Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 35386 nr. T |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 35386 nr. T |
Vastgesteld 22 mei 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening1 heeft nader schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 28 april 2026.
• De antwoordbrief van 22 mei 2026.
De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Dragstra
Aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Den Haag, 28 april 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft tweemaal schriftelijk overleg gevoerd met de regering over het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling.2 In haar vergadering van 31 maart jl. heeft de commissie besloten de voorhangprocedure te beëindigen opdat het ontwerpbesluit naar de Afdeling advisering van de Raad van State kan worden gestuurd.
De commissie besloot tevens, los van de voorhangprocedure, om fracties die daar nog behoefte aan hadden gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor nader schriftelijk overleg. De leden van de BBB-fractie wensen van deze gelegenheid gebruik te maken en leggen de volgende nadere vragen aan de regering voor. De leden van de fractie van JA21 sluiten zich bij deze vragen aan.
Het amendement-Michon-Derkzen3 ziet erop toe dat via een zware voorhangprocedure door de Kamers kan worden getoetst of aan de voorwaarden voor inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling wordt voldaan. De leden van de BBB-fractie nemen deze taak serieus en hebben daarom inhoudelijke vragen over het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling gesteld die betrekking hadden op handhaafbaarheid, de ontheffing en de eerlijke en nette compensatie voor de sector. Helaas moeten de leden van de BBB-fractie constateren dat het bij de beantwoording van deze vragen ontbreekt aan inhoud en dat de beantwoording blijft bij algemeenheden als «er is overleg geweest».
Bij de leden van de BBB-fractie bestaan grote zorgen over de uitvoerbaarheid van de regeling en het ontbreken van adequate compensatie en de rechtsbescherming van ondernemers en verenigingen. Daarom stellen de leden van de BBB-fractie opnieuw de volgende vragen. Deze leden verzoeken de regering de beantwoording ditmaal te concretiseren.
In de beantwoording van eerdere vragen lezen de leden van de BBB-fractie dat gemeenten veel verantwoordelijkheid krijgen, terwijl tegelijkertijd wordt erkend dat de handhaving tijdens de jaarwisseling onder druk staat, de politie-inzet hoog zal blijven en de regels lokaal van elkaar kunnen verschillen.
1. Op basis van welke concrete en onafhankelijke uitvoerbaarheidstoets concludeert de regering dat de regeling werkbaar en uitvoerbaar is?
2. Is er een handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids- en fraudebestendigheidstoets (HUF-toets) uitgevoerd, en kan deze met de Kamer worden gedeeld?
3. Waarom is gekozen voor monitoring en evaluatie achteraf, in plaats van voor een praktische toets of pilot vooraf?
4. Hoe wordt handhaving concreet vormgegeven, terwijl zowel politie als gemeenten aangeven te maken te hebben met grote capaciteitsproblemen?
5. Acht de regering het risico reëel dat hierdoor een handhavingsvacuüm ontstaat of regels in de praktijk niet worden nageleefd?
6. Hoe wordt voorkomen dat gemeenten uit capaciteitsoverwegingen geen of zeer beperkt ontheffingen verlenen?
7. Deelt de regering de zorg van de leden van de BBB-fractie dat dit kan leiden tot een papieren regeling zonder praktijkwaarde?
Het genoemde amendement-Michon-Derkzen vraagt om een uitgewerkte algemene maatregel van bestuur (AMvB) als gevolg van het gewijzigde amendement-Bikker c.s.4 zodat voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet het voor dorps- of buurtverenigingen duidelijk is hoe en onder welke voorwaarden zij tijdens de jaarwisselingen op een verantwoorde en veilige manier voor hun lokale gemeenschap vuurwerk kunnen afsteken op een daartoe aangewezen plek met een ontheffing van de burgemeester.
8. Acht de regering het realistisch dat vrijwilligers kunnen voldoen aan de gestelde eisen rond (1) veiligheid, (2) administratie en (3) aansprakelijkheid? Graag ontvangen de leden van de BBB-fractie een toelichting bij elk van deze drie aspecten.
9. Deelt de regering de zorg van de leden van de BBB-fractie dat de AMvB in de praktijk niet uitvoerbaar zal zijn voor verenigingen en vrijwilligers en daarom niet of nauwelijks zal worden benut?
10. Hoe verhoudt deze regeling zich tot het oorspronkelijke doel van laagdrempelig buurtvuurwerk?
11. Erkent de regering dat een regeling die niet of nauwelijks wordt gebruikt, feitelijk niet als volwaardig geldt en geen invulling geeft aan de wettelijke voorwaarde die via het amendement-Michon-Derkzen is gesteld?
12. Acht de regering het risico reëel dat deze AMvB leidt tot het verdwijnen van lokale initiatieven in plaats van het stimuleren daarvan?
Het amendement-Michon-Derkzen ziet toe op een nette en eerlijke compensatieregeling voor de sector. De Wet veilige jaarwisseling betekent voor consumentenvuurwerkverkopers het einde van hun bedrijfsmodel. Het gaat niet om een kleine aanpassing, maar om het volledig wegvallen van een kernactiviteit. De leden van de BBB-fractie hebben vragen gesteld over de compensatieregeling. De beantwoording laat (naar de mening van de leden van de BBB-fractie te) veel ruimte voor algemeenheden als «latere uitwerking», «handreikingen» en «toekomstige gesprekken». Voor de ondernemers betekent dit aanhoudende onzekerheid met betrekking tot investeringen, personeel, voorraden en contracten. De leden van de BBB-fractie stellen daarom de volgende, naar aandachtsveld ingedeelde vragen.
Overleg met de sector
13. Waarom heeft sinds januari, buiten een kennismakingsgesprek met de Staatssecretaris, geen inhoudelijk overleg meer plaatsgevonden met de sector, terwijl wel wordt gewerkt aan een Kamerbrief? Wanneer volgens de regering wel overleg heeft plaatsgevonden, dan worden de leden van de BBB-fractie graag concreet geïnformeerd over het wanneer en met wie of met welke organisatie.
14. Ongeacht uw reactie op vraag 13 heeft de sector aan de leden van de BBB-fractie laten weten zich niet gehoord te voelen. Neemt de regering dit ter harte en acht de regering overleg met de sector in overeenstemming met een zorgvuldige voorbereiding van beleid?
15. Hoe wordt voorkomen dat ondernemers worden geconfronteerd met a) restschulden, b) waardeloze investeringen en c) leegstaande opslagfaciliteiten?
16. Hoe is de totale schade voor de sector in kaart gebracht en welke onderbouwing ligt hieraan ten grondslag? Deelt de regering de inschatting van de sector dat de schade kan oplopen tot honderden miljoenen euro’s?
17. Heeft de regering in beeld wat dit specifiek voor kleine ondernemers met een gemengd bedrijf (bijvoorbeeld tuincentra en fietsenwinkels) betekent en hoe worden faillissementen bij deze groep bedrijven voorkomen?
Status en inhoud van de compensatieregeling
18. Kan de regering bevestigen dat de Kamer voor de voorhang van het inwerkingtredingsbesluit slechts wordt geïnformeerd via een uitgangspuntenbrief, en niet over een volledig uitgewerkte compensatieregeling?
19. Op welke wijze kan een uitgangspuntenbrief, zonder juridische uitwerking en zonder individuele toetsing, worden beschouwd als een volwaardige nadeelcompensatieregeling?
20. Erkent de regering dat ondernemers op basis van enkel een uitgangspuntenbrief geen juridisch afdwingbare rechten kunnen ontlenen aan de compensatie?
21. Wanneer wordt de compensatieregeling zodanig uitgewerkt dat a) de omvang van de schade per ondernemer kan worden vastgesteld en b) ondernemers duidelijkheid hebben over hun individuele aanspraken?
Financiële dekking en budgettaire risico’s
22. Kan de regering bevestigen dat er op dit moment nog geen definitieve financiële dekking is voor de volledige nadeelcompensatie?
23. Wat is de omvang van het budget dat de regering momenteel beschikbaar acht voor nadeelcompensatie en hoe verhoudt dit zich tot de door de sector ingeschatte schade?
24. Wat gebeurt er indien de benodigde middelen niet volledig beschikbaar blijken te zijn? Wordt de regeling dan aangepast of wordt de inwerkingtreding van de wet uitgesteld?
25. Kan de regering expliciet uitsluiten dat budgettaire beperkingen leiden tot a) gedeeltelijke vergoeding van schade, b) plafonnering van uitkeringen en c) aanvullende beperkende voorwaarden?
Nadeelcompensatie als randvoorwaarde voor inwerkingtreding
26. Kan de regering bevestigen dat onder «voldaan aan de voorwaarde van nadeelcompensatie» wordt verstaan dat er een volledig uitgewerkte, juridisch geborgde en financieel gedekte regeling ligt?
27. Zo nee, hoe verhoudt een minder vergaande invulling zich tot de expliciete voorwaarde van de Kamer dat er een nadeelcompensatieregeling moet zijn?
28. Acht de regering het verenigbaar met het rechtszekerheidsbeginsel dat een wet in werking treedt terwijl de compensatie nog niet definitief is vastgesteld en ondernemers nog geen zekerheid hebben over hun rechten?
Rechtszekerheid en positie van ondernemers
29. Erkent de regering dat ondernemers momenteel het risico lopen dat zij onomkeerbare bedrijfsbeslissingen moeten nemen zonder duidelijkheid over de hoogte en voorwaarden van compensatie?
30. Op welke wijze wordt voorkomen dat ondernemers worden geconfronteerd met onevenredige financiële schade als gevolg van beleidswijziging?
31. Waarom kiest de regering er niet voor om de inwerkingtreding van de wet afhankelijk te maken van het moment waarop volledige duidelijkheid bestaat over compensatie?
32. Hoe wordt voorkomen dat een regeling ontstaat die in de praktijk leidt tot veel bezwaar- en beroepsprocedures?
33. Hoe verhoudt deze aanpak zich tot het uitgangspunt dat ondernemers die zich aan de regels hebben gehouden, niet de dupe mogen worden van beleidswijzigingen?
Tijdpad en besluitvorming
34. Klopt het dat volgens de huidige planning de voorhang van het inwerkingtredingsbesluit start in mei 2026, terwijl de compensatieregeling pas daarna verder wordt uitgewerkt?
35. Hoe kan de Kamer haar controlerende taak adequaat uitoefenen en oordelen over inwerkingtreding terwijl de compensatieregeling nog niet volledig bekend is?
36. Is de regering bereid het tijdpad zodanig aan te passen, dat eerst de compensatieregeling volledig wordt vastgesteld en pas daarna besluitvorming over inwerkingtreding plaatsvindt?
Verantwoordelijkheid van de regering
37. De regering stelt dat het «aan de Kamers is» om te bepalen of aan de voorwaarden is voldaan. Kan de regering toelichten hoe zij in dat licht haar eigen verantwoordelijkheid ziet én invult om te waarborgen dat aan de voorwaarden is voldaan?
38. Acht de regering het zorgvuldig om het inwerkingtredingsbesluit voor te hangen terwijl de compensatieregeling nog niet volledig is uitgewerkt en de financiële dekking nog onzeker is?
Staatssteun en juridische grondslag
39. Kan de regering bevestigen dat nadeelcompensatie in dit geval gebaseerd is op het égalitébeginsel en daarmee geen staatssteun vormt in de zin van het Europees recht?
40. Welke rol speelt het staatssteunargument momenteel in de uitwerking van de compensatieregeling?
41. Kan de regering uitsluiten dat een beroep op staatssteunregels wordt gebruikt om de omvang van de compensatie te beperken?
Slotvraag: harde koppeling compensatie en wet
42. Is de regering bereid expliciet te bevestigen dat de Wet veilige jaarwisseling niet in werking zal treden zolang er geen volledig uitgewerkte, juridisch geborgde en financieel gedekte nadeelcompensatieregeling ligt die de volledige, aantoonbare schade van ondernemers dekt?
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.
Voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, R. Lievense
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 mei 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft in haar vergadering van 31 maart jl. de voorhangprocedure van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling beëindigd maar indien gewenst nog gelegenheid geboden voor nadere vragen. De leden van de BBB-fractie en JA21 hebben hiervan gebruik gemaakt.
Met deze brief beantwoord ik de gestelde vragen. Een deel van de vragen heeft betrekking op de nadeelcompensatieregeling voor de vuurwerkbedrijven en de dekking daarvan. Op 8 mei jl. heb ik een brief aan uw Kamer gezonden waarin ik inga op de uitgangspunten voor de nadeelcompensatieregeling en de benodigde dekking. In de antwoorden verwijs ik voor de nadere details naar deze brief.5
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, A.W.H. Bertram
Handhaafbaarheid
1.
Op basis van welke concrete en onafhankelijke uitvoerbaarheidstoets concludeert de regering dat de regeling werkbaar en uitvoerbaar is?
Het Ontwerpbesluit Veilige jaarwisseling is getoetst door het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Daarnaast zijn HUF-toetsen (Handhaafbaarheid, Uitvoerbaarheid en Fraudebestendigheid) uitgevoerd door de VNG, het OM, de politie en de ILT. Ook hebben de VNG, het Genootschap van Burgemeesters en de politie politiek-bestuurlijk gereageerd op het Ontwerpbesluit. De uitkomsten van deze toetsen en reacties zijn besproken in de bestuurlijke regiegroep over het handhavingsplan, waar vertegenwoordigers vanuit VNG, G4, OM, ILT, politie, IenW en JenV aan deelnemen. De regiegroep is in het leven geroepen om alle betrokken partijen nauw bij de implementatie te betrekken en hen de mogelijkheid te geven continu input te leveren, zodat de regeling uitvoerbaar en werkbaar is in de praktijk. Het Ontwerpbesluit en de bijbehorende uitvoering zijn daarmee in nauwe samenwerking en voortdurend overleg met de regiegroep tot stand gekomen.
De zorgen die in de uitvoeringstoetsen en/of reacties zijn benoemd, worden door de regering gedeeld. Daarom is samen met de betrokken partners gekeken hoe deze zorgen zo goed mogelijk kunnen worden ondervangen, bijvoorbeeld via het handhavingsplan dat op 8 mei jl. naar uw Kamer is verstuurd en de handreiking van de VNG waaraan momenteel gewerkt wordt. De handreiking kan, indien gewenst, eveneens worden gedeeld met uw Kamer.
2.
Is er een handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids- en fraudebestendigheidstoets (HUF-toets) uitgevoerd, en kan deze met de Kamer worden gedeeld?
Ja, zoals hierboven gemeld zijn deze toetsen uitgevoerd door Politie, ILT en OM. Deze toetsen zijn, voor zover niet openbaar gemaakt door de organisatie, als bijlagen meegezonden in het kader van de voorhangprocedure aan uw Kamer.6
3.
Waarom is gekozen voor monitoring en evaluatie achteraf, in plaats van voor een praktische toets of pilot vooraf?
De Wet veilige jaarwisseling is een initiatiefwetsvoorstel. Het kabinet geeft uitvoering aan deze wet en heeft daarbij aangesloten bij de keuzes die in het initiatiefwetsvoorstel zijn gemaakt. In dat voorstel is niet gekozen voor een afzonderlijke pilotfase of praktische toets vooraf.
Wel is gebruikgemaakt van de ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan. Verschillende gemeenten hebben lokaal een vuurwerkverbod toegepast en tijdens de coronaperiode gold tijdelijk een landelijk vuurwerkverbod. De lessen hieruit en ervaringen zijn meegenomen bij de uitwerking van het handhavingsplan en de handreiking van de VNG. Daarnaast is voorzien in monitoring en evaluatie van de wet. De Wet veilige jaarwisseling, zal in samenhang met de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid in het Ontwerpbesluit, drie jaar na inwerkingtreding geëvalueerd worden.
4.
Hoe wordt handhaving concreet vormgegeven, terwijl zowel politie als gemeenten aangeven te maken te hebben met grote capaciteitsproblemen?
De verwachting is dat een groot deel van de samenleving zich reeds aan het vuurwerkverbod zal houden, waardoor de hoeveelheid afgestoken vuurwerk aanzienlijk afneemt. Tegelijkertijd wordt voorzien dat inwoners de jaarwisseling in toenemende mate op andere manieren zullen vieren. De combinatie van minder vuurwerk in omloop en een veranderende viercultuur zal naar verwachting leiden tot een afname van overlast, schade en veiligheidsincidenten. Als gevolg hiervan zal de druk op toezicht en handhaving op termijn afnemen. Daarnaast zorgt een algeheel vuurwerkverbod op consumentenvuurwerk buiten de ontheffing om, voor een eenduidiger en eenvoudiger handhavingskader. Ter plekke hoeft immers niet meer te worden vastgesteld welke categorie vuurwerk het betreft om de strafbaarheid vast te stellen. De politie verwacht dat op termijn een afname van de benodigde capaciteit mogelijk is. Daarbij geldt dat gedragsverandering tijd vergt en de effecten van de wet zich geleidelijk zullen manifesteren. Het is uiteindelijk aan de lokale driehoek om de handhaving richting en tijdens oud en nieuw vorm te geven. Het handhavingsplan biedt hier handvatten voor.
5.
Acht de regering het risico reëel dat hierdoor een handhavingsvacuüm ontstaat of regels in de praktijk niet worden nageleefd?
Uit verschillende peilingen blijkt dat het merendeel van Nederland achter het vuurwerkverbod staat. De verwachting is dan ook dat een aanzienlijk deel van de samenleving het verbod zal naleven. Desalniettemin is het ingaan van het vuurwerkverbod een grote maatschappelijke verandering, die voor een deel van Nederland om een gedragsverandering vraagt. Dit vergt tijd. Op de langere termijn wordt verwacht dat de jaarwisselingen rustiger zullen verlopen.
6.
Hoe wordt voorkomen dat gemeenten uit capaciteitsoverwegingen geen of zeer beperkt ontheffingen verlenen?
Het al dan niet verlenen dan ontheffingen is een lokale afweging die gemaakt wordt door de burgemeester. De handreiking van de VNG en het handhavingsplan zijn er om de burgemeester hier zo goed mogelijk in te ondersteunen.
7.
Deelt de regering de zorg van de leden van de BBB-fractie dat dit kan leiden tot een papieren regeling zonder praktijkwaarde?
Als gevolg van het amendement Bikker c.s. kunnen burgemeesters op grond van de Wet veilige jaarwisseling ontheffing verlenen. Hiermee is beoogd dat, afhankelijk van de lokale omstandigheden, ruimte mogelijk is om per gemeente keuzes te kunnen maken. De uitvoering wordt ondersteund met een handhavingsplan, de handreiking van de VNG en een landelijke communicatiestrategie. Bovendien is voorzien in een evaluatie drie jaar na inwerkingtreding. Naar aanleiding van deze evaluatie wordt bekeken of en welke aanpassingen nodig zijn aan het Vuurwerkbesluit.
Ontheffing
8.
Acht de regering het realistisch dat vrijwilligers kunnen voldoen aan de gestelde eisen rond (1) veiligheid, (2) administratie en (3) aansprakelijkheid? Graag ontvangen de leden van de BBB-fractie een toelichting bij elk van deze drie aspecten.
Bij de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid is, waar opportuun geacht, aangesloten bij bestaande eisen in de regelgeving zoals de regeling tot ontbranding brengen van vuurwerk en de transportregelgeving. Met het nationaal vastleggen van veiligheidseisen, worden de risico’s die met het afsteken van vuurwerk gepaard gaan zo klein mogelijk gemaakt. Daarnaast is vertrouwen in de burger een van de uitgangspunten bij de uitwerking van het Ontwerpbesluit. Dit betekent dat er is gekozen terughoudend te zijn in het stellen van regels en vereisten op landelijk niveau buiten de noodzakelijke veiligheidseisen. Hiermee zijn de gestelde eisen rond deze drie aspecten realistisch geacht binnen de gestelde kaders om deze evenementen op een veilige manier te kunnen organiseren.
9.
Deelt de regering de zorg van de leden van de BBB-fractie dat de AMvB in de praktijk niet uitvoerbaar zal zijn voor verenigingen en vrijwilligers en daarom niet of nauwelijks zal worden benut?
Zie vorige vraag. In de toelichting bij het Ontwerpbesluit is verder opgenomen dat de Wet veilige jaarwisseling in samenhang met de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid drie jaar na inwerkingtreding geëvalueerd zal worden.
10.
Hoe verhoudt deze regeling zich tot het oorspronkelijke doel van laagdrempelig buurtvuurwerk?
Uitgangspunt voor de uitwerking in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling is het hebben van vertrouwen in verenigingen en stichtingen om zo ook laagdrempelig buurtvuurwerk mogelijk te maken. Concreet betekent dit dat er is gekozen om terughoudend te zijn als het gaat om het stellen van landelijke regels en vereisten, en het voorkomen van onnodige belemmeringen en regeldruk voor stichtingen en verenigingen. Daarbij is wel van belang geacht dat bepaalde (veiligheids)eisen nationaal worden vastgelegd.
11.
Erkent de regering dat een regeling die niet of nauwelijks wordt gebruikt, feitelijk niet als volwaardig geldt en geen invulling geeft aan de wettelijke voorwaarde die via het amendement-Michon-Derkzen is gesteld?
Of van de ontheffingsmogelijkheid in de Wet veilige jaarwisseling niet of nauwelijks gebruik zal worden gemaakt, is nog niet te zeggen. Het Ontwerpbesluit is voorgehangen in de Eerste en Tweede Kamer. Beide Kamers hebben de voorhang op 31 maart 2026 afgerond. Naar aanleiding van het Tweeminutendebat gevoerd in de Tweede Kamer en de aangenomen twee moties heeft een tweetal wijzigingen plaatsgevonden. Met de afronding van de voorhang van het Ontwerpbesluit, is hiermee ook naar het oordeel van de Eerste en Tweede Kamer, de voorwaarde afdoende ingevuld.
12.
Acht de regering het risico reëel dat deze AMvB leidt tot het verdwijnen van lokale initiatieven in plaats van het stimuleren daarvan?
In het Ontwerpbesluit is ruimte gelaten voor een lokale invulling van de ontheffingsmogelijkheid. Hiermee heeft de burgemeester de ruimte om het gesprek met zijn inwoners te voeren over de ontheffingsmogelijkheid en de wijze waarop hier door de gemeente invulling aan wordt gegeven. Dit biedt juist ook ruimte om de lokale initiatieven te stimuleren.
Compensatieregeling
Overleg met de sector
13.
Waarom heeft sinds januari, buiten een kennismakingsgesprek met de Staatssecretaris, geen inhoudelijk overleg meer plaatsgevonden met de sector, terwijl wel wordt gewerkt aan een Kamerbrief? Wanneer volgens de regering wel overleg heeft plaatsgevonden, dan worden de leden van de BBB-fractie graag concreet geïnformeerd over het wanneer en met wie of met welke organisatie.
Op 8 mei 2026 is de brief met de uitgangspunten voor de nadeelcompensatieregeling vuurwerkbedrijven aan de Eerste en Tweede Kamer toegezonden.7 Onderdeel van deze brief is een feitenrelaas waarin alle contacten met de vuurwerkbranche zijn opgenomen. Voor de precieze contacten wanneer en met wie verwijs ik u graag naar dit feitenrelaas.
14.
Ongeacht uw reactie op vraag 13 heeft de sector aan de leden van de BBB-fractie laten weten zich niet gehoord te voelen. Neemt de regering dit ter harte en acht de regering overleg met de sector in overeenstemming met een zorgvuldige voorbereiding van beleid?
Uit het feitenrelaas komt naar voren dat meermaals gesproken is met de brancheverenigingen van de importeurs en de detailhandelaren. In deze gesprekken is uitgebreid gesproken over de uitgangspunten in relatie tot de kaders van het nadeelcompensatierecht en de staatssteunregels. In de gesprekken met de detailhandel kwam naar voren dat de verwachtingen van de detailhandel veel groter waren dan binnen de hiervoor benoemde kaders kan passen. Ondanks het feit dat er geen overeenstemming is over de uitgangspunten is er zorgvuldig overleg gevoerd met de detailhandel. Zoals ook in de Kamerbrief van 8 mei jl.8 is benoemd, worden de uitgangspunten verder uitgewerkt in een convenant voor de importeurs en een beleidsregel voor de detailhandelaren. De concepten van deze uitwerkingen worden voorgelegd aan de brancheverenigingen van de importeurs en detailhandelaren.
15.
Hoe wordt voorkomen dat ondernemers worden geconfronteerd met a) restschulden, b) waardeloze investeringen en c) leegstaande opslagfaciliteiten?
Aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling hebben de Kamers o.a. als voorwaarde gesteld dat IenW een compensatieregeling moest uitwerken. In het licht van deze gestelde voorwaarde is een compensatieregeling uitgewerkt waarbij de juridische grondslag in het nadeelcompensatierecht is gezocht. Het nadeelcompensatierecht is gebaseerd op het égalitébeginsel. Dit beginsel voorziet in een recht op vergoeding van onevenredige schade die een gevolg is van rechtmatig overheidshandelen. Daarvoor is – onder meer – vereist dat de schade zoals de vuurwerkondernemers die lijden, uitstijgt boven hun normaal ondernemersrisico. Hoe omgegaan moet worden met de omvang van het normaal ondernemingsrisico is gekeken naar de nodige rechtspraak over vergelijkbare situaties.9
16.
Hoe is de totale schade voor de sector in kaart gebracht en welke onderbouwing ligt hieraan ten grondslag? Deelt de regering de inschatting van de sector dat de schade kan oplopen tot honderden miljoenen euro’s?
De effecten van het landelijk vuurwerkverbod voor de vuurwerkbranche zijn in beeld gebracht door een onafhankelijk expert. Deze expert heeft hiervoor informatie opgevraagd zowel bij de importeurs als bij de detailhandelaren. Daarnaast zijn er locatiebezoeken uitgevoerd. De resultaten van zijn analyses zijn opgenomen in het deskundigenrapport dat als bijlage is meegezonden met de Kamerbrief van 8 mei jl.10
17.
Heeft de regering in beeld wat dit specifiek voor kleine ondernemers met een gemengd bedrijf (bijvoorbeeld tuincentra en fietsenwinkels) betekent en hoe worden faillissementen bij deze groep bedrijven voorkomen?
Ja. In het deskundigenrapport zijn de effecten van een landelijk vuurwerkverbod voor vuurwerkondernemers in beeld gebracht waarbij ook informatie van kleine ondernemers is meegenomen. Dit rapport vormt de basis voor de uitgangspunten voor de nadeelcompensatieregeling zoals beschreven in de Kamerbrief van 8 mei 2026.11 Ook bij de nadeelcompensatieregeling is rekening gehouden met verschillende typen ondernemers, dus ook de kleine ondernemer.
Status en inhoud compensatieregeling
18.
Kan de regering bevestigen dat de Kamer voor de voorhang van het inwerkingtredingsbesluit slechts wordt geïnformeerd via een uitgangspuntenbrief, en niet over een volledig uitgewerkte compensatieregeling?
Zoals in de Kamerbrief van 8 mei jl. is benoemd, is het kabinet van oordeel dat met de uitgangspuntenbrief nadeelcompensatie vuurwerkbedrijven voldaan is aan een van de voorwaarden die gesteld zijn aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling. Beide Kamers worden op de hoogte gebracht van de uitgewerkte regelingen zodra deze gereed zijn, naar verwachting in juli 2026. Het is uiteindelijk aan beide Kamers om te bepalen of en wanneer is voldaan aan de voorwaarden die aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling zijn gesteld.
19.
Op welke wijze kan een uitgangspuntenbrief, zonder juridische uitwerking en zonder individuele toetsing, worden beschouwd als een volwaardige nadeelcompensatieregeling?
Naar het oordeel van het kabinet is aan de voorwaarde van een nadeelcompensatieregeling voldaan op het moment dat het kabinet de uitgangspunten van een nadeelcompensatieregeling aan beide Kamers heeft gestuurd, inclusief dekking op de begroting van het Ministerie van IenW. In de Kamerbrief van 8 mei jl. is nader uiteengezet op welke manier de nadeelcompensatieregelingen voor de detailhandel en importeurs vormgegeven gaan worden. Voor detailhandelaren gaat het om een forfaitaire regeling die wordt vastgelegd in een beleidsregel. Voor vuurwerkimporteurs wordt er een convenant opgesteld. Het is uiteindelijk aan beide Kamers om te bepalen of en wanneer is voldaan aan de voorwaarden die aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling zijn gesteld.
20.
Erkent de regering dat ondernemers op basis van enkel een uitgangspuntenbrief geen juridisch afdwingbare rechten kunnen ontlenen aan de compensatie?
In de Kamerbrief van 8 mei jl. is nader uiteengezet op welke manier de nadeelcompensatieregelingen voor de detailhandel en importeurs vormgegeven gaan worden. Ook bevat de brief een overzicht van de grondslagen voor de nadeelcompensatie. Voor detailhandelaren gaat het om een forfaitaire regeling die wordt vastgelegd in een beleidsregel. Voor vuurwerkimporteurs wordt er een convenant opgesteld. Daarmee is op dit moment voldoende erkend dat ondernemers recht hebben op nadeelcompensatie.
21.
Wanneer wordt de compensatieregeling zodanig uitgewerkt dat a) de omvang van de schade per ondernemer kan worden vastgesteld en b) ondernemers duidelijkheid hebben over hun individuele aanspraken?
De effecten van het landelijk vuurwerkverbod zijn reeds in beeld gebracht door de onafhankelijk expert. Zijn deskundigenrapport is gebruikt als input voor het opstellen van de Kamerbrief van 8 mei jl. Zoals in de Kamerbrief van 8 mei jl. is vermeld, worden de uitgangspunten in de komende twee maanden nader uitgewerkt in een convenant en een beleidsregel. Een concept van deze regelingen wordt gedeeld met de onderscheiden brancheverenigingen. Op basis van het concept kunnen ondernemers een inschatting maken van wat de hoogte is van hun nadeelcompensatie.
Financiële dekking en budgettaire risico’s
22.
Kan de regering bevestigen dat er op dit moment nog geen definitieve financiële dekking is voor de volledige nadeelcompensatie?
In de Kamerbrief van 8 mei jl.12 heb ik aangegeven dat dekking voor een belangrijk deel is gevonden binnen de post Klimaatneutrale en Circulaire Infraprojecten van ProRail op het Mobiliteitsfonds en een beperkt deel uit de resterende middelen van de Aanvullende Post van Klimaatakkoord Rutte III.
23.
Wat is de omvang van het budget dat de regering momenteel beschikbaar acht voor nadeelcompensatie en hoe verhoudt dit zich tot de door de sector ingeschatte schade?
De geraamde kosten voor de uitwerking van de nadeelcompensatieregeling komen uit op ca. € 90 miljoen. Omdat bij nadeelcompensatie het uiteindelijk benodigde bedrag hoger of lager kan uitvallen, reserveer ik uit voorzorg een budget van € 100 miljoen.
24.
Wat gebeurt er indien de benodigde middelen niet volledig beschikbaar blijken te zijn? Wordt de regeling dan aangepast of wordt de inwerkingtreding van de wet uitgesteld?
Omdat bij nadeelcompensatie het uiteindelijk benodigde bedrag hoger of lager kan uitvallen, reserveer ik uit voorzorg al een hoger budget van € 100 miljoen dan de geraamde kosten van € 90 miljoen. Dat moet voldoende zijn. Ik voorzie niet dat de regeling moet worden aangepast of de inwerkingtreding van de wet uitgesteld.
25.
Kan de regering expliciet uitsluiten dat budgettaire beperkingen leiden tot a) gedeeltelijke vergoeding van schade, b) plafonnering van uitkeringen en c) aanvullende beperkende voorwaarden?
Ja dit kan uitgesloten worden. De kans dat het budget onvoldoende is lijkt evenwel gering, gelet op het aan de uitgangspuntenbrief ten grondslag liggende deskundigenrapport, juridische advies en de ingebouwde marge. Mocht het beschikbare budget niettemin ontoereikend blijken, dan zal worden bezien hoe dit budget kan worden aangevuld met andere middelen.
Nadeelcompensatie als randvoorwaarde voor inwerkingtreding
26.
Kan de regering bevestigen dat onder «voldaan aan de voorwaarde van nadeelcompensatie» wordt verstaan dat er een volledig uitgewerkte, juridisch geborgde en financieel gedekte regeling ligt?
Zoals ook in de Kamerbrief van 8 mei jl. is weergegeven, is het kabinet van oordeel dat met de opgestelde uitgangspuntenbrief voor een nadeelcompensatieregeling voldaan wordt aan de gestelde voorwaarde, te weten een eerlijk en nette compensatieregeling. Het is nu aan beide Kamers of dit inderdaad voldoende is om de Wet veilige jaarwisseling in werking te kunnen laten treden op 1 augustus 2026.
27.
Zo nee, hoe verhoudt een minder vergaande invulling zich tot de expliciete voorwaarde van de Kamer dat er een nadeelcompensatieregeling moet zijn?
Naar het oordeel van het kabinet is aan de voorwaarde van een nadeelcompensatieregeling voldaan op het moment dat het kabinet de uitgangspunten van een nadeelcompensatieregeling aan beide Kamers heeft gestuurd, inclusief dekking op de begroting van het Ministerie van IenW. Het is uiteindelijk aan beide Kamers om te bepalen of en wanneer is voldaan aan de voorwaarden die aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling zijn gesteld.
28.
Acht de regering het verenigbaar met het rechtszekerheidsbeginsel dat een wet in werking treedt terwijl de compensatie nog niet definitief is vastgesteld en ondernemers nog geen zekerheid hebben over hun rechten?
Het is niet noodzakelijk dat de nadeelcompensatieregeling voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet definitief is vastgesteld. Nadeelcompensatie is een recht waar ondernemers die aan de voorwaarden voldoen aanspraak op kunnen maken. Aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling hebben de Kamers o.a. als voorwaarde gesteld dat een compensatieregeling wordt uitgewerkt. Daarbij is de juridische grondslag in het nadeelcompensatierecht gezocht. Het nadeelcompensatierecht is gebaseerd op het égalitébeginsel. Dit beginsel voorziet in een recht op vergoeding van onevenredige schade die een gevolg is van rechtmatig overheidshandelen. Dit biedt naar het oordeel van het kabinet voldoende zekerheid.
Rechtszekerheid en positie van ondernemers
29.
Erkent de regering dat ondernemers momenteel het risico lopen dat zij onomkeerbare bedrijfsbeslissingen moeten nemen zonder duidelijkheid over de hoogte en voorwaarden van compensatie?
De Wet veilige jaarwisseling is bekrachtigd en gepubliceerd in het Staatsblad. Voordat deze wet in werking kan treden, hebben de Kamers gesteld dat IenW (en JenV) drie voorwaarden uitgewerkt dienen te hebben waaronder een compensatieregeling. Zoals bij vraag 28 is weergegeven wordt de nadeelcompensatieregeling gebaseerd op het égalitébeginsel. Met de Kamerbrief van 8 mei jl. is duidelijkheid geboden over de hoogte van de nadeelcompensatie. Individuele ondernemers kunnen op basis van deze uitgangspuntenbrief een inschatting maken van de hoogte van de nadeelcompensatie waarvoor zij in aanmerking komen en die betrekken bij hun bedrijfsbeslissingen.
30.
Op welke wijze wordt voorkomen dat ondernemers worden geconfronteerd met onevenredige financiële schade als gevolg van beleidswijziging?
Financiële schade voor vuurwerkondernemers als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling kan helaas niet worden voorkomen, maar onevenredige financiële schade die uitgaat boven het normaal ondernemersrisico komt voor compensatie in aanmerking via een nadeelcompensatieregeling waarvan de uitgangspunten in de brief van 8 mei jl. zijn vermeld.
31.
Waarom kiest de regering er niet voor om de inwerkingtreding van de wet afhankelijk te maken van het moment waarop volledige duidelijkheid bestaat over compensatie?
Naar het oordeel van het kabinet is aan de voorwaarde van een nadeelcompensatieregeling voldaan op het moment dat het kabinet de uitgangspunten van een nadeelcompensatieregeling aan beide Kamers heeft gestuurd, inclusief dekking op de begroting van het Ministerie van IenW. Het is uiteindelijk aan beide Kamers om te bepalen of en wanneer is voldaan aan de voorwaarden die aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling zijn gesteld.
32.
Hoe wordt voorkomen dat een regeling ontstaat die in de praktijk leidt tot veel bezwaar- en beroepsprocedures?
Met de brancheverenigingen van importeurs en detailhandelaren zijn vanaf het begin (mei 2025) gesprekken gevoerd over nadeelcompensatie. Ook bij de uitwerking in het convenant en de beleidsregel worden zij betrokken. Dit laat onverlet dat ondernemers bezwaar kunnen maken tegen de beslissing op hun aanvraag.
33.
Hoe verhoudt deze aanpak zich tot het uitgangspunt dat ondernemers die zich aan de regels hebben gehouden, niet de dupe mogen worden van beleidswijzigingen?
Beleidswijzigingen zijn er altijd op allerlei vlakken. Het égalitébeginsel brengt met zich mee dat ondernemers recht hebben op vergoeding van onevenredige schade die een gevolg is van rechtmatig overheidshandelen die uitstijgt boven het normaal ondernemersrisico. Bij het bepalen van het normaal ondernemersrisico speelt de vraag of het verbod in de lijn der verwachtingen lag en het al dan niet bestaan van een overgangstermijn een belangrijke rol.
Tijdpad en besluitvorming
34.
Klopt het dat volgens de huidige planning de voorhang van het inwerkingtredingsbesluit start in mei 2026, terwijl de compensatieregeling pas daarna verder wordt uitgewerkt?
Op 8 mei jl. is de brief met uitgangspunten nadeelcompensatieregeling vuurwerkbedrijven en de dekking naar beide Kamers verzonden. Hiermee is, volgens het kabinet, voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling. Daarom is de voorhangprocedure van het inwerkingtredingsbesluit, conform planning, gestart op 8 mei 2026. In de komende weken worden de uitgangspunten nader uitgewerkt, voor de importeurs in een convenant en voor de detailhandelaren in een beleidsregel.
35.
Hoe kan de Kamer haar controlerende taak adequaat uitoefenen en oordelen over inwerkingtreding terwijl de compensatieregeling nog niet volledig bekend is?
Zoals bij vraag 34 is vermeld, zijn de uitgangspunten voor een nadeelcompensatieregeling voor vuurwerkbedrijven op 8 mei jl. aangeboden aan beide Kamers. Het kabinet is hiermee van oordeel dat invulling is gegeven aan de voorwaarden die zijn gesteld aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling. In het kader van de voorhangprocedure van het Inwerkingtredingsbesluit is het aan beide Kamers om te oordelen of de invulling van die voorwaarden voldoende is om de Wet veilige jaarwisseling in werking te laten treden.
36.
Is de regering bereid het tijdpad zodanig aan te passen, dat eerst de compensatieregeling volledig wordt vastgesteld en pas daarna besluitvorming over inwerkingtreding plaatsvindt?
Nee, op 8 mei jl. is de brief met uitgangspunten voor een nadeelcompensatieregeling voor vuurwerkbedrijven en de dekking daarvoor naar beide Kamers verzonden. Hiermee is, volgens het kabinet, voldaan aan de voorwaarden voor de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling. Daarom is de voorhangprocedure van het inwerkingtredingsbesluit, conform planning, gestart op 8 mei jl. In dit kader is het aan beide Kamers te oordelen of de invulling van die voorwaarden voldoende is om de Wet veilige jaarwisseling in werking te laten treden.
Verantwoordelijkheid van de regering
37.
De regering stelt dat het «aan de Kamers is» om te bepalen of aan de voorwaarden is voldaan. Kan de regering toelichten hoe zij in dat licht haar eigen verantwoordelijkheid ziet én invult om te waarborgen dat aan de voorwaarden is voldaan?
De verantwoordelijkheid van de regering bestond uit invulling te geven aan de drie voorwaarden (een handhavingsplan, uitwerking van de ontheffingsbevoegdheid van de burgemeester en een compensatieregeling met bijbehorende dekking) die aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling zijn gesteld. Samen met het Ministerie van JenV zijn de drie voorwaarden ingevuld en zijn de uitwerkingen hiervan toegezonden aan beide Kamers.13 Het kabinet is hiermee van oordeel dat afdoende invulling is gegeven aan de eigen verantwoordelijkheid.
38.
Acht de regering het zorgvuldig om het inwerkingtredingsbesluit voor te hangen terwijl de compensatieregeling nog niet volledig is uitgewerkt en de financiële dekking nog onzeker is?
In de Kamerbrief van 8 mei jl. zijn de uitgangspunten voor de nadeelcompensatieregeling en de benodigde dekking weergegeven. Hiermee acht het kabinet te hebben voldaan aan de voorwaarden voor inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling en dat het daarom zorgvuldig is om de voorhang van het inwerkingtredingsbesluit te starten.
Staatssteun en juridische grondslag
39.
Kan de regering bevestigen dat nadeelcompensatie in dit geval gebaseerd is op het égalitébeginsel en daarmee geen staatssteun vormt in de zin van het Europees recht?
Dit kan de regering bevestigen. Het nadeelcompensatierecht is gebaseerd op het égalitébeginsel. Dit beginsel voorziet in een recht op vergoeding van onevenredige schade die een gevolg is van rechtmatig overheidshandelen. Daarvoor is – onder meer – vereist dat de schade zoals de vuurwerkondernemers die lijden, uitstijgt boven het normaal ondernemersrisico. Als slechts de schade wordt vergoed die uitstijgt boven het normaal ondernemersrisico is sprake van nadeelcompensatie en daarmee niet van staatssteun.
40.
Welke rol speelt het staatssteunargument momenteel in de uitwerking van de compensatieregeling?
Bij het uitwerken van een nadeelcompensatieregeling voor de detailhandel en importeurs is het uitgangspunt dat binnen de grenzen van het nadeelcompensatierecht wordt gebleven. Dat betekent dat enkel onevenredige schade door rechtmatig overheidshandelen in aanmerking komt voor compensatie. Daarmee is dan geen sprake van staatssteun.
41.
Kan de regering uitsluiten dat een beroep op staatssteunregels wordt gebruikt om de omvang van de compensatie te beperken?
Zoals verwoord in de Kamerbrief van 8 mei jl. is binnen de grenzen van het nadeelcompensatierecht maximaal gezocht naar een nette en eerlijke regeling zonder daarbij de grens van staatssteun te overschrijden.
Slotvraag: harde koppeling compensatie en wet
42.
Is de regering bereid expliciet te bevestigen dat de Wet veilige jaarwisseling niet in werking zal treden zolang er geen volledig uitgewerkte, juridisch geborgde en financieel gedekte nadeelcompensatieregeling ligt die de volledige, aantoonbare schade van ondernemers dekt?
Nee, het is aan beide Kamers om nu te besluiten of de invulling van de drie voorwaarden voldoende is en de Wet veilige jaarwisseling in werking kan treden op 1 augustus 2026.
Samenstelling:
Van Aelst-Den Uijl (SP), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Klip-Martin (VVD), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB) (voorzitter), Van der Linden (VVD), Martens (GroenLinks-PvdA), Van Meenen (D66), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Rietkerk (CDA) (ondervoorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)
Kamerstuk 35 386, nr. Q, bijlage «Analyse van financiële effecten van een landelijk vuurwerkverbod» (Sman Business Value, 20 oktober 2025).
Samenstelling:
Van Aelst-Den Uijl (SP), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Klip-Martin (VVD), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB) (voorzitter), Van der Linden (VVD), Martens (GroenLinks-PvdA), Van Meenen (D66), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Rietkerk (CDA) (ondervoorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)
Kamerstuk 35 386, nr. Q, bijlage «Analyse van financiële effecten van een landelijk vuurwerkverbod» (Sman Business Value, 20 oktober 2025).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35386-T.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.