Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2019-202035334 nr. P

35 334 Problematiek rondom stikstof en PFAS

P BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 april 2020

Met deze brief informeer ik uw Kamer over de structurele aanpak stikstof waartoe het kabinet heeft besloten. Dat doet het kabinet in de volle wetenschap dat velen momenteel met geheel andere vragen bezig zijn dan het stikstofdossier. Als gevolg van de coronacrisis hebben mensen grote zorgen over hun eigen gezondheid en die van hun naasten, hun baan of het voortbestaan van hun bedrijf. Het kabinet is zich hier terdege van bewust en zet zich volledig in om de zorg voor patiënten te garanderen en economische en maatschappelijke steun te bieden waar het kan. De coronacrisis raakt veel sectoren, ook de sectoren die kampen met de stikstofproblematiek, zoals de bouw, industrie, transport en landbouw. Waar de focus nu ligt op vandaag en morgen, probeert het kabinet tegelijkertijd vooruit te kijken naar de periode na de coronacrisis. We staan voor de opgave om de economie en het maatschappelijke leven weer op gang te brengen ten behoeve van het herstel van de werkgelegenheid, duurzame economische groei en welvaart. Wat dan niet mag gebeuren, is dat het stikstofdossier onnodig belemmeringen met zich meebrengt en het economisch herstel in de weg zit. Juist daarom presenteert het kabinet nu de structurele aanpak van de stikstofproblematiek, met een omvangrijk pakket aan maatregelen voor herstel en versterking van de natuur, dat het fundament legt waarop economische en maatschappelijke activiteiten doorgang kunnen vinden.

In deze brief licht ik de maatregelen toe die het kabinet neemt om de uitstoot en neerslag van stikstof te verminderen, de natuur te herstellen en de vergunningverlening verder op gang te brengen. Het kabinet heeft hierbij nadrukkelijk oog voor de samenhang met de maatregelen die worden genomen om aan de opgave van het Urgenda-vonnis te voldoen. Beide opgaven vragen immers om actie op korte termijn in alle sectoren van de samenleving. Parallel aan deze brief stuurt het kabinet een reactie op het advies luchtvaart van het Adviescollege Stikstofproblematiek.

De concentratie van stikstof wordt continu gemeten en meegenomen in de berekeningen van het RIVM. Als gevolg van de coronacrisis is er sprake van een afname van stikstofuitstoot bij onder andere de transport- en industriesector. In deze situatie gaat het om een tijdelijke reductie, die op dit moment niet bijdraagt aan meer structurele ruimte voor vergunningverlening of een kleinere opgave voor natuur. Het kabinet kijkt op basis van deze metingen wel of deze tijdelijke vermindering van stikstofdepositie door de coronacrisis ingezet kan worden voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Bijvoorbeeld bij de onderbouwing dat het vergunnen van activiteiten met tijdelijk beperkte toenames van stikstofdepositie niet leidt tot aantasting van natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Dit gaat om activiteiten die op korte termijn kunnen worden uitgevoerd en een tijdelijke depositie hebben. Dat is aanvullend op de stappen die het kabinet de afgelopen periode heeft gezet om op beperkte schaal de vergunningverlening, onder andere in de woningbouw en voor infrastructurele projecten, weer op gang te brengen, ondersteund door openstelling van het stikstofregistratiesysteem (Kamerstuk 35 334, nr. 72).

De structurele aanpak stikstof

Het kabinet kiest voor een structurele aanpak stikstof met als hoofddoel het realiseren van een gunstige of – waar dat nog niet mogelijk is – een verbeterde landelijke staat van instandhouding (SVI) van stikstofgevoelige soorten en habitats onder de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Die gunstige staat van instandhouding is een situatie waarin de natuur floreert. Met het voorliggende pakket aan natuur en stikstofreducerende maatregelen geeft het kabinet concreet invulling aan de continue verplichting om de landelijke staat van instandhouding te verbeteren totdat deze gunstig is. Het kabinet streeft ernaar tot een volledige gunstige staat van instandhouding te komen conform de Habitatrichtlijn, en daarvoor de condities in de gebieden te verbeteren. Vervolgens moet deze staat worden behouden. Het belang van de biodiversiteit in Nederland en Europa, die de basis vormt van onze voedselketen, staat hierbij centraal.

De Raad van State heeft geoordeeld dat het gehanteerde systeem om de negatieve gevolgen van stikstofuitstoot aan te pakken, het Programma Aanpak Stikstof (PAS), niet voldoende waarborgen voor natuurbehoud en -herstel bood om toestemmingverlening op te kunnen baseren. De uitspraak heeft er in de praktijk toe geleid dat diverse economische en maatschappelijke projecten geen doorgang konden vinden doordat vergunningen niet meer verleend konden worden. De structurele aanpak omvat deze waarborgen wel en bevat een omvangrijk pakket aan maatregelen gericht op natuurbehoud en -herstel, waardoor ruimte kan ontstaan voor economische en maatschappelijke activiteiten, zoals woningbouw, infrastructuur, defensie, waterveiligheid of ten behoeve van de energietransitie. Het kabinet is zich immers bewust van de randvoorwaardelijkheid hiervan voor vergunningverlening.

Om zeker te stellen dat het natuurbehoud en -herstel plaatsvindt en de stikstofdepositie voldoende vermindert, legt het kabinet een streefwaarde vast en werkt een monitorings- en bijsturingssystematiek uit. Hiervoor stelt het kabinet langjarig een omvangrijk pakket met natuur- en bronmaatregelen en bijbehorende middelen beschikbaar. Gegeven het feit dat de staat van instandhouding regionaal verschilt, evenals de hoeveelheid stikstofdepositie en schadelijkheid daarvan, werkt het kabinet als onderdeel van de structurele aanpak, aan nauwe afspraken met de provincies. Zo wordt gekomen tot een effectieve gebiedsgerichte aanpak. Op hoofdlijnen bestaat de structurele aanpak van het kabinet daarmee uit de volgende elementen:

  • Maatregelen ten behoeve van natuurbehoud en -herstel: gericht op de realisatie van de instandhoudingsdoelen in Natura 2000-gebieden om te voldoen aan artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn en het Natuurnetwerk Nederland.

  • Natuurinclusieve ruimtelijke inrichting: een betere ruimtelijke integratie van natuur met andere functies als landbouw, energieopwekking, woningbouw en infrastructuur om zo meer natuurinclusief areaal te ontwikkelen.

  • Streefwaarde stikstofreductie voor 2030: In aanvulling op het pakket aan natuurmaatregelen streeft het kabinet ernaar om in 2030 op ten minste 50 procent van de hectares met stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden de stikstofdepositie onder de kritische depositiewaarden (KDW) te brengen.

  • Bronmaatregelen gericht op stikstofreductie: Om een daling van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur te realiseren, heeft het kabinet besloten tot een omvangrijk, evenwichtig en kosteneffectief pakket aan stikstofreducerende bronmaatregelen, gericht op het halen van de streefwaarde voor stikstofreductie.

  • Monitoring en bijsturing: Om te monitoren of de condities voor behoud en herstel van instandhouding worden behaald, het maatregelenpakket voldoende effectief is en het maatregelenpakket of de streefwaarde bijstelling behoeven, wordt een monitorings- en bijsturingssystematiek ingericht.

  • Uitwerking van gebiedsgerichte aanpak en regelgeving: Voor de vastlegging en uitvoering van de structurele aanpak worden afspraken met de provincies gemaakt en indien nodig in wet- en regelgeving uitgewerkt of aangepast. Een belangrijke stap is reeds gezet met het inmiddels in werking getreden stikstofregistratiesysteem.

Voortgang aanpak stikstofproblematiek

Mei 2019:

De Raad van State oordeelt: het Programma Aanpak Stikstof (PAS) is in strijd met de Europese Habitatrichtlijn en mag niet meer gebruikt worden voor vergunningverlening

Sept 2019:

Vergunningverlening komt weer deels op gang

Okt 2019:

Kabinetsreactie: advies «Niet alles kan» (Adviescollege Stikstofproblematiek)

Okt 2019:

Het kabinet reserveert € 500 miljoen voor stikstofproblematiek.

Nov 2019:

Het kabinet kondigt bronmaatregelen aan om, op korte termijn (maart 2020), woningbouw en zeven MIRT-projecten te realiseren.

Dec 2019:

Voortgang stikstofproblematiek: structurele aanpak

Feb 2020:

Kabinetsreactie: advies «Beweiden en bemesten» (Adviescollege Stikstofproblematiek)

Feb 2020:

Nieuwe (bron)maatregelen (eerste pakket landbouw) om gebiedsgerichte aanpak verdere impuls te geven

Feb 2020:

Eerste pakket natuur en aankondiging natuurbank

Mrt 2020:

Openstelling stikstofregistratiesysteem

→ Voorjaar 2020:

Structurele aanpak stikstof: aanpak natuurbehoud en -herstel, volgende bronmaatregelen in betrokken sectoren, vaststellen van een streefwaarde voor 2030, monitoring- en bijsturingssystematiek en afspraken over uitvoering

→ Voorjaar 2020:

Kabinetsreactie: advies «Luchtvaart» (Adviescollege Stikstofproblematiek)

Voor zomer 2020:

Kabinetsreactie: advies «Lange termijn» (Adviescollege Stikstofproblematiek)

Zomer 2020:

Eerste resultaten doorlichting Natura 2000-gebieden

Zomer 2020:

Voortgang Grondbank en instrumenten voor landinrichting

Maatregelen gericht op natuurversterking

Het kabinet geeft een stevige impuls aan het natuurbeleid door voor de periode 2021–2030 jaarlijks een bedrag te investeren in het versterken en intensiveren van het natuurbeleid dat binnen enkele jaren oploopt naar langjarig € 300 miljoen per jaar. Met deze impuls zet het kabinet een belangrijke stap op weg naar het behalen van de doelstellingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR-doelbereik). De additionele middelen vormen een aanvulling op de € 125 miljoen die reeds beschikbaar zijn gesteld voor de op te richten Natuurbank en de additionele € 125 miljoen voor een regeling voor natuurbehoud en -herstel (Kamerstuk 35 334, nr. 48). Deze financiële afspraken worden vastgelegd in een herziening van het Natuurpact. De investeringen zullen in belangrijke mate gebiedsspecifiek moeten plaatsvinden om erop toe te zien dat in elk gebied de meest effectieve (herstel)maatregelen worden genomen. Deze uitwerking zal plaatsvinden binnen het gezamenlijk programma Natuur van Rijk en provincies, in samenspraak met andere overheden, natuurbeheerders en maatschappelijke partners. Dit programma bouwt voort op het ambitiedocument Nederland Natuurpositief van Rijk en provincies (Kamerstuk 33 576, nr. 168) en zal ook nieuwe afspraken over de samenwerking tussen Rijk en provincies bevatten.

Met de middelen uit de investeringsimpuls zullen versneld maatregelen worden genomen om de negatieve gevolgen van overmatige stikstofdepositie op de natuurkwaliteit te verminderen en de natuur en biodiversiteit te verbeteren. Daarbij gaat het onder andere om versnelling en intensivering van herstelmaatregelen, het verbeteren van hydrologie in en rondom natuurgebieden, het verhogen van de natuurbeheervergoeding, het versneld verwerven en inrichten van gronden ten behoeve van het Natuurnetwerk Nederland en aanplant van nieuw bos ter compensatie van bomenkap als gevolg van Natura 2000-beheerplannen. Hierbij wordt aansluiting met de bossenstrategie gezocht. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft het ecologische effect van de investeringsimpuls doorgerekend in de als bijlage bij deze brief meegestuurde quick-scan1. Het PBL stelt dat het beoogde pakket een logische en effectieve mix van maatregelen is voor de middellange termijn, met naar verwachting een extra positief effect op het VHR-doelbereik. Wel is het van belang dat de maatregelen in samenhang worden genomen, willen ze optimaal effect sorteren en voldoende ruimte opleveren voor regionaal maatwerk. In de gebiedsprocessen zal hier verder invulling aan worden gegeven, waarbij ook de verbinding met andere maatschappelijke opgaven zoals de energietransitie wordt gelegd.

Met de investeringsimpuls voor de structurele aanpak geeft het kabinet ook invulling aan de motie-De Groot c.s. (Kamerstuk 35 347, nr. 61) waarin wordt gevraagd om «een juridisch houdbaar, effectief en geloofwaardig pakket van praktische herstelmaatregelen voor het daadwerkelijk realiseren van de afgesproken instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden» en de motie-Moorlag (Kamerstuk 35 347, nr. 53), die vraagt om «een aanvullend langjarig pakket aan natuurherstelmaatregelen». Ook zal in het programma Natuur en met de investeringsimpuls invulling worden gegeven aan de motie-De Groot, die vraagt om «in overleg met de provincies te komen tot aanvullende beleidsinstrumenten die zich richten op een basiskwaliteit voor natuur zodat algemene soorten algemeen blijven» (Kamerstuk 28 286, nr. 1048).

Bij de uitvoering van de maatregelen gericht op natuurversterking heeft het kabinet een robuust en realistisch natuurbeleid voor ogen. Robuust, door het creëren van condities waardoor de natuur tegen een stootje kan. Bovengenoemde maatregelen dragen hier aan bij. En realistisch, door scherp te blijven kijken of natuurdoelen wel haalbaar zijn en of de regels daar wel bij passen. De doorlichting Natura 2000 die is aangekondigd in de Kamerbrief van 13 november jongstleden en die rond de zomer rapportages zal opleveren, moet mede in dat perspectief worden beschouwd. Aanvullend heb ik aan het RIVM gevraagd om het verschil tussen biogene en androgene factoren nader in kaart te brengen. Deze kennis geeft meer inzicht in de factoren die de staat van instandhouding beïnvloeden.

Natuurinclusieve ruimtelijke inrichting

Naast de inzet op natuurbehoud en -herstel en stikstofreductie kan ook een andere inrichting van de ruimte bijdragen aan condities voor een gunstige – of waar dat nog niet mogelijk is – verbeterde landelijke staat van instandhouding. Daarbij gaat het vooral om natuur te vermengen met bestaande functies, bijvoorbeeld in de vorm van agrarisch natuurbeheer door boeren, zonneparken gecombineerd met natuurontwikkeling of natuurinclusieve woningbouwontwikkeling, zodat er leefgebieden voor soorten ontstaan. Juist door landbouw en natuur met elkaar in harmonie te brengen, is er perspectief voor zowel natuur als een toekomstvaste landbouw. Het belang van een meer natuurinclusieve ruimtelijke inrichting valt ook vaak samen met andere maatschappelijke opgaves waaronder waterveiligheid, de energietransitie en klimaatbestendigheid. De natuur die op deze manier ontstaat, zal niet als Natura 2000-gebied worden aangewezen of leiden tot uitbreiding van bestaande Natura 2000-gebieden.

In de brief van 16 december jl. heeft het kabinet aangekondigd dat er een gezamenlijk programma Natuur komt tussen Rijk en provincies, dat voortbouwt op de gezamenlijke natuurambitie Nederland Natuurpositief (Kamerstuk 35 334, nr. 25). Naast inzet op natuurherstel en -verbetering is in de nadere uitwerking van dit programma aandacht voor een meer natuurinclusieve ruimtelijke inrichting.

Het kabinet heeft ook besloten tot het uitvoeren van een ruimtelijke verkenning stikstof en maakt voor het einde van 2020 inzichtelijk hoe hier invulling aan kan worden gegeven. In deze verkenning zal worden gekeken met welke ruimtelijke ingrepen tot meer natuurinclusief areaal gekomen zou kunnen worden om op die manier bij te dragen aan een gunstige staat van instandhouding. Tevens wordt bezien wat dit eventueel vraagt aan aanvullende ruimtelijke, juridische en financiële instrumenten. Daarbij zullen de uitkomsten van de doorlichting Natura 2000 betrokken worden. De uitkomsten van deze ruimtelijke verkenning worden betrokken bij het eerder genoemde programma Natuur.

Aanvullend wordt vanuit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), waarin ook natuur, landschap en biodiversiteit als opgaven worden meegewogen, gewerkt aan de ontwikkeling van een integraal programma voor het landelijk gebied. De ruimtelijke verkenning stikstof, waarin naar de mogelijkheden voor realisatie van natuurinclusief areaal wordt gekeken, vormt ook hiervoor een belangrijke bouwsteen. Binnen het NOVI-programma landelijk gebied zal, samen met andere overheden, worden verkend hoe een actiever grondbeleid vorm kan krijgen en wat er aan gebiedsgerichte en mogelijk bovenprovinciale aanpak nodig is om de aankoop, ruil en afwaardering van grond ten behoeve van natuur en (extensieve) landbouw te kunnen bekostigen. Het stimuleren en mogelijk initiëren van (regionale) grondbanken kan hierin wellicht een belangrijke rol vervullen. Verder zal worden verkend in hoeverre het huidige landinrichtingsinstrumentarium in de Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG)/Omgevingswet voldoende mogelijkheden biedt voor een effectieve uitvoering voor zowel de langetermijnaanpak stikstof als de opgaven in de NOVI.

Stikstofreductie: streefwaarde, bronmaatregelen en ontwikkelreserve

Het kabinet kiest voor een structurele aanpak stikstof met als hoofddoel het realiseren van een gunstige of – waar dat nog niet mogelijk is – een verbeterde landelijke staat van instandhouding (SVI) van stikstofgevoelige soorten en habitats onder de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Om die ambitie en opgave voor stikstofreductie richting te geven, kiest het kabinet voor een streefwaarde: in 2030 dient ten minste 50 procent van de hectares met stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarden (KDW) te zijn gebracht. Hiermee wordt een robuust aantal hectares onder de KDW gebracht en wordt ook substantiële stikstofreductie bereikt op overige stikstofgevoelige hectares waar de overschrijding van de KDW in 2030 naar verwachting nog niet zal worden voorkomen.

Om de streefwaarde te realiseren, is een stikstofdepositiereductie van gemiddeld 255 mol/ha/jr2 in 2030 nodig. Een aanzienlijk deel hiervan, circa 120 mol/ha/jr wordt in 2030 bereikt als gevolg van onder andere eerder vastgesteld beleid gericht op stikstofreductie in de landbouw, mobiliteit, industrie en energie. Ook dragen de maatregelen uit het Klimaatakkoord voor circa 25 mol/ha/jr bij aan de realisatie van de streefwaarde. De resterende opgave bedraagt circa 110 mol/ha/jr in 2030. Het kabinet werkt met een bandbreedte van 100–120 mol/ha/jr om voldoende rekening te houden met onzekerheden en de invloed van externe factoren. Om deze resterende opgave te realiseren, neemt het kabinet een omvangrijk en breed pakket aan bronmaatregelen, waarvan de afzonderlijke maatregelen bij elkaar optellen tot circa 103–180 mol/ha/jr in 2030. Het uiteindelijke resultaat is afhankelijk van de implementatie van de maatregelen. Dit pakket aan maatregelen dekt de resterende reductieopgave. Zo wordt, conform de streefwaarde, meer dan de helft van de hectares met stikstofgevoelige natuur onder de KDW gebracht en ook op andere gebieden een reductie gerealiseerd. Daarmee ontstaat meer ruimte voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen. De bronmaatregelen die nu worden genomen, zijn doorgerekend door PBL en RIVM. Het huidige pakket bronmaatregelen is verdeeld over sectoren, kosteneffectief, heeft effect op regio’s waar knelpunten zijn en wordt in samenhang met het Klimaatakkoord genomen. Het kabinet heeft daarnaast, in het licht van de coronacrisis, scherp gekeken naar de omvang, timing en financiering van deze maatregelen. Voor het effect van de bronmaatregelen in Natura 2000-gebieden wordt verwezen naar de website van het RIVM.

Het structurele pakket legt het fundament voor het op structurele basis mogelijk maken van toestemmingverlening. Om toestemmingsverlening ook mogelijk te maken in hectares waar de overschrijding van de KDW tot aan 2030 niet wordt weggenomen, zal op een andere wijze ruimte moeten worden gezocht voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Het kabinet heeft in de afgelopen periode een aantal concrete stappen gezet om toestemmingsverlening mogelijk te maken, waaronder intern of extern salderen, en zet op korte termijn een aantal aanvullende stappen. Deze stappen staan nader toegelicht in de paragraaf «Uitbreiden van mogelijkheden voor vergunningverlening». In aanvulling hier op stelt het kabinet een ontwikkelreserve in van minimaal 20 mol/ha/jr voor nationale belangen waarvoor op basis van bovenstaande systematiek geen ruimte beschikbaar is. Omdat het maatregelenpakket dat het kabinet nu neemt geleidelijk effect zal hebben wordt de ontwikkelreserve ingezet voor nationale belangen, bijvoorbeeld voor het mogelijk maken van projecten in de infrastructuur, waterveiligheid, woningbouw, defensie of ten behoeve van de energietransitie. Het gebruik van deze ontwikkelreserve is afhankelijk van de natuurkenmerken van een bepaald gebied, waardoor maatregelen uit de reserve verschillend kunnen uitpakken. De gebiedsgerichte aanpak biedt structuur voor de afweging van deze belangen en het gesprek tussen Rijk en provincies. In deze ontwikkelreserve wordt 11 mol gemarkeerd voor het legaal houden van meldingen (Kamerstuk 35 334, nr. 25). Ik ga nader in op deze meldingen in de paragraaf «Landbouw».

Om het effect van het bronmaatregelenpakket te maximaliseren, voor zowel de natuur als voor de ontwikkelreserve, is het van belang dat de bronmaatregelen zo slim en efficiënt mogelijk worden ingezet. Op die manier kan een ontwikkelreserve in omvang toenemen en is daarmee een stimulans voor partijen om gezamenlijk de maatregelen zo effectief mogelijk uit te voeren om economische en maatschappelijke activiteiten mogelijk te maken. Met zorgvuldige monitoring en tijdige bijsturing borgt het kabinet dat de inzet van bronmaatregelen zo efficiënt mogelijk is en voorziet in het realiseren van de streefwaarde. De borging en beslissingen hierover zijn verantwoordelijkheden van het Rijk. De inzet van de bronmaatregelen en het maximaliseren van het effect vraagt binnen de gebiedsgerichte aanpak gecoördineerde inzet en besluitvorming van het Rijk en de provincies. Hierin worden nationale, regionale en bovenregionale belangen behartigd. In de paragraaf «gebiedsgerichte aanpak» ga ik hier nader op in. Hieronder is een toelichting op het pakket bronmaatregelen per sector weergegeven. Voor een overzicht van deze bronmaatregelen verwijs ik u naar bijlage 2.

Industrie en energie

Op grond van de Europese Richtlijn Industriële emissies zijn vergunningplichtige industriële installaties verplicht te investeren in de zogeheten Best Beschikbare Techniek (BBT). Deze normering heeft ertoe geleid dat de industriële stikstofemissies de afgelopen decennia met tweederde zijn afgenomen. Het kabinet zet de BBT-aanpak de komende jaren voort. Dat vergt omvangrijke investeringen door de industrie. Het PBL verwacht in de sector industrie en energie een verdere reductie van stikstofemissie van 27 procent tot 2030 ten opzichte van 2018. De sectoren industrie en energie staan ook voor grote investeringen om de CO2-uitstoot te reduceren in het kader van het Klimaatakkoord en het Urgenda-arrest. Deze CO2-maatregelen leveren ook een stikstofreductie op. Na 2030 zullen vanwege de klimaatdoelen procestechnologieën in de industrie naar verwachting fundamenteel veranderen, waarbij de resterende stikstofuitstoot versneld zal afnemen.

Op basis van een verkennende studie door TNO naar de mogelijkheden in de aanpassing van de BBT-aanpak en een quick-scan in de sector industrie zijn de volgende extra maatregelen geïdentificeerd. Samen met de sector en in samenhang met de uitwerking van het Schone Lucht Akkoord, onderzoekt het kabinet welke mogelijkheden er zijn om de BBT-aanpak verder te optimaliseren, met als doel aanvullende kosteneffectieve stikstofreductie te realiseren. Verder zet het kabinet in op het realiseren van additionele stikstofreductie bij piekbelasters. Tot slot heeft het kabinet in de tweede helft van 2019 besloten tot een subsidiestop voor pelletkachels en biomassaketels binnen de ISDE-regeling (Kamerstuk 30 175, nr. 339 en 31 239, nr. 306). Deze maatregel heeft een positief effect op de reductie van stikstofdepositie.

Landbouw

Het kabinet heeft uw Kamer op 7 februari jl. geïnformeerd over een maatregelenpakket voor de landbouw (Kamerstuk 35 334, nr. 44). Het kabinet biedt daarmee perspectief voor de vele boeren die willen blijven boeren en helpt boeren die willen stoppen. Deze maatregelen leveren stikstofwinst op en dragen tegelijk bij aan andere doelen zoals de klimaatopgave en het beter benutten van waardevolle grondstoffen. De maatregelen stimuleren daarmee de omslag naar kringlooplandbouw of emissiearme landbouw en dragen bij aan het in harmonie komen van landbouw en natuur. Het pakket bestaat uit diverse maatregelen en ondersteunt de boeren bij de keuzes die zij willen maken, passend bij hun specifieke bedrijf en specifieke situatie. Samen met boeren wil ik inzetten op het bevorderen van beschikbaarheid van landbouwgrond in de melkveehouderij, investeringen in stallen in de veehouderij, aanpassen van het veevoer, vergroten van weidegang in de melkveehouderij, dan wel het emissiearm uitrijden van mest, waarbij maatregelen bij voorkeur een positief en in ieder geval geen negatief effect hebben op diergezondheid, dierenwelzijn, volksgezondheid en afzetbelangen. Voor boeren die willen stoppen, komt er een landelijke beëindigingsregeling.

Nederland heeft boeren harder nodig dan ooit om te helpen met het oplossen van de stikstofproblematiek. Maar de boer kan het niet alleen, ook ketenpartijen zoals veevoerbedrijven, slachterijen en marktpartijen zullen een bijdrage moeten leveren. De maatregen kunnen alleen slagen als de boer de nodige investeringen kan opbrengen en terugverdienen. Daarvoor is het cruciaal dat er voldoende afzetmogelijkheden voor duurzaam geproduceerd voedsel zijn. Dat vergt ook een forse beweging van afzetkanalen en consumenten in de goede richting. Alleen dan kunnen boeren economisch gezond werken, een goed inkomen verdienen en waardering krijgen voor hun werk.

Veel boeren werken door middel van een integrale bedrijfsvoering al aan het verlagen van de stikstofdepositie, bijvoorbeeld in de biologische sector. Daarom wil ik in aanvulling op de maatregelen in deze brief ook met de sector de mogelijkheden onderzoeken voor een systeem van input- en outputsturing, waarbij boeren worden gestimuleerd in samenhang met de andere opgaven de stikstofdepositie te verminderen. Op bedrijfs- en sectorniveau worden daarmee ondernemerschap en innovatiekracht van boeren aangesproken, om met gerichte managementmaatregelen de nodige resultaten te bereiken.

Voor het succes van de maatregelen is het belangrijk dat er voldoende inzicht en duidelijkheid is bij de boer, zodat deze een goede keuze kan maken, die ook voor de lange termijn perspectief biedt. Zoals eerder aangegeven, zal ik de komende periode samen met provincies regiobijeenkomsten organiseren, om met boeren in gesprek te gaan, de verschillende mogelijkheden te bespreken, hen te begeleiden bij deze keuzes en hen te helpen om de juiste financiële regelingen en instrumenten in te zetten. De groene hogescholen en WUR ontwikkelen samen een opleidingsaanbod voor boeren, tuinders en bedrijfscoaches op het terrein van stikstof. Boeren en tuinders krijgen vouchers waarmee zij deze cursussen kunnen financieren en waarmee zij tevens begeleiding kunnen inkopen door onafhankelijke bedrijfscoaches.

Extern salderen met veehouderijbedrijven

Met deze maatregelen wil ik samen met boeren en ketenpartijen werken aan een gezonde landbouwsector die in harmonie is met de natuur. De landbouwsector is onmisbaar voor een vitaal platteland in Nederland. Daarvoor is voldoende ontwikkelruimte voor de landbouw nodig. Het opkopen van veehouderijbedrijven vanwege de stikstofruimte, mag niet leiden tot een ongerichte en ongecontroleerde uitkoop van het platteland. Hierover worden door de provincies gesprekken met de stakeholders gevoerd. Ik ben voornemens om met de provincies af te spreken dat bij extern salderen een initiatiefnemer (zowel publiek als privaat) zich vooraf meldt bij de provincie over een voorgenomen aankoop. Zo kunnen provincies op transparante wijze een aankoop afwegen in het licht van de gebiedsgerichte aanpak. Bovendien wordt met de provincies besproken of, en zo ja hoe, de gebiedsplannen op termijn het afwegingskader gaan vormen op basis waarvan een bevoegd gezag in het kader van de gebiedsgerichte aanpak een vergunningaanvraag met extern salderen kan toekennen of afwijzen.

Ik bespreek met de provincies ook hoe ongewenste effecten zoals leegstand voorkomen kunnen worden, bijvoorbeeld door sloop of herbestemming als voorwaarde voor extern salderen te stellen. Ik wil, net als de provincies, ook het speculatief opkopen van stikstofruimte voorkomen. Daartoe is in de provinciale beleidsregels opgenomen dat een directe samenhang dient te bestaan tussen het intrekken van de vergunning van de saldogever en de vergunningaanvraag van de saldo-ontvanger. Bovendien is in de provinciale beleidsregels, de saldo-ontvanger gebonden aan een realisatietermijn van drie jaar. Deze afspraken zijn voorwaardelijk om extern salderen open te stellen met veehouderijbedrijven.

Ik vind het belangrijk om vrijvallende stikstofruimte, die ontstaat omdat bij extern salderen niet alle ruimte benut zal worden door de saldo-ontvanger, zo efficiënt mogelijk in te zetten. Daartoe werk ik de mogelijkheid uit om vrijvallende ruimte bij extern salderen ook in te zetten voor het legaal houden van de meldingen. Ook werk ik aan een structureel systeem om deze vrijvallende stikstofruimte op hexagoon-niveau efficiënt in te zetten, bijvoorbeeld via een depositiebank die voor alle sectoren, waaronder de landbouw, beschikbaar is.

De bevoegd instanties zijn voornemens om maandelijks de effecten van extern salderen onderling te bespreken en waar nodig bij te sturen, waarbij wordt gekeken in welke mate de ongewenste effecten zich voordoen en te bezien hoe extern salderen past binnen de gebiedsgerichte aanpak. Indien er tijdens deze maandelijkse gesprekken duidelijk wordt dat er sprake is van significante ongewenste effecten, zal ik ingrijpen. Na een half jaar maken provincies en ik een tussenbalans op en sturen waar nodig bij. Bovendien wordt de regeling om te beginnen voor één jaar opengesteld, waarna op basis van een grondige evaluatie van de omvang en de effecten wordt besloten of de regeling wordt verlengd.

Mocht uit de regionale stakeholdergesprekken blijken dat er, in aanvulling op de voorgenomen beheersmaatregelen, een brede behoefte bestaat aan aanvullende waarborgen, dan zal ik met de provincies afspraken maken over aanvullende maatregelen. Voor de zomer maak ik, samen met de bevoegde instanties, duidelijk op welke manier en op welk moment extern salderen met veebedrijven wordt opengesteld.

Beweiden/bemesten en legaal houden van meldingen

Om onzekerheid rondom beweiden en bemesten en voor melders zoveel mogelijk weg te nemen, is het mijn inzet en die van de provincies om beweiden en bemesten niet vergunningplichtig te maken. Voor een goede bedrijfsvoering zijn beweiden en bemesten noodzakelijk. Deze lijn zullen wij inbrengen in de verschillende procedures die de komende maanden zullen plaatsvinden. Rijk en provincies hebben afgesproken voorlopig niet actief te zullen handhaven.

Zoals eerder aangegeven stelt het kabinet een ontwikkelreserve in. Het gebruik van deze ontwikkelreserve is afhankelijk van de natuurkenmerken van een bepaald gebied waardoor maatregelen uit de reserve verschillend kunnen uitpakken. In deze ontwikkelreserve wordt 11 mol gemarkeerd voor het legaal houden van meldingen. De eerste stap in de legalisatie is het verifiëren of de toenmalig ingevoerde gegevens nog juist zijn: dat is in gang gezet. In totaal zijn er 3637 meldingen ingediend met een totale indicatieve depositiebijdrage van gemiddeld 11 mol/ha/jr. Voor de formele legalisatie dienen weliswaar de effecten van de te nemen bronmaatregelen vast te staan, maar dit is niet belemmerend voor de voortgang van de activiteiten. Het kabinet heeft al aangegeven (Kamerstuk 35 334, nr. 25), gegeven het traject van legalisatie, handhavingsverzoeken te zullen afwijzen. Vanwege de natuurkenmerken van gebieden kan voor sommige meldingen gelden dat legalisatie met deze ontwikkelreserve niet mogelijk is. In die gevallen zal maatwerk worden geboden binnen de gebiedsgerichte aanpak om, zoveel mogelijk, meldingen legaal te houden. De overige activiteiten die waren vrijgesteld van vergunningverlening op basis van het PAS zijn niet meegenomen in de ontwikkelreserve. De benodigde ruimte hiervoor wordt voor het einde van het jaar in kaart gebracht. Dit is een complex proces, omdat deze activiteiten niet bekend zijn bij het bevoegd gezag (ze hoefden immers geen vergunning aan te vragen of zich te melden). Daarna zal worden bezien wat een passende oplossing is voor deze activiteiten.

Mobiliteit en bouw

In het wegverkeer (zowel personen- als vrachtverkeer) zal een daling plaatsvinden als gevolg van de verdere aanscherping van Europese emissienormen voor nieuwe voertuigen en doordat oudere meer vervuilende voertuigen (geleidelijk) vervangen worden door nieuwere schonere voertuigen. De stikstofemissies binnen de sector mobiliteit zullen naar verwachting van het PBL, in 2030 op basis van ingezet beleid met circa een derde afnemen. In de sector mobiliteit worden bronmaatregelen voor stikstofreductie genomen in de scheepvaart en elektrisch taxiën. Daarnaast wordt voorzien in gerichte handhaving van defecte en gemanipuleerde AdBlue systemen van vrachtwagens.

In de bouwsector worden de komende drie jaar gebiedsgerichte pilots met zero emissie mobiele werktuigen uitgevoerd. Deze pilots kunnen worden ingezet bij bouwprojecten, waaronder woningbouw, utiliteitsbouw en GWW-projecten in stedelijk gebied en nabij Natura 2000-gebieden, om ze doorgang te laten vinden. De mate waarin de inzet en opschaling van nul-emissie werktuigen verder zal worden bevorderd en omvang van stikstofmiddelen die daarvoor beschikbaar worden gesteld, zal op een later tijdstip worden bepaald op basis van de uitkomsten van de pilots.

Zoals besloten is in november 2019 komt de ruimte die toen beschikbaar kwam uit de snelheidsverlaging, de maatregel veevoer en warme sanering van varkenshouderij beschikbaar voor de woningbouw en de zeven MIRT-projecten. Ook is er generiek ruimte in de ontwikkelreserve voor ontwikkelingen van nationaal belang, waaronder woningbouw beschikbaar. In de woondealgebieden ligt een belangrijke woningbouwopgave. Deze kan knellen met de beschikbare stikstofruimte. In ieder geval in Zuid- en Noord-Holland is kwetsbare natuur en tegelijk een flinke woningbouwopgave. Met gebiedsgerichte maatregelen kan naar verwachting veel worden opgelost. Voor eventuele resterende specifieke vraagstukken kan additioneel beroep op de ontwikkelreserve nodig zijn of zal overleg moeten plaatsvinden op nationaal niveau om eventuele andere financiële of niet financiële oplossingen te verkennen. Vanzelfsprekend zal hierbij een integrale afweging moeten plaatsvinden. Het kabinet treedt in overleg met de bouwsector om samen de mogelijkheden voor deze sector te bespreken, knelpunten te inventariseren en mogelijkheden voor oplossingen te verkennen.

Financiële dekking van de maatregelen

Hieronder is het overzicht van de middelen voor de maatregelen gericht op natuurbehoud en -herstel en voor bronmaatregelen gericht op reductie van stikstofdepositie weergegeven.

Het nieuwe maatregelenpakket telt op tot ca. € 5,1 miljard in de periode tot en met 2030. De middelen voor de maatregelen zijn gereserveerd op de Aanvullende Post van het Ministerie van Financiën om de doeltreffendheid en doelmatigheid van de uitgaven te bevorderen. Na de uitwerking van de maatregelen worden de middelen naar de desbetreffende begrotingen overgeheveld. Het besluit over het nieuwe maatregelenpakket is integraal onderdeel van de voorjaarsbesluitvorming. Voor de budgettaire inpassing en dekking verwijs ik uw Kamer daarom naar de Voorjaarsnota.

Bedragen in € miljoen

Nieuwe bronmaatregelen

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Cum.

Natuurpakket

 

200

250

300

300

300

300

300

300

300

300

2.850

Tweede verhoging subsidieregeling sanering varkenshouderijen

75

200

                 

275

Landelijke beëindigingsmaatregel

 

100

700

200

             

1.000

Verlagen ruw eiwitgehalte veevoer

10

21

21

21

             

73

Vergroten aantal uren weidegang

1

1

0,5

0,5

             

3

Verdunnen mest

 

21

42

42

             

105

Stalmaatregelen

     

35

35

35

35

35

35

35

35

280

Maatwerk piekbelasters industrie

 

20

                 

20

Verkenning aanpassing BBT

                     

0

Retrofit binnenvaart

4

12

14

16

16

5

4

4

2

2

 

79

Stimuleren elektrisch taxiën

       

7

1

1

1

     

10

Gerichte handhaving Adblue

 

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2

20

Walstroom zeevaart

 

4

6

2

             

12

Omschakelfonds

10

65

50

50

             

175

Mestverwerking

 

2

2

2

2

2

1

1

1

1

1

15

Innovatie Bouw

5

10

10

               

25

Handhaving ter ondersteuning van pakket

2

4

6

8

10

10

10

10

10

10

10

90

Begroting programma DG Stikstof (incl RIVM/PBL)

18

20

7

7

7

4

3

3

3

3

3

78

SUBTOTAAL

125

682

1111

685

379

359

356

356

353

353

351

5.1081

X Noot
1

Enkele cumulatieve bedragen wijken af vanwege afronding.

Bedragen in € miljoen

Reeds aangekondigde maatregelen

                       

Natuurpakket: Natuurbank

PM

PM

                 

1251

Natuurpakket: regeling natuurherstel

PM

PM

                 

1252

Eerste verhoging varkenshouderij

60

                   

60

Subsidie brongerichte verduurzaming

5

15

17

18

19

48

10

10

10

10

10

172

Effect subsidiestop ISDE

                       

Gerichte uitkoop piekbelasters rond N2000-gebieden

100

100

150

               

350

SUBTOTAAL

415

115

167

18

19

48

10

10

10

10

10

832

TOTAAL

                     

5.940

X Noot
1

Enkele cumulatieve bedragen wijken af vanwege afronding.

X Noot
2

Het jaar waarin de middelen voor de Natuurbank worden ingezet, is afhankelijk van het moment dat de natuurbank is ingesteld. De middelen voor de regeling natuurherstel worden in 2020 en 2021 aangewend.

Gebiedsgerichte aanpak

De structurele aanpak werkt door in provincies en wordt voor een deel gebiedsgericht ingevuld. Deze gebiedsgerichte aanpak bestaat, naast maatregelen om de natuur te herstellen, uit: 1) nationale stikstofreductiemaatregelen die het Rijk neemt en gebiedsgericht worden geïmplementeerd en 2) maatregelen die decentrale overheden nemen om stikstofreductie in regio’s te realiseren. Het is van belang dat deze beide soorten maatregelen binnen de gebiedsgerichte aanpak zo worden ingezet dat deze optimaal uitwerken op de verbetering van de natuur in een bepaald gebied. Het pakket aan nationale bronmaatregelen kan per gebied anders uitpakken. Dat maakt dat de gebiedsgerichte aanpak maatwerk is. In een ander deel van de gebieden zal, ondanks dat ook in die gebieden de stikstofbelasting zal afnemen, naar verwachting stikstof nog wel de beperkende factor blijven voor de instandhoudingsdoelen en zullen knelpunten de komende periode blijven bestaan. In die gevallen zullen de provincies zelf waar mogelijk aanvullende maatregelen moeten nemen om ruimte te creëren voor vergunningverlening. Met de provincies en andere overheden bespreek ik wat dit maatregelenpakket voor de verschillende gebieden betekent. In alle provincies is inmiddels een plan van aanpak vastgesteld voor de gebiedsgerichte aanpak. Het Rijk wil samen met de provincies komen tot bestuurlijke afspraken voor de gebiedsgerichte aanpak en deze afspraken voor de zomer formaliseren. Hierin worden ook afspraken gemaakt over de reikwijdte en aansturing van de gebiedsgerichte aanpak om zo de voortgang te bewaken. Via de verschillende bestuurlijke overleggen met de medeoverheden laat ik mij ook informeren over de voortgang en eventuele knelpunten in de voortgang van de gebiedsprocessen als gevolg van de coronacrisis.

Monitoring en bijsturing

Een essentieel onderdeel van de structurele aanpak is de uitwerking van een passende monitorings- en bijsturingssystematiek. De structurele aanpak met een streefwaarde voor stikstofreductie in 2030 vereist een continue inspanning, ook daarna. Voor een doorkijk naar 2050 en verder worden de stikstofeffecten daarom nauwkeurig bijgehouden om zo te kunnen bepalen welke inspanningen op termijn nodig zijn. Het kabinet kiest voor een systematiek op gebiedsniveau ten behoeve van natuurkwaliteit en stikstofdepositie die aansluit bij de reeds bestaande Europese rapportageverplichting over de landelijke staat van instandhouding. Deze gebiedspecifieke monitoring versterkt de juridische houdbaarheid van de structurele aanpak, omdat hiermee gericht monitoring en bijsturing plaats kan vinden op de inspanning om de instandhoudingsdoelen per Natura 2000-gebieden te realiseren.

De monitoringssystematiek behelst een jaarlijkse monitoring van de omvang van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden en indien nodig een tweejaarlijkse bijstelling op het niveau van bronmaatregelen. In aanvulling hierop zal elke zes jaar, op basis van de rapportering over de landelijke staat van instandhouding en, indien mogelijk, voortgang op de gebiedspecifieke instandhoudingsdoelen worden bepaald of bijsturing noodzakelijk is. Daarbij gaat het om mogelijke aanpassing van de streefwaarde, de opgave ten aanzien van reductie van stikstofdepositie, het pakket aan bronmaatregelen of de inzet op natuurbeheer en -kwaliteit. Indien de doorlichting Natura 2000 leidt tot aanpassing van de Natura 2000-gebieden, zal de monitoring betrekking hebben op de aangepaste (indeling van de) gebieden. Gegeven de rol van provincies als verantwoordelijk bestuursniveau voor natuurbeleid, zal nadere uitwerking van de monitorings- en bijsturingssystematiek in nauw overleg met hen plaatsvinden.

Verankering in wet- en regelgeving

Het kabinet kiest ervoor om de volgende drie elementen in regelgeving op te nemen: de streefwaarde, de verplichting tot het treffen van een pakket aan bronmaatregelen en de monitorings- en bijsturingssystematiek. Het stellen van een streefwaarde en een robuust en geloofwaardig pakket van maatregelen en een adequaat systeem van monitoring en bijsturing, evenals duidelijke verankering, is van belang voor de juridische houdbaarheid van de structurele aanpak en daarmee oplossing van het stikstofvraagstuk. De streefwaarde in 2030 is een nationale tussendoelstelling en geen internationaal opgelegde norm. Deze zal op passende wijze in regelgeving worden opgenomen, waarbij juridische gevolgen in ogenschouw zullen worden genomen.

Bij de verdere verankering zal het stelsel zo worden vormgegeven dat er voldoende ruimte is om bij te sturen en in te kunnen spelen op onder andere effecten van klimaatverandering, de effectiviteit en mogelijke interferentie van maatregelen. Dit is mede gegeven de relatief lange tijdshorizon (2020–2030) wenselijk. Bij de vervolgkeuze over het stelsel waarin deze elementen worden vastgelegd zal een goede balans tussen robuustheid en flexibiliteit leidend zijn.

Ruimte voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen

De structurele aanpak stikstof legt het fundament om toestemmingverlening voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Daarnaast heeft het kabinet de afgelopen periode in een aantal concrete stappen de ruimte voor toestemmingsverlening vergroot en zet op korte termijn een aantal aanvullende stappen.

Bestaande mogelijkheden voor vergunningverlening

Eerder dit jaar heb ik u laten weten dat het sinds 24 maart jl. mogelijk is om vergunningaanvragen in te dienen voor woningbouw- en MIRT-projecten die gebruik wensen te maken van depositieruimte in het stikstofregistratiesysteem (Kamerstuk 35 334, nr. 72). Daarnaast kan toestemming worden verleend voor projecten als met een ecologische onderbouwing wordt aangetoond dat deze niet leiden tot aantasting van de natuurkenmerken van een Natura 2000-gebied. In gevallen waarbij er sprake is van groot openbaar belang en waarbij schade aan de natuur wordt gecompenseerd kunnen initiatiefnemers een vergunning aanvragen middels een ADC-toets als er geen alternatieven zijn. Bovendien kunnen initiatiefnemers een vergunningaanvraag doen met een beroep op intern salderen, waarbij binnen het eigen project stikstofreducerende maatregelen worden genomen die ervoor zorgen dat de stikstofdepositie in totaal niet toeneemt. Ook is er de mogelijkheid van extern salderen, waarbij initiatiefnemers een bedrijf kunnen opkopen van een ondernemer die stopt (met uitzondering van veehouderij) en dat op dezelfde locaties als het project van de initiatiefnemer tenminste een even grote depositie veroorzaakt, waarvan 70 procent van de stikstofemissie mag worden overgenomen3. Uit de uitvoeringspraktijk blijkt dat op projectbasis de bevoegde gezagen waar dat verantwoord is, de mogelijkheden benutten van de ruimte die er is binnen de vergunningverlening, en ze breiden dit uit waar de uitvoeringspraktijk daar om vraagt.

Uitbreiden van mogelijkheden voor vergunningverlening

Het kabinet is zich er van bewust dat niet alle economische en maatschappelijke ambities gerealiseerd kunnen worden en dat de aanwezige stikstofruimte en mogelijkheden voor vergunningverlening afhankelijk zijn van het specifieke project en regionale omstandigheden. De uitwerking van de gebiedsgerichte aanpak zal moeten uitwijzen in welke mate er op regionaal niveau ruimte ontstaat voor vergunningverlening. Het kabinet blijft aandacht houden voor het uitbreiden van de mogelijkheden voor vergunningverlening. Verleasen van stikstofruimte hoort binnenkort tot de mogelijkheden. Hierdoor kan aan activiteiten met een tijdelijke en relatief beperkte stikstofdepositie een vergunning worden verleend (Kamerstuk 35 334, nr. 44). Zoals hierboven toegelicht wordt daar bovenop voor opgaven van nationaal belang, een ontwikkelreserve ingesteld.

Ruimte voor projecten met kleine tijdelijke stikstofdeposities

Een externe werkgroep van deskundigen heeft een onderzoek uitgevoerd naar verschillende varianten om projecten met tijdelijke kleine stikstofdeposities mogelijk te maken. Op basis hiervan kijkt het kabinet naar de mogelijkheden voor een regeling waarmee projecten die bijdragen aan stikstofreductie worden vrijgesteld van een vergunningsplicht. Het kabinet kijkt in het bijzonder naar een programma voor duurzame energieprojecten. Voor de zomer moet duidelijk worden of zo’n programma ecologisch kan worden onderbouwd en juridisch houdbaar is. Voor het onderzoek verwijs ik u naar de website: www.aanpakstikstof.nl.

Eind vorig jaar heeft het kabinet ook aangegeven te kiezen voor een regionale drempelwaarde en dat het, samen met de provincies, de mogelijkheden zal verkennen of en wanneer met een regionale drempelwaarde kan worden gewerkt. Bij gebieden die onder de KDW zitten, of door het pakket hieronder komen, ziet het kabinet hiervoor de eerste mogelijkheden. Gebiedsgericht zal aanvullend inzichtelijk worden gemaakt waar instandhoudingsdoelstellingen worden gehaald en daarmee verdere mogelijkheden liggen voor de invoering van een drempelwaarde. Per gebied zullen de mogelijkheden verschillen en zal de invoering van een drempelwaarde regelmatig ook aanvullende maatregelen vragen. Naar aanleiding van het onderzoek, zal bij deze verkenning ook worden gekeken naar de mogelijkheden voor een regeling voor activiteiten met een kleine of tijdelijke depositie die structureel niet tot aantasting van natuurwaarden zal leiden.

Tot slot

Met de stappen die in deze brief zijn aangekondigd, neemt het kabinet de noodzakelijke stappen om het stikstofvraagstuk structureel aan te pakken. Deze structurele aanpak bevat een omvangrijk, evenwichtig en kosteneffectief pakket investeringen en maatregelen gericht op stikstofreductie en natuurherstel, waardoor ruimte ontstaat voor onder meer woningbouw, infrastructuur, defensie, waterveiligheid en de energietransitie. Bij de uitwerking van het pakket betrek ik stakeholders. Om hier structureel vorm aan te geven, richt ik een Klankbordgroep Stikstof in waarin met betrokken sectoren gesproken zal worden over de aanpak. Het kabinet is zich daarbij van bewust dat het stikstofvraagstuk blijvend aandacht vraagt. Om adequaat te kunnen inspelen op ontwikkelingen en de komende jaren een toekomstbestendige aanpak te borgen, heeft het kabinet het Adviescollege Stikstofproblematiek gevraagd om een advies met het oog op de lange termijn uit te brengen (Kamerstuk 32 670, nr. 164). In aanvulling daarop laat het kabinet een aantal verkenningen uitvoeren naar onder andere de ruimtelijke dimensie van het stikstofvraagstuk, de potentie van aanvullende of aangepaste vormen van normering en beprijzing en een aantal toekomstbeelden voor de lange termijn. De inzichten uit deze verkenningen, evenals uit het advies van het Adviescollege Stikstofproblematiek, zullen waardevolle handvatten bieden om de komende jaren de structurele aanpak zo nodig bij te stellen en te verfijnen.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

Bijlage 1: Schematische weergave van de structurele aanpak

Bijlage 2: Overzicht nieuwe (bron)maatregelen en toelichting per maatregel

De potentiële stikstofreductie van dit maatregelenpakket is gebaseerd op een doorrekening van PBL in samenwerking met TNO, CE-Delft en RIVM. Betrokken departementen hebben als basis fiches opgesteld waarin mogelijke maatregelen staan beschreven. In veel gevallen bevatten deze fiches verschillende opties voor wat betreft de implementatie en punten die nadere uitwerking vragen. PBL, TNO en CE-Delft hebben de fiches in combinatie met hun eigen sectorkennis vertaald in een potentiële emissiereductie per maatregel. Ten behoeve van de doorrekening is veelal uitgegaan van een gemiddelde bedrijfssituatie. De daadwerkelijke investeringen, kosten en stikstofreductie per bedrijf kunnen in de praktijk dan ook sterk afwijken van de getallen die als gemiddelde worden gepresenteerd. Vanwege de aanwezige onzekerheid leidde de doorrekening van enkele maatregelen tot een bandbreedte. RIVM heeft per maatregel een omrekenfactor vastgesteld waarmee de emissiereductie kan worden vertaald in een depositie-effect. RIVM heeft ook een eerste verkenning gedaan van de ruimtelijke effecten van maatregelen. Voor maatregelen met een bandbreedte is steeds uitgegaan van het midden van die bandbreedte. Deze inzichten leverden de basis voor de besluitvorming over het maatregelenpakket.

Het kabinet is zich ervan bewust dat dit pakket maatregelen bevat die verdere uitwerking vragen. Mede daarom is voor een aantal maatregelen besloten om de veronderstelde opbrengst naar beneden bij te stellen (zie overzicht per maatregel hieronder). Daarmee is marge ingebouwd voor tegenvallende resultaten en is ruimte gecreëerd voor verschillende implementatieroutes. Benadrukt wordt dat de door PBL gepubliceerde doorrekening geen blauwdruk is voor het stikstofbeleid van de komende jaren, maar inzicht biedt in de aannames die zijn gedaan om doorrekening van potentiële maatregelen mogelijk te maken. De daadwerkelijke opbrengst van het maatregelenpakket is afhankelijk van implementatie in de praktijk en zal de komende jaren nauwlettend in de gaten worden gehouden via de te ontwikkelen monitorings- en bijsturingssystematiek.

Voor de effecten van de maatregelen in 2030 heeft een actualisatie van de doorberekening door PBL plaatsgevonden. De doorrekening van het effect aan bronmaatregelen voor 2021 en 2022 door PBL, in samenwerking met TNO, CE-Delft en RIVM, dateren van voor de coronacrisis. Het PBL geeft aan met name terughoudendheid te betrachten bij de interpretatie van de effecten voor de eerstvolgende jaren. Het kabinet erkent deze onzekerheid. Terughoudendheid is ook vereist bij de interpretatie van de depositiekaarten die het RIVM heeft gepubliceerd, waarbij eveneens geldt dat de onzekerheden als gevolg van de coronacrisis groter zijn in de eerstkomende jaren.

Voor een nadere toelichting verwijs ik u naar de uitkomsten op de websites van PBL en RIVM.

 

Nieuwe bronmaatregelen

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Cum.

1

Natuurpakket

 

200

250

300

300

300

300

300

300

300

300

2.850

2

Tweede verhoging subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv)

75

200

                 

275

3

Landelijke beëindigingsmaatregel

 

100

700

200

             

1.000

4

Verlagen ruw eiwitgehalte veevoer

10

21

21

21

             

73

5

Vergroten aantal uren weidegang

1

1

0,5

0,5

             

3

6

Verdunnen mest

 

21

42

42

             

105

7

Stalmaatregelen

     

35

35

35

35

35

35

35

35

280

8

Maatwerk piekbelasters industrie

 

20

                 

20

9

Verkenning aanpassing BBT

                     

0

10

Retrofit binnenvaart

4

12

14

16

16

5

4

4

2

2

 

79

11

Stimuleren elektrisch taxiën

       

7

1

1

1

     

10

12

Gerichte handhaving Adblue

 

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2

20

13

Walstroom zeevaart

 

4

6

2

             

12

14

Omschakelfonds

10

65

50

50

             

175

15

Mestverwerking

 

2

2

2

2

2

1

1

1

1

1

15

16

Innovatie Bouw

5

10

10

               

25

17

Handhaving ter ondersteuning van pakket

2

4

6

8

10

10

10

10

10

10

10

90

18

Begroting programma DG Stikstof (incl RIVM/PBL)

18

20

7

7

7

4

3

3

3

3

3

78

 

SUBTOTAAL

125

682

1111

685

379

359

356

356

353

353

351

5.1081

X Noot
1

Enkele cumulatieve bedragen wijken af vanwege afronding

Toelichting per maatregel

1. Maatregelen natuurpakket

Het natuurpakket betreft een langjarige aanpak gericht op het verminderen van de negatieve gevolgen van overmatige stikstofdepositie op de natuurkwaliteit en het verbeteren van de natuur en biodiversiteit. Belangrijke componenten uit het programma zijn onder andere het versnellen van diverse herstelmaatregelen als gevolg van stikstofdepositie, het versneld verwerven en inrichten van gronden ten behoeve van het Natuurnetwerk Nederland en het verbeteren van waterkwaliteit en -kwantiteit in natuurgebieden. Ook zal er geld beschikbaar worden gesteld voor het realiseren van ecologische verbindingen en het verhogen van de riviernatuur, in combinatie met verbetering van de waterveiligheid. Tevens wordt ingezet op compensatie van bos dat gekapt is ten behoeve van het realiseren van andere natuur (vaak stuifzand en heide) vanwege Natura 2000-doelen. De uitvoering van de maatregelen zal gebiedsgericht worden uitgevoerd en betreft een gemeenschappelijke inspanning van Rijk en provincies, in samenspraak met andere overheden, natuurbeheerders en maatschappelijke organisaties.

2. Tweede verhoging subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv)

In de brief van 7 februari 2020 (Kamerstuk 35 334 nr. 44) heeft het kabinet toegezegd aanvragen die zijn ontvangen in het kader van de Srv te zullen honoreren, mits deze aan de gestelde vereisten voldoen. Op basis van de beoordeling door RVO is vastgesteld dat daar € 275 miljoen additioneel budget voor nodig is. Dit budget is in de Voorjaarsnota ingepast. Daarmee kan het kabinet aan deze toezegging tegemoet te komen. De stikstofreductie van de eerste en tweede verhoging van de subsidieregeling sanering varkenshouderijen is door PBL geraamd op 8,5 mol/ha/jaar in 2030. Daarvan is in de stikstofbrief van 13 november 2019 2,8 mol/ha/jaar toegezegd ten behoeve van vergunningverlening voor woningbouw en MIRT-projecten in 2020.

3. Landelijke beëindigingsregeling

De generieke beëindigingsregeling veehouderijen gaat toezien op het verminderen van depositie van stikstof op Natura2000-gebieden door een subsidie te verlenen voor het definitief en onherroepelijk sluiten van veehouderij-productielocaties. De inzet is dat rangschikking van subsidieaanvragen plaatsvindt op basis van de omvang van de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden, vast te stellen met Aerius 4. De locatie met de hoogste depositie komt daarbij als eerste in aanmerking voor een subsidie. Er wordt geen afstandscriterium tot Natura 2000-gebieden beoogd, de hoogte van de depositie op een Natura 2000-gebied is bepalend voor de positie in de rangschikking, de afstand tot een Natura 2000-gebied is daarmee slechts indirect van belang. Er geldt een ondergrens van depositie (in mol/ha) als drempelwaarde. Dit om te voorkomen dat subsidie wordt verstrekt voor sluiting van een locatie met een (relatief) lage depositie – wat niet kostenefficiënt zou zijn.

Een dergelijke regeling is staatssteungevoelig en zal door de Europese Commissie (EC) moeten worden goedgekeurd. Op dit moment vinden gesprekken plaats met de EC over de randvoorwaarden voor de regeling om zo de contouren van een dergelijke regeling vast te kunnen stellen, rekening houdend met de staatssteunkaders. In het meest ambitieuze scenario is de regeling er dit jaar, vierde kwartaal, en wordt begin 2021 dan opengesteld. Voor de landelijke beëindigingsregeling is een budget van € 1 miljard gereserveerd. PBL rekent hier in haar doorrekening een potentiële stikstofreductie van 31,7 mol/ha/jaar in 2030 aan toe.

4. Verlagen ruw eiwitgehalte veevoer

Het kabinet heeft al eerder besloten om in 2020 in te zetten op stikstofreductie door aanpassing van het veevoer. Dit is nodig voor de woningbouw en MIRT-projecten. Om de stikstofruimte in te kunnen zetten voor andere projecten, is het nodig dat de reductie geborgd is en in het stikstofregistratiesysteem kan worden opgenomen. In het diervoederspoor wordt momenteel gewerkt aan een ministeriële regeling waarbij maxima worden gesteld aan het ruw eiwitgehalte in mengvoer (en mogelijk ander krachtvoer) dat een melkveehouder gebruikt. Deze regeling is noodzakelijk om de stikstofreductie via het diervoederspoor in het stikstofregistratiesysteem te kunnen opnemen. Het voornemen is het concept van deze regeling, overeenkomstig artikel 10.10, tweede lid, van de Wet dieren, eind deze maand bij het parlement voor te hangen. Omdat deze concept-regeling ook nog in Brussel zal moeten worden genotificeerd en dientengevolge gedurende een periode van drie maanden niet kan worden vastgesteld, zal deze regeling naar verwachting per 1 september 2020 in werking kunnen treden. Ten aanzien van de precieze normstelling zal voorafgaand aan de inwerkingtreding een weegmoment plaatsvinden. Daarbij kijk ik goed wat redelijkerwijs verwacht kan worden van een veehouder, rekening houdend met verschillende omstandigheden. Omdat krachtvoer en ruwvoer gezamenlijk het eiwitgehalte bepalen van het rantsoen van melkvee zal ik daarbij ook bezien hoe zich de ruwvoersituatie in Nederland in 2020 ontwikkelt.

Voor de jaren na 2020 zal worden ingezet op een met de sector overeen te komen afsprakenkader, gericht op voermanagementmaatregelen ter verdunning van de stikstofdeken. Voor de implementatie van veevoermaatregelen is de komende jaren € 73 miljoen beschikbaar. Een deel van dat geld zal worden ingezet voor coaches. Deze coaches werken integraal en zullen naast veevoer ook ondersteuning bieden bij implementatie van andere bronmaatregelen. PBL komt in haar doorrekening tot een potentiële stikstofreductie van 36–67 mol/ha/jaar in 2030. Omdat dit getal de nodige onzekerheid kent is deze maatregel in dit maatregelpakket meegerekend met een bandbreedte van 14,4–63,4 mol/ha/jaar5 (daarbij is ook rekening gehouden met de toezegging in de brief van 13 november 2019 dat 3,6 mol/ha/jr van de opbrengst ten behoeve van de vergunningverlening voor woningbouw en MIRT-projecten komt). Dit biedt de komende jaren flexibiliteit om in overleg met de sector tot een aangescherpt, maar ook werkbaar voerregime te komen.

5. Vergroten aantal uren weidegang

Het vergroten van weidegang is een brede maatschappelijke wens en levert een bijdrage aan de reductie van ammoniakemissie. Meer weidegang is alleen mogelijk bij een gezamenlijke inzet van bedrijfsleven en overheid. De inzet is gericht op uitbreiding van het gemiddelde aantal uren weidegang per jaar. Op dit moment is het gemiddelde aantal uren weidegang voor een weidende koe 1.648 uur per jaar (2018). De ambitie van het kabinet is een uitbreiding van dit aantal uren weidegang met 125 uren in 2021 en 250 uren vanaf 2022. Om dit te realiseren wordt ingezet op een mix van instrumenten, zoals voorlichting aan melkveehouders over beweiden en graslandmanagement, een campagne om vroeger in het jaar te beweiden, het opleiden en begeleiden van weidecoaches, accreditatie van controlerende instanties, het versterken van onderwijs gericht op «grasland en beweiden» via het Groene onderwijs en het faciliteren van (bij)scholingsinitiatieven. Hiervoor is de komende jaren € 3 miljoen beschikbaar. Daarnaast treed ik in overleg met provincies over de mogelijkheden om, bijvoorbeeld via kavelruil, de gebiedsprocessen en de inzet van subsidiemogelijkheden weidegang verder te onderzoeken. PBL rekent aan deze maatregel een potentiële stikstofreductie van 1,5–3,7 mol/ha/jaar in 2030 toe. Omdat ook deze maatregel de nodige onzekerheid kent is ook hier gekozen om een grotere bandbreedte toe te passen (0,8–3,7 mol/ha/jaar)6.

6. Verdunnen mest

Het toedienen van drijfmest aan grasland op zandgrond vindt voor het grootste deel plaats met de zodenbemester. Hiermee wordt, vergeleken met oppervlakkige toediening, al een belangrijke reductie van de ammoniakemissie bereikt. Verdere reductie is mogelijk door de mest beperkt te verdunnen in de verhouding van 1 deel water op 2 delen mest. Ervaring met de mestverdunning is al opgedaan op grasland op klei- en veengronden, waar drijfmest via de sleepvoet wordt toegediend. Op met name zandgronden wordt de toepasbaarheid echter beperkt door de beschikbaarheid van (oppervlakte)water. Het kabinet heeft daarom het voornemen om bedrijven te stimuleren regenwater op te vangen van staldaken en erf om daarmee mest te kunnen verdunnen. Het kabinet bereidt een investeringssubsidieregeling voor waarvoor een budget van ca. 100 miljoen wordt gereserveerd in de periode 2021 t/m 2023. Hiermee worden 40% van de investeringskosten vergoed. Tevens wil het kabinet nader bezien hoe verdunning in de praktijk daadwerkelijk doorgang zal vinden, zodra de bedrijven die het betreft voldoende gelegenheid hebben om te kunnen voorzien in de beschikbaarheid van water. Hiervoor moeten aanpassingen worden gedaan in de regelgeving in het mestuitrijsysteem, maar mede door de positieve ervaringen en met de investeringssubsidie gaat het kabinet er van uit dat de beoogde emissiereductie haalbaar is. Bovendien wordt op dit moment een innovatieprogramma mestaanwending voorbereid waarin wegen verkend, ontwikkeld en getest moeten worden om de emissies die gepaard gaan met mestaanwending op de (middel)lange termijn verder te kunnen reduceren. PBL rekent voor deze maatregel met een potentiële stikstofreductie van 4,6–9,2 mol/ha/jaar. Ook deze maatregel kent de nodige onzekerheid. Daarom is opnieuw gekozen voor een grotere bandbreedte (2,3–9,2 mol/ha/jaar) in 20307.

7. Stalmaatregelen

De komende periode zal de Subsidieregeling brongerichte verduurzaming (Sbv) ondersteuning bieden aan innovatie en eerste investeringen in nieuwe staltechniek. Daarnaast heb ik aan de Commissie Deskundigen Meststoffenwet om een advies gevraagd over de effectiviteit van emissiearme stallen naar aanleiding van het CBS-rapport over gasvormige stikstofverliezen. Op basis van een sectoranalyse van de perspectieven van bestaande en nieuwe innovatieve technieken uit de Sbv kunnen dan uiterlijk eind 2023 per diergroep aangescherpte emissienormen voor ammoniak nieuwe stallen en geplande renovaties worden gesteld. Deze eisen zullen uiterlijk in 2025 voor alle relevante diergroepen zijn ingegaan. Voor bestaande stallen gaat dan een nader te bepalen overgangsperiode gelden, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijkheden van boeren. Boeren worden via subsidie ondersteund bij het doorvoeren van de benodigde aanpassingen. Voor subsidiëring is voor de periode 2023–2030 € 280 miljoen gereserveerd. Dit bedrag komt bovenop de € 172 miljoen die vanuit de klimaatenveloppe en de middelen voor de sanering en verduurzaming van de varkenshouderij al zijn gereserveerd voor de Sbv. Inzet is om normering zoveel mogelijk te laten aansluiten op de streefwaarden zoals die in de Sbv zijn opgenomen8. Naast een herziene normering op het gebied van ammoniak zet het kabinet in op een integrale verduurzaming van de veehouderij, waarbij onder andere de reductie van meerdere emissies (broeikasgassen, fijnstof) wordt nagestreefd). Zo worden boeren in staat gesteld om met één investering in een nieuwe stal een grote stap te zetten in de reductie van meerdere emissies en leveren ze een wezenlijke bijdrage aan de gezondheid van mens, dier en milieu. PBL heeft zich in haar doorrekening geconcentreerd op de melkvee- en varkenshouderij. In haar doorrekening voor 2030 komt PBL tot een potentiële stikstofreductie van 20–27 mol/ha/jaar (melkvee) en 10–14 mol/ha/jaar (varkens). Dit levert een bandbreedte van 30–41 mol/ha/jaar exclusief de potentiële reductie die kan worden bereikt via stalaanpassingen bij andere diergroepen.

8. Maatwerkaanpak Piekbelasters industrie

Deze maatregel voorziet in een subsidie op investeringen die boven de BBT-eisen uitgaan bij een beperkt aantal piekbelasters en die tot een substantiële, kosteneffectieve stikstofreductie leiden. Een eerste inventarisatie onder piekbelasters heeft in ieder geval één potentieel interessante casus opgeleverd. De komende tijd wordt verder verkend of het technisch haalbaar, kosteneffectief en op basis van de staatssteunkaders mogelijk is om op vrijwillige basis met maatwerk een extra significante stikstofreductie te realiseren bij enkele individuele piekbelasters. Op basis van een analyse van TNO heeft de maatregel theoretisch een potentieel aan stikstofreductie van 0–0,3 mol/ha/jr in 2030.

9. Verkenning aanpassing bestaande Best Beschikbare Technologie (BBT) aanpak

De wettelijke verplichte BBT aanpak is de afgelopen periode de basis geweest voor de emissiereducties in de industrie en draagt ook tot 2030 substantieel bij aan stikstofemissiereductie. De komende tijd wordt, in samenhang met de uitwerking van het Schone Lucht Akkoord, in samenspraak met de sector onderzocht welke mogelijkheden er zijn om de BBT aanpak verder te optimaliseren zodat aanvullende kosteneffectieve stikstofreductie kan worden gerealiseerd. Op basis van een verkennende studie van TNO heeft de maatregel een technisch potentieel aan stikstofdepositiereductie van 0–5 mol/ha/jr in 2030.

10. Retrofit binnenvaart-katalysatoren

De maatregel retrofit gaat uit van het plaatsen van SCR-katalysatoren op bestaande motoren van binnenvaartschepen om de stikstofuitstoot van de motor terug te brengen. Per schip kan hiermee een stikstofreductie van ruim 80% worden bereikt. Hiertoe wordt de subsidieregeling die wordt opgesteld in het kader van de Green Deal Zeevaart Binnenvaart en Havens uitgebreid. De verwachte kosten voor het Rijk bedragen 79 miljoen euro. In 2030 wordt hiermee naar verwachting 4,2 mol/ha/jr bespaard.

11. Stimuleren elektrisch taxiën

Door elektrisch taxiën hoeven vliegtuigen geen kerosine te gebruiken om van de landingsbanen naar de gates en van de gates naar de startbanen te rijden.

Daarnaast zorgt elektrisch taxiën bij aan de verbetering van de luchtkwaliteit op en rondom luchthavens en kleine vliegvelden. Op dit moment voert Schiphol een pilot uit. Het PBL geeft aan dat het technisch potentieel wordt geraamd op 0,4 mol/ha/jr in 2030, maar dat er nog geen zicht op de kosten en beleid dat nodig is om dit potentieel te ontsluiten. De maatregel is wel meegenomen in de bandbreedte.

12. Gerichte handhaving defecte en gemanipuleerde AdBlue systemen vrachtwagens

Deze maatregel voorziet erin dat de ILT drie zogenoemde snuffelbussen in gebruik kan nemen, waarmee jaarlijks naar schatting 15.000 vrachtauto’s (circa 10% van het park) gericht kunnen worden gecontroleerd op defecte en gemanipuleerde AdBlue systemen. Moderne vrachtwagens zijn voorzien van deze systemen om de uitstoot in de uitlaatgassen terug te dringen. Er zijn aanwijzingen dat bij 5 tot 10% van de moderne vrachtwagens het AdBlue systeem niet meer goed werkt of is gemanipuleerd om de kosten voor AdBlue en de kosten voor onderhoud en reparatie van het AdBlue systeem uit te sparen. Voor deze maatregel wordt 20 miljoen euro gereserveerd. Naar verwachting leidt dit tot een stikstofdepositiereductie van 2,0 mol/ha/jr in 2030.

13. Walstroom zeevaart

Deze maatregel is gericht op het realiseren van vijf walstroomvoorzieningen voor de zeevaart. Met subsidie kan de onrendabele top worden weggenomen. Hierbij wordt met name gedacht aan walstroomvoorzieningen in de Rotterdamse haven en in IJmuiden. De voorziene kosten voor het Rijk bedragen 12 miljoen euro. In 2030 is de verwachte depositiereductie 0,3 mol/ha/jr.

14. Omschakelfonds

Extensivering of omschakeling naar een andere bedrijfsvoering levert een belangrijke bijdrage aan stikstofreductie. Boeren die willen omschakelen lopen soms echter tegen financieringsproblemen op. In de Kamerbrief van 7 februari jl. heeft de Minister daarom aangekondigd dat er een omschakelfonds komt voor boeren die willen omschakelen. In de komende jaren wordt hiervoor € 175 miljoen beschikbaar gesteld. Het omschakelfonds zal bestaan uit twee sporen:

  • Het omschakelspoor richt zich op het tijdelijk verlichten van de kasstroom wanneer een bedrijf wil omschakelen naar een meer duurzame bedrijfsvoering.

  • Het investeringsspoor richt zich op het toegankelijker maken van investeringen in verduurzaming/omschakeling van bedrijfsvoering, processen, en ontwikkeling van producten en productconcepten.

Met het omschakelfonds wordt beoogd om de omschakeling financieel mogelijk te maken voor agrarische ondernemers die in het kader van stikstofreductie en op basis van een levensvatbaar duurzaam bedrijfsplan om willen schakelen naar duurzame landbouw, maar daarbij oplopen tegen financiële belemmeringen. Het PBL heeft de potentiële stikstofreductie vanuit het omschakelfonds nog niet doorgerekend. Een eerste ambtelijke inschatting van het effect in 2030 wordt geraamd op 3,5 mol/ha/jr in 2030. Dit effect is opgenomen in de geschatte bandbreedte van het maatregelenpakket.

15. Mestverwerking

Centrale mestverwerking kan een route zijn om ammoniakemissie naar de lucht te beperken. Mest wordt op een centrale locatie, waar emissies worden afgevangen, verwerkt tot hoogwaardige meststoffen. Deze meststoffen kunnen als kunstmestvervanger dienen en worden dan emissiearm toegediend, of worden geëxporteerd buiten de Nederlandse landbouw en afgezet in Noord West Europese akkerbouwgebieden. Hiermee zal de emissie van ammoniak uit dierlijke mest in Nederland worden beperkt. Daarnaast is mestverwerking noodzakelijk als de sector toe wil naar houderijsystemen waar de mest snel van het primaire bedrijf wordt afgevoerd, waardoor ammoniak niet kan ontstaan. Deze aanpak sluit aan bij de ideeën die vanuit de sector zijn aangeleverd in het kader van de herbezinning op het mestbeleid.

In het klimaatakkoord was reeds € 33 miljoen gereserveerd voor mestverwerking. De onderhavige middelen € 15 miljoen vanuit de stikstof-enveloppe zijn een top-up op deze regeling, die mestverwerking naar hoogwaardig kunstmestvervangers stimuleert. De regeling sluit aan op de inzet van het kabinet in de EU om dergelijke producten niet meer te zien als dierlijke mest in het kader van de Nitraatrichtlijn. De middelen zullen worden gebruikt voor een investeringssubsidieregeling, die een deel van de investering in dergelijke installaties subsidieert. Het budget is in de eerste jaren hoger en loopt naar het einde van de looptijd af. Door de regeling langjarig open te stellen wordt zekerheid gegeven aan ondernemers. PBL heeft de potentiële stikstofreductie vanuit mestverwerking nog niet doorgerekend.

16. Innovatieregeling verduurzaming mobiele werktuigen Bouwsector

Deze maatregel ziet toe op gebiedsgerichte pilots voor de komende drie jaar op het gebied van zero-emissie mobiele werktuigen. De pilots worden ingezet bij bouwprojecten, waaronder woningbouw, utiliteitsbouw en GWW-projecten in stedelijk gebied en nabij Natura 2000-gebieden, om ze doorgang te laten vinden. De mate waarin de inzet en opschaling van nul-emissie werktuigen verder zal worden bevorderd en omvang van stikstofmiddelen daarvoor beschikbaar gesteld zullen worden, wordt op een later tijdstip worden bepaald op basis van de uitkomsten van de pilots.


X Noot
1

Ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudelijke ondersteuning onder griffienr. 165120.11.

X Noot
2

Stikstofdeposities worden uitgedrukt in mol/ha/jr. Dit betreffen gemiddelde waarden. Welk effect dit heeft op een specifiek gebied, hangt af van zowel de uitwerking van de maatregelen als de natuurlijke kenmerken van een gebied en kan daarmee afwijken van het gemiddelde.

X Noot
3

Hierbij wordt uitgegaan van de vergunde en feitelijk gerealiseerde capaciteit, inclusief een generiek afromingspercentage van 30%.

X Noot
5

De minimale opbrengst in de bandbreedte van PBL is in het pakket met 50 procent gereduceerd.

X Noot
6

De minimale opbrengst in de bandbreedte van PBL is in het pakket met 50 procent gereduceerd.

X Noot
7

De minimale opbrengst in de bandbreedte van PBL is in het pakket met 50 procent gereduceerd.

X Noot
8

De Sbv bevat voor alle in de regeling opgenomen diergroepen per type emissie een minimale reductie die moet worden gehaald om voor subsidie in aanmerking te komen en een streefwaarde die dient als ambitieus richtpunt voor initiatiefnemers. Voor melkvee gaat het bijvoorbeeld om 50 procent (minimum) en 70 procent (streefwaarde) reductie van ammoniakemissie ten opzichte van een stal zonder enige technische aanpassing, voor varkens is dat 70 en 85 procent.