35 122 Wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met de wijziging van de regeling inzake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling (Wet straffen en beschermen)

Nr. 42 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 september 2021

Op 5 februari 2021 informeerde ik uw Kamer over het beleidskader voor de evaluatie van de Wet straffen en beschermen en de visie op gevangenisstraffen «Recht doen, kansen bieden», in de vorm van een tussenrapport.1 De afgelopen maanden is gewerkt aan verrijking van dit tussenrapport, door opname van een nulmeting en de mede op basis hiervan getrokken conclusies van de onderzoekers. Met als resultaat het eindrapport «Voorbereiding evaluatie Wet straffen en beschermen», dat ik uw Kamer hierbij aanbied2.

Voorziene evaluatie(s)

In de Wet straffen en beschermen (hierna: de wet) is een evaluatiebepaling opgenomen die strekt tot het uitvoeren van een evaluatie van de wet binnen vijf en tien jaar na inwerkingtreding. Gelet op de inhoudelijke samenhang is ervoor gekozen om eerdergenoemde visie hierbij te betrekken.3 Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum heeft Regioplan Beleidsonderzoek opdracht gegeven voorbereidingen te treffen voor de evaluatie en monitoring van de toepassing. Aan de hand van het opgeleverde eindrapport kan worden onderzocht hoe de geïntroduceerde maatregelen in de praktijk worden gebracht en of de resultaten zich in de beoogde richting ontwikkelen. Uiteraard zal hierbij oog zijn voor de specifieke verzoeken van uw Kamer en de Eerste Kamer in dit verband. Bijvoorbeeld door aandacht te besteden aan – de verlening van – de voorwaardelijke invrijheidstelling, in het bijzonder de wijze waarop het slachtofferbelang wordt meegenomen.

Uitgevoerde nulmeting

Het belangrijkste verschil tussen het eerder aan uw Kamer gezonden tussenrapport en bijgevoegd eindrapport betreft de toevoeging van de uitkomsten van de verrichte kwantitatieve nulmeting. Het betreft een meting van de huidige situatie, opdat verschillen in resultaten voor, op het moment van en na inwerkingtreding van de maatregelen inzichtelijk kunnen worden gemaakt. Uit de nulmeting blijkt dat de informatie beperkt – uit systemen – voorhanden is, uitgaande van de geformuleerde indicatoren. De op dit moment wel beschikbare informatie heeft (met name) betrekking op de voorwaardelijke invrijheidstelling. Ten aanzien van noodzakelijk bevonden informatie over de detentiefasering valt op dat ten tijde van het schrijven en opleveren van het eindrapport nog relatief onbekend was hoe deze informatie ten behoeve van de evaluatie beschikbaar moet komen. Met het aangeboden eindrapport in de hand heb ik hierover met DJI en het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum gesproken. In gezamenlijkheid is een aanpak gekozen die een combinatie van informatie uit systemen en het doen van dossieronderzoek behelst. Dit houdt in dat niet uit systemen te verkrijgen informatie zal worden opgehaald door op basis van een steekproef dossiers (denk aan detentie- en re-integratieplannen) te analyseren.

Tot besluit

Ik ben zeer verheugd over het feit dat de wet per 1 juli 2021 (voor het overgrote deel) in werking is getreden. Per 1 december 2022 volgt nog de nieuwe regeling van het penitentiair programma. Om beeld te kunnen krijgen van de toepassing van de wet in de praktijk en het resultaat ben ik het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum erkentelijk voor dit eindrapport, dat daarvoor bruikbare handvatten biedt. Zodra er uitkomsten bekend zijn, zal ik u hierover informeren.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Kamerstuk 35 122, nr. 38

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Kamerstuk 35 122, nr. 28

Naar boven