Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935093 nr. 8

35 093 Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 inzake de bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning en de beoordeling voor de verstrekking van de maatwerkvoorziening

Nr. 8 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 14 maart 2019

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.1.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt na «aangewezen» ingevoegd «, waaronder in ieder geval die voorzieningen».

2. Het zevende lid vervalt.

B

Artikel 2.1.4a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «verstrekt» vervangen door «verleend».

2. In het derde lid, wordt na «gevallen worden omschreven waarin» ingevoegd «bij verordening de hoogte van de bijdrage wordt vastgesteld of».

Toelichting

Onderdeel A

Deze redactionele aanpassing zorgt ervoor dat één artikellid regelt welke algemene voorzieningen onder het abonnementstarief vallen. Bij verordening worden in ieder geval die voorzieningen aangewezen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie tot stand wordt gebracht. Daarnaast kan de gemeente zelf nog andere algemene voorzieningen aanwijzen die daardoor onder het abonnementstarief vallen. Dit komt de overzichtelijkheid ten goede.

Onderdeel B

Eerste lid

De bijdrage wordt opgelegd vanaf het moment dat de levering van ondersteuning (in natura) is gestart. Het CAK ontvangt hierover een bericht. Een dergelijk bericht wordt bij de leveringsvorm van persoonsgebonden budget (pgb) niet verzonden.

In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.1.1 van het Besluit langdurige zorg (Stb. 2014, 520) is aangegeven dat de eigen bijdrage voor het pgb is verschuldigd met ingang van de dag waarop het zorgkantoor het pgb verleent. In een uitspraak van de Rechtbank Limburg van 27 juli 2018 (AWB/ROE 17/51) is echter gebleken dat onduidelijkheid kan bestaan over de datum waarop de eigen bijdrage bij het pgb kan worden opgelegd. In die zaak werd doorslaggevend geacht dat de eigen bijdrage voor het pgb in de Wet langdurige zorg (Wlz) inhoudelijk gelijk waren aan de bijdragen zoals deze golden onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). In de Wlz is echter, anders dan onder de AWBZ het geval was, sprake van een «bruto» pgb dat besteed mag worden aan uitgaven van Wlz-zorg en niet het betalen van de verschuldigde eigen bijdrage. Dit geldt eveneens voor de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

Door in het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 vast te leggen dat de bijdrage is verschuldigd vanaf het moment dat het pgb is verleend, wordt deze onduidelijkheid weggenomen. Dit betekent dat de ingangsdatum van de toekenningsbeschikking van de Wlz-uitvoerder (zorgkantoor) voor de Wlz leidend is, en de verleningsdatum die genoemd is in de beschikking van het college van burgemeester en wethouders voor de Wmo 2015. Dit biedt de cliënt en het zorgkantoor of het college de ruimte om af te spreken vanaf welk moment de cliënt overeenkomsten met zorgverleners heeft gesloten en dus ook gebruik zal (kunnen) maken van het pgb.

Daarom wordt hier ook in het wetsvoorstel verduidelijkt dat de periode waarover een pgb wordt verleend leidend is. Niet bijvoorbeeld de periode vanaf wanneer men betalingen doet uit het pgb. Het budget is immers reeds gereserveerd en de kosten zijn gemaakt. Verder kan een verleningsdatum worden herzien – voor zover de termijnen dit toelaten – als er onverhoopt onredelijke uitkomsten zouden ontstaan waarbij iemand geen zorg of ondersteuning kan betrekken, maar wel een eigen bijdrage moet betalen. Daarbij kan een verzekerde of Wmo-cliënt geen oneigenlijke invloed uitoefenen op het moment waarop de bijdrage verschuldigd is. Het CAK gaat in ieder geval uit van de datum zoals ontvangen van het zorgkantoor (Wlz) of het college (Wmo 2015).

Tweede lid

In het wetsvoorstel is geregeld dat maatwerkvoorzieningen kunnen worden uitgezonderd van het abonnementstarief van € 19,– per maand. Dit is, zoals in de memorie van toelichting bij de wetsvoorstel staat, specifiek bedoeld voor vervoer waarbij een lage ritprijs wordt betaald. Echter, die ritprijs moet bij verordening van de gemeente worden vastgesteld. Die grondslag ontbrak voor die leveringsvormen die onder het abonnementstarief vallen.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge