Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035398 nr. 5

35 398 Wijziging van de Wet dieren in verband met de uitvoering van de herziene Europese diergezondheidswetgeving

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 26 maart 2020

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoud

Blz.

         

I

Algemeen deel

1

 

1.

Inleiding

2

 

2.

De diergezondheidsregelgeving

3

   

2.1

Huidige diergezondheidsregelgeving

3

   

2.2

De diergezondheidsverordening

5

   

2.3

Uitvoering van de diergezondheidsverordening

7

   

2.4

De Wet dieren

9

 

3.

Hoofdlijnen van het voorstel

9

 

4.

Financiële gevolgen

9

 

5.

Regeldruk

9

 

6.

Inwerkingtreding

10

         

II

Artikelen

10

 

Artikel I, onderdeel A en artikel VI, tweede lid, tweede wijziging

10

I Algemeen deel

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse de wijziging van de Wet dieren in verband met de uitvoering van de herziene Europese diergezondheidswetgeving (hierna: de Wet dieren) gelezen en hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen. De leden van de VVD-fractie willen benadrukken dat de Nederlandse standaarden voor diergezondheid en dierenwelzijn hoog zijn in vergelijking met sommige andere Europese landen en dat zij graag zouden zien dat in alle lidstaten dezelfde hoge diergezondheidsnormen worden gehanteerd.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Deze leden hebben enkele vragen met betrekking tot onder andere het ontbreken van een evaluatiebepaling, vaccinatie, onevenredige belasting voor bepaalde dierhouders en de mogelijkheid tot vrijstelling voor hobbydierhouders.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel ter wijziging van de Wet dieren. Deze leden verwelkomen de ontwikkelingen op preventiebeleid en vaccinatie als zijnde een volwaardig bestrijdingsinstrument. Bovendien staan deze leden positief tegenover de erkenning van de relatie tussen diergezondheid, dierenwelzijn en gezondheid van de mens. Gezien het grensoverschrijdend karakter van dierziekten en de mogelijke impact hiervan op de menselijke gezondheid, zijn deze leden verheugd om te vernemen dat verdere harmonisatie van de maatregelen plaatsvindt, opdat wij als Europa effectief en eensgezind kunnen optreden tegen de uitbraak van dierziekten. Zij zullen de uitvoering van de wijzigingen in de wet nauwlettend in de gaten houden en hopen dat Europa door deze verordening daadkrachtiger als één kan optreden tegen de voorkoming en verspreiding van dierziekten in Europa. De leden van de D66-fractie hebben nog wel enkele vragen die zij de regering willen stellen met betrekking tot de uitwerking van het wetsvoorstel.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met interesse het voorstel voor de wijziging van de Wet dieren gelezen. Deze leden zijn in principe tevreden met de vertaling van deze Europese richtlijn in nationale regelgeving. Toch hebben zij nog enkele vragen, zeker als het gaat om dierenwelzijnsregels voor zover die in deze wetswijziging meegenomen kunnen worden.

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel tot wijziging van de Wet dieren. Hierbij hebben deze leden nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel voor de wijziging van de Wet dieren. Deze leden zijn van mening dat het een goed moment is om de diergezondheidswetgeving tegen het licht te houden.

De wereld ervaart momenteel aan den lijve wat de grote gevolgen kunnen zijn van een uitbraak van een zeer besmettelijke, zoönotische ziekteverwekker, onder andere voor de volksgezondheid. Naast dit coronavirus dat momenteel rondwaart, doken de afgelopen maanden ook nieuwe gevallen van vogelgriep en Afrikaanse varkenspest op in ons omringende landen. Als dichtbevolkt land met een zeer grote intensieve veehouderij, maakt Nederland het virussen veel te makkelijk, stelt viroloog Koopmans van Erasmus MC1.

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie merken op dat er nog de nodige onzekerheid bestaat over regeldrukeffecten van de diergezondheidsverordening. Zo zal pas na vaststelling van het hele pakket met Europese regels duidelijk worden wat de precieze regeldrukeffecten en eventuele reductie van regeldruk wordt en worden ook mogelijkheden voor concrete lastenreductie pas inzichtelijk als het hele Europese pakket gereed is. Daarnaast zal pas op het moment dat duidelijk is welke derogaties mogelijk worden, vastgesteld kunnen worden wat de toename aan regeldruk door de nieuwe identificatie en registratie (I&R) verplichting wordt. In het kader van deze onzekerheden vinden de leden van de CDA-fractie het opmerkelijk dat het onderhavige wetsvoorstel geen evaluatiebepaling bevat. Deze leden vragen de regering uit te leggen waarom het wetsvoorstel geen evaluatiebepaling bevat. Zij vragen de regering daarbij tevens inzichtelijk te maken hoe het ontbreken van een evaluatiebepaling zich verhoudt tot de bovengenoemde onzekerheden en wanneer over deze onzekerheden meer duidelijkheid wordt verwacht.

In algemene zin merken de leden van de SP-fractie op dat de zij de intensiteit en omvang van de Nederlandse veehouderij niet passend vinden bij het welzijn en de gezondheid van zowel dier, mens als natuur. Regelmatige epidemieën en bijbehorende grootschalige ruimingen zijn hier een pijnlijk doch treffend voorbeeld van, zo menen deze leden. Dat gezegd hebbende zijn zij van mening dat diergezondheid prominente aandacht verdient en steunen zij vanzelfsprekend iedere maatregel die daar volgens hen aan bijdraagt.

De leden van de SP-fractie vragen de regering om toe te lichten hoe het stelsel van I&R op EU-niveau is ingericht als het gaat om bijbehorende verplichtingen en de uitvoering daarvan in de praktijk. Daarnaast zijn deze leden benieuwd in hoeverre hierbij sprake is van facultatieve verplichtingen en op welke wijze lidstaten of ondernemers kunnen worden gesanctioneerd indien sprake is van gebrekkige naleving of uitvoering van het I&R-systeem. Zij achten het onwenselijk dat diersoorten als kippen en varkens op dermate grote schaal worden gehouden dat registratie op individueel niveau te kostbaar wordt geacht. Het streven zou volgens de leden van de SP-fractie dan ook moeten zijn om zowel deze dieraantallen in te perken als de verplichtingen ten aanzien van registratie per individueel dier uit te breiden.

2. De diergezondheidsregelgeving

2.1 Huidige diergezondheidsregelgeving

De leden van de VVD-fractie lezen dat Nederland in vergelijking met de Europese regels een aantal extra diergezondheidsvoorschriften heeft. Deelt de regering de mening dat de Nederlandse extra diergezondheidsvoorschriften, wanneer geïmplementeerd in EU-verband, kunnen leiden tot een hoger diergezondheids- en welzijnsniveau? Deze leden vragen de regering op welke manier zij zich in Europees verband inzet voor implementatie van de extra voorschriften die Nederland heeft ten opzichte van de Europese regelgeving? Welke stappen zijn hier al toe gezet?

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat er in het nieuwe diergezondheidsbeleid meer aandacht is voor preventie. Dat vinden deze leden een goede ontwikkeling, zeker als het gaat over het nemen van bioveiligheidsmaatregelen. Het dier heeft namelijk intrinsieke waarde, dat is ook vastgelegd in onze Wet dieren. De diergezondheidsregelgeving is historisch gezien vooral gericht op het economisch belang van gezond vee, niet zo zeer op het belang van het welzijn van het dier. Deze leden merken op dat er in de huidige regelgeving nog sporen van te vinden zijn. Zij zijn daarom bezorgd over de praktijk waarin vaak nog veel de voorrang gegeven wordt aan het economisch belang. Denk hierbij aan het ophokken van pluimvee zoals nu door de vogelgriep. Is het dan nodig om in het hele land op te hokken of kan dit ook bekeken worden per regio? En is het mogelijk om te compenseren als dieren opgehokt worden door bijvoorbeeld meer afleidingsmateriaal aan de kippen te geven?

De leden van de GroenLinks-fractie hebben ook meer algemene vragen met betrekking tot de nieuwe wetgeving. Ten eerste: wordt het principe van de intrinsieke waarde in de nu op te stellen regels nog eens extra vastgelegd door bijvoorbeeld te bepalen dat de maatregelen op het dierenwelzijn moeten worden getoetst of is dat volgens de regering niet nodig omdat de erkenning van de intrinsieke waarde al in de Wet dieren staat? Is het in dit laatste geval dan voldoende dit nog eens in de memorie van toelichting nadrukkelijk uiteen te zetten? Ten tweede: wordt dit in de uitvoeringspraktijk geoperationaliseerd door bij preventiemaatregelen steeds te kijken of dit niet ten koste gaat van het dierenwelzijn? En zo ja, dan de volgende afwegingen te maken: 1. Gaat het om een zwaarwegend belang dat inbreuk op het dierenwelzijn rechtvaardigt? 2. Zijn er alternatieven voor de preventiemaatregelen? 3. Als er geen alternatieven zijn, wordt dan de benadeling van het dierenwelzijn zoveel mogelijk beperkt?

De leden van de SP-fractie steunen het beperken van het aantal verzamelslagen tijdens diertransporten en het aanscherpen van hygiënevereisten. Deze leden vragen of het onderliggende voorstel tevens voorziet in een algehele inperking van de aantallen transporten en de afstands- en tijdsduur die hiermee gepaard gaat? Niet alleen vormen de vele transporten een belangrijke bron van verspreiding van dierziektes, ook het welzijn van de dieren heeft hier volgens deze leden ernstig onder te lijden. Wat betekent de nieuwe wetgeving bijvoorbeeld voor transporten met jonge dieren, voor intercontinentaal transport, voor temperatuureisen en voor rij- en pauzetijden? Kan de regering toelichten of en hoe op dit gebied verbeteringen worden beoogd met dit voorstel?

De leden van de SP-fractie zijn reeds geruime tijd van mening dat een vaccinatieplicht noodzakelijk is. Deze leden zijn dan ook positief over het voornemen om van vaccineren een volwaardig bestrijdingsinstrument tegen dierziekten te maken. Daarbij vragen zij in hoeverre er beleid wordt geformuleerd om te borgen dat gevaccineerd vlees kan worden afgezet. In de praktijk blijkt hier namelijk geen fatsoenlijke afzetmarkt voor te zijn, zo menen deze leden.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie schrijven dat, om het risico op en gevolgen van uitbraken met hoog pathogene vogelgriep te verkleinen, de roadmap strategische aanpak vogelgriep is ontwikkeld en vorig jaar is opgeleverd (Kamerstuk 28 807, nr. 222). Deze leden vragen naar de stand van zaken met betrekking tot de implementatie van elk van de 28 maatregelen die in deze roadmap staan beschreven.

Wat betreft de I&R van dieren vragen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie aandacht voor de registratie van geitenlammetjes. Het is pas verplicht om deze dieren te registreren wanneer zij een half jaar oud zijn of wanneer zij het bedrijf verlaten: op het moment dat zij op een leeftijd van 0 tot 7 dagen worden afgevoerd naar een bokkenmesterij of op transport gaan naar het slachthuis. Hierdoor is niet precies bekend hoeveel dieren er sterven in de stal in de eerste zes maanden. Dit terwijl de zorg voor jonge dieren één van de speerpunten is van het dierenwelzijnsbeleid van deze regering en de sterfte onder geitenlammetjes, voor het deel dat wel is geregistreerd, de afgelopen jaren extreem hoog was. In 2017 was de gemiddelde sterfte bij bokkenmesterijen een dramatische 32%, met uitschieters tot 61% op één bedrijf2. Om een volledig beeld te krijgen van de sterfte bij alle bedrijven in de geitensector, is het van belang om de I&R-regeling voor geiten aan te passen. Is de regering bereid hiervoor zorg te dragen?

2.2 De diergezondheidsverordening

De leden van de VVD-fractie lezen dat dit een verordening op hoofdlijnen is, maar dat de Europese Commissie bevoegd is verdere gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen vast te stellen. Tot hoever reikt de bevoegdheid van de Europese Commissie voor wat betreft het vaststellen van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen? Welke gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen worden er nog verwacht, wanneer zijn deze gereed, en waarom specifiek deze aanvullende gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen? Welke invloed hebben lidstaten hierop?

De leden van de VVD-fractie vragen hoe er wordt omgegaan met nieuwe, nog niet eerder voorgekomen, ziekten. Op welke manier wordt bepaald onder welke ziektecategorie deze valt? Hoe ziet het proces eruit van het vaststellen van de ziekte tot het plaatsen van de ziekte in een ziektecategorie?

De leden van de VVD-fractie vragen de regering enkele voorbeelden te noemen van geharmoniseerde maatregelen tegen opkomende dierziekten.

De leden van de CDA-fractie merken op dat in Nederland is afgesproken dat bij de uitbraak van een dierziekte gezonde dieren gevaccineerd worden om de uitbraak te beperken. Dit noemt men «vaccineren voor het leven». Het nadeel hiervan voor veehouders is dat gevaccineerde dieren niet meer naar andere landen worden geëxporteerd voor voedsel. Deze gevaccineerde dieren wil de consument liever niet, omdat men in de veronderstelling is dat vlees van gevaccineerde dieren van mindere kwaliteit zou zijn. Deelt de regering deze veronderstelling? Zo nee, waarom niet? Dit leidt er vervolgens toe dat in Nederland de prijzen gigantisch kelderen. De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat hier een oplossing voor moet komen. Want waarom zouden boeren anders nog hun vee laten vaccineren, als zij hiermee voor het einde van hun bedrijf tekenen? Het beeld is verder dat andere Europese landen bij een dierziekte-uitbraak dieren zullen gaan ruimen. In dat geval krijgt de boer een compensatie voor zijn dieren. Kan de regering inzichtelijk maken hoe de situatie op dit moment is in andere Europese landen? En is de regering aan het nadenken hoe wordt voorkomen dat maatschappelijke wensen eenzijdig op boeren worden afgewenteld?

De leden van de CDA-fractie constateren verder dat er voor de schapenhouderij en geitenhouderij een probleem zal ontstaan als er niet mag worden «omgenummerd». Als een dier zijn nummer verliest, kan het niet meer gescand worden om gepersonaliseerd voer te krijgen. Klopt het dat er volgens de Europese Animal Health Regulation niet mag worden omgenummerd? Is de regering ervan op de hoogte dat hierdoor problemen kunnen ontstaan bij schapen- en geitenhouderijen? Indien deze problemen zich voor zullen doen, is de regering dan bereid derogatie aan te vragen? Zo ja, hoe schat de regering de kans in dat de Europese Commissie deze zal verlenen en op welke termijn is het verlenen van derogatie te verwachten?

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat nieuw is dat de Europese Commissie bevoegd wordt om geharmoniseerde maatregelen te nemen tegen opkomende dierziekten. Zij maken zich zorgen. Deze nieuwe ziekten komen vaak door klimaatverandering noordwaarts naar ons land. Ook de toenemende globalisering heeft daar invloed op, want dierenwelzijn is vaak door armoede niet overal in de wereld en in Europa even goed geregeld. Wat doet Nederland zelf en in EU-verband om in dit soort gebieden het diergezondheidsbeleid te helpen verbeteren? Kan een internationale inspanning om andere landen te helpen hun dierziektebeleid te verbeteren eventueel via een bepaling in deze wet opgenomen worden?

De leden van de GroenLinks-fractie lezen verder dat de lijst van ziekten waar op Europees niveau maatregelen voor gelden tegen het licht is gehouden. Twee ziekten, namelijk Infectieuze Bovine Rhinotracheïtis (IBR) en Bovine Virus Diarree (BVD), plagen al een hele tijd onze rundveesector en zijn heel vervelend voor de runderen die daar last van hebben. Onze buurlanden zijn al vrij van deze ziekten. De sector probeert nu met vrijwillige programma’s de veehouderij vrij te maken van deze ziekten. Toch lijken enkele veehouderijen niet mee te doen. Staan beide ziekten op de nieuwe Europese lijst? Zo nee, wat vindt de regering ervan om deelname aan deze programma’s te verplichten?

De leden van de GroenLinks-fractie lezen verder in de memorie van toelichting dat vaccinatie een volwaardig bestrijdingsinstrument wordt. Dat betekent dat vaccinatie niet alleen mag worden gebruikt ter onderdrukking van het virus waarna de gevaccineerde dieren alsnog gedood worden; er mag nu ook gebruik worden gemaakt van «vaccineren voor het leven». Heel goed natuurlijk. Helaas zien deze leden dat dit laatste nog veel problemen oplevert in de praktijk. Bedrijven hebben problemen om gevaccineerde dieren, en producten daarvan, af te zetten uit angst dat dit vlees niet goed zou zijn, wat wetenschappelijk ongefundeerd is. Officieel mogen andere EU-lidstaten gevaccineerd vlees niet weigeren, maar vaak blijkt dit wel lastig. Derde landen sluiten vaak hun grens voor gevaccineerde dieren en producten daarvan. Gaat Nederland een einde maken aan het op grote schaal ruimen van dieren bij bestrijdingsplichtige besmettelijke dierziekten waartegen goede vaccins bestaan, door nu in nationale regelgeving te bepalen dat vaccineren altijd gebeurt met het oogmerk de gevaccineerde dieren daarna te laten leven, tenzij dit om veterinaire redenen echt niet kan? Wat doet de regering aan private afnemers die gevaccineerde dieren en producten daarvan die veterinair veilig zijn weigeren of daar minder voor willen betalen? Ziet de regering dit als oneerlijke handelspraktijken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe denkt de regering hier tegen op te treden? Is het mogelijk om wettelijk te bepalen dat private partijen deze producten niet mogen weigeren en er geen lagere prijs voor mogen betalen? En wat kan Nederland doen om deze export van gevaccineerde maar gezonde dieren ook naar derde landen te bevorderen?

De leden van de GroenLinks-fractie lezen daarnaast dat de basisverantwoordelijkheden van onder andere dierenhouders en -artsen zijn beschreven. Ook wordt benoemd dat gezondheid en welzijn van dieren onlosmakelijk met elkaar verbonden is. Is de regering het met deze leden eens dat de verantwoordelijkheid voor dierenwelzijn expliciet benoemd moet worden? Ook in deze wet?

Als laatste hebben de leden van de GroenLinks-fractie nog vragen over het samenbrengen en harmoniseren van de Europese diergezondheidsregels. Dat klinkt natuurlijk heel goed, zeker omdat daarmee de uitvoering en samenwerking in aanpak verbeterd worden. Maar is de regering het met deze leden eens dat dit Nederland niet moet dwingen om minder ambitieus te zijn? In andere woorden, in hoeverre houdt Nederland de vrijheid om dierenwelzijn zwaarder te laten wegen dan economische belangen?

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de veranderde status van onder meer blaasjesziekte en blauwtong. Deze leden vragen om een compleet overzicht van de bestrijdingsplichtige dierziekten die een andere status hebben gekregen, evenals een motivatie hierbij die heeft geleid tot deze veranderde status.

2.3 Uitvoering van de diergezondheidsverordening

De leden van de VVD-fractie vragen op welke punten de nieuwe Europese verordening inhoudelijk verder gaat dan de huidige Nederlandse regelgeving op het gebied van diergezondheid.

De leden van de VVD-fractie vragen een uitputtende lijst van additionele maatregelen die Nederland in vergelijking met de Europese verordening neemt.

De leden van de VVD-fractie vragen de regering wat er met de voorliggende Europese diergezondheidsverordening verandert aan de Europese aanpak van bijvoorbeeld de klassieke varkenspest. Welke maatregelen worden onder de huidige regelgeving genomen en welke onder de nieuwe verordening? Deze leden constateren dat er in de afgelopen jaren een terughoudendheid was in het treffen van maatregelen om de verspreiding van de klassieke varkenspest tegen te gaan, met name maatregelen in natuurgebieden. Geeft deze verordening meer doorzettingsmacht? Zo nee, waarom niet?

De leden van de VVD-fractie lezen dat de verordening niet voorziet in regels voor dierenwelzijn. Op dierenwelzijn bestaat een separaat EU-kader naast deze verordening. Kan de regering aangeven op welke manier de verordening en het EU-kader met elkaar werken? De leden van de VVD-fractie constateren dat de aanpak van diergezondheid (lees: het bestrijden van dierziekten) contrair kan zijn aan dierenwelzijnseisen. Voorbeelden zijn noodzakelijk preventieve maatregelen ter voorkoming van uitbraken hoog pathogene vogelgriep (HPAI) of het kunnen handhaven van de nulstand voor wilde zwijnen. Welke regel prevaleert? Is dat alleen in Nederland of in alle EU-lidstaten van toepassing?

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan aangeven waarom lidstaten aanvullende maatregelen kunnen treffen op de traceerbaarheidsvoorschriften. Waarom zijn er vanwege de exportpositie geen EU-brede afspraken gemaakt?

De leden van de VVD-fractie lezen dat naast de veehouderij ook gezelschapsdieren, hobbydieren, dierentuindieren, circusdieren, proefdieren, wilde dieren en aquacultuurdieren zijn opgenomen in de verordening. Waarom heeft de Europese Commissie ervoor gekozen al deze categorieën op te nemen in de verordening? Deze leden willen benadrukken dat zij hiermee kunnen instemmen en dat ze zich ervan bewust zijn dat er verschillende pogingen zijn gedaan de houders van hobbydieren buiten de verordening te laten.

De leden van de VVD-fractie hebben verder nog enkele aanvullende vragen over de reikwijdte van de gewijzigde wet en de administratieve lastendruk. Naast de commerciële veehouderij ziet de wet ook toe op hobby- of gezelschapsdieren, dierentuindieren, circusdieren en wilde dieren. Een van de doelstellingen bij de herziening van de onderliggende diergezondheidsverordening was het verminderen van de complexiteit van het beleids- en wetgevingskader. Kan de regering toelichten of naar haar inschatting de wetswijziging bijdraagt aan het vereenvoudigen van dit kader en daarmee het verminderen van de administratieve lastendruk, met name voor de kleinere partijen die gehouden zullen worden aan de gewijzigde wet, zoals dierenwinkels? Zijn dergelijke partijen voldoende op de hoogte van de gewijzigde regelgeving? Kan de regering toelichten in hoeverre ook hobbymatige houders van dieren op grond van de gewijzigde wet en de onderliggende verordening verplicht zullen zijn om bepaalde aanpassingen te doen aan de wijze waarop zij hun dieren houden?

Kan de regering verder toelichten op welke wijze de uitvoeringshandelingen bij deze wet tot stand zullen komen en of daarbij eveneens de doelstelling van het vereenvoudigen van het wettelijke kader leidend zal zijn?

De leden van de VVD-fractie vragen of er nationale regelgeving moet worden aangepast omdat deze in strijd is met de nieuwe diergezondheidsverordening? Zo ja, welke regelgeving en waarom?

De leden van de VVD-fractie benadrukken dat er door de nieuwe Europese diergezondheidsverordening verschillen kunnen ontstaan in bijvoorbeeld de I&R-eisen die Nederland zelf al neemt en die vanuit de verordening genomen moeten worden. Wat gebeurt er met de Nederlandse eisen wanneer deze verder gaan dan de Europese verordening, zoals bij runderen? Deze leden gaan er vanuit dat de Nederlandse eisen gehandhaafd worden, is dit correct? Zo ja, op welke manier gaat de regering hiervoor zorgen en op welke manier wordt ook de sector hierbij betrokken? Zo nee, waarom niet?

De leden van de VVD-fractie vragen of het klopt dat sectoren als de schapen- en geitenhouders door de nieuwe Europese diergezondheidsverordening problemen kunnen ervaren in de registratie of omnummering van hun dieren. Welke stappen kan de regering zetten om ervoor te zorgen dat schapen- en geitenhouders hun dieren gemakkelijk kunnen omnummeren wanneer deze hun nummer verliezen? Is de regering bereid deze stappen te zetten? Zo nee, waarom niet?

Verder wijzen de leden van de VVD-fractie op de noodzaak om ervoor te zorgen dat regelgeving omtrent het gebruik van proefdieren niet in de weg staat van de ontwikkeling van noodzakelijke medische behandelingen en technologieën. De huidige situatie omtrent het coronavirus en de ontwikkeling en het onderzoek naar behandeling en vaccins onderstrepen naar de mening van deze leden andermaal dat de wet- en regelgeving over medisch onderzoek zo min mogelijk beperkend moet zijn, binnen redelijke kaders. In dat verband is het waardevol om te benadrukken dat een van de doelstellingen van de herziene onderliggende diergezondheidsverordening is om zoveel mogelijk ruimte te bieden aan onderzoek en gebruik van nieuwe technologieën, juist ook om de samenleving te beschermen tegen de infectieziekten waartegen de onderliggende verordening ook probeert op te treden. Daar de herziene verordening eveneens van toepassing is op proefdieren, vragen deze leden of de regering kan toelichten in hoeverre het voorstel beantwoordt aan deze doelstelling. Hebben de wijzigingen een impact op de wijze waarop ontwikkelingen van medicijnen en vaccins in Nederland tot stand komen? Zo ja, kan de regering dit toelichten?

De leden van de CDA-fractie merken op dat het voor de hand ligt dat dierziektedraaiboeken door de voorgestelde wijziging van de Wet dieren zullen moeten worden aangepast. Kan de regering aangeven op welke punten de diverse dierziektedraaiboeken in Nederland moeten worden aangepast op basis van de voorgestelde wijziging van de Wet dieren? Deze leden vragen ook hoe de roep om verdergaande transparantie in bijvoorbeeld draaiboeken en uitvoering daarvan vorm gegeven gaat worden.

De leden van de CDA-fractie lezen dat een nieuwe verplichting in de diergezondheidsverordening inhoudt dat houders die professioneel dieren houden verplicht worden om voldoende kennis te hebben van diergezondheid. Echter de verordening schrijft niet in detail voor hoe die kennis verkregen moet worden en er is ook geen verplichte toetsing. Wat betekent deze nieuwe verplichting voor de Nederlandse dierhouders nu concreet?

De leden van de SP-fractie lezen dat er ten aanzien van de voorschriften voor houders van dieren in veel gevallen sprake is van maximumharmonisatie om interne marktbelemmeringen tegen te gaan. Deze leden vragen of dat kan betekenen dat de Nederlandse gezondheidsmaatregelen uit deze categorie in potentie kunnen worden afgezwakt omdat zij verregaander zijn dan Europese standaarden.

Kan de regering daarop reflecteren en deelt de regering de mening van de leden van de SP-fractie dat een nationale kop op wetgeving wenselijk is als het gaat om bescherming van de gezondheid van dieren, zo ook aangaande voorschriften die gelden voor houders van dieren?

De nieuwe eis om professionele houders van dieren te verplichten om voldoende kennis van diergezondheid te hebben klinkt als een maatregel die de leden van de SP-fractie kunnen steunen. Echter lezen deze leden tot hun verbazing dat aan deze verplichting geen toetsing of specificering van de aanwezige kennis is verbonden. Daarnaast wordt de aanwezige kennis bij voorbaat als aanwezig omschreven voor professionele houders. Zij vragen derhalve op welke gegevens deze laatste aanname is gebaseerd en of de regering de mening deelt dat deze maatregel slechts retoriek voor de bühne is.

2.4 De Wet dieren

De leden van de VVD-fractie vragen de regering of er al duidelijkheid is over de uitvoeringshandeling «uitzonderingen voor verplichte diergezondheidscertificatie». Wanneer is deze gereed? Hoe wordt deze precies vormgegeven? Deze leden willen benadrukken dat de extra administratieve verplichtingen die gepaard gaan met de diergezondheidsverordening voor kleine dierhouders niet op te brengen zijn. Zij hechten veel waarde aan de precieze invulling van de uitvoeringshandeling die de uitzonderingen mogelijk maakt en ontvangen graag de inzet van de regering op dit punt.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de verordening op verschillende plekken de mogelijkheid biedt om aanvullende of strengere maatregelen te treffen of regels vast te stellen. De exacte voorwaarden die de verordening daaraan stelt verschillen per ziekte- en diercategorie (land- of waterdieren). Lidstaten zijn bijvoorbeeld bevoegd om aanvullende of strengere maatregelen te treffen voor de regels over verantwoordelijkheden voor de diergezondheid, de meldingsplicht, monitoringsverplichtingen, registratie, erkenning, documentatie, registers en traceerbaarheidsvoorschriften. Deze leden vragen de regering inzichtelijk te maken in hoeverre Nederland van deze mogelijkheden gebruik maakt. Zij vragen de regering daarbij ook te beschrijven op welke onderwerpen en op welke wijze dat het geval is en welke overwegingen leidend zijn bij het al dan niet gebruik maken van deze mogelijkheid tot het treffen van aanvullende maatregelen.

3. Hoofdlijnen van het voorstel

4. Financiële gevolgen

De leden van de SP-fractie vragen in welke gevallen de Europese Commissie met een gedelegeerde handeling een uitzondering voor verplichte gezondheidscertificatie kan toestaan en wat hiervoor de reden is.

5. Regeldruk

De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering zich ervoor zal inzetten dat het mogelijk wordt om uitzonderingen te maken op verplichtingen die tot onevenredige belasting leiden voor de houders van bijvoorbeeld slechts enkele stuks pluimvee en voor houders van diersoorten waar nu nog geen eisen voor bestaan zoals bijen, hommels en kameelachtige dieren (Kamerstuk 28 286, nr. 1062). Nieuwe verplichtingen voor deze houders leiden tot toename van de (administratieve) lasten, maar dragen weinig bij aan het tot een hoger niveau brengen van de diergezondheid. De Europese Commissie heeft aangegeven dat ze lidstaten wel kan toestaan om uitzonderingen op deze verplichtingen te maken.

Deze leden vragen de regering naar de stand van zaken van de uitvoeringshandeling van de Europese Commissie die deze uitzonderingen mogelijk maakt. Welke uitzonderingen zullen er door deze uitvoeringshandeling mogelijk worden gemaakt? Wat is de inzet van de regering bij deze uitvoeringshandeling en wanneer zal deze gereed zijn?

De leden van de CDA-fractie merken op de Europarlementariër Annie Schreijer-Pierik schriftelijke vragen heeft gesteld aan de Europese Commissie over het voorkomen van ongerechtvaardigde administratieve lasten binnen de Europese diergezondheidsverordening voor hobbydierhouders/houders van gezelschapsdieren. Zij vroeg daarom aan de Europese Commissie of er uitvoeringshandelingen zijn voorzien in uitzonderingsmogelijkheden voor hobbydierhouders. De Commissie antwoordde daarop dat zij een uitvoeringshandeling zal opstellen en vaststellen die de lidstaten de mogelijkheid biedt bepaalde inrichtingen die geen significant risico inhouden van de registratieverplichting vrij te stellen, mits aan de desbetreffende voorwaarden wordt voldaan. De leden van de CDA-fractie vragen de regering een stand van zaken te geven van deze uitvoeringshandeling. Is inmiddels duidelijk welke mogelijkheden er zullen zijn tot vrijstelling voor hobbydierhouders/houders van gezelschapsdieren? Op welke wijze zet de regering zich in om ervoor te zorgen dat deze uitvoeringshandeling voldoende mogelijkheden biedt tot vrijstelling voor hobbydierhouders en houders van gezelschapsdieren?

6. Inwerkingtreding

De leden van de CDA-fractie constateren dat de toenmalige regering in het BNC-fiche van 20 juni 2013 kritisch was over het aantal gedelegeerde- en uitvoeringshandelingen die werden voorgesteld. In hoeverre zijn de zorgen met de huidige eindtekst van de verordening daarover weggenomen?

De leden van de D66-fractie hebben vernomen dat de Nederlandse regering in haar BNC-fiche steun betuigde aan de wijzigingen, maar zich kritisch uitliet over het aantal gedelegeerde- en uitvoeringshandelingen die werden voorgesteld. Deze leden vragen de regering toe te lichten of en zo ja op welke wijze gehoor is gegeven aan deze zorgen in de eindtekst van de verordening.

II Artikelen

Artikel I, onderdeel A en artikel VI, tweede lid, tweede wijziging

Aan de regering willen de leden van de D66-fractie vragen verder uiteen te zetten op welke wijze zij kan garanderen dat het schrappen van artikel 2.11, dat een verbod op het opzettelijk besmetten van dieren voorschrijft voor alle houders van dieren, ten faveure van artikel 10 van de verordening, waar het verbod alleen geldt voor exploitanten en personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden, niet leidt tot een verzwakking of lagere dekking van de wetgeving. Deze leden zijn zich ervan bewust dat de regering heeft aangegeven dat er een nieuw verbod komt onder de Wet dieren dat deze groep dekt, waarvoor art. 2.2 (10m) de basis zou moeten bieden. Gezien dat lid echter alleen voorschrijft dat er een algemene maatregel van bestuur mag komen om regels te stellen op «de te verrichten onderzoeken bij dieren of in ruimten of op terreinen en gebieden waar dieren kunnen worden gehouden, naar de aanwezigheid van besmettelijke dierziekten, zoönosen, ziekteverschijnselen, ziekteverwekkers of organismen die drager van een ziekteverwekker kunnen zijn, of naar de werking van vaccins», zouden deze leden graag verdere toelichting ontvangen over de wijze waarop dit nieuwe verbod zal worden onderbouwd.

De voorzitter van de commissie, Kuiken

De adjunct-griffier van de commissie, De Leau-Kolkman