor de overheid zou hebben, die aanzienlijk omvangrijker zijn dan de kosten van garantie of kredietverlening. Benutting van de BMKB voor corona-gerelateerde problematiek heeft verder een aantal andere voordelen. De BMKB is een al lang bestaande regeling, waarmee de banken met hun brede kantorennet vertrouwd zijn en weten hoe deze in de praktijk door RVO wordt uitgevoerd. Dat maakt het gebruik van de aangepaste regeling laagdrempelig.

  • 4. Op welke wijze wordt het nieuw aan te gane risico gecompenseerd door risico’s vanuit andere risicoregelingen binnen de begroting te verminderen?

    Dit gebeurt niet. EZK kent verschillende instrumenten (zowel garanties als leningen) die zich richten op bedrijfsfinanciering, maar de BMKB is naast de KKC-regeling15 de enige regeling die zich richt op de vreemd vermogen financiering van het mkb met een financieringsbehoefte van kleine kredieten tot € 3 mln.

Risico’s en risicobeheersing

  • 5. Wat zijn de risico’s van de regeling voor het Rijk:

    • a. Wat is het totaalrisico van de regeling op jaarbasis? Kent de regeling een totaalplafond?

      Per 30 september 2021 zijn volgens de cijfers van RVO 4.353 BMKB-C leningen verstrekt waarbij de Staat garant staat voor een totaalbedrag van € 484 miljoen. Het garantieplafond van de BMKB inclusief het coronaluik bedraagt voor 2022 € 765 mln.

    • b. Hoe staan risico en rendement van de regeling tot elkaar in verhouding?

    • c. Wat is de inschatting van het risico voor het Rijk in termen van waarschijnlijkheid, impact, blootstellingduur en beheersingsmate?

      Beantwoording 5. b. en c. Gezien het lange bestaan van de regeling (sinds 1915) is er ruime ervaring met het omgaan en beheersen van risico bij het afgeven van borgstellingskredieten. Het feit dat de regeling altijd een deel van het risico bij de financier laat, maakt dat deze een belang heeft bij het zo goed mogelijk inschatten en beheersen van het risico.

      Als wordt gekeken naar het langjarig gemiddelde van schades per jaar van verstrekking, is dit gerelateerd aan een gemiddeld verwacht uitstaand obligo van € 2,15 miljard. Met een netto verliespercentage van 1,57% levert dit een jaarlijkse schade op van € 34 miljoen. In de periode 2009–2015 (de nasleep van de kredietcrisis) waren de schades aanzienlijk hoger. Sinds 2018 is de jaarlijkse schade gedaald naar € 17 mln in 2020. De starters en innovatieve bedrijven kennen hogere verliespercentages dan de gevestigde ondernemers. Waarschijnlijk geldt dit ook voor het corona-luik, maar dat is nog niet vast te stellen. Voor het opvangen van eventuele schades is in het voorjaar van 2020 een kasbuffer beschikbaar gesteld van € 203 mln. Hier is al een deel van teruggevloeid naar het algemene beeld. De stand van de kasbuffer was november 2021 € 89.6 mln.

      Langjarig kent de Staat meer uitgaven dan inkomsten in het kader van de regeling. Overigens was in de periode 2016–2020 wel sprake van volledige kostendekking. De borgstellingsprovisie voor het coronaluik is niet volledig kostendekkend. Structureel is voor de BMKB ca. 11 mln begrotingsruimte beschikbaar. Uit deze begrotingsruimte moeten ook de uitvoeringskosten van ca. € 2 mln per jaar gedekt worden.

  • 6. Welke risico-beheersende en risico-mitigerende maatregelen worden getroffen om het risico voor het Rijk te minimaliseren? Heeft de budgettair verantwoordelijke Minister voldoende mogelijkheden tot beheersing van de risico’s, ook als de regeling op afstand van het Rijk wordt uitgevoerd?

  • 7. Bij complexe risico's: hoe beoordeelt een onafhankelijke expert het risico van het voorstel en de risico-beheersende en risico-mitigerende maatregelen van Rijk?

    Beantwoording 6 en 7.: Financiers zijn zeer bepalend bij het risicobeheer; zij lopen voor een deel zelf risico voor de verstrekte kredieten (in het geval van de verruiming een eigen risico van 32,5%) en zullen daarom de kredietwaardigheid van de ondernemingen conform professionele standaarden beoordelen. Zij dienen, net als bij iedere andere financiering die ze verstrekken, actie te ondernemen als dat nodig is. Financiers moeten daarbij niet alleen voldoen aan hun eigen voorschriften (toezicht door DNB) maar worden ook achteraf bij de indiening van verliesdeclaraties onder de borgstelling door RVO.nl gecontroleerd. Een verliesdeclaratie van de financier bij RVO.nl wordt pas gehonoreerd als de financier gedurende het hele financieringsproces juist – als een goed financier en volgens de voorwaarden van de regeling – heeft gehandeld. Jaarlijks wordt 2,5% tot 10% van het ingediende bedrag aan verliesdeclaraties afgekeurd. Daarnaast kan de Minister aanpassingen doen in de regeling. Om de effectiviteit van de regeling te waarborgen gebeurt dit in nauwe afstemming met de uitvoerende financiers. Aanpassingen hebben echter geen effect op al afgegeven borgstellingen.

Vormgeving

  • 8. Welke premie wordt voorgesteld en hoeveel wordt doorberekend aan de eindgebruiker? Is deze premie kostendekkend en marktconform. Zo nee, hoeveel budgettaire ruimte wordt door het vakdepartement specifiek ingezet?

    Voor het Coronaluik van de BMKB geldt een premie van 2% voor borgstellingen met een looptijd tot en met 2 jaar en een premie van 3% voor borgstellingen met een looptijd van langer dan 2 jaar tot en met maximaal 4 jaar. De premie is niet geheel kostendekkend, maar passend binnen de hiervoor geldende staatsteunkaders. Voor het opvangen van eventuele schades is aanvullend op de premie-inkomsten een buffer beschikbaar. Stand van de begrotingsreserve was op november 2021 € 89.6 mln

    De gedachte achter het koppelen van de premie aan de looptijd is dat de ondernemer een vergoeding betaalt voor de periode dat deze middels het verkrijgen van een borgstellingskrediet een beroep doet op de Staat. Aangezien deze provisie vanwege het beperken van de administratieve lasten bij de financier eenmalig bij de verstrekking van de borgstelling wordt geïnd, loopt deze op naar mate de looptijd langer is.

    Vooralsnog wordt de verlenging gedekt binnen de 203 mln. die eerder beschikbaar is gesteld voor de BMKB-C. Op basis van de benutting in 2020 en 2021 en de verwachte benutting in 2022 lijkt de buffer vooralsnog toereikend.

  • 9. Hoe wordt de risicovoorziening vormgegeven?

    Er is een begrotingsreserve voor de BMKB ingesteld. De omvang van de begrotingsreserve was ultimo 2019 € 108 mln. In het voorjaar van 2020 is voor het opvangen van verliezen in het kader van het coronaluik van de BMKB een kasbuffer van € 203 mln. beschikbaar gesteld. Bij de Najaarsnota 2021 is € 125 mln teruggevloeid naar het algemene beeld. De stand van de begrotingsreserve was daarna € 89.6 mln Bij onderuitputting na definitieve beëindiging van de BMKB-C vloeien de middelen (storting en premie) uit de risicovoorziening terug naar het algemene beeld.

  • 10. Welke horizonbepaling wordt gehanteerd (standaardtermijn is maximaal 5 jaar)?

    De horizonbepaling voor de BMKB-regeling, waaronder ook het corona-luik, is 1 juli 2022.

  • 11. Wie voert de risicoregeling uit en wat zijn de uitvoeringskosten van de regeling?

    De uitvoering wordt gedaan door RVO.nl. De totale uitvoeringskosten (alle luiken) voor de BMKB is ca. € 2 mln. per jaar.

  • 12. Hoe wordt de regeling geëvalueerd, welke informatie is daarvoor relevant en hoe wordt een deugdelijke evaluatie geborgd?

    De BMKB is als geheel over de periode 2011–2015 geëvalueerd door een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van Economische Zaken, Financiën, RVO.nl, DNB, CPB en onafhankelijke leden, de heer C. Koopmans (SEO, tevens voorzitter) en de heer A. Verberk (UvA).

    De volgende evaluatie van de BMKB over de periode 2016–2020 is recent van start gegaan. In de evaluatie zal informatie worden betrokken van RVO.nl, de uitvoerende financiers, enquêtes onder ontvangende ondernemers en interviews met marktpartijen. Hierbij wordt ook een kwantitatieve analyse uitgevoerd. Naar verwachting zal omstreeks 1 april 2022 een evaluatierapport worden opgeleverd en zal dit in Q2–2022 met een beleidsvoorstel aan de Kamer worden voorgelegd.


X Noot
1

Steunpakket in het eerste kwartaal van 2022; Kamerstuk II, 35 420, nr. BL.

X Noot
2

Voor overbruggingskredieten voor bestaande ondernemers betreft het eerste jaar het jaar vanaf 22 juli 2020 Voor overbruggingskredieten voor starters betreft het eerste jaar het jaar vanaf 21 mei 2021.

X Noot
3

Financieringsmonitor 2019.

X Noot
4

Tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen („kmo's») behoren ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 mln. en/of het jaarlijkse balanstotaal € 43 mln. niet overschrijdt.

X Noot
5

Zie kamerbrief van 12 maart 2020: Noodpakket banen en economie.

X Noot
6

Zie kamerbrief d.d. 28 oktober 2020: Evaluatie Garantie Ondernemingsfinanciering.

X Noot
7

Maximaal 50% van het gehele krediet is BSK. Borg van de overheid op het BSK is 90% (10% eigen risico voor kredietverstrekker). Per saldo is de overheidsborg op het gehele krediet dus 50% maal 90% = 45%.

X Noot
8

Maximaal 75% van het gehele krediet is BSK. Per saldo is de overheidsborg op het gehele krediet dus 75% maal 90% = 67,5%.

X Noot
9

Maximaal 67% (afgerond) van het gehele krediet is BSK. Per saldo is de overheidsborg op het gehele krediet dus 67% maal 90% = 60%.

X Noot
10

RVO.nl krijgt van de financiers o.a. de volgende stukken: 1) kredietvoorstel plus -toelichting, 2) kredietovereenkomst, 3) verliesdeclaratie waarbij: proces verbaal tav gang van zaken na verlening en bij uitwinning, opgave actuele standen. Aan de hand van deze stukken wordt beoordeeld: was de verlening juist? geen fouten in beheer? klopt het te declareren bedrag? welke verhaalsmogelijkheden resteren er?

X Noot
11

«Determining the contribution of size classes to employment growth»; dr. J.M.P. de Kok en dr. G. de Wit, EIM 2012.

X Noot
12

Zie kamerbrief van 12 maart 2020: Noodpakket banen en economie.

X Noot
14

Het maximale risico en bijbehorende rente die de bank accepteert verschilt per bank en behoort tot het bedrijfsgeheim. Verschillende EIM MKB financieringsmonitors, en interviews met banken in het kader van de BMKB beleidsevaluatie 2005–2010 door Carnegie Consult, maken echter duidelijk dat banken zich begeven in het segment met relatief beperkte risico’s en bijbehorende lagere rentepercentages.

X Noot
15

KKC = Klein Krediet Corona garantieregeling (95% staatsgarantie op microkredieten tot € 50.000.

Naar boven