Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 35386 nr. N |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 35386 nr. N |
Vastgesteld 20 februari 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu over het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 17 februari 2026.
• De antwoordbrief van 20 februari 2026.
De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Dragstra
Aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu
Den Haag, 17 februari 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft kennisgenomen van uw brieven van 16 januari 20262 en het daarbij horende Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling.3 Naar aanleiding hiervan hebben de leden van de fracties van BBB, D66, CDA, SP en fractie-Visseren-Hamakers enkele vragen aan u.
Vragen en opmerkingen van leden van de fractie van de BBB
De leden van de fractie van de BBB constateren na bestudering van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling dat de uitwerking van de ontheffingsbevoegdheid voor burgemeesters leidt tot een omvangrijk en complex stelsel van administratieve, organisatorische en financiële verplichtingen. Met name voor verenigingen en stichtingen zonder winstoogmerk lijken deze eisen moeilijk tot niet uitvoerbaar. Dit roept de vraag op of met dit Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling daadwerkelijk wordt voldaan aan de voorwaarden die door de Tweede Kamer zijn gesteld aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling, in het bijzonder zoals vastgelegd in (de toelichting op) het amendement-Michon-Derkzen.4
1. Deelt u de constatering van de leden van de BBB-fractie dat het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling een groot aantal nieuwe verplichtingen introduceert voor verenigingen en stichtingen, waaronder administratieve, organisatorische en veiligheidsvereisten? Zo ja, kunt u ingaan op nut en noodzaak van elk van deze eisen? Gaat u hierover nog advies inwinnen bij het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR)?
2. Hoe verhoudt deze omvangrijke regeldruk zich tot de bedoeling van het amendement-Bikker c.s., dat juist beoogde om laagdrempelig en verantwoord georganiseerd vuurwerk door burgers mogelijk te maken?5
3. Heeft u laten toetsen of verenigingen en stichtingen zonder professionele organisatie of winstoogmerk in de praktijk kunnen voldoen aan alle eisen uit het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling? Zo ja, door wie is dit getoetst en wat was hiervan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?
4. Deelt u de zorg van de leden van de fractie van de BBB dat de kosten en verantwoordelijkheden die voortvloeien uit het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling ertoe kunnen leiden dat verenigingen en stichtingen in de praktijk afzien van het aanvragen van een ontheffing?
5. Kunt u uitleggen hoe een ontheffingsregeling, die in de praktijk niet of nauwelijks wordt benut, kan worden aangemerkt als een invulling van de door de Tweede Kamer gestelde voorwaarden voor inwerkingtreding van de wet?
6. Het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling maakt het mogelijk om een ontheffing aan te vragen in een andere gemeente dan waar een vereniging of stichting gevestigd is. Deze leden willen weten wat dit betekent voor de handhaafbaarheid van het besluit. Daarom en ter illustratie stellen deze leden de volgende vraag: is het toegestaan om met een ontheffing voor «gemeente A» vuurwerk in bezit te hebben en te vervoeren in «gemeente B»?
7. Als dit het geval is, dan heeft het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling grote gevolgen voor de handhaafbaarheid van het vuurwerkverbod in (iedere) «gemeente B». Kunt u uitleggen waarom er gekozen is voor deze constructie? Ligt het niet meer in de lijn van het amendement-Bikker c.s. om het verlenen van ontheffing uitsluitend toe te staan voor plaatselijke verenigingen en stichtingen, waarbij de ontheffing voor aan- en verkoop, vervoer en opslag uitsluitend in diezelfde gemeente geldig is?
8. Bent u het met de leden van de BBB-fractie eens dat, wanneer de ontheffingsregeling feitelijk onuitvoerbaar blijkt, niet wordt voldaan aan de voorwaarde uit (de toelichting op) het amendement-Michon-Derkzen? Wat de leden van de BBB-fractie betreft kan de Wet veilige jaarwisseling niet in werking treden als hieraan niet voldaan is.
9. Bent u bereid het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling aan te passen als blijkt dat verenigingen en stichtingen in de praktijk niet aan de eisen kunnen voldoen? Zo nee, waarom niet?
10. Hoe beoordeelt u de uitvoerbaarheid van dit Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling in samenhang met het feit dat er nog geen uitgewerkte en gedekte compensatieregeling voor de vuurwerkbranche beschikbaar is? De leden van de fractie van de BBB beoordelen deze compensatieregeling als een expliciete voorwaarde voor de inwerkingtreding van de wet.
11. Deelt u de conclusie van de leden van de BBB-fractie dat, zolang niet aantoonbaar aan álle voorwaarden is voldaan – een uitvoerbaar Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling, een handhavingsplan en een eerlijke en gedekte compensatieregeling – de Wet veilige jaarwisseling niet rechtsgeldig in werking kan treden? Zo nee, waarom niet?
12. Bent u bereid, indien niet tijdig aan de gestelde voorwaarden kan worden voldaan, een nieuw wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in te dienen ter heroverweging van de Wet veilige jaarwisseling? Deze leden menen dat dit passend is binnen het parlementaire stelsel.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorgenomen Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling. Deze leden vinden het belangrijk dat de Wet veilige jaarwisseling zo spoedig mogelijk in werking treedt, maar dat de inwerkingtreding wel op zorgvuldige wijze plaatsvindt. Daarom hebben deze leden naar aanleiding van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling een aantal vragen voor u.
1. Op verzoek van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt er een handreiking voor gemeenten opgesteld, die als richtsnoer kan dienen bij de uitwerking van de ontheffingsbevoegdheid. Waarom bent u van mening dat VNG en gemeenten hiertoe het voortouw dienen te nemen terwijl het Rijk deze taak opdraagt aan burgemeesters en gemeenten? Op welke termijn verwacht u dat deze handreiking klaar is?
2. Onder andere het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (NGB) en de VNG uiten grote zorgen over de beleidsvrijheid die wordt gelaten aan decentrale overheden om zelf de voorwaarden voor de ontheffingsverlening vast te leggen. De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over de mogelijke grote verschillen tussen gemeenten. Dit draagt in de ogen van deze leden niet bij aan het zijn van een betrouwbare overheid met voorspelbaar en uitlegbaar beleid. Deelt u de zorg van deze leden?
3. Het NGB, de VNG en de G4 uiten ook grote zorgen over wie de handhaving in de praktijk gaat uitvoeren. De politie geeft aan geen rol voor zichzelf te zien bij het toezicht en de handhaving op het afsteken van vuurwerk door verenigingen of stichtingen in het kader van een ontheffing. Gemeenten geven tegelijkertijd aan geen toezicht te kunnen uitoefenen tijdens de nachtelijke uren rondom de jaarwisseling in verband met de risico’s voor gemeentelijke handhavers (boa’s). De leden van de D66-fractie zijn bezorgd dat er tijdens de jaarwisseling niet gehandhaafd zal worden op ontheffingslocaties. In de ogen van deze leden wordt de verwachting bij Nederlanders gewekt dat er toch gewoon vuurwerk afgestoken mag worden, terwijl het tegelijkertijd onuitvoerbaar is voor gemeenten. Met deze aanpak brengt u de burgemeesters in een onmogelijke (maatschappelijke) positie, die straks als een soort boeman «nee» moeten verkopen. Hoe kijkt u hiernaar? Het ambt van burgemeester is veel minder populair geworden. Denkt u dat dit hieraan bijdraagt? Hoe ziet u de handhaving in de praktijk voor ogen als de politie en de gemeenten beiden aangeven niet te willen of kunnen handhaven?
4. De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over het ontstaan van mogelijke laagdrempeligheid voor het aanvragen van een ontheffing door de beleidsvrijheid. Doordat gemeenten grotendeels zelf kunnen vastleggen onder welke voorwaarden een ontheffing wordt verleend, ontstaat de mogelijkheid dat vrijwel iedereen via een ontheffing alsnog vuurwerk kan afsteken binnen een gemeente. Deelt u de mening van deze leden dat hiermee de doelen voor het beschermen van mensen, dieren en milieu van de Wet veilige jaarwisseling ondermijnd worden?
5. De G4 en de politie geven naar aanleiding van de internetconsultatie aan dat de leeftijdsgrens verhoogd moet worden. In de ogen van de politie moet de leeftijdsgrens voor ontbranders worden bijgesteld naar achttien jaar.6 Daarbij pleit de G4 zelfs voor het verhogen van de leeftijdsgrens voor ontbranders en supervisors naar 21 jaar en het opnemen van meer concrete uniforme voorschriften.7 De leden van de D66-fractie kunnen de redenatie van de politie en de G4 goed volgen. Deze leden verwachten ook dat er zeker op jonge ontbranders grote druk kan komen te staan tijdens het afsteken van vuurwerk. Waarom blijft u toch vasthouden aan de leeftijdgrens van zestien jaar voor ontbranders en achttien jaar voor supervisors? Is het niet verstandig om deze beide op 21 jaar vast te stellen, zoals de G4 adviseert?
6. Er wordt van de ontbranders en supervisors verwacht dat zij kennis hebben van het veilig afsteken van vuurwerk. De leden van de D66-fractie zijn blij dat hiertoe namens het Rijk een e-learning of voorlichtingspakket wordt opgesteld. Deze leden willen echter weten waarom dit geen verplichting is voor de ontbranders en supervisors. Ook willen deze leden weten waarom er geen verplichting is voor het beschikken over kennis van het verlenen van eerste hulp voor ontheffingshouders.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de aanbieding van het voorstel tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in verband met de Wet veilige jaarwisseling (Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling). Deze leden hebben zorgen over deze besluiten in het kader van uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en rechtmatigheid. Daarover hebben deze leden enkele vragen aan u.
1. Tijdens de behandeling van het voorstel voor de Wet veilige jaarwisseling hebben deze leden onder meer aandacht gevraagd voor de grensproblematiek, de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid volgens het amendement-Bikker c.s., verkeersbewegingen, handhavingscapaciteit en de compensatie voor de vuurwerkbranche.8 Ten eerste constateren deze leden dat u de invulling van veel voorwaarden voor de ontheffingsmogelijkheid tot het afsteken van vuurwerk aan gemeenten laat. Deze leden voorzien daardoor grote gemeentelijke verschillen in de uitvoering van het Ontwerpbesluit. De ontheffingsmogelijkheid is bovendien in grote mate afhankelijk van de burgemeesters. Hoe rechtmatig en uitvoerbaar acht u deze gemeentelijke verschillen, met het oog op de wens van de politie en gemeenten om een zo duidelijk mogelijk kader te hebben voor handhaving?
2. Deze leden lezen dat u de Wet veilige jaarwisseling uiterlijk 1 juli 2026 in werking wilt laten treden om partners zich gedegen te laten voorbereiden voor de volgende jaarwisseling. In dat licht willen deze leden weten hoe realistisch het is dat gemeenten voor die tijd een besluit hebben genomen over het wel of niet aanbieden van een ontheffingsmogelijkheid voor het afsteekverbod, dan wel hun APV hebben gewijzigd en capaciteit hebben vrijgemaakt voor het verwerken van ontheffingsaanvragen. Acht u het haalbaar voor gemeenten om dit alles te regelen, zodat de bedoelde ontheffingsmogelijkheid in het amendement-Bikker c.s. ook daadwerkelijk kan worden gebruikt bij de eerstvolgende jaarwisseling? Of acht u het de facto onmogelijk om aankomende jaarwisseling af te wijken van het afsteekverbod?
3. In het licht van het bovenstaande willen deze leden weten welk scenario u voor zich ziet als de besluitvorming over het ontwerp-koninklijk besluit met betrekking tot de inwerkingtreding niet voor 1 juli 2026 is afgerond, ondanks de wens van de Tweede Kamer. Welke gevolgen zou dit bovendien hebben voor de compensatie van de vuurwerkbranche?
4. Artikel 2.3.2 van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling gaat voorts in op de voorwaarden waar een aanvraag aan moet voldoen. Beoogt u dat de aanvrager uit de gemeente zelf moet komen, dan wel daar gevestigd moet zijn om in die gemeente een ontheffing te kunnen verkrijgen?
5. Daarnaast willen deze leden weten in hoeverre u voorziet dat gemeentelijke verschillen kunnen leiden tot «vuurwerktoerisme», waarbij verenigingen uit gemeenten waar afsteken geheel verboden blijft, zich verplaatsen naar gemeenten waar volop vuurwerk mag worden afgestoken. In hoeverre acht u dat mogelijk binnen de huidige voorwaarden in het voorliggende Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling?
6. Daarnaast hebben deze leden tijdens de eerste schriftelijke inbreng bij het wetsvoorstel al aandacht gevraagd voor mogelijke veranderingen in vervoersbewegingen naar afsteekgebieden voor vuurwerk.9 Momenteel rijdt het openbaar vervoer tijdens de jaarwisseling tot 20:00 uur, terwijl in andere landen wordt doorgereden tijdens de jaarwisseling. Welke gevolgen verwacht u voor het aantal vervoersbewegingen naar georganiseerde vuurwerkshows? In hoeverre acht u het bevorderlijk voor een succesvolle uitvoering van de Wet veilige jaarwisseling om de dienstregeling van het openbaar vervoer te verruimen tijdens de jaarwisseling? Kunt u hierbij ingaan op de mogelijke gevolgen voor het rijden onder invloed en de combinatie van wegverkeer en vuurwerk?
7. Deze leden lezen dat aanvragers van een ontheffing ten minste in een vereniging of stichting georganiseerd moeten zijn die staat ingeschreven in het handelsregister.10 Welke groepen bedoelt u hiermee te ondervangen? Zou een spontaan georganiseerd buurtcomité ook een aanvraag moeten kunnen doen? Daarbij willen deze leden weten welke ruimte de burgemeester heeft om van deze eis af te wijken. Hoe toegankelijk acht u de oprichtingseisen en -kosten van een vereniging en inschrijving in het handelsregister? Hoe vindt u dit passen binnen de wens van het amendement-Bikker c.s.?
8. Daarnaast vragen deze leden naar de stand van zaken rondom de compensatie van de vuurwerkbranche. Nu het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling ruimte laat voor verschillen in lokale regelgeving, zou dit ook invloed kunnen hebben op de omzet van kleinere verkopers die consumentenvuurwerkverkoop als nevenactiviteit hebben. In hoeverre weegt u deze verschillen mee in de compensatie van de vuurwerkbranche? Voor een rechtmatige compensatie vragen deze leden daarnaast hoe de overheid kleinere vuurwerkverkopers benadert ten opzichte van de professionele vuurwerkverkopers. In hoeverre beoogt u te voorkomen dat kleinere ondernemers failliet gaan? Deze leden willen weten op welke manier en wanneer u duidelijkheid wilt gaan verschaffen aan de vuurwerkbranche over de regels en de compensatie.
9. Deze leden vragen voorts aandacht voor de grensproblematiek die samenhangt met de uitvoering van de Wet veilige jaarwisseling. Zo vragen deze leden hoe realistisch een succesvolle uitvoering en handhaving van de wet is, zolang in buurlanden nog steeds vrijelijk F2-vuurwerk mag worden verkocht aan consumenten. Welke inzet pleegt u om hierover afspraken te maken met grenslanden? In hoeverre acht u Europese afspraken hierover randvoorwaardelijk voor een effectieve uitvoering van de wet?
10. Deze leden vragen daarnaast naar de verwachte benodigde capaciteit voor de uitvoering en handhaving van de wet. Deze leden hebben zorgen bij een effectieve handhaving van de wet in de eerste jaren na mogelijke inwerkingtreding, omdat zij lezen dat de benodigde politiecapaciteit veel hoger is dan wat de afgelopen jaren is ingezet.11 Is deze capaciteit wel beschikbaar, of kan de politie dat regelen voor de aankomende jaarwisseling? Vindt u dat geaccepteerd moet worden dat de wet de eerste jaren niet handhaafbaar is, omdat er naast wetgeving sprake moet zijn van een cultuurverandering?
11. De politie schrijft dat een jaar na invoering van de wet een invoeringstoets wordt gewenst.12 Deelt u deze wens en kunnen deze leden na de eerste jaarwisseling met het afsteekverbod een evaluatie dan wel invoeringstoets verwachten?
12. Deze leden zijn tijdens de plenaire behandeling in 2025 geïnformeerd over de benodigde middelen voor de uitvoering van de wet. Deze middelen zouden gevonden moeten worden op de begroting van Infrastructuur & Waterstaat. Deze leden willen weten of dit inmiddels is gebeurd en hoe dit voor de aankomende jaren is begroot. Kunt u daarbij de aangenomen kosten van de komende jaren uitsplitsen en toelichten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling. Zij hebben hier nog een aantal vragen over.
1. De leden van de SP-fractie maken zich zorgen over de handhaafbaarheid van een ontheffing voor verenigingen en stichtingen om F2-vuurwerk af te steken. Zij willen weten in hoeverre het voor een politieagent mogelijk is vast te stellen of afgestoken vuurwerk binnen of buiten het gebied is afgestoken, waardoor effectieve handhaving wordt vermoeilijkt. Kunt u ingaan op dit geschetste scenario? Hoe moet een agent constateren of iemand die vuurwerk heeft afgestoken behoort tot de vereniging die de ontheffing heeft gekregen? Wordt nachtelijke inzet van boa’s nodig om ontheffingen te monitoren en te handhaven?
2. Verenigingen en stichtingen moeten een veiligheidsplan opstellen om een ontheffing van het vuurwerkverbod te krijgen. Kunt u duidelijk maken wat wordt verwacht van verenigingen en stichtingen bij een veiligheidsplan? Verwacht u dat een vereniging van vrijwilligers in staat is een veiligheidsplan op het benodigd niveau in te dienen en te voldoen aan alle eisen?
Vragen en opmerkingen van het lid van de fractie-Visseren-Hamakers
Het lid van de fractie-Visseren-Hamakers heeft met interesse kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur & Waterstaat met een toelichting op het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling. Naar aanleiding van deze brief heeft dit lid een vraag.
Hoe gaat u of uw ambtsopvolger ervoor zorgen dat de Wet veilige jaarwisseling nog dit jaar in werking treedt, zodat het vuurwerkverbod aankomend oud en nieuw van kracht is?
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.
De voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, R. Lievense
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 februari 2026
Op 17 februari jl. heb ik uw schrijven (kenmerk 179853) ontvangen naar aanleiding van het starten van de voorhang van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling. Binnen de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat/Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (IenW/VRO) hebben de fracties BBB, D66, CDA, SP en fractie-Visseren-Hamakers vragen gesteld. Hierbij stuur ik u, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, de beantwoording van deze vragen.
Er is in beide Kamers een brede politieke wens om de inwerkingtreding van het verbod zo snel als mogelijk in te laten gaan. Dit blijkt ook uit de recentelijk aangenomen motie van het Tweede Kamerlid Van der Werf.13 Tegen deze achtergrond streeft het kabinet ernaar het besluit en de Wet veilige jaarwisseling per 1 augustus 2026 in werking te laten treden, zodat het vuurwerkverbod voor consumenten van toepassing is bij de jaarwisseling 2026/2027. Deze planning biedt burgemeesters, handhavingsinstanties en lokale verenigingen en stichtingen die gebruik wensen te maken van een ontheffingsmogelijkheid, voldoende gelegenheid om zich voor te bereiden op de nieuwe situatie.
Gelet hierop verzoek ik uw Kamer de voorhangprocedure zodanig in te richten dat het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling op korte termijn de volgende fase van het wetgevingsproces kan doorlopen en tijdig ter advisering aan de Raad van State kan worden aangeboden. Doorgaans heeft de Raad van State circa twee tot drie maanden nodig voor de advisering. Vervolgens dient na verwerking van advies van de Raad van State het besluit formeel te worden vastgesteld.
Om inwerkingtreding per 1 augustus 2026 mogelijk te maken, en daarmee ook het verbod op consumentenvuurwerk bij de jaarwisseling van 2026/2027 in werking te laten treden, is afronding van de voorhangprocedure van dit ontwerpbesluit door uw Kamer in maart daarom wenselijk.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu, A.A. Aartsen
Vragen en opmerkingen van leden van de fractie van de BBB
1.
Deelt u de constatering van de leden van de BBB-fractie dat het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling een groot aantal nieuwe verplichtingen introduceert voor verenigingen en stichtingen, waaronder administratieve, organisatorische en veiligheidsvereisten? Zo ja, kunt u ingaan op nut en noodzaak van elk van deze eisen? Gaat u hierover nog advies inwinnen bij het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR)?
Een belangrijk uitgangspunt bij het opstellen van het Ontwerpbesluit is het geven van ruimte aan de lokale situatie. Daarom is er gekozen om zo veel mogelijk lokale ruimte te laten om afwegingen te maken over hoe een ontheffing het beste kan worden vormgegeven. Burgemeesters hebben immers bij uitstek kennis over hun gemeente en inwoners en kunnen daarom, samen met onder andere de lokale driehoek en de veiligheidsregio, bezien wat wenselijk en mogelijk is binnen hun gemeente.
Daarnaast is ervoor gekozen om als uitgangspunt vertrouwen in verenigingen en stichtingen te hebben. Concreet betekent dit dat er is gekozen om terughoudend te zijn als het gaat om het stellen van regels en vereisten op landelijk niveau, juist ook om onnodige belemmeringen en regeldruk te voorkomen. Om de veiligheid van de opslag, het vervoer, de verkoop en het afsteken van vuurwerk te waarborgen voor ontbranders, supervisors, omstanders en omwonenden is het wel nodig geacht om in het Ontwerpbesluit bepaalde nationale vereisten en voorschriften vast te stellen. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de brede wens vanuit gemeenten om waar dat kan veiligheidsvereisten nationaal vast te leggen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het verplicht overleggen van een veiligheidsplan en situatietekening, eisen die aan de supervisor en ontbrander worden gesteld, en voorschriften ten aanzien van de locatie waar het vuurwerk wordt bewaard en tot ontbranding wordt gebracht. Zo moeten de supervisors en ontbranders kennis hebben van het veilig afsteken van vuurwerk, mogen zij niet onder invloed zijn van alcohol of drugs, moeten er brandblusapparaten op locatie aanwezig zijn, mag er niet worden gerookt, en mag er een maximumhoeveelheid vuurwerk worden afgestoken. Voor het transport van vuurwerk gelden de reeds bestaande eisen uit de ADR-regelgeving. Al deze eisen zijn noodzakelijk om de veiligheid te waarborgen. Vuurwerk is immers een product dat jaarlijks tot veel letsel en schade leidt.
Tegelijk met de internetconsultatie van het Ontwerpbesluit is advies gevraagd bij het adviescollege toetsing regeldruk (ATR). De adviespunten zijn betrokken bij de uitwerking of nader uitgelegd in de toelichting.
2.
Hoe verhoudt deze omvangrijke regeldruk zich tot de bedoeling van het amendement-Bikker c.s., dat juist beoogde om laagdrempelig en verantwoord georganiseerd vuurwerk door burgers mogelijk te maken?
Uitgangspunt voor de uitwerking in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling is het hebben van vertrouwen in verenigingen en stichtingen. Concreet betekent dit dat er is gekozen om terughoudend te zijn als het gaat om het stellen van landelijke regels en vereisten, en het voorkomen van onnodige belemmeringen en regeldruk voor stichtingen en verenigingen. Daarbij is wel van belang geacht dat bepaalde (veiligheids)vereisten nationaal worden vastgelegd. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de brede wens vanuit gemeenten. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande regelgeving. Er zijn minimale veiligheidseisen nodig om de veiligheid te borgen van ontbranders, supervisors, omstanders en omwonenden.
3.
Heeft u laten toetsen of verenigingen en stichtingen zonder professionele organisatie of winstoogmerk in de praktijk kunnen voldoen aan alle eisen uit het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling? Zo ja, door wie is dit getoetst en wat was hiervan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?
In het kader van de uitwerking van de ontheffing is veel input opgehaald bij een brede vertegenwoordiging van organisaties, zoals de politie, het OM, de ILT, gemeenten, lokale bevoegde gezagen, brandweer, verzekeraars, (koepels van) sport- en wijkverenigingen en de vuurwerkbranche. Uit de gesprekken met onder andere vuurwerkliefhebbers en verenigingen bleek dat er behoefte is aan een laagdrempelige manier om een ontheffing aan te vragen. Hier is in de uitwerking zo veel mogelijk rekening mee gehouden. Om de veiligheid te borgen is het wel noodzakelijk geacht om een aantal regels en veiligheidsvoorschriften vast te leggen die tot doel hebben ontbranders, omstanders en omwonenden te beschermen. Met het oog hierop is op een aantal punten enige regeldruk onvermijdelijk, waarbij zoveel mogelijk oog is geweest voor de werkbaarheid voor verenigingen en stichtingen.
4.
Deelt u de zorg van de leden van de fractie van de BBB dat de kosten en verantwoordelijkheden die voortvloeien uit het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling ertoe kunnen leiden dat verenigingen en stichtingen in de praktijk afzien van het aanvragen van een ontheffing?
Vuurwerk is een product dat jaarlijks voor schade en letsel zorgt. Met het oog op het borgen van de veiligheid is op een aantal punten enige regeldruk onvermijdelijk. Het kabinet is van mening dat met de huidige uitwerking adequate minimale veiligheidsvoorschriften worden vastgesteld, waarbij tegelijkertijd uit wordt gegaan van vertrouwen in verenigingen en stichtingen en ruimte wordt gegeven aan lokale initiatieven.
5.
Kunt u uitleggen hoe een ontheffingsregeling, die in de praktijk niet of nauwelijks wordt benut, kan worden aangemerkt als een invulling van de door de Tweede Kamer gestelde voorwaarden voor inwerkingtreding van de wet?
Zowel binnen de Eerste als Tweede Kamer, maar ook bij onder andere gemeenten, politie en veiligheidsregio's, was er een brede wens voor een landelijk vuurwerkverbod, met een ontheffingsmogelijkheid voor verenigingen en stichtingen. Een van de gestelde voorwaarden voor inwerkingtreding van de wet is een uitgewerkte AMvB waarmee de ontheffingsmogelijkheid wordt geregeld. Met het Ontwerpbesluit dat nu voorligt, is aan deze voorwaarde voldaan. Het is overigens aan burgemeesters zelf of ze de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen benutten.
6.
Het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling maakt het mogelijk om een ontheffing aan te vragen in een andere gemeente dan waar een vereniging of stichting gevestigd is. Deze leden willen weten wat dit betekent voor de handhaafbaarheid van het besluit. Daarom en ter illustratie stellen deze leden de volgende vraag: is het toegestaan om met een ontheffing voor «gemeente A» vuurwerk in bezit te hebben en te vervoeren in «gemeente B»?
Wanneer een ontheffing wordt aangevraagd voor een locatie in een bepaalde gemeente, dan mag het vuurwerk enkel in die gemeente tot ontbranding worden gebracht en daar worden bewaard tot de ontbranding. Het is mogelijk dat het verkooppunt in een andere gemeente is gelegen, en daarmee is het mogelijk dat het vuurwerk wordt getransporteerd door een andere gemeente, conform reeds bestaande eisen voor het vervoeren van vuurwerk uit de ADR-regelgeving. Het vuurwerk mag echter niet op een andere locatie dan de ontheffingslocatie worden bewaard en afgestoken.
7.
Als dit het geval is, dan heeft het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling grote gevolgen voor de handhaafbaarheid van het vuurwerkverbod in (iedere) «gemeente B». Kunt u uitleggen waarom er gekozen is voor deze constructie? Ligt het niet meer in de lijn van het amendement-Bikker c.s. om het verlenen van ontheffing uitsluitend toe te staan voor plaatselijke verenigingen en stichtingen, waarbij de ontheffing voor aan- en verkoop, vervoer en opslag uitsluitend in diezelfde gemeente geldig is?
Bij de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid is ervoor gekozen om niet meer vereisten dan noodzakelijk te stellen en ook lokaal maatwerk mogelijk te maken. Daarnaast is er naar verwachting niet in elke gemeente een verkooppunt voor vuurwerk en is het niet wenselijk dat verenigingen en stichtingen alleen in hun eigen gemeente vuurwerk kunnen kopen.
8.
Bent u het met de leden van de BBB-fractie eens dat, wanneer de ontheffingsregeling feitelijk onuitvoerbaar blijkt, niet wordt voldaan aan de voorwaarde uit (de toelichting op) het amendement Michon-Derkzen? Wat de leden van de BBB-fractie betreft kan de Wet veilige jaarwisseling niet in werking treden als hieraan niet voldaan is.
Uit de HUF- en uitvoeringstoetsen is niet gebleken dat het Ontwerpbesluit op voorhand onuitvoerbaar is. Het kabinet is van mening dat met de huidige uitwerking adequate minimale veiligheidsvoorschriften worden vastgesteld. Hierbij wordt tevens uitgegaan van vertrouwen in verenigingen en stichtingen en wordt ruimte gelaten voor lokale afwegingen. Het is nu aan de samenleving en lokale overheden om samen een weg te vinden in het op een nieuwe manier vieren van de jaarwisseling. Dat heeft tijd nodig. Het kabinet monitort de effecten van de nieuwe regelgeving en de uitwerking van de ontheffing in de praktijk.
9.
Bent u bereid het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling aan te passen als blijkt dat verenigingen en stichtingen in de praktijk niet aan de eisen kunnen voldoen? Zo nee, waarom niet?
In het Ontwerpbesluit is opgenomen dat de Wet veilige jaarwisseling in samenhang met de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid drie jaar na inwerkingtreding geëvalueerd zal worden. Naar aanleiding van de evaluatie wordt bekeken of en welke aanpassingen nodig zijn aan de ontheffingsmogelijkheid. Over de uitwerking van deze evaluatie wordt de Kamer medio 2026 nader geïnformeerd, zoals toegezegd aan de Eerste Kamer (Kamerstuk 35 386, J.).
10.
Hoe beoordeelt u de uitvoerbaarheid van dit Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling in samenhang met het feit dat er nog geen uitgewerkte en gedekte compensatieregeling voor de vuurwerkbranche beschikbaar is? De leden van de fractie van de BBB beoordelen deze compensatieregeling als een expliciete voorwaarde voor de inwerkingtreding van de wet.
Voor de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling zijn drie voorwaarden gesteld waaronder de compensatieregeling voor de vuurwerkbranche. De gesprekken met de vuurwerkbranche over de compensatieregeling zijn nog niet afgerond en zullen worden voortgezet door het nieuwe kabinet. De uitvoering dan wel de behandeling van het Ontwerpbesluit zijn hiervan niet afhankelijk.
11.
Deelt u de conclusie van de leden van de BBB-fractie dat, zolang niet aantoonbaar aan álle voorwaarden is voldaan – een uitvoerbaar Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling, een handhavingsplan en een eerlijke en gedekte compensatieregeling – de Wet veilige jaarwisseling niet rechtsgeldig in werking kan treden? Zo nee, waarom niet?
De indiener van het amendement heeft gesteld dat de wet pas in werking kan treden als aan de drie voorwaarden is voldaan. Het is aan beide Kamers om te bepalen of de voorwaarden voldoende ingevuld zijn en of de Wet veilige jaarwisseling in werking kan treden.
12.
Bent u bereid, indien niet tijdig aan de gestelde voorwaarden kan worden voldaan, een nieuw wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in te dienen ter heroverweging van de Wet veilige jaarwisseling? Deze leden menen dat dit passend is binnen het parlementaire stelsel.
Als naar het oordeel van de Kamers niet voldaan wordt aan de drie voorwaarden betekent dit niet dat er een nieuw wetsvoorstel ingediend dient te worden. Het nieuwe kabinet zal dan bezien welke stappen er gezet moeten worden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66
1.
Op verzoek van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt er een handreiking voor gemeenten opgesteld, die als richtsnoer kan dienen bij de uitwerking van de ontheffingsbevoegdheid. Waarom bent u van mening dat VNG en gemeenten hiertoe het voortouw dienen te nemen terwijl het Rijk deze taak opdraagt aan burgemeesters en gemeenten? Op welke termijn verwacht u dat deze handreiking klaar is?
Een belangrijk uitgangspunt bij het opstellen van het Ontwerpbesluit is het geven van ruimte aan lokale afwegingen waarbij oog is voor de lokale situatie. Daarom is ervoor gekozen om zo veel mogelijk ruimte te laten om op lokaal niveau afwegingen te maken over hoe een ontheffing het beste kan worden vormgegeven. Hiermee is het dan ook aan de VNG en gemeenten om hier het voortouw in te nemen, hoe ze hier invulling aan willen geven en dus hoe de handreiking eruit zal zien. Vanuit het Rijk wordt bij het ontwikkelen van de handreiking ondersteuning verleend in de vorm van mankracht en expertise. De verwachting is dat de handreiking op 1 juli 2026 gereed is.
2.
Onder andere het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (NGB) en de VNG uiten grote zorgen over de beleidsvrijheid die wordt gelaten aan decentrale overheden om zelf de voorwaarden voor de ontheffingsverlening vast te leggen. De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over de mogelijke grote verschillen tussen gemeenten. Dit draagt in de ogen van deze leden niet bij aan het zijn van een betrouwbare overheid met voorspelbaar en uitlegbaar beleid. Deelt u de zorg van deze leden?
Als gevolg van het aangenomen amendement-Bikker c.s. is de ontheffingsbevoegdheid op grond van de wet neergelegd bij de burgemeester. Op grond van de wet gaat deze bevoegdheid gepaard met een zekere beleidsruimte. Een burgemeester kan bepalen of zij een ontheffing wenst te verlenen en kan daarover eigen beleid vaststellen. Daarmee kunnen verschillen in beleid tussen gemeenten ontstaan. Dit vormt op zichzelf geen probleem, want op deze manier kan rekening worden gehouden met lokale omstandigheden. Wel zijn, in lijn met de wens van gemeenten, een aantal veiligheidsvoorschriften nationaal vastgelegd in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling.
3.
Het NGB, de VNG en de G4 uiten ook grote zorgen over wie de handhaving in de praktijk gaat uitvoeren. De politie geeft aan geen rol voor zichzelf te zien bij het toezicht en de handhaving op het afsteken van vuurwerk door verenigingen of stichtingen in het kader van een ontheffing. Gemeenten geven tegelijkertijd aan geen toezicht te kunnen uitoefenen tijdens de nachtelijke uren rondom de jaarwisseling in verband met de risico’s voor gemeentelijke handhavers (boa’s). De leden van de D66-fractie zijn bezorgd dat er tijdens de jaarwisseling niet gehandhaafd zal worden op ontheffingslocaties. In de ogen van deze leden wordt de verwachting bij Nederlanders gewekt dat er toch gewoon vuurwerk afgestoken mag worden, terwijl het tegelijkertijd onuitvoerbaar is voor gemeenten. Met deze aanpak brengt u de burgemeesters in een onmogelijke (maatschappelijke) positie, die straks als een soort boeman «nee» moeten verkopen. Hoe kijkt u hiernaar? Het ambt van burgemeester is veel minder populair geworden. Denkt u dat dit hieraan bijdraagt? Hoe ziet u de handhaving in de praktijk voor ogen als de politie en de gemeenten beiden aangeven niet te willen of kunnen handhaven?
Het is aan het lokaal gezag om op lokaal niveau toezicht te houden op verleende ontheffingen, conform het amendement-Bikker c.s. Daarbij ligt de nadruk in eerste instantie op controle of wordt voldaan aan de gestelde ontheffingsvoorwaarden. Ten aanzien van de rol en inzet van boa's wordt binnenkort het gesprek gestart over welke rol zij gaan krijgen in de handhaving rond de jaarwisseling. Mocht besloten worden om boa's deze bevoegdheid te verlenen, dan blijft het echter aan het lokaal gezag om te bepalen of en hoe zij deze bevoegdheden daadwerkelijk in de praktijk willen inzetten en welke rol ze de boa’s geven. Wanneer de openbare orde in het geding is, ligt de handhaving primair bij de politie. Onder regie van de VNG wordt een handreiking opgesteld. In deze handreiking zullen diverse aspecten aan bod komen zoals het in te richten proces voor het tijdig behandelen van ontheffingsaanvragen. Vanuit het Rijk wordt ondersteuning geboden bij het opstellen van de handreiking. Hiermee worden gemeenten ondersteund om zich zo goed mogelijk voor te bereiden op zowel de uitvoering als handhaving van het verbod en de ontheffingsregeling.
4.
De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over het ontstaan van mogelijke laagdrempeligheid voor het aanvragen van een ontheffing door de beleidsvrijheid. Doordat gemeenten grotendeels zelf kunnen vastleggen onder welke voorwaarden een ontheffing wordt verleend, ontstaat de mogelijkheid dat vrijwel iedereen via een ontheffing alsnog vuurwerk kan afsteken binnen een gemeente. Deelt u de mening van deze leden dat hiermee de doelen voor het beschermen van mensen, dieren en milieu van de Wet veilige jaarwisseling ondermijnd worden?
In het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling zijn de noodzakelijke (veiligheids)eisen en voorschriften nationaal vastgelegd. Dit is in lijn met de wens vanuit onder andere gemeenten, en om versnippering op dat vlak te voorkomen. Niet iedereen kan een ontheffing aanvragen. Zo is het bijvoorbeeld een vereiste dat enkel verenigingen en stichtingen die zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel een ontheffing kunnen aanvragen. Daarnaast gelden er bepaalde eisen aan de locatie, ontbranders en supervisors. Met de uitwerking is wel ruimte overgelaten aan burgemeesters om lokale afwegingen te maken, afhankelijk van de omstandigheden. Daarbij kan bijvoorbeeld rekening gehouden worden met de geschiktheid van een locatie of met de nabijheid van natuurgebieden en dieren. Het is aan de burgemeester zelf om te bepalen of en hoeveel ontheffingen zij verleent. Het is niet verplicht om dat te doen, ook niet als de aanvrager aan alle vereisten voldoet.
5.
De G4 en de politie geven naar aanleiding van de internetconsultatie aan dat de leeftijdsgrens verhoogd moet worden. In de ogen van de politie moet de leeftijdsgrens voor ontbranders worden bijgesteld naar achttien jaar. Daarbij pleit de G4 zelfs voor het verhogen van de leeftijdsgrens voor ontbranders en supervisors naar 21 jaar en het opnemen van meer concrete uniforme voorschriften. De leden van de D66-fractie kunnen de redenatie van de politie en de G4 goed volgen. Deze leden verwachten ook dat er zeker op jonge ontbranders grote druk kan komen te staan tijdens het afsteken van vuurwerk. Waarom blijft u toch vasthouden aan de leeftijdgrens van zestien jaar voor ontbranders en achttien jaar voor supervisors? Is het niet verstandig om deze beide op 21 jaar vast te stellen, zoals de G4 adviseert?
In het huidige Vuurwerkbesluit wordt een leeftijdsgrens voor het afsteken van F2-vuurwerk gehanteerd van 16 jaar. Dat sluit ook aan op de minimale leeftijdsgrens zoals opgenomen in de Pyrorichtlijn. Bij deze leeftijdsgrens wordt aangesloten. Aangezien er een bepaalde verantwoordelijkheid rust op personen die vuurwerk organiseren in het kader van de ontheffing, is de minimale leeftijd van de supervisor(s) vastgesteld op 18 jaar.
6.
Er wordt van de ontbranders en supervisors verwacht dat zij kennis hebben van het veilig afsteken van vuurwerk. De leden van de D66-fractie zijn blij dat hiertoe namens het Rijk een e-learning of voorlichtingspakket wordt opgesteld. Deze leden willen echter weten waarom dit geen verplichting is voor de ontbranders en supervisors. Ook willen deze leden weten waarom er geen verplichting is voor het beschikken over kennis van het verlenen van eerste hulp voor ontheffingshouders.
Op grond van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling is één van de voorschriften die aan een ontheffing wordt verbonden dat supervisors en ontbranders kennis hebben over het veilig afsteken, bewaren en transporteren van vuurwerk. Ten behoeve hiervan wordt door het Rijk een informatiepakket of e-learning ontwikkeld. Het is aan de burgemeester om te bepalen of hij een bewijs van voltooiing als voorwaarde stelt om een ontheffing te verlenen. Dat is echter geen verplichting die uit het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling volgt. In veel gevallen stelt de gemeente voldoende EHBO-hulpverleners als voorwaarde voor een evenementenvergunning.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA
1.
Tijdens de behandeling van het voorstel voor de Wet veilige jaarwisseling hebben deze leden onder meer aandacht gevraagd voor de grensproblematiek, de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid volgens het amendement-Bikker c.s., verkeersbewegingen, handhavingscapaciteit en de compensatie voor de vuurwerkbranche. Ten eerste constateren deze leden dat u de invulling van veel voorwaarden voor de ontheffingsmogelijkheid tot het afsteken van vuurwerk aan gemeenten laat. Deze leden voorzien daardoor grote gemeentelijke verschillen in de uitvoering van het Ontwerpbesluit. De ontheffingsmogelijkheid is bovendien in grote mate afhankelijk van de burgemeesters. Hoe rechtmatig en uitvoerbaar acht u deze gemeentelijke verschillen, met het oog op de wens van de politie en gemeenten om een zo duidelijk mogelijk kader te hebben voor handhaving?
Als gevolg van het aangenomen amendement Bikker c.s. is de ontheffingsbevoegdheid op grond van de wet neergelegd bij de burgemeester. Daarmee kunnen verschillen in beleid tussen gemeenten ontstaan. Op deze manier kan rekening worden gehouden met lokale omstandigheden. Wel zijn, in lijn met de wens van gemeenten, sommige veiligheidsvoorschriften nationaal vastgelegd in het Ontwerpbesluit. Verschillen in beleid tussen gemeenten zijn op zichzelf niet erg, sterker nog, met de ontheffingsbevoegdheid voor burgemeesters is juist beoogd dat afhankelijk van lokale omstandigheden verschillen in beleid tussen gemeenten kunnen ontstaan. De burgemeester kan in overleg met de lokale driehoek en de veiligheidsregio bepalen of en hoeveel ontheffingen zij in haar gemeente wenst te verlenen en op welke locatie. Verder is in dit kader relevant te benoemen dat de Minister van Justitie en Veiligheid samen met alle relevante partners, een handhavingsplan heeft opgesteld14.
2.
Deze leden lezen dat u de Wet veilige jaarwisseling uiterlijk 1 juli 2026 in werking wilt laten treden om partners zich gedegen te laten voorbereiden voor de volgende jaarwisseling. In dat licht willen deze leden weten hoe realistisch het is dat gemeenten voor die tijd een besluit hebben genomen over het wel of niet aanbieden van een ontheffingsmogelijkheid voor het afsteekverbod, dan wel hun APV hebben gewijzigd en capaciteit hebben vrijgemaakt voor het verwerken van ontheffingsaanvragen. Acht u het haalbaar voor gemeenten om dit alles te regelen, zodat de bedoelde ontheffingsmogelijkheid in het amendement-Bikker c.s. ook daadwerkelijk kan worden gebruikt bij de eerstvolgende jaarwisseling? Of acht u het de facto onmogelijk om aankomende jaarwisseling af te wijken van het afsteekverbod?
De VNG heeft in de uitvoeringstoets aangegeven dat het voor een tijdige implementatie nodig is dat in augustus-september 2026 aanvragen voor een ontheffing kunnen worden ingediend. Zo is er voldoende tijd om de aanvragen te beoordelen en ruimte te bieden voor eventueel bezwaar. Gemeenten kunnen overigens nu al starten met de afweging of zij wel of geen ontheffingen willen verlenen zodra de Wet in werking is getreden. Binnen diverse gemeenten worden dergelijke gesprekken al gevoerd, soms ook in provincieverband. Mochten gemeenten ervoor kiezen om ontheffing te willen verlenen, kunnen ze al starten met de voorbereidingen. VNG draagt er zorg voor dat de handreiking tijdig gereed is zodat deze als hulpmiddel kan dienen bij de voorbereidingen. Ook de instrumenten die JenV en IenW ontwikkelen voor de ondersteuning (zoals communicatie) zullen tijdig gereed zijn. Hiermee wordt het mogelijk geacht dat gemeenten voor de jaarwisseling 2026–2027 ontheffingen kunnen verlenen.
3.
In het licht van het bovenstaande willen deze leden weten welk scenario u voor zich ziet als de besluitvorming over het ontwerp-koninklijk besluit met betrekking tot de inwerkingtreding niet voor 1 juli 2026 is afgerond, ondanks de wens van de Tweede Kamer. Welke gevolgen zou dit bovendien hebben voor de compensatie van de vuurwerkbranche?
Het nieuwe kabinet zal de gesprekken over de compensatie met de vuurwerkbranche voortzetten. Daarbij wordt uitgegaan van inwerkingtreding van het verbod bij de komende jaarwisseling.
4.
Artikel 2.3.2 van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling gaat voorts in op de voorwaarden waar een aanvraag aan moet voldoen. Beoogt u dat de aanvrager uit de gemeente zelf moet komen, dan wel daar gevestigd moet zijn om in die gemeente een ontheffing te kunnen verkrijgen?
In het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling is geen sprake van een vestigingsplaatsvereiste. Indien gewenst kan een burgemeester in het lokale beleid een vestigingsplaatsvereiste opnemen in het kader van lokaal draagvlak om er zorg voor te dragen dat als er een ontheffing wordt verleend, hiermee het gemeenschapsgevoel en de saamhorigheid worden versterkt.
5.
Daarnaast willen deze leden weten in hoeverre u voorziet dat gemeentelijke verschillen kunnen leiden tot «vuurwerktoerisme», waarbij verenigingen uit gemeenten waar afsteken geheel verboden blijft, zich verplaatsen naar gemeenten waar volop vuurwerk mag worden afgestoken. In hoeverre acht u dat mogelijk binnen de huidige voorwaarden in het voorliggende Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling?
Er bestaat een mogelijkheid dat mensen naar een andere gemeente reizen om een vuurwerkevenement te bezoeken. Het is lastig te voorspellen hoeveel en welke verenigingen en stichtingen een ontheffing zullen gaan aanvragen. Echter, het is een inschatting dat mensen naar hun eigen vereniging zullen gaan die zich hoogstwaarschijnlijk in hun directe omgeving bevindt. In het eerste kwartaal van 2026 zal in het kader van het opstellen van de handreiking door VNG een uitvraag bij gemeenten worden gedaan. Dit zal een actueel beeld geven van hoeveel ontheffingen naar verwachting verleend zullen worden en welke gemeenten hiervan gebruik zullen maken zodat inzicht in de spreiding ontstaat.
6.
Daarnaast hebben deze leden tijdens de eerste schriftelijke inbreng bij het wetsvoorstel al aandacht gevraagd voor mogelijke veranderingen in vervoersbewegingen naar afsteekgebieden voor vuurwerk. Momenteel rijdt het openbaar vervoer tijdens de jaarwisseling tot 20:00 uur, terwijl in andere landen wordt doorgereden tijdens de jaarwisseling. Welke gevolgen verwacht u voor het aantal vervoersbewegingen naar georganiseerde vuurwerkshows? In hoeverre acht u het bevorderlijk voor een succesvolle uitvoering van de Wet veilige jaarwisseling om de dienstregeling van het openbaar vervoer te verruimen tijdens de jaarwisseling? Kunt u hierbij ingaan op de mogelijke gevolgen voor het rijden onder invloed en de combinatie van wegverkeer en vuurwerk?
Het is nog niet mogelijk in te schatten wat voor impact er zal zijn op verkeersbewegingen rondom de jaarwisseling.
7.
Deze leden lezen dat aanvragers van een ontheffing ten minste in een vereniging of stichting georganiseerd moeten zijn die staat ingeschreven in het handelsregister. Welke groepen bedoelt u hiermee te ondervangen? Zou een spontaan georganiseerd buurtcomité ook een aanvraag moeten kunnen doen? Daarbij willen deze leden weten welke ruimte de burgemeester heeft om van deze eis af te wijken. Hoe toegankelijk acht u de oprichtingseisen en -kosten van een vereniging en inschrijving in het handelsregister? Hoe vindt u dit passen binnen de wens van het amendement-Bikker c.s.?
De inschrijving in het handelsregister is een voorwaarde waaraan voldaan moet worden om een ontheffing te kunnen krijgen. Iedere vereniging, ook een buurtvereniging, die hieraan voldoet kan een ontheffing aanvragen. Er is gekozen voor een verplichte inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Op die manier wordt geborgd dat een ontheffinghouder een rechtspersoon is die aansprakelijk kan worden gesteld voor schade of letsel veroorzaakt in het kader van de verleende ontheffing. Er worden geen eisen gesteld aan het type vereniging of stichting. Daarmee is deze voorwaarde zo laagdrempelig mogelijk vormgegeven.
8.
Daarnaast vragen deze leden naar de stand van zaken rondom de compensatie van de vuurwerkbranche. Nu het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling ruimte laat voor verschillen in lokale regelgeving, zou dit ook invloed kunnen hebben op de omzet van kleinere verkopers die consumentenvuurwerkverkoop als nevenactiviteit hebben. In hoeverre weegt u deze verschillen mee in de compensatie van de vuurwerkbranche? Voor een rechtmatige compensatie vragen deze leden daarnaast hoe de overheid kleinere vuurwerkverkopers benadert ten opzichte van de professionele vuurwerkverkopers. In hoeverre beoogt u te voorkomen dat kleinere ondernemers failliet gaan? Deze leden willen weten op welke manier en wanneer u duidelijkheid wilt gaan verschaffen aan de vuurwerkbranche over de regels en de compensatie.
Het nieuwe kabinet zal de gesprekken over de compensatie met de vuurwerkbranche gaan voortzetten. Bij het voeren van de gesprekken is het uitgangspunt nadeelcompensatie en daarmee dus juist bedoeld voor de ondernemers die hun activiteiten rondom de vuurwerkverkoop moeten stoppen.
9.
Deze leden vragen voorts aandacht voor de grensproblematiek die samenhangt met de uitvoering van de Wet veilige jaarwisseling. Zo vragen deze leden hoe realistisch een succesvolle uitvoering en handhaving van de wet is, zolang in buurlanden nog steeds vrijelijk F2-vuurwerk mag worden verkocht aan consumenten. Welke inzet pleegt u om hierover afspraken te maken met grenslanden? In hoeverre acht u Europese afspraken hierover randvoorwaardelijk voor een effectieve uitvoering van de wet?
Op de handhaving wordt nader ingegaan in het Handhavingsplan15 dat door het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) is opgesteld. In het plan is een separaat hoofdstuk opgenomen over grensregio's. Richting de jaarwisseling 2026/2027 wordt ingezet op intensievere samenwerking tussen grensgemeenten en buurlanden, met gezamenlijke handhaving, betere informatie-uitwisseling en duidelijke afstemming over preventie en communicatie. Er wordt ook een bestuurlijke bijeenkomst voor grensgemeenten georganiseerd voor het uitwisselen van best practices. Ook kan onder meer het Euregionaal Informatie- en Expertisecentrum (EURIEC) ondersteuning bieden bij grensoverschrijdende, georganiseerde vuurwerkhandel. Op internationaal niveau zet Nederland zich al langere tijd in, o.a. met Frankrijk, om illegale handel van vuurwerk tegen te gaan.
10.
Deze leden vragen daarnaast naar de verwachte benodigde capaciteit voor de uitvoering en handhaving van de wet. Deze leden hebben zorgen bij een effectieve handhaving van de wet in de eerste jaren na mogelijke inwerkingtreding, omdat zij lezen dat de benodigde politiecapaciteit veel hoger is dan wat de afgelopen jaren is ingezet. Is deze capaciteit wel beschikbaar, of kan de politie dat regelen voor de aankomende jaarwisseling? Vindt u dat geaccepteerd moet worden dat de wet de eerste jaren niet handhaafbaar is, omdat er naast wetgeving sprake moet zijn van een cultuurverandering?
Politiecapaciteit is schaars. In de komende jaren beschikt de politie over dezelfde capaciteit als in voorgaande jaren. Zoals bij iedere jaarwisseling zal ook dan een maximale inzet van de politie worden gevraagd. De jaarwisseling vraagt elk jaar een maximale inzet van de politie, handhavers en andere partijen. Ook na de invoering van de Wet veilige jaarwisseling zal deze inzet naar verwachting nog enkele jaren onverminderd hoog blijven. De politie verwacht dat op termijn een afname van de benodigde capaciteit mogelijk is. Gedragsverandering vergt immers tijd, waardoor de effecten van de wet zich geleidelijk zullen manifesteren. De invoering van de wet stelt de politie tevens in staat om gerichter op te kunnen treden waar overtredingen plaatsvinden.
11.
De politie schrijft dat een jaar na invoering van de wet een invoeringstoets wordt gewenst. Deelt u deze wens en kunnen deze leden na de eerste jaarwisseling met het afsteekverbod een evaluatie dan wel invoeringstoets verwachten?
Het kabinet is het met de politie en het CDA eens dat het volgen van de uitwerking van de ontheffingsbevoegdheid in de praktijk en de gevolgen voor de uitvoering en handhaving, van belang is. Naast de jaarlijkse opvolging, zal de ontheffingsmogelijkheid na drie jaar worden geëvalueerd.
12.
Deze leden zijn tijdens de plenaire behandeling in 2025 geïnformeerd over de benodigde middelen voor de uitvoering van de wet. Deze middelen zouden gevonden moeten worden op de begroting van Infrastructuur & Waterstaat. Deze leden willen weten of dit inmiddels is gebeurd en hoe dit voor de aankomende jaren is begroot. Kunt u daarbij de aangenomen kosten van de komende jaren uitsplitsen en toelichten?
Het nieuwe kabinet zal de gesprekken over de compensatie en de benodigde dekking gaan voortzetten en zal de Kamer over de uitkomst van deze gesprekken informeren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP
1.
De leden van de SP-fractie maken zich zorgen over de handhaafbaarheid van een ontheffing voor verenigingen en stichtingen om F2-vuurwerk af te steken. Zij willen weten in hoeverre het voor een politieagent mogelijk is vast te stellen of afgestoken vuurwerk binnen of buiten het gebied is afgestoken, waardoor effectieve handhaving wordt vermoeilijkt. Kunt u ingaan op dit geschetste scenario? Hoe moet een agent constateren of iemand die vuurwerk heeft afgestoken behoort tot de vereniging die de ontheffing heeft gekregen? Wordt nachtelijke inzet van boa’s nodig om ontheffingen te monitoren en te handhaven?
Verenigingen en stichtingen mogen enkel aangewezen F2-vuurwerk afsteken op een vaste plek (afsteekplaats). Daarmee is het voor een boa, dan wel een politieagent mogelijk vast te stellen of vuurwerk op een toegestane plek is afgestoken.
Binnenkort zullen de gesprekken voor de rol en inzet van de boa starten. Daarnaast blijft het uiteindelijk altijd een lokale bevoegdheid om de inzet van boa's (in de avonduren) te bepalen. De inzet van politie is vooral aan de orde op het moment dat de openbare orde in het geding is.
2.
Verenigingen en stichtingen moeten een veiligheidsplan opstellen om een ontheffing van het vuurwerkverbod te krijgen. Kunt u duidelijk maken wat wordt verwacht van verenigingen en stichtingen bij een veiligheidsplan? Verwacht u dat een vereniging van vrijwilligers in staat is een veiligheidsplan op het benodigd niveau in te dienen en te voldoen aan alle eisen?
Bij de indiening van een aanvraag moet een veiligheidsplan meegezonden worden. Onderdelen van het veiligheidsplan zijn een situatietekening en een overzicht van het af te steken vuurwerk waarin wordt beschreven hoe de ingevolge artikel 2.3.2a, eerste lid, aan de ontheffing te verbinden voorschriften zullen worden nageleefd.
Vragen en opmerkingen van het lid van de fractie-Visseren-Hamakers
1.
Hoe gaat u of uw ambtsopvolger ervoor zorgen dat de Wet veilige jaarwisseling nog dit jaar in werking treedt, zodat het vuurwerkverbod aankomend oud en nieuw van kracht is?
Het nieuwe kabinet zal de gesprekken in het kader van de compensatieregeling worden voortgezet. Wanneer dit is afgerond, zullen de uitkomsten met de Kamers gedeeld worden. Op dat moment heeft het kabinet een invulling gegeven aan de drie voorwaarden en kan het inwerkingstredingsbesluit worden voorgehangen. Daarna is het aan beide Kamers om een besluit te nemen.
Samenstelling:
Van Aelst-Den Uijl (SP), Aerdts (D66), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kaljouw (VVD), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Klip-Martin (VVD), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB) (voorzitter), Van der Linden (VVD), Martens (GroenLinks-PvdA), Van Meenen (D66), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Prins (CDA), Rietkerk (CDA) (ondervoorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)
Brief van de politie van 3 december 2025 met advies over het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling, p. 3. Bijlage bij Kamerstukken I 2025/26, 35 386, K.
Brief van de G4 van 4 december 2025 met advies over het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling (p. 2) Overheid.nl | Consultatie Besluit veilige jaarwisseling, reactie.
Nationale Politie, Uitvoeringstoets Politie Wet veilige jaarwisseling. Den Haag: 30 december 2025. Bijlage bij Kamerstukken I 2025/26, 35 386, K.
Samenstelling:
Van Aelst-Den Uijl (SP), Aerdts (D66), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kaljouw (VVD), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Klip-Martin (VVD), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB) (voorzitter), Van der Linden (VVD), Martens (GroenLinks-PvdA), Van Meenen (D66), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Prins (CDA), Rietkerk (CDA) (ondervoorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)
Brief van de politie van 3 december 2025 met advies over het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling, p. 3. Bijlage bij Kamerstukken I 2025/26, 35 386, K.
Brief van de G4 van 4 december 2025 met advies over het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling (p. 2) Overheid.nl | Consultatie Besluit veilige jaarwisseling, reactie.
Nationale Politie, Uitvoeringstoets Politie Wet veilige jaarwisseling. Den Haag: 30 december 2025. Bijlage bij Kamerstukken I 2025/26, 35 386, K.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35386-N.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.