35 246 Wijziging van de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES en de Handelsregisterwet 2009 BES

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 6 november 2019

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag dat de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat over dit wetsvoorstel heeft uitgebracht. Ik dank de leden van de fracties voor de gestelde vragen. Graag ga ik op deze vragen in.

In het verslag hebben de leden van diverse fracties vragen gesteld over de onderdelen van het wetsvoorstel. Deze nota naar aanleiding van het verslag volgt vanzelfsprekend de indeling van het verslag. Voor de leesbaarheid en raadpleegbaarheid van de nota zijn de antwoorden op de vragen genummerd, aan de hand van de indeling van het verslag.

Ik hoop dat met deze nota naar aanleiding van het verslag de gestelde vragen naar tevredenheid zijn beantwoord. Ik hoop dat de beantwoording zal bijdragen aan een voorspoedige verdere behandeling van het wetsvoorstel.

INHOUDSOPGAVE

blz.

     

I.

Algemeen

2

1.

Doel en aanleiding

2

1.1.

Inleiding

2

1.2.

Aanleiding voor wetswijziging

2

1.3.

Verhouding tot het uitgangspunt van legislatieve terughoudendheid

3

2.

Huidige wetgeving

5

2.1.

Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES

5

2.2.

Handelsregisterwet 2009 BES

7

3.

Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

9

3.1.

Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES

9

3.2.

Handelsregisterwet 2009 BES

12

4.

Effecten van het wetsvoorstel

14

4.1.

Regeldruk voor burgers, bedrijven en instellingen

14

5.

Consultatie

15

I. Algemeen

1. Doel en aanleiding

1.1. Inleiding

1. De leden van de D66-fractie steunen het doel en de opzet van het wetsvoorstel. Echter, vragen zij de regering te reflecteren op het instrument «Kamer van Koophandel en Nijverheid» voor Europees Nederland en specifiek op de insulaire karakter van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Welke doelen worden met een Kamer van Koophandel en Nijverheid beoogt? Zou de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland deze taken ook kunnen uitvoeren? Tevens vragen deze leden wanneer het instrument «Kamer van Koophandel en Nijverheid» voor het laatst geëvalueerd is.

De doelen en taken van de Kamer van Koophandel en Nijverheid Bonaire en de Kamer van Koophandel en Nijverheid Sint Eustatius en Saba zijn de volgende:

  • het behartigen van de belangen van de handel en bedrijven in Caribisch Nederland;

  • het stimuleren van economische ontwikkelingen in Caribisch Nederland;

  • het verstrekken van informatie aan ondernemers over het oprichten en drijven van een onderneming, waaronder juridische en economische voorlichting;

  • het geven van adviezen of inlichtingen over aangelegenheden van ondernemerschap en bedrijvigheid aan het Bestuurscollege van het eiland of de eilanden waarbinnen zij gevestigd zijn;

  • het beheren van het handelsregister, waarin ondernemingen en rechtspersonen worden ingeschreven.

De afstand ten opzichte van Europees Nederland en het unieke insulaire karakter van Bonaire, Sint Eustatius en Saba zorgen ervoor dat het nodig is om in Caribisch Nederland eigen Kamers van Koophandel te hebben die los staan van de Kamer van Koophandel in Europees Nederland.

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO.nl) stimuleert als uitvoerende dienst van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (hierna: EZK) en in opdracht van overige ministeries ondernemers bijvoorbeeld door subsidies en financieringsregelingen. Een deel daarvan is ook beschikbaar voor Caribisch Nederland. De Kamers van Koophandel en Nijverheid en RVO.nl hebben ieder eigen taken en verantwoordelijkheden en trekken hierin, waar mogelijk, gezamenlijk op.

De Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES bevat geen evaluatiebepaling. De Kamers van Koophandel in Caribisch Nederland zijn niet geëvalueerd. In voorbereiding op deze wetswijziging is in opdracht van het Ministerie van EZK gesproken met de beide Kamers van Koophandel en andere betrokkenen. De doelen en taken voor de Kamers van Koophandel die hieruit naar voren kwamen, komen overeen met de hierboven genoemde doelen en taken. De knelpunten rondom de Kamers van Koophandel die uit deze gesprekken naar voren kwamen, zullen worden weggenomen door deze wetswijziging.

1.2. Aanleiding voor wetswijziging

2. De leden van de VVD-fractie lezen dat naar aanleiding van de knelpunten in het onderhavige wetsvoorstel in overleg met beide Kamers, openbare lichamen en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven op Bonaire, Sint Eustatius en Saba geïnventariseerd is welke knelpunten, wensen en mogelijke oplossingen er zijn. Deze leden zijn benieuwd of bij de vertegenwoordigers vanuit het bedrijfsleven ook verschillende soorten ondernemers zijn betrokken, waarbij onder andere ook ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb). Is dit inderdaad gebeurd? Zo nee, wat was de reden hiervoor? Is er een MKB-toets uitgevoerd voor dit wetsvoorstel?

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 van de leden van de D66-fractie, is er in voorbereiding op deze wetswijziging met verschillende betrokkenen gesproken. Hieronder waren ook vertegenwoordigers vanuit het midden- en kleinbedrijf (hierna: mkb).

Later is gedurende de internetconsultatie door vertegenwoordigers van het Ministerie van EZK wederom gesproken met verschillende vertegenwoordigers van het bedrijfsleven op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het merendeel van het bedrijfsleven op Caribisch Nederland bestaat uit mkb-ers, evenals de ondernemers die EZK heeft gesproken gedurende de internetconsultatie.

Er is voor deze wetswijziging geen gebruik gemaakt van een mkb-toets. Een mkb-toets wordt gebruikt om te toetsen bij een panel van ondernemers of nieuwe wetten en regels werkbaar zijn en of er geen nieuwe problemen en regeldruk ontstaan. Het uitvoeren van een mkb-toets voor deze wetswijziging is niet nodig geacht, omdat tijdens de internetconsultatie uitgebreid met vertegenwoordigers van het mkb is gesproken. Uit deze gesprekken is gebleken dat er geen nieuwe problemen zijn en kwam naar voren dat ook de regeldrukeffecten van deze wetswijziging voor het mkb beperkt zijn.

1.3. Verhouding tot het uitgangspunt van legislatieve terughoudendheid

3. De leden van de VVD-fractie lezen dat in de komende jaren rekening wordt gehouden met het absorptievermogen van de eilanden en dat terughoudendheid hierbij op zijn plaats is. Daarom heeft de regering besloten prioriteit te geven aan wetgeving die knelpunten wegneemt in de uitvoeringspraktijk van de eilanden. Heeft het kabinet hierbij oog voor een vermindering van regeldruk om knelpunten weg te nemen, in plaats van een vermeerdering van wet- en regelgeving en is dat wat bedoeld wordt met de legislatieve terughoudendheid?

Met het uitgangspunt van «legislatieve terughoudendheid» is bedoeld dat na de invoering van de nieuwe staatkundige structuur geen wetgevingsoperaties plaatsvinden met ingrijpende effecten voor het bestuur of de burger, maar alleen regelgeving wordt ingevoerd als daar een duidelijke noodzaak toe is. Het doel van deze legislatieve terughoudendheid is dat niet te veel in één keer moet veranderen in Caribisch Nederland en dat rekening moet worden gehouden met de absorptiecapaciteit van de eilanden.

Aanvankelijk gold dit uitgangspunt voor een periode van vijf jaar na de transitie. De uitwerking van de nieuwe staatkundige structuur is in 2015 geëvalueerd. In het kabinetsstandpunt over die evaluatie1 heeft het kabinet in 2016 aangegeven dat bij het treffen van (wettelijke) maatregelen ook in de komende jaren rekening zal worden gehouden met het absorptievermogen van de eilanden en dat terughoudendheid bij de invoering van nieuwe of gewijzigde wetgeving op zijn plaats is. Met de eilanden worden afspraken gemaakt over welke wetgeving wordt ingevoerd of aangepast, en wanneer. Daarbij zal prioriteit worden gegeven aan:

  • de wet- en regelgeving die voorziet in een basisbehoefte van de eilanden dan wel knelpunten wegneemt in de uitvoeringspraktijk van de eilanden,

  • de wet- en regelgeving die noodzakelijk is voor de in de kabinetsreactie beschreven maatregelen, en

  • het wegnemen van ongerechtvaardigde verschillen.

De legislatieve terughoudendheid is na deze evaluatie met andere woorden niet losgelaten.

Vervolgens heeft de Afdeling advisering van de Raad van State op 17 juli 2019 voorlichting gegeven over de bestaande vormgeving tussen Caribisch Nederland en Europees Nederland en de coördinerende rol van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.2 In de kabinetsreactie van 4 oktober 20193 op (onder meer) deze voorlichting is het uitgangspunt geformuleerd dat bij nieuwe wet- en regelgeving dan wel een aanpassing van bestaande wet- en regelgeving steeds moet worden bezien of en hoe deze wet- en regelgeving van toepassing kan worden verklaard in Caribisch Nederland, én of differentiatie nodig en wenselijk is. Het gaat hierbij zowel om differentiatie tussen Caribisch Nederland en Europees Nederland als om differentiatie tussen de eilanden onderling. Zowel bij nieuwe regelgeving als bij beleidsintensiveringen in Europees Nederland, moeten de eilanden nadrukkelijk worden betrokken. Het doel is zeker niet om alle regelgeving zonder meer van toepassing te verklaren op Caribisch Nederland. Soms zijn er goede redenen om dit juist niet te doen of om andere oplossingsrichtingen te zoeken. Het doel is het bereiken van een gelijkwaardig effect met als uitgangspunt een gelijkwaardig voorzieningenniveau binnen de mogelijkheden van de Caribische context.

Binnen deze kaders, en ook als onderdeel van deze kaders, heeft de regering uiteraard ook oog voor het verminderen van regeldruk in Caribisch Nederland, zoals daar ook oog voor is in het Europees deel van Nederland. Het kabinetsbeleid is om in een vroeg stadium van beleidsprocessen het integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving toe te passen. Daarbij worden onder meer de gevolgen van voorgestelde maatregelen, waaronder wetgeving, en van mogelijke alternatieven in beeld gebracht. Wanneer na toepassing wordt gekozen voor (wijzigingen in) wetgeving, moeten de gemaakte keuzes worden verantwoord in de memorie van toelichting bij een wetsvoorstel. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) beoordeelt de gevolgen voor de regeldruk.

Dit wetsvoorstel leidt tot een vermindering van de regeldruk. In de eerste plaats door de voorgestelde wijzigingen in de systematiek voor de verkiezingen van het bestuur van de Kamers van Koophandel en Nijverheid in Caribisch Nederland. De regels ten aanzien van de verkiezingen in dit wetsvoorstel zijn sterk vereenvoudigd ten opzichte van de huidige wetgeving. Gelet op het belang van deze verkiezingen, is het echter wel noodzakelijk de hoofdelementen daarvan wettelijk te regelen. Ik verwijs daarvoor naar het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over dit wetsvoorstel.4

Bij de wijziging van de Handelsregisterwet 2009 BES leidt met name de nieuw voorgestelde systematiek voor de heffing van de jaarlijkse bijdrage voor inschrijving in het handelsregister tot vereenvoudiging van de regelgeving. De voorgestelde systematiek is eenduidiger dan de huidige heffingssystematiek en zal naar verwachting tot gevolg hebben dat er minder discussie tussen ondernemers en de Kamers zal zijn over de indeling van een onderneming in een categorie. Zowel voor bedrijven als voor de Kamers zal de lastendruk hierdoor afnemen.

2. Huidige wetgeving

2.1. Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES

4. De leden van de VVD-fractie lezen dat één van de knelpunten de hoge administratieve lasten voor beide Kamers door de jaarlijkse en tussentijdse verkiezingen voor nieuwe bestuursleden is. Wat was toentertijd de motivatie achter de voorschrijvingen in de huidige wet om jaarlijks een derde deel van het bestuur te laten aftreden en gekozen te laten worden, en staat deze motivatie nog steeds centraal bij een eventuele wijziging van artikel 6, tweede lid, of ligt daar een nieuwe motivatie aan ten grondslag?

In de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba is bepaald welke Nederlands-Antilliaanse regelgeving in 2010 – zonder inhoudelijke aanpassingen – is omgevormd tot voor de openbare lichamen geldende Nederlandse regelgeving. In de bijlage bij die wet is aangegeven dat de Landsverordening op de Kamers van Koophandel en Nijverheid en de Handelsregisterverordening 2009 worden omgezet in de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES en de Handelsregisterwet 2009 BES, en daarmee de status van Nederlandse wetten krijgen. Voor deze landsverordeningen is – zoals voor vele landsverordeningen het geval is – geen toelichting voorhanden. Het is daarom niet duidelijk waarom destijds is gekozen om een derde van het bestuur jaarlijks te laten aftreden.

Belangrijkste aanleiding voor het kabinet voor de nieuw voorgestelde systematiek is het inperken van de administratieve lasten voor de Kamers, omdat de Kamers van Koophandel en Nijverheid de jaarlijkse verkiezingen als knelpunt ervaren en omdat de organisatie daarvan een groot beslag legt op de beschikbare capaciteit bij de Kamers. In deze systematiek vinden niet elk jaar, maar slechts eens in de drie jaar verkiezingen plaats. De kosten en andere lasten voor het organiseren van verkiezingen voor de Kamers worden hierdoor aanzienlijk lager.

5. De leden van de VVD-fractie vinden daarnaast het transparant financieel toezicht bij de Kamers van Koophandel en Nijverheid ook gewenst. Zij vragen waarom dit niet eerder in de wet is opgenomen. Wat was de gedachte achter de bepaling dat de Kamer zelf bij huishoudelijk reglement het comptabel toezicht regelt, gegeven het feit dat de Kamer toen ook al een publiek karakter had?

De regering deelt met de leden van de VVD-fractie het belang van een transparant financieel toezicht. Bij de aanvang van de nieuwe staatkundige positie van de drie eilanden in 2010 was het uitgangspunt dat de Nederlands-Antilliaanse regelgeving die daar tot de transitiedatum van kracht was, zal blijven gelden en dat Nederlandse regelgeving na de overgang geleidelijk zal worden ingevoerd.5

Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, is voor de landsverordeningen die zijn omgezet in de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES en de Handelsregisterwet 2009 BES geen toelichting voorhanden. Het is daarom niet bekend waarom destijds geen bepalingen over financieel toezicht in de landsverordeningen zijn opgenomen en wat de reden was om het comptabel toezicht door de Kamer zelf te laten regelen.

6. De leden van de CDA-fractie lezen over de (te wijzigen) Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES. Op welke punten verschilt deze wet met de Wet op de Kamer van Koophandel in het Europese deel van Nederland, bijvoorbeeld ten aanzien van bestuur, dienstverlening, financiering en toezicht?

Zowel de Kamers in Caribisch Nederland, als de Kamer van Koophandel in het Europese deel van Nederland (hierna: KVK) hebben tot taak het stimuleren van economische ontwikkelingen in hun gebied, en het geven van voorlichting op juridisch en economisch terrein ten aanzien van een gevestigde of nog te vestigen onderneming. De dienstverlening van de KVK in het Europese deel van Nederland is echter uitgebreider dan die van de Kamers van Koophandel en Nijverheid in Caribisch Nederland. Dit hangt samen met de schaalgrootte en de diversiteit van de economie.

De schaalgrootte van de Kamers van Koophandel en Nijverheid in Caribisch Nederland is, evenredig aan de omvang van de eilanden, veel kleiner. Om die reden is de organisatie eenvoudiger ingericht.

De Kamers in Caribisch Nederland zijn geen zelfstandig bestuursorgaan, maar een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES (een college met enig openbaar gezag bekleed). De Kamer op Bonaire heeft één vestiging, de gezamenlijke Kamer voor Sint Eustatius en Saba heeft op beide eilanden een vestiging. De leden van het bestuur van de Kamers van Koophandel en Nijverheid in Caribisch Nederland worden gekozen door de vertegenwoordigers van ondernemingen en rechtspersonen, met uitzondering van verenigingen en stichtingen, die in het handelsregister van de desbetreffende Kamer zijn ingeschreven.

De KVK in Europees Nederland is een zelfstandig bestuursorgaan met eigen rechtspersoonlijkheid, onder leiding van een Raad van Bestuur (hierna: het bestuur). Ingevolge artikel 12 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen benoemt de Minister van EZK de leden van het bestuur van de KVK. Dit gebeurt op voordracht van de KVK (artikel 7 van de Wet op de Kamer van Koophandel). De KVK in Europees Nederland heeft vijf werkgebieden (Noord, Oost, Noordwest, Zuidwest en Zuid), die elk een Regionale Raad hebben. De leden van deze Regionale Raden worden benoemd door de Raad van Bestuur. Daarnaast is er een Centrale Raad, waarvan de leden worden benoemd door de Minister van EZK. Zowel de Centrale Raad als de Regionale Raden hebben een zwaarwegende adviesfunctie aan de Raad van Bestuur. De KVK heeft naast het hoofdkantoor in Utrecht nog 18 andere regionale vestigingen.

De Kamers van Koophandel en Nijverheid in Caribisch Nederland worden voor het grootste deel gefinancierd door de jaarlijkse bijdrage die zij op grond van artikel 14 van de Handelsregisterwet 2009 BES van de in het handelsregister ingeschreven ondernemingen, rechtspersonen of nevenvestigingen innen. Daarnaast verkrijgen zij opbrengsten uit vergoedingen voor bij of krachtens de wet aan hen opgedragen taken, opbrengsten uit andere werkzaamheden en uit samenwerking met derden, en opbrengsten uit het heffen van gelden voor het gebruik van bij haar in beheer zijnde inrichtingen. Omdat deze baten vanwege de kleine schaal van de eilanden niet toereikend zijn voor het operationeel houden van de Kamer van Koophandel en Nijverheid voor Sint Eustatius en Saba, ontvangt deze Kamer in aanvulling hierop een subsidie vanuit de rijksbegroting.

De KVK in het Europese deel van Nederland int geen jaarlijkse bijdrage van de ingeschrevenen in het handelsregister. Wel verkrijgt zij opbrengsten uit vergoedingen voor bij of krachtens de wet aan haar opgedragen taken, en opbrengsten uit andere werkzaamheden en uit samenwerking met derden. Deze baten worden op grond van het zogeheten profijtbeginsel aangevuld met een jaarlijkse bijdrage vanuit de rijksbegroting.

In Caribisch Nederland houden de Bestuurscolleges in eerste instantie toezicht op de Kamers van Koophandel en Nijverheid. Een aantal besluiten van de Kamers is aan goedkeuring van het Bestuurscollege onderworpen (artikel 21 van de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES). De Bestuurscolleges zijn de dichtst bij de Kamers liggende bestuurslaag, en zij hebben de vereiste kennis voor dit toezicht op de Kamers. Voor Caribisch Nederland geldt verder, dat de Minister van EZK, via de Rijksvertegenwoordiger, politiek verantwoordelijk is voor een ordentelijk beheer van het handelsregister en de bedrijfsvoering van beide Kamers in Caribisch Nederland. De Minister van EZK kan besluiten die in strijd zijn met de wet of het algemeen belang schorsen of vernietigen. Bij ernstige nalatigheid in het naleven van de wettelijke verplichtingen van de Kamers, kan de Rijksvertegenwoordiger daarin voorzien.

De KVK in Europees Nederland is zelfstandig, maar de Minister van EZK (op dit moment vanwege portefeuilleverdeling de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat) is verantwoordelijk voor het beleid dat de KVK uitvoert en het toezicht daarop. Zo kan de Minister ingevolge de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen besluiten van de KVK vernietigen en kan de Minister in geval van taakverwaarlozing door de KVK de noodzakelijke voorzieningen treffen (de artikelen 22 en 23 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen).

2.2. Handelsregisterwet 2009 BES

7. De leden van de VVD-fractie lezen dat een van de knelpunten de huidige heffingssystematiek is, waarbij de hoogte van de jaarlijkse bijdrage afhangt van het in de onderneming aanwezige eigen vermogen in dat jaar. Op dit moment leidt de hoogte van dit eigen vermogen tot onduidelijkheden en discussies. Waar zitten die onduidelijkheden precies in? Kan de regering die specifieker maken? Daarnaast is de regering voornemens om de mutaties in de gegevens van het Handelsregister weg te nemen, om het register zo actueel mogelijk te houden. Dit mogen de Kamers in het wetsvoorstel zelf doorvoeren. Deze leden vragen zich af of de betrokken ingeschrevene ook op de hoogte wordt gesteld van de wijziging. Is dit inderdaad het geval? Zo nee, waarom niet?

De hoogte van de jaarlijkse bijdrage wordt in de huidige wet vastgesteld op basis van het eigen vermogen. Dit kan leiden tot onduidelijkheden doordat het eigen vermogen van bedrijven van jaar tot jaar kan verschillen. Bovendien geldt er geen verplichting om het eigen vermogen (jaarlijks) op te geven bij de Kamer van Koophandel en Nijverheid. Daarnaast zijn er ondernemers die moeite hebben met het vaststellen van de hoogte van het eigen vermogen. De nieuw voorgestelde systematiek beoogt een einde te maken aan deze onduidelijkheid.

Ingevolge het huidige artikel 9 van de Handelsregisterwet 2009 BES is de Kamer ambtshalve bevoegd om wijzigingen in gegevens over ondernemingen of rechtspersonen in het handelsregister in te schrijven, indien die wijziging al op een andere plaats in het handelsregister is ingeschreven. Het wetsvoorstel voegt daar een grondslag aan toe om bij algemene maatregel van bestuur te regelen dat de Kamer ambtshalve bevoegd is om wijzigingen in te schrijven, waarvan de Kamer op andere wijze kennis heeft gekregen (voorgesteld artikel 9, tweede lid, van de Handelsregisterwet 2009 BES). Dat kan bijvoorbeeld wanneer de Kamer van andere overheidsinstanties recente en betrouwbare gegevens ontvangt over één of meer inschrijvingen in het handelsregister. Zo blijft de informatie in het handelsregister actueel en betrouwbaar. Anders dan de leden van de VVD-fractie veronderstellen, kunnen de Kamers dit niet zelf doorvoeren op basis van het wetsvoorstel. Wel zou in een algemene maatregel van bestuur – het Handelsregisterbesluit 2009 BES – in deze mogelijkheid kunnen worden voorzien. Indien aan deze grondslag invulling wordt gegeven, moeten daarbij de gegevens worden aangewezen die de Kamers ambtshalve kunnen inschrijven.

Het wetsvoorstel bepaalt dat de Kamer van een ambtshalve wijziging van de gegevens onverwijld schriftelijk mededeling doet aan de betrokken ingeschrevene (voorgesteld artikel 9, vierde lid, van de Handelsregisterwet 2009 BES).

8. De leden van de CDA-fractie lezen over de (te wijzigen) Handelsregisterwet 2009 BES. Op welke punten verschilt deze wet met de Handelsregisterwet 2007 in het Europese deel van Nederland, bijvoorbeeld ten aanzien van de toepassing van het databankenrecht en privacy (waaronder het afschermen van woonadressen voor niet-geautoriseerde instanties)?

Beide wetten bevatten bepalingen omtrent de verplichte inschrijving in het handelsregister bij de Kamers van Koophandel. Vanwege het verschil in schaalgrootte is de Handelsregisterwet 2007 voor Europees Nederland uitgebreider dan de Handelsregisterwet 2009 BES. In de onlangs gewijzigde Handelsregisterwet 2007 is het voorbehoud van het databankenrecht expliciet neergelegd. Aanleiding hiertoe was het door bepaalde afnemers in bulk en systematisch doorleveren van niet-verrijkte gegevens uit het handelsregister, om deze vervolgens tegen betaling aan te bieden als zijnde KVK-handelsregistergegevens, hetgeen schadelijk is voor de rechtszekerheid in het handelsverkeer. Omdat in Caribisch Nederland deze problematiek niet speelt, is dit voorbehoud niet expliciet neergelegd in de Handelsregisterwet 2009 BES. Dit betekent overigens niet dat de Kamers het databankenrecht niet hebben. Het ontstaat namelijk van rechtswege, wanneer de producent van de databank risicodragende investeringen heeft gedaan in de ontwikkeling en het beheer van de databank, in dit geval het handelsregister. Dit is bij de Kamers het geval.

De woonadressen van natuurlijke personen, waaraan een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid toebehoort, zijn op dit moment zowel in Europees Nederland als in Caribisch Nederland openbaar. De reden hiervoor is, dat deze ondernemers persoonlijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen van de onderneming, en fysiek moeten kunnen worden getraceerd. In Europees Nederland worden deze ondernemers met behulp van dit gegeven veelvuldig door bedrijven benaderd voor ongevraagde direct marketing activiteiten, zonder dat deze bedrijven daarvoor toestemming hebben verkregen, of een andere rechtsgeldige grond daartoe hebben. Omdat dit leidt tot ergernissen bij betrokkenen, en vragen met betrekking tot de privacy, zal ik, zoals ik eerder heb aangekondigd, uitvoering geven aan de motie van de leden Amhaouch (CDA) en Wörsdörfer (VVD), waarin zij de regering verzoeken om van natuurlijke personen bij ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid het woonadres af te schermen voor niet geautoriseerde organisaties.6 Op dit moment wordt lagere regelgeving opgesteld die gebaseerd is op de eerder dit jaar aangenomen wijziging van de Handelsregisterwet 2007 (Stb. 2019, 280), waarin deze motie wordt uitgewerkt. De Handelsregisterwet 2009 BES biedt ook mogelijkheid om dit te regelen, in artikel 13. In Caribisch Nederland is overigens op dit moment geen sprake van overlast door direct marketing.

9. De leden van de CDA-fractie lezen dat de huidige heffingssystematiek, waarbij de hoogte van de jaarlijkse bijdrage afhangt van het in de onderneming aanwezige vermogen in dat jaar, leidt tot «onduidelijkheden en discussie over de hoogte van dit eigen vermogen». Kan de regering hierbij een voorbeeld geven?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de eerste alinea van het antwoord op vraag 7 van de leden van de VVD-fractie.

3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

3.1. Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES

10. De leden van de VVD-fractie lezen dat het voorstel is om bestuursplaatsen, die vacant komen door tussentijds vertrek, ook vacant te mogen houden en de verplichting van nieuwe verkiezingen weg te nemen. Zij moedigen deze beslissing aan, zeker met het oog op onnodige kosten en administratieve rompslomp voor de organisatie. Daarnaast vinden deze leden het verstandig dat er een minimum aantal plekken in het bestuur niet vacant kan zijn.

De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat in het bestuur ten minste een voorzitter, ondervoorzitter en een penningmeester plaatsnemen. De regering meent dat deze functies nodig zijn voor het goed functioneren van het bestuur. Betekent dit ook dat de plekken van voorzitter, ondervoorzitter en penningmeester niet vacant kunnen zijn? Zo nee, hoe rijmt dat met de opvatting van de regering over het goed functioneren van het bestuur? Zo ja, heeft de regering dan gewaarborgd dat het overnemen van een van deze taken door een (nieuw) bestuurslid gepaard gaat met zo min mogelijk regeldruk en organisatiekosten?

Het bestuur van een Kamer van Koophandel moet altijd bestaan uit ten minste drie bestuursleden. Het bestuur benoemt uit zijn midden een voorzitter, een plaatsvervangend voorzitter en een penningmeester. Aan het einde van de bestuursperiode van 3 jaar volgen er verkiezingen. Wanneer bestuursleden tussentijds vertrekken, kan één van de andere bestuursleden (wanneer deze geschikt is) die functie vervullen voor de periode tot aan de volgende verkiezingen. Wanneer het aantal bestuursleden beneden het minimaal aantal van drie bestuursleden komt, kan het bestuur tot het einde van de bestuursperiode worden aangevuld met kandidaten die tijdens de voorgaande verkiezingen onvoldoende stemmen hebben gekregen, voor de periode tot aan de volgende verkiezingen. Mochten er geen beschikbare kandidaten zijn voor de vacante posities, dan kan het Bestuurscollege van het desbetreffende eiland door de Kamer worden verzocht een kandidaat aan te wijzen, voor de periode tot de volgende verkiezingen.

11. De leden van de VVD-fractie lezen verder dat bestuursleden geen functie mogen vervullen die strijdig is met het functioneren als bestuurder van de Kamer. Kan de regering aangeven hoe dit wordt gecontroleerd? Wie houdt hier toezicht op? En wat gebeurt er als blijkt dat een van de bestuursleden wel een functie vervult die strijdig is met het functioneren als bestuurder van de Kamer?

Bestuursleden vervullen geen functies die strijdig zijn met het functioneren als bestuurder van de Kamer (voorgesteld artikel 15a van de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES). Als zich toch een situatie voordoet waarin sprake is van mogelijke belangenverstrengeling, kan een bestuurslid zich onthouden van stemmen. Hierin ligt een verantwoordelijkheid voor de individuele bestuursleden en voor het bestuur als geheel.

Het toezicht op de Kamers is als volgt ingericht. Aan het Bestuurscollege en aan de Minister van EZK worden, voorafgaand aan het kalenderjaar waarop deze betrekking hebben, het jaarplan en de begroting verzonden en na afloop van het kalenderjaar de jaarrekening en het jaarverslag (voorgestelde artikelen 20 en 22a van de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES). Voor de genoemde besluiten onder artikel 21 vragen de Kamers goedkeuring aan het Bestuurscollege van het desbetreffende eiland. De Minister van EZK kan besluiten van het bestuur die in strijd zijn met de wet of het algemeen belang schorsen of vernietigen (artikel 22, eerste lid). In een uiterst geval, wanneer bestuur ernstig nalatig is en verplichtingen uit de wet niet naleeft, kan de Rijksvertegenwoordiger hierin zelf voorzien namens het bestuur van de Kamer.

12. De leden van de VVD-fractie achten het ook zeer verstandig dat er transparant financieel toezicht op de Kamers komt en delen met de regering dat dit gewenst is. Ook lezen zij dat gerapporteerd moet worden aan de Minister wat er met de baten is gedaan en dat deze in ieder geval niet gebruikt mogen worden om te concurreren met marktpartijen. Is dit het enige wat verboden is om te doen met dergelijke baten, of zijn er nog meer regels rondom het besteden van baten uit wettelijke taken? Deze leden lezen ook lezen dat de Afdeling heeft geadviseerd om een verplichte gescheiden registratie van lasten en baten te overwegen. De regering heeft dit advies niet opgevolgd om regeldruk te verminderen. Kan de regering aangeven op basis waarvan deze afweging is gemaakt? Hoeveel regeldruk zou het scheiden van de registratie van baten en lasten met zich meebrengen? Kan de regering nader onderbouwen waarom het advies van de Afdeling in dit geval niet is opgevolgd?

Zoals de VVD-fractie aangeeft, is het verboden om met baten uit wettelijke taken te concurreren met marktpartijen. De Kamers zetten de beschikbare middelen in voor de doelen en taken zoals genoemd in het antwoord op vraag 1 van de leden van de D66-fractie.

Gelet op de schaalgrootte van de Kamers van Koophandel en Nijverheid op Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, acht de regering het niet opportuun om een gescheiden boekhouding van baten en lasten te verplichten, mede gelet op het uitgangspunt van het wetsvoorstel om de regeldruk voor de beide Kamers zoveel mogelijk te verminderen. Omdat de regering het belangrijk vindt dat de toezichthouders inzicht hebben in de naleving van het voorgestelde artikel 13a van de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES, is aan het advies van de Afdeling gevolg gegeven door de Kamers te verplichten jaarlijks middels het jaarverslag te rapporteren over de toepassing van dit artikel.

De beperkte schaalgrootte kan nader worden onderbouwd aan de hand van een aantal cijfers van de Kamers. De Kamer van Koophandel en Nijverheid Bonaire heeft circa 4.500 inschrijvingen in het handelsregister en hier werken 8,5 fte. De Kamer voor Sint Eustatius en Saba heeft ongeveer 800 inschrijvingen in het handelsregister en hier werken 2 fte. Ter illustratie: bij de KvK in Europees Nederland waren in 2018 circa 1.800.000 bedrijven ingeschreven (inclusief zzp’ers).

De baten en lasten uit niet-wettelijke taken vormen het overgrote deel van de baten en lasten. Een scheiding van de administratie zou voor de beide Kamers van Koophandel en Nijverheid tussen de 0,25 fte en de 0,5 fte kosten. Gezien de beperkte omvang van de Kamers, zoals hierboven geschetst, zijn dit aanzienlijke lasten.

13. De leden van de VVD-fractie lezen verder dat in reactie op het advies van de Afdeling expliciet is opgenomen dat de Kamers de integrale kosten van hun wettelijke taken in rekening moeten brengen. Houdt de Autoriteit Consument & Markt (ACM) hier toezicht op? Hoe verhoudt deze bepaling zicht tot de Wet Markt en Overheid?

De Mededingingswet, waarvan de Wet Markt en Overheid deel uitmaakt, is niet van toepassing in Caribisch Nederland. De ACM houdt geen toezicht op het doorberekenen van de integrale kosten in de producten van de Kamers van Koophandel. De tarieven voor de producten van de Kamers zullen worden vastgesteld bij ministeriële regeling. Bij het opstellen van deze regeling worden de Kamers van Koophandel en Nijverheid in Caribisch Nederland betrokken.

In het tweede deel van het antwoord op vraag 11 staat uitgelegd hoe het toezicht op de Kamers is ingericht.

14. De leden van de CDA-fractie vragen of bij verkiezingen voor het bestuur van de Kamers sprake moet zijn van een quorum, dat wil zeggen een minimaal aantal uitgebrachte stemmen om de verkiezingen rechtsgeldig te verklaren (en zo de gekozen bestuursleden een mandaat mee te geven)?

Om zich verkiesbaar te kunnen stellen voor het bestuur van de Kamer voor Bonaire, heeft een kandidaat, ter ondersteuning van de kandidatuur, een schriftelijke verklaring nodig van ten minste vijftien kiesgerechtigden. Voor de Kamer voor Sint Eustatius en Saba zijn hiervoor vijf schriftelijke verklaringen nodig (zie artikel 15, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES).

Door de gekozen systematiek waarin wordt gewerkt met schriftelijke verklaringen van de kiesgerechtigden, wordt ervoor gezorgd dat de (kandidaat)bestuursleden voldoende mandaat hebben bij de kiesgerechtigden, ongeacht het aantal stemmen dat wordt uitgebracht tijdens verkiezingen.

15. De leden van de CDA-fractie benoemen dat volgens het nieuwe artikel 13a de Kamers niet mogen concurreren met ondernemingen of vrije beroepsbeoefenaren en moeten zij ervoor zorgen dat hun werkzaamheden niet leiden tot het verhinderen, beperken of vervalsen van de mededinging tussen ondernemingen of vrije beroepsbeoefenaren. Het Bestuurscollege houdt hier toezicht op. In de toelichting bij dit artikel staat dat het de Kamers is toegestaan om activiteiten te verrichten die ook door de markt (kunnen) worden verricht, maar zij daarbij geen gebruik mogen maken van het voordeel dat zij verkrijgen door de publieke taken die de Kamers zijn opgedragen. Is er, net als bijvoorbeeld bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), een maximum bedrag/percentage dat de Kamers op de markt mogen «bijverdienen» (in het geval van het CBS tien procent)? Is de regering bereid een dergelijk maximum bedrag/percentage wettelijk vast te leggen of anderszins grenzen te stellen aan marktactiviteiten van de Kamers?

In het geval van de Kamers van Koophandel en Nijverheid beperken deze activiteiten zich bijvoorbeeld tot het verhuren van een vergaderruimte aan ondernemers en het gebruik van andere faciliteiten van de Kamer. Dit vormt een zeer beperkt onderdeel van de inkomsten van de Kamers. Het ligt daarom niet in de rede om een dergelijk percentage op te nemen. Op grond van het voorgestelde artikel 20, tweede lid, van de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES moeten de Kamers over de toepassing van artikel 13a van die wet rapporteren in hun jaarverslag dat jaarlijks aan de Bestuurscolleges en aan de Minister van EZK wordt verstuurd.

16. De leden van de CDA-fractie lezen dat voor de Kamer van Koophandel in het Europese deel van Nederland de concurrentieregels voor overheden in hoofdstuk 4B van de Mededingingswet gelden. Artikel 25b van de Mededingingswet bevat de verplichting tot een gescheiden registratie van de lasten en baten van de verschillende activiteiten. De Afdeling beveelt een dergelijke «transparantieverplichting» ook aan voor de Kamers van Koophandel in het Caribische deel van Nederland, maar de regering neemt dat vanwege de schaalgrootte van de Kamers en regeldruk niet over. Kan de regering nader toelichten waarom zij dit advies niet opvolgt? Wat zouden de consequenties zijn?

Voor het antwoord op vraag 16 van de CDA-fractie verwijs ik naar het antwoord op vraag 12.

17. De leden van de CDA-fractie lezen dat in het nieuwe artikel 19 de baten van de Kamers opgesomd staan, waaronder «de opbrengsten uit andere werkzaamheden en uit samenwerking met derden» (onderdeel c). In de toelichting worden deze opbrengsten omschreven als «niet wettelijke taken van de Kamers, waarvan de bedragen voor de vergoeding van de kosten niet wettelijk geregeld hoeven te worden». Bijvoorbeeld de opbrengsten van de verhuur van vergader- of conferentieruimtes. Heeft de regering overwogen om deze «andere werkzaamheden» en «samenwerking met derden» af te bakenen of vast te leggen in een limitatieve lijst, zodat helder is wat wel/niet opbrengsten van de Kamers mogen zijn?

De opbrengsten uit andere werkzaamheden zullen door de Kamers aan de Minister van EZK inzichtelijk worden gemaakt in het jaarverslag dat jaarlijks aan de Minister van EZK wordt verstuurd. Deze opbrengsten vormen een zeer beperkt deel van de baten van de Kamers. Omdat dit aandeel zeer beperkt is, is ervoor gekozen om geen limitatieve lijst op te nemen voor opbrengsten uit niet wettelijke taken.

Zoals in het antwoord op vraag 13 van de leden van de VVD-fractie is aangegeven, is verder in het wetsvoorstel expliciet bepaald dat de Kamers van Koophandel en Nijverheid niet mogen concurreren met ondernemingen of vrije beroepsbeoefenaren met baten voor bij of krachtens de wet aan de Kamer opgedragen taken of de bedrijfsvoering van de Kamers (artikel 13a, eerste lid, in samenhang met artikel 19 van de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES).

3.2. Handelsregisterwet 2009 BES

18. De leden van de VVD-fractie lezen dat de systematiek voor vaststelling van de jaarlijkse bijdragen van ondernemingen op basis van een nieuwe indeling is, waarbij rechtsvorm en grootte van de onderneming de criteria zijn. Aan de hand van deze twee criteria wordt de jaarlijkse bijdrage bepaald. Deze leden vragen zich wel af of ondernemingen, rechtspersonen en nevenvestigingen de kans hebben om bezwaar te maken tegen de klasse waar zij zijn ingedeeld. Zo ja, hoe gaat dit proces dan in zijn werk? Zo nee, waarom is daar voor gekozen? Deze leden vinden het belangrijk dat er ook ruimte voor maatwerk is in dit wetsvoorstel en dat een ondernemer de kans en vrijheid moet hebben om bezwaar te maken voor de indeling van zijn onderneming in een bepaalde klasse, wanneer hij van mening is dat hij in de verkeerde klasse zit.

Zoals hiervoor is aangegeven in het antwoord op vraag 3 van de leden van de VVD-fractie, is de voorgestelde systematiek eenduidiger dan de huidige heffingssystematiek. Naar verwachting blijkt uit deze systematiek ondubbelzinnig tot welke categorie een onderneming, rechtspersoon of nevenvestiging behoort en welke bijdrage daaraan gekoppeld is. Tegen de beschikking, waarin het bedrag voor de jaarlijkse bijdrage van een onderneming, rechtspersoon of nevenvestiging is vastgesteld, kunnen natuurlijke personen en rechtspersonen die daardoor rechtstreeks in hun belang zijn getroffen – naar eigen keuze – ofwel eerst bezwaar maken bij de Kamer van Koophandel en Nijverheid en, zo nodig, vervolgens beroep instellen bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, ofwel direct beroep instellen bij dit Gerecht in eerste aanleg. Dit is geregeld in de artikelen 7 en 55 van de Wet administratieve rechtspraak BES.

De regering is voornemens de voorgestelde indeling op te nemen in het Handelsregisterbesluit 2009 BES. Het bedrag dat voor de voorgestelde klassen zal gelden, zal in een ministeriële regeling worden opgenomen. De voorgestelde systematiek is gebaseerd op het systeem dat op basis van de Handelsregisterwet 2007 voor het Europees grondgebied van Nederland was opgenomen in het Financieel besluit handelsregister, dat van kracht was tot 14 februari 2014. De systematiek houdt rekening met de aard van de ondernemingen en rechtspersonen.

Een zorgvuldige voorbereiding van de wijziging van het Handelsregisterbesluit 2009 BES en de ministeriële regeling is van groot belang. Bij het opstellen van het ontwerpbesluit en de ontwerpregeling zal overleg plaatsvinden met de betrokkenen in Caribisch Nederland: ondernemers, belangenorganisaties van ondernemers, de Kamers van Koophandel en Nijverheid en de Bestuurscolleges in de openbare lichamen. Verder zal openbare internetconsultatie plaatsvinden van de ontwerpen voor de algemene maatregel van bestuur en ministeriële regeling. Op Bonaire, Saba en Sint-Eustatius zal duidelijk bekend worden gemaakt dat internetconsultatie plaatsvindt.

19. De leden van de VVD-fractie lezen ook dat de hoogte van het tarief voor het inzien van het handelsregister en voor het verstrekken van een afschrift of een uittreksel uit het register in een ministeriële regeling wordt vastgelegd. Zij willen de regering hierin meegeven om te waken voor (te) hoge kosten hiervan, vooral voor het verstrekken van een afschrift op een uittreksel van een eigen onderneming.

De tarieven voor het verstrekken van een afschrift (en de tarieven voor andere producten) zullen worden vastgesteld in een ministeriële regeling. De tarieven worden gebaseerd op de integrale kosten voor de desbetreffende producten en zullen vergelijkbaar zijn met de huidige tarieven. Hierdoor zullen de kosten voor deze producten dan ook niet te hoog worden. De ministeriële regelingen, met daarin de kosten voor de producten alsook de hoogte van de jaarlijkse bijdrage voor de verschillende bedrijven, zullen met betrokkenen in Caribisch Nederland worden afgestemd in samenwerking met de Kamers en door middel van een internetconsultatie.

20. De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde indeling van ondernemingen, rechtspersonen en nevenvestigingen in categorieën (met daarbij vermelde gewichten) op basis van rechtsvorm en grootte «aansluit bij de hoeveelheid werk die de Kamers van Koophandel en Nijverheid voor elk van deze categorieën verrichten en daarmee voor elke categorie de werkelijke kosten die zijn verbonden aan de totstandkoming van het handelsregister weerspiegelt». Begrijpen deze leden het goed dat «kostendekkenheid» het uitgangspunt is bij het bepalen van de hoogte van de jaarlijkse bijdragen van ondernemingen en rechtspersonen?

In de voorgestelde systematiek vormt de jaarlijkse bijdrage voor de verschillende rechtsvormen een weerspiegeling van de kosten die over het algemeen gemoeid zijn met de desbetreffende rechtsvorm. Aan verenigingen en stichtingen is een laag gewicht toegekend, omdat deze rechtspersonen niet stemgerechtigd zijn voor de verkiezingen van het bestuur van de Kamers en deze zich ook niet door de Kamer laten vertegenwoordigen. De Kamers behartigen wel de belangen van het bedrijfsleven in Caribisch Nederland.

4. Effecten van het wetsvoorstel

21. De leden van de VVD-fractie lezen dat er geen evaluatiebepaling in voorliggend wetsvoorstel is opgenomen. Kan de regering toelichten waarom dit het geval is?

Er geldt geen verplichting of algemene regel voor het opnemen van een evaluatiebepaling in wetgeving. Een evaluatiebepaling wordt doorgaans alleen opgenomen in geheel nieuwe wetgeving of bij een substantiële beleidswijziging. Dit wetsvoorstel betreft geen beleidswijziging, maar alleen de vereenvoudiging en verbetering van bestaande wetgeving om een aantal geconstateerde knelpunten op te lossen. De regering heeft geen aanleiding gezien om in dit wetsvoorstel een evaluatiebepaling op te nemen.

4.1. Regeldruk voor burgers, bedrijven en instellingen

22. De leden van de VVD-fractie lezen dat het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) vier aanbevelingen doet met betrekking tot het laten vervallen van de jaarlijkse bijdrage, geen verplichting om een uittreksel te overleggen bij overheidstrajecten van ondernemingen, het informeren van ondernemers met bedrijven op zowel Caribisch als Europees gebied en het herstellen van omissies. Welke van deze aanbevelingen heeft de regering overgenomen en toegepast? Welke van deze aanbevelingen heeft de regering niet overgenomen? En kan de regering daarbij motiveren waarom zij tot die keuze zijn gekomen?

ATR adviseert na te gaan of de verplichting van een jaarlijkse bijdrage kan vervallen. Indien wordt vastgehouden aan de jaarlijkse bijdrage, adviseert ATR inzicht te bieden in de financiële gevolgen hiervan voor de ondernemers in Caribisch Nederland en om de gewichtsindeling voor de jaarlijkse bijdragen beter te onderbouwen. Naar aanleiding hiervan is in de memorie van toelichting opgenomen dat ondernemers zullen worden betrokken bij de vaststelling van de nieuwe tarieven en voor de ontwerpregeling een internetconsultatie zal plaatvinden.

ATR adviseert om bij overheidstrajecten ondernemingen niet te verplichten om een uittreksel uit het handelsregister te overleggen. In een beperkt aantal wettelijke regelingen is verstrekking van een afschrift van of een uittreksel uit het handelsregister aan een overheidsinstantie voorgeschreven: in het Besluit grote inrichtingen milieubeheer BES (artikel 5), het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES (artikel 4), het Besluit financiële markten BES (artikel 2:2) en in de daarop gebaseerde Regeling financiële markten BES (artikel 2:3). De verantwoordelijkheid voor deze regelingen berust bij andere bewindspersonen. In Caribisch Nederland is er geen basisregistratiestelsel met de verplichting voor overheden om gegevens daaruit te gebruiken. Bij het opstellen van de gedelegeerde regelgeving op grond van dit wetsvoorstel zal in overleg met de betrokken ministeries worden bezien of er alternatieven zijn voor deze voorschriften.

Verder adviseert ATR om ondernemers die zowel op het Europees grondgebied als in Caribisch Nederland werkzaam zijn, actief te adviseren over de relevante verschillen in dienstverlening en financiering van de Kamers van Koophandel in beide gebieden. De Kamers in Caribisch Nederland zijn zich bewust van de verschillen ten opzichte van de regelgeving die geldt voor de Kamer van Koophandel in het Europees grondgebied van Nederland. Ondernemers die vestigingen hebben in beide gebieden, worden nadrukkelijk geïnformeerd over deze verschillen.

Ten slotte zijn naar aanleiding van het advies van ATR een paar omissies in de regeldrukberekening hersteld; dit betreft het toevoegen van de eenmalige regeldrukkosten voor de beide Kamers en de vermindering van de regeldrukkosten voor leden van de Kamer door de lagere frequentie van de verkiezingen.

5. Consultatie

23. De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelicht dat er via de openbare internetconsultatie slechts twee reacties zijn binnengekomen. Zij verwelkomen de inspanningen van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat om op Bonaire, Sint Eustatius en Saba in met belanghebbenden in gesprek te gaan. Deze leden vragen de regering te reflecteren of de gesproken belanghebbenden voldoende representatief zijn voor huidige en toekomstige ondernemers. Tevens vragen zij of de ervaring met deze werkwijze, het in gesprek gaan met belanghebbende tijdens de internetconsultatie, ook met andere ministeries gedeeld wordt.

Op alle drie de eilanden hebben er gesprekken plaatsgevonden met vertegenwoordigers van de Openbare Lichamen, de Kamer van Koophandel en Nijverheid en verschillende bedrijven. Vertegenwoordigers van het Ministerie van EZK hebben dus een representatief deel van de belanghebbenden gesproken. Deze ervaringen zijn reeds gedeeld met andere ministeries.

De voorzitter van de commissie, Diks

De adjunct-griffier van de commissie, Nieuwerf


X Noot
1

Kamerstukken II 2015/16, 34 300 IV, nr. 59.

X Noot
2

Bijlage nr. 902421 bij Kamerstukken II 2019/20, 35 300 IV, nr. 11.

X Noot
3

Kamerstukken II 2019/20, 35 300 IV, nr. 11.

X Noot
4

Kamerstukken II 2018/19, 35 246, nr. 4.

X Noot
5

Kamerstukken II 2008/09, 31 957, nr. 3.

X Noot
6

Kamerstukken II 2018/19, 32 637, nr. 333.

Naar boven