Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035420 nr. 18

35 420 Noodpakket banen en economie

Nr. 18 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 april 2020

Met deze brief informeer ik u over de besluiten die in de Rijksministerraad van 9 april jl. zijn genomen over de financiële ondersteuning van Aruba, Curaçao en Sint Maarten (hierna: de landen) in het kader van de gevolgen van de COVID-19-crisis. Hierbij zal ik tevens, in vervolg op mijn brief van 7 april 2020 (Kamerstuk 35 420, nr. 12), nader antwoord geven op schriftelijke vragen van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties.

De pandemie heeft voor de autonome landen zeer ingrijpende gevolgen, op medisch, economisch, sociaal en financieel gebied. De gevolgen zijn in elke sector van de samenleving scherp voelbaar. Het is duidelijk dat de economieën van de landen zwaar getroffen worden, met grote gevolgen voor de overheidsfinanciën, het inkomen van werknemers en de winstgevendheid van bedrijven. De landen worden extra hard getroffen door de reeds kwetsbare staat van hun overheidsfinanciën, de eenzijdige economieën (met name toerisme), de armoede bij de bevolking en vaak ongelijke verdeling van welvaart en de beperkte capaciteit van bestuur en ambtelijk apparaat.

De landen zijn uiteraard zelf verantwoordelijk voor het te voeren (financieel-economische) beleid. Vanwege de huidige bijzondere maatschappelijke en economische omstandigheden hebben de drie landen evenwel in het kader van artikel 36 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden een beroep gedaan op de solidariteit binnen het Koninkrijk en ieder een aantal hulpverzoeken ingediend. In het kader van een zorgvuldig besluitvormingsproces zijn deze verzoeken op grond van artikel 4, lid 1, sub c van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (Rft) en van artikel 2, lid 1, sub c van de Landsverordening Aruba Tijdelijk Financieel Toezicht (LAft) ter advisering voorgelegd aan het College financieel toezicht voor Curaçao en Sint Maarten (Cft) en het College Aruba financieel toezicht (CAft). Op basis van deze adviezen heeft op 27 maart jl. en 9 april jl. besluitvorming plaatsgevonden in de Rijksministerraad.

In deze brief zal ik eerst ingaan op de besluiten op de verzoeken om te mogen afwijken van begrotingsnormen in de Rft en de LAft, gezien de buitengewone omstandigheden veroorzaakt door de huidige crisis. Vervolgens informeer ik u over de genomen besluiten over de op korte termijn benodigde liquiditeitssteun aan de landen. Tot slot zal ik het vervolgproces schetsen in de aanloop naar besluitvorming over aanvullende tranches liquiditeitssteun.

Afwijken begrotingsnormen landen

Op grond van de artikelen 23 van de LAft en artikel 25 van de Rft kunnen de landen indien dat nodig is in verband met het herstel van schade door buitengewone gebeurtenissen, nadat overeenstemming is bereikt in de Rijksministerraad, afwijken van de financiële normen voor begrotingen, zoals genoemd in respectievelijk artikel 14 van de LAft en artikel 15 Rft. Ieder van de landen heeft bij de Rijksministerraad een verzoek ingediend tot toepassing van deze artikelen. Op 27 maart jl. heeft de Rijksministerraad voor Curaçao en Sint Maarten ingestemd met een afwijking van de centrale begrotingsnorm (artikel 15, lid 1 van de Rft). Ook voor Aruba is ingestemd met een afwijking van het van toepassing zijnde financieringssaldo, zoals vervat in artikel 14, tweede lid van de LAft en in het Protocol Aruba Nederland 2019–2021. Dit betekent dat Aruba dit jaar niet gehouden is om te komen tot een financieringsoverschot van 0,5% BBP. Voor Curaçao en Sint Maarten betekent dit dat de landen op dit moment niet hoeven te voldoen aan de norm van een sluitende begroting. Wanneer er meer duidelijkheid is over de gevolgen van de COVID-19 pandemie voor de economie en de begroting van de landen en over de beleidsrespons van de landen, zal er besluitvorming plaatsvinden over de mate waarin de landen mogen afwijken van de normen.

Besluitvorming begrotingssteun

Op 9 april jl. heeft de Rijksministerraad op basis van de adviezen van het Cft besloten om ieder land liquiditeitssteun voor de maand april en de helft van de maand mei te verstrekken in de vorm van leningen conform de door het C(A)ft geadviseerde bedragen. Daarbij heeft de Rijksministerraad aangegeven dat deze middelen vooral ten goede moeten komen aan dat deel van de bevolking dat het zwaarst getroffen wordt, bij wie de effecten van deze crisis het meest worden gevoeld en waar de nood het hoogst is.

Hieronder licht ik per land toe welke steun is toegekend. Vervolgens zal ik kort ingaan op de leenvoorwaarden, die voor alle landen gelijk zijn.

Aruba

De Rijksministerraad heeft, conform het advies van het CAft, besloten om Aruba direct een renteloze lening te verstrekken van AWG 42,8 miljoen (€ 22 miljoen) voor de maand april en de eerste helft van de maand mei en daarvoor de Nederlandse inschrijving te hanteren. Het CAft is verzocht nadere afspraken te maken met het land over een efficiënt beheer van de ter beschikking te stellen liquiditeiten met daarbij specifieke aandacht voor de doelmatigheid van de bestedingen, zonder hierbij teveel bureaucratie op te tuigen.

De verstrekte lening betreft acute liquiditeitssteun ter bestrijding van de gevolgen van de crisis. Om de schuldenlast niet nu al erg te laten oplopen is nog geen aanvullende dekking verstrekt voor het pakket aan noodmaatregelen dat Aruba heeft opgesteld. Aruba is verzocht hiervoor eerst op haar eigen begroting dekking te zoeken door op korte termijn te komen tot besparingen, onder meer op de personeelslasten en subsidies, om daaruit de extra uitgaven uit het noodplan te financieren en zodoende het te verwachten financieringstekort zo veel mogelijk te verlagen. Ook is Aruba verzocht om voor 1 mei a.s. een voorstel te doen voor loonsubsidie in combinatie met baanbehoud omdat hierdoor de gevolgen van de pandemie voor het bedrijfsleven en de werkgelegenheid beperkt kunnen worden. Dit voorstel zal vervolgens ter toetsing worden voorgelegd aan het CAft, waarna dit voorstel in aanmerking kan komen voor liquiditeitssteun vanuit Nederland in de vorm van een nader te bepalen aanvullende lening.

De Rijksministerraad heeft Aruba ook toestemming gegeven om een lening buiten het Koninkrijk van maximaal AWG 582,9 miljoen(€ 299 miljoen; zonder garantstelling door Nederland) aan te gaan, als bedoeld in artikel 29 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Aruba had hiertoe een verzoek gedaan om haar aflossings- en renteverplichtingen voor het jaar 2020 na te kunnen komen.

Curaçao

De Rijksministerraad heeft, conform het advies van het Cft, besloten om Curaçao een renteloze lening te verstrekken van in totaal ANG 177 miljoen (€ 91 miljoen): ANG 105 miljoen voor de maand april en ANG 72 miljoen voor de eerste helft van de maand mei. Het betreft liquiditeitssteun voor de inkomstenderving en maatregelen ten behoeve van baanbehoud. Het Cft is verzocht nadere afspraken te maken met het land over een efficiënt beheer van de ter beschikking te stellen liquiditeiten met daarbij specifieke aandacht voor de doelmatigheid van de bestedingen, zonder hierbij onnodig extra bureaucratie op te tuigen.

Met betrekking tot het nog niet ingevulde pakket aan steunmaatregelen is Curaçao gevraagd keuzes te maken in de bestaande begroting om daarvoor financiële ruimte te creëren. Deze dienen zijn beslag te krijgen in een begrotingswijziging die voor 1 mei a.s. voor advies aan het Cft wordt voorgelegd.

Sint Maarten

De financiële situatie van Sint Maarten is na orkaan Irma sterk verslechterd. Om de financiële klappen van de orkaan op te kunnen vangen, kwam Sint Maarten voor de begrotingsjaren 2017, 2018 en 2019 in aanmerking voor liquiditeitssteun. Aan de liquiditeitssteun over 2019 heeft de Rijksministerraad eerder twee voorwaarden verbonden, namelijk het verlagen van de salarissen en/of emolumenten van de Statenleden en leden van de regering met 10% en het opnemen van de noodzakelijke kosten voor politiebijstand en het verbeteren van de detentiesituatie in de begrotingen voor 2019 en 2020.

Aan de eerste voorwaarde heeft Sint Maarten recent voldaan. Aan de tweede voorwaarde kan pas worden voldaan wanneer de begroting 2020 is vastgesteld. Daarom is afgesproken dat deze begroting voor 1 mei a.s. gepresenteerd moet worden; het Cft zal hierover de Rijksministerraad nader informeren. In afwachting daarvan wordt voor nu volstaan met de toezegging van Sint Maarten dat de betreffende kosten in deze begroting verwerkt zullen worden. Op basis van die afspraak heeft de Rijksministerraad ingestemd met het per omgaande verstrekken van liquiditeitssteun 2019 ter hoogte van ANG 50,2 miljoen (€ 26 miljoen). De kosten die zijn gemaakt voor in Nederland verblijvende Sint Maartense gedetineerden zullen met dit bedrag worden verrekend.

Een doorrekening van de inkomstendaling en de maatregelen voor loonbehoud worden door het Cft nog geanalyseerd en zullen worden meegenomen in toekomstige besluitvorming over aanvullende steun.

Leenvoorwaarden

De hiervoor genoemde leningen zijn verstrekt via het Agentschap van het Ministerie van Financiën en kennen voor alle landen dezelfde leenvoorwaarden. Het rentepercentage is voor elk van de leningen gesteld op 0%, voor zolang Nederland tegen een rentepercentage van 0% kan lenen. De leningen hebben de vorm van bulletleningen voor een periode van twee jaar. Dit betekent dat er gedurende deze periode geen sprake is van rente en aflossingsverplichtingen. Het Cft heeft geadviseerd de te creëren leningen na deze periode van twee jaar te herfinancieren en dan om te zetten in een sinking bond. Zo kan over twee jaar de totaal gegeven liquiditeitssteun geherfinancierd worden waarbij op dat moment de passende aflossingstermijnen en overige voorwaarden kunnen worden bepaald. Vanzelfsprekend zal te zijner tijd hierover het C(A)ft om advies worden gevraagd.

Ik zend u zo spoedig mogelijk de incidentele suppletoire begroting waarmee de verstrekte leningen worden opgenomen in de begroting van het Ministerie van BZK. Vanwege het acute belang van de liquiditeitssteun heb ik inmiddels de met de liquiditeitssteun gemoeide middelen reeds ter beschikking gesteld aan de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten en aan de Centrale Bank van Aruba.

Vervolgproces en aanvullende steun

De hiervoor beschreven steun stelt de landen in staat om op korte termijn te voldoen aan hun financiële verplichtingen. Afhankelijk van de duur van de crisis zal op de middellange en lange termijn aanvullende steun noodzakelijk zijn om de overheidsfinanciën van de landen op peil te houden en om de benodigde (economische) noodpakketten te financieren. Afgesproken is dat de landen met ingang van maart 2020 maandelijks gaan rapporteren over de financiële situatie, waarbij ze in ieder geval ingaan op de liquiditeitspositie en de inzet van de liquiditeitssteun. Op basis van die rapportages volgt het C(A)ft de realisatie van de uitvoering van de landsbegroting en de ontwikkeling van de liquiditeitspositie en zal het college adviseren over de benodigde liquiditeitssteun tot eind juni 2020.

De Rijksministerraad heeft besloten om aanvullende leningen afhankelijk te stellen van een pakket aan maatregelen gericht op structurele hervormingen. De afgelopen jaren zijn met de landen tal van afspraken gemaakt om de kwetsbaarheid van hun samenlevingen te verkleinen, waar nog onvoldoende invulling aan is gegeven. Ook het C(A)ft en het IMF hebben herhaaldelijk geadviseerd tot structurele hervormingen. Vanuit de Rijksministerraad zijn aanwijzingen gegeven aan de landen tot naleving van de onderling overeengekomen begrotingsregels. Alle afspraken, adviezen en aanwijzingen zijn echter helaas niet of onvoldoende opgevolgd. Daardoor kwam er geen robuuste overheid tot stand en is er geen sprake van duurzaam houdbare overheidsfinanciën. Ook hebben programma’s tot versterking van het bestuur en het ambtelijk apparaat weinig tot geen effect gehad. Mede daardoor is ook geen sprake geweest van het opbouwen van financiële, institutionele en maatschappelijke weerbaarheid en van een bestuurlijke structuur om crises, van welke aard dan ook, goed te kunnen weerstaan. Gegeven deze ervaringsfeiten zullen voorwaarden aan de orde zijn bij aanvullende financiële steun. Condities op het gebied van bijvoorbeeld de economie, de arbeidsmarkt, de kapitaalmarkt (financiële stelsels en het toezicht erop), het pensioenstelsel, het sociale zekerheidstelsel, het zorgstelsel, de overheidsorganisatie en het bestuur. Het doel hiervan is het vergroten van de weerbaarheid van de landen zelf tegen toekomstige economische schokken. Om die reden heb ik de landen uitgenodigd ook zelf met voorstellen te komen die bijdragen aan het duurzaam versterken van de (sociaal) economische structuur en daarmee dus de zelfontplooiing van de autonome landen verder brengt. Over dit al zal de komende periode het gesprek worden gevoerd met de landen. Doel van het maatregelenpakket is dat de economieën en overheidsfinanciën van alle drie de landen sterker uit deze crisis zullen komen.

Tot slot

Eén van de eisen die ik eerder heb gesteld aan het verlenen van liquiditeitssteun 2019 aan Sint Maarten zag op het verminderen van de salarissen en emolumenten van Statenleden en leden van de regering. Deze eis lag al langere tijd op tafel en is recent middels een «solidariteitsinitiatief» door Sint Maarten ingevuld. Dit initiatief dient nu vertaald te worden in wetgeving. Ook Curaçaose parlementsleden hebben besloten om tijdelijk in te leveren op hun salaris en in Aruba ligt een wetsvoorstel op tafel voor een soortgelijk initiatief. Hoewel ik uiteraard waardering heb voor dit gebaar, wil ik hier benadrukken dat het hierbij niet kan blijven. Een normering van topinkomens is nodig voor de gehele overheid, inclusief de verschillende overheids-NV’s, als voorwaarde voor het verstrekken van aanvullende liquiditeitssteun aan de landen.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops