Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202134919 nr. 73

34 919 Defensienota

Nr. 73 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 24 november 2020

De vaste commissie voor Defensie heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Defensie over de brief van 15 oktober 2020 inzake Defensievisie 2035 (Kamerstuk 34 919, nr. 71).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 18 november 2020. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Aukje de Vries

De adjunct-griffier van de commissie, Mittendorff

1

Welke prioriteiten dienen te worden gehanteerd bij het (gefaseerd) invoeren van de Defensievisie?

76

Als de financiële injectie die nodig is voor een volledige uitvoering van de Defensievisie 2035 uitblijft, waar liggen volgens u dan de meest voor de hand liggende keuzes?

De Defensievisie kijkt vijftien jaar vooruit en is een inventarisatie van de dreigingen die op ons af komen, de problemen die we hebben in relatie daartoe, wat nodig is voor Defensie om nu en in de toekomst de Nederlandse belangen te kunnen blijven beschermen en hoeveel het kost als we dat zo goed mogelijk doen.

Defensie kiest voor een profiel met drie eigenschappen en tien inrichtingsprincipes. We gaan hiermee, ongeacht het budget, aan de slag: hier liggen de prioriteiten.

De Defensievisie reikt verder dan deze kabinetsperiode. Het transparante (financiële) overzicht van de Defensievisie is essentieel, zodat op basis hiervan het politieke en maatschappelijke debat kan plaatsvinden over wat veiligheid ons waard moet zijn. En over welke risico’s men bereid is te nemen. Want niet alles kan en niet alles kan tegelijk. Iedere keuze heeft consequenties voor wat de organisatie kan, maar ook voor wat niet kan. Iedere keuze brengt daardoor met zich mee dat je een risico accepteert. Volgende kabinetten kunnen, in het spanningsveld van behoeften en budget, weloverwogen verdere beleidsprioriteiten stellen op basis van de Defensievisie en het te voeren politieke en maatschappelijke debat.

2

Hoe verhoudt de inzet op de genoemde drie eigenschappen en tien inrichtingsprincipes zich tot de in de Defensienota 2018 geformuleerde doelen op het gebied van «wat we willen bereiken», «wat we willen zijn» en «wat we gaan doen»? In welke opzichten wordt de beleidslijn (grotendeels) voortgezet? In welke opzichten is sprake van een (geheel) nieuwe richting?

De Defensievisie 2035 bouwt voort op de Defensienota 2018 (Kamerstuk 34 919, nr. 1). De Defensienota ging over de vraag hoe we de structurele investering van € 1,5 mld uit het regeerakkoord 2017–2021 besteden. De Defensievisie gaat over wat er richting toekomst (aanvullend) nodig is. Met de Defensienota 2018 en de uitvoering daarvan hebben we belangrijke stappen gezet met het moderniseren en herstellen van de defensieorganisatie. Ook hebben we daarin gezegd dat we in deze kabinetsperiode gestalte willen geven aan de langere lijnen naar de toekomst; dat hebben we in de Defensievisie gedaan.

De Defensievisie 2035 kijkt vijftien jaar vooruit en inventariseert wat de komende vijftien jaar nodig is om te bereiken wat we moeten kunnen en wat we moeten zijn om onze veiligheid en belangen te beschermen. Het schetst daartoe een samenhangend profiel van een toekomstbestendige defensieorganisatie. Dat profiel is opgebouwd uit drie overkoepelende eigenschappen en tien onderliggende inrichtingsprincipes. We gaan met het gekozen profiel nu aan de slag. De gerealiseerde stappen van de afgelopen jaren sinds de Defensienota 2018 vormen hiervoor een belangrijke basis.

3

Welke capaciteiten behoeven aanvulling voor optreden op brigadeniveau tegen een «near peer» tegenstander, zoals geschetst in inzetscenario 3? Zijn er hierbij capaciteiten die beter weer organiek in een brigade geplaatst kunnen worden? Zo ja, welke?

4

Behoeft het aantal van twee manoeuvrebataljons (plus een met Duitsland gedeeld tankbataljon) in 43 gemechaniseerde brigade aanvulling voor een optimale geschiktheid voor de eerste hoofdtaak en inzetscenario 3, ook gelet op het feit dat sub-eenheden regelmatig ontbreken door missies?

5

Welke rol is er weggelegd voor de Luchtmobiele Brigade binnen de eerste hoofdtaak van Defensie en inzetscenario 3?

6

Welke rol is er weggelegd voor de Luchtmobiele Brigade binnen de tweede hoofdtaak van Defensie en inzetscenario 1?

7

Welke rol heeft 13 Lichte Brigade binnen de eerste hoofdtaak? Zou de geschiktheid voor deze hoofdtaak bij scenario 3 toenemen door de brigade uit te rusten met voertuigen voorzien van zwaarder geschut voor direct vuur, of door (een deel van) de brigade weer uit te rusten met CV90-gevechtsvoertuigen en te integreren bij 43 Gemechaniseerde Brigade?

8

Hoe verhoudt zich het feit dat Defensie vooral beschikt over lichte manoeuvrebataljons (2 mariniersbataljons, 3 luchtmobiele bataljons, 2 bataljons bij 13 Lichte Brigade) en maar twee bataljons pantserinfanterie tot gereedstelling voor de eerste hoofdtaak en de eisen en wensen die de NAVO stelt aan de Nederlandse krijgsmacht voor het gevecht tegen een «near peer» tegenstander en scenario 3 uit de Defensievisie? Welke mogelijkheden zijn er om deze mix van type eenheden te herzien?

De NAVO spreekt in de Defence Planning Capability Review (DPCR) (Kamerstuk 28 676, nr. 347) haar zorg uit over de staat van de huidige krijgsmacht, ook van de genoemde brigades. De Defensievisie gaat over de eigenschappen en inrichting van de organisatie richting 2035 (het «wat»). Welke capaciteiten en eenheden er nodig zijn om richting 2035 succesvol op te kunnen treden (het «hoe») wordt in de komende periode verder uitgewerkt. Defensie blijft vervolgstappen zetten en binnen Defensie wordt de visie doorvertaald. Dat blijkt bijvoorbeeld al in de visie op informatiegestuurd optreden van de landmacht.

Hoe Defensie er in 2035 precies uit zal zien is mede afhankelijk van het politieke en maatschappelijke debat over wat de dreigingen zijn waar we mee geconfronteerd worden, hoe we ons daar tegen kunnen weren en wat veiligheid ons waard moet zijn. Volgende kabinetten zullen zich moeten buigen over vervolgstappen op basis van de Defensievisie en dit te voeren debat.

9

Hoe beoordeelt u de rol van gewapende drones en loitering munitions tijdens recente conflicten, zoals de strijd in Nagorno-Karabakh? Welke tekortkomingen zijn er nu bij Defensie op het gebied van onder meer luchtafweer voor de korte afstand, elektronische oorlogvoering en manieren van optreden om eenheden adequaat tegen deze dreiging te beschermen?

10

Overweegt u zelf de aanschaf van loitering munitions, bijvoorbeeld om vijandige luchtafweer uit te schakelen?

Defensie volgt de (snelle) ontwikkelingen op het gebied van technologie en dreigingen. De Defensievisie kijkt vijftien jaar vooruit. Aangezien er sprake is van snelle technologische ontwikkelingen en snel veranderende dreigingen, blijft het voor Defensie van belang om haar capaciteiten ook te blijven ontwikkelen.

Defensie houdt de mogelijkheden die technologische ontwikkelingen, zoals loitering munitions, bieden voor het eigen optreden in ogenschouw. Loitering munitions komen in veel verschijningsvormen voor, van grote systemen voor de lange afstand tot kleinere systemen voor relatief korte afstand, met toepassingen tegen verschillende dreigingen en met verschillende niveaus van autonomie. Hierbij volgt Defensie het regeringsbeleid op het gebied van autonome wapensystemen (Kamerstuk 34 300 X, nr. 88).

11

Hoe past inzetscenario 1 van een langdurige missie met wederopbouw binnen de trend onder Westerse landen om af te stappen van langdurige counterinsurgency operaties met eigen grondeenheden en vooral te focussen op contraterrorisme met een lichtere «footprint» via luchtaanvallen, special forces en trainingen aan lokale veiligheidstroepen?

12

Waarom is er bij inzetscenario 1 gekozen voor een aanpak door middel van langdurige inzet en wederopbouw en niet voor een respons met luchtaanvallen, special forces en een trainingsmissie van beperkte omvang?

Omvang en duur van de missie zijn verschillende variabelen die per scenario verschillen, omdat rekening moet worden gehouden met verschillende typen inzet. In een werkelijke situatie zijn uiteraard ook andere inzetopties beschikbaar: dat is altijd afhankelijk van de specifieke omstandigheden. Daarnaast zal Nederland in een dergelijk scenario niet alleen optreden, dat doen wij samen met internationale partners. De daadwerkelijk gekozen inzet is daarmee ook afhankelijk van het totaal aan (militaire) capaciteiten die de partners gezamenlijk ter beschikking stellen en de politieke keuze die Nederland maakt.

13

Welke rol speelden zware economische tegenmaatregelen door lidstaten van de NAVO en de EU (zoals verwijderen uit SWIFT, sancties met extraterritoriale werking, volledige wering uit kapitaalmarkten, totaalverbod op import en export) bij de uitwerking van scenario 3?

Om een tegenstander te weerhouden van een offensieve actie, kunnen verschillende instrumenten van macht in samenhang worden gebruikt. Deze instrumenten bestaan onder andere uit diplomatie, informatie, militair, economie, financiën, inlichtingen en wetten (lawfare) en worden soms aangeduid met DIMEFIL. Puur om te onderzoeken over welke militaire capaciteiten de toekomstige defensieorganisatie moet beschikken (mocht onverhoopt militair moeten worden ingegrepen), is in dit fictieve scenario ervan uitgegaan dat het gebruik van de niet-militaire instrumenten een gepasseerd station is.

14

Welke rol speelden de kernwapens van NAVO-lidstaten en de inzet hiervan bij scenario 3?

Kernwapens van NAVO-lidstaten spelen een belangrijke rol in het kader van afschrikking. In dit scenario is geen sprake geweest van (het dreigen met) inzet van die wapens.

15

Hoe lost u de terugkerende onderuitputting op met deze defensievisie 2035?

In de afgelopen jaren was geen sprake van onderrealisatie op de exploitatiebegroting; sinds 2019 moet zelfs gewaakt worden voor overrealisatie. Gezien de budgettaire krapte wordt onderrealisatie ook in 2020 en de komende jaren niet verwacht. Dankzij het door dit kabinet toegewezen budget konden de verplichtingen fors toenemen; vooral waar het materieel betreft, leidt dat pas in latere jaren tot kasuitgaven. Het duurt immers enige jaren om van verwerving tot contract en daarna tot levering en facturatie te komen. In de meeste gevallen is pas bij die laatste stap sprake van een kasuitgave. Het in latere jaren benodigde budget is daarnaar doorgeschoven dankzij de ongelimiteerde eindejaarsmarge voor de investeringen. Dergelijke fluctuaties in de realisatie van de investeringen zijn mede aanleiding geweest voor het opzetten van het Defensiematerieelbegrotingsfonds; zo brengen we over meerdere jaren bezien over- en onderrealisatie in balans.

Duidelijke keuzes voor de lange termijn, zoals die in de Defensievisie 2035 worden gemaakt voor het nieuwe profiel van de organisatie, dragen bij aan (financiële) stabiliteit en voorspelbaarheid. Naast commitment van Defensie zelf is ook langjarig politiek commitment op realistische doelen voor beleid en budget wenselijk om de organisatie goed te kunnen richten en in te kunnen richten.

16

Mist het verbeteren van de operationele gereedheidsstelling niet in deze Defensievisie?

De Defensievisie beschrijft hoe Defensie de Nederlandse belangen kan beschermen tegen huidige en toekomstige dreigingen. Het is nodig dat we in de toekomst meer, sneller en langer kunnen optreden. Een constante goede operationele gereedheid is daarbij essentieel. De Defensievisie bevat daarom veel aanknopingspunten om deze gereedheid op een toekomstbestendige wijze structureel te verbeteren. Omdat gereedheid een primair proces is dat uit veel aspecten bestaat, is dit echter niet gevat in een apart hoofdstuk, maar dragen meerdere inrichtingsprincipes rechtstreeks bij aan het verbeteren ervan, met name inrichtingsprincipes één, twee, vijf en tien.

Ook na de investeringen van de afgelopen jaren blijkt dat er herstel nodig blijft voor de noodzakelijke gereedheid en inzetbaarheid van de krijgsmacht om de grondwettelijke taken van Defensie uit te kunnen voeren. Dit geldt met name voor vastgoed, IT, grootmaterieel, instandhouding van materieel, personeel (inclusief goed werkgeverschap), algemene bedrijfsvoering en sociale en fysieke veiligheid.

17

Op welke percentage staat de operationele gereedheidstelling op dit moment?

Het percentage staat momenteel op 70%, ongeveer gelijk aan het percentage over heel 2019 (67%, zie Kamerstuk 34 919, nr. 53).

18

Welke defensieniche zou Nederland moeten oppakken in het bredere Europese defensiesamenwerkingsverband? Zouden cyber & space voor Nederland goede niches zijn?

70

In welke takken van defensie moet Nederland zich wat u betreft specialiseren?

67

Op welke terreinen dient met welke landen binnen de NAVO en EU te worden samengewerkt om te komen tot specialisatie?

68

Dient specialisatie verstaan te worden als een zaak van afspraken tussen soevereine staten, of als het resultaat van collectieve en/of «top-down» afspraken binnen de NAVO of de EU?

69

Kunt u aangeven waarom u uitgebreid ingaat op het belang van gespecialiseerde taken binnen de EU en de NAVO, maar zelf geen keuze maakt over de optimale specialisaties voor Nederland?

Het is onze beleidsinzet in de NAVO en EU om vanuit onze huidige veelzijdige basis te komen tot verdere specialisatie en optimale interoperabiliteit. Dat gesprek willen we open voeren, zonder vooraf bepaalde terreinen of landen uit te sluiten. De keuze voor een specialisme moet altijd in samenspraak met partners worden genomen. Dat is een langdurig proces dat niet van de ene op de andere dag is geregeld. Maar de Nederlandse beleidsinzet is helder: wij willen binnen de NAVO en EU komen tot verdere specialisatie en interoperabiliteit om meer gebruik te kunnen maken van de specifieke meerwaarde van de leden. Daarover gaan we dus het gesprek met onze partners aan. Daarbij is defensiesamenwerking uiteindelijk altijd een zaak van afspraken tussen soevereine staten. Organisaties zoals de NAVO en EU zijn de fora waar we dit soort afspraken maken: tenslotte moeten we samen in staat zijn en blijven om de gezamenlijke veiligheid en onze nationale belangen in het Koninkrijk te beschermen.

Op dit moment blinkt Defensie vooral uit met onze kwalitatief goede mensen, de instromende F-35’s, de onderzeeboten, onze capaciteiten in het cyberdomein (specifiek cybermiddelen en inlichtingen), de Special Operations Forces, onze geïntegreerde lucht- en raketverdediging en de Nederlandse geïntegreerde benadering bij inzet (de «3D-aanpak»). Vanuit deze kwaliteiten en de huidige veelzijdige en kwalitatief sterke basis kunnen we onze specialismen verder uitbouwen. Daarbij nemen we de randvoorwaarden voor specialiseren in acht, zoals het delen van de risico’s (risk sharing) en van de kosten (burden sharing) met onze partners. Ook mag specialisatie de rol van Defensie als last line of defence en first responder niet aantasten.

19

Wat wordt de focus van toekomstig onderzoek? Wordt er heel breed onderzoek gedaan naar nieuwe wapensystemen en technologieën? Is het niet beter en goedkoper om onderzoek in Europees verband op te pakken en elk land onderzoek te laten doen in zijn specialisatie of niche?

Defensie investeert in onderzoek (Research) en technologieontwikkeling (Technology). De strategische kennispartners van Defensie, Organisatie van toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) en Martime Research Institute Netherlands (MARIN), houden voor Defensie de zogenaamde defensiespecifieke kennisbasis in stand. Deze kennisbasis bestaat uit negen Research & Technology (R&T)-gebieden en richt zich op die kennis die niet van de markt kan worden verkregen en die essentieel is voor de eigen organisatie en taakuitvoering. Net als in andere landen zijn onderzoek en technologieontwikkeling toegesneden op specifieke vereisten die van land tot land verschillen. Bij Defensie hebben we kennis nodig voor de ontwikkeling en verwerving van specifiek Nederlandse capaciteiten en diensten; kennis ter beoordeling van kwaliteit en toepasbaarheid van elders te verwerven producten en diensten; kennis om nieuwe componenten te kunnen integreren in het Nederlandse militaire capaciteitenportfolio.

De Strategische Kennis en Innovatie Agenda (SKIA) 2021–2025 zal specifiek ingaan op de focus van toekomstig onderzoek. De SKIA gaat voor de begrotingsbehandeling naar uw Kamer. De Defensievisie geeft daarvoor al belangrijke aanknopingspunten in inrichtingsprincipe 3. Onderzoek is gericht op het behoud en het vergroten van operationele slagkracht. We versterken daartoe onder andere de defensiespecifieke kennisbasis op het gebied van genetwerkt optreden, arbeidsextensiviteit en duurzaamheid.

Hierbij zal internationale samenwerking, dus zeker ook Europese samenwerking, van groot belang zijn. Defensie werkt nauw samen met NAVO-bondgenoten en EU-partnerlanden. Dat gebeurt in NAVO-verband in een gezamenlijk onderzoekprogramma en met individuele landen op basis van R&T-overeenkomsten. Ook in Europa werken we al samen. Daar komt de komende jaren het Europees Defensie Fonds (EDF) van de EU bij. Het kabinet heeft in totaal € 255 mln vrijgemaakt voor cofinanciering van Europese programma’s, waarvan € 20 mln voor het EDF. De internationale R&T-samenwerking draagt rechtstreeks bij aan de defensiespecifieke kennisbasis van Defensie. Kennis is echter niet «gratis» verkrijgbaar. Om toegang te hebben tot kennis, moet men ook zelf bijdragen aan het genereren hiervan.

20

Hoeveel geld is er nodig voor personeelsarbeidsvoorwaarden?

Jaarlijks ontvangt Defensie net als andere Rijkssectoren, mits het Kabinet daartoe besluit, middelen vanuit de zogeheten referentieruimte. Deze middelen zijn bestemd voor de financiële dekking van afspraken over primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden. Nadat over de besteding afspraken zijn gemaakt met de bonden worden de middelen toebedeeld aan de budgetten personele exploitatie van de defensieonderdelen. Deze systematiek is er de oorzaak van dat arbeidsvoorwaarden geen deel uitmaken van de ramingen die zijn gemaakt voor de Defensievisie.

Investeren in en voor het personeel van Defensie gebeurt niet alleen via arbeidsvoorwaarden. De Defensievisie schenkt veel aandacht aan het personeel en het verbeteren van het personeelsbeleid. De specifieke verbeteringen in het personeelsbeleid zijn meegenomen in ramingen in de categorieën «moderne bedrijfsvoering» en «wendbaar en toekomstbestendig».

21

In welke mate kan de huidige personeelsbehoefte worden gereduceerd door inzet van nieuwe technologie?

De inzet van nieuwe technologieën gaat onder andere over de vraag hoe we meer werk kunnen verzetten, met relatief gezien minder mensen per activiteit. Technologie helpt bovendien om personeel beter te ondersteunen en het werk veiliger en preciezer te maken. De toegenomen dreigingen vragen om een technologisch geavanceerde defensieorganisatie. Momenteel onderzoeken we waar in de organisatie nieuwe techniek van toegevoegde waarde is, specifiek in relatie tot arbeidsextensiviteit.

22

Hoeveel geld is er nodig om de basis op de orde te brengen? Hoeveel tijd is daar voor nodig?

Dit gaat over veel verschillende aspecten, waarbij we de focus leggen op herstel naar de toekomstige organisatie en inrichting. We hebben de afgelopen jaren belangrijke stappen gezet, maar om in balans te komen is er meer nodig om onze bedrijfsvoering te moderniseren. Hiervoor hebben we de afgelopen jaren een inventarisatie gedaan. Ook na de investeringen van de afgelopen jaren blijkt dat er herstel nodig blijft voor de noodzakelijke gereedheid en inzetbaarheid van de krijgsmacht om de grondwettelijke taken van Defensie uit te kunnen voeren. Dit geldt met name voor vastgoed, IT, grootmaterieel, instandhouding van materieel, personeel (inclusief goed werkgeverschap), voorraden, algemene bedrijfsvoering en sociale en fysieke veiligheid.

Gezien de veranderende omgeving en de technologische ontwikkelingen, zullen er altijd investeringen nodig blijven in de basis. Er zijn al stappen gezet; het is aan een volgend kabinet om te bepalen of er additionele stappen mogelijk zijn. In de Defensievisie en in het rapport Brede Maatschappelijke Heroverwegingen 15 (BMH15) is aangegeven dat Defensie jaarlijks circa € 1,5 tot 2 mld. extra nodig heeft om de basis op orde te brengen. Het op orde brengen van de basis kost ook veel tijd, want niet alles kan tegelijk. Naast eventuele additionele financiële middelen is dus fasering en bijbehorende prioritering nodig.

23

Waarom is de verduurzaming van de krijgsmacht als element van technologisch hoogwaardig werken niet expliciet opgenomen?

De doelen voor de verduurzaming van de krijgsmacht zijn vastgelegd in de Defensie Energie en Omgevingsstrategie (DEOS) (Kamerstuk 33 763, nr. 152) en in het Plan van Aanpak Energietransitie Defensie (kenmerk 2020Z14106). De Defensievisie 2035 voegt daaraan toe het doel om de defensiespecifieke kennisbasis op het gebied van duurzaamheid te versterken. Daartoe zal onderzoek gericht op de toekomstige krijgsmacht geprioriteerd worden, onder andere waar het duurzame oplossingen betreft. Dit draagt bij aan het zelfstandiger kunnen optreden van gevechtseenheden – een belangrijke notie van de eigenschap «technologisch hoogwaardig».

24

Waaraan moet gedacht worden als er gesproken wordt over taakspecialisatie? Is dit bijvoorbeeld ook het afstoten krijgsmachtonderdelen?

31

Hoe verhouden gesignaleerde problemen als verdeeldheid in vertrouwde samenwerkingsverbanden zich tot de gewenste specialisatie binnen Europa?

39

Wat gaat Nederland niet meer doen in het kader van de gewenste specialisatie? Komt de eerste hoofdtaak daarmee niet in het gedrang?

66

Wat wordt concreet bedoeld met «specialisatie» (inrichtingsprincipe 9)? Op welke capaciteiten en typen inzet moet extra worden ingezet, en op welke minder? Gaat extra focus op de zaken waarin Nederland uitblinkt gepaard met een verminderde focus op andere zaken? Betekent de inzet op inrichtingsprincipe 9 een strategische breuk met de inzet op een robuuste en veelzijdige krijgsmacht?

71

Betekent uw ambitie om te specialiseren ook dat onderdelen waar we niet in specialiseren worden afgeschaald? Zo ja, waar ziet u kansen om Defensie af te schalen?

Specialisatie kan op meerdere manieren, zoals het gezamenlijk uitvoeren van taken of het verdelen van taken tussen partners. Als bepaalde taken door onze partners worden overgenomen, betekent dat uiteindelijk dat we ook zaken niet meer gaan doen. Een dergelijk besluit moet altijd in samenspraak met partners worden genomen en de rol van Defensie als last line of defence en first responder mag daarbij niet worden aangetast.

Als partnerschappen niet sterk genoeg blijken, kan specialisatie namelijk inderdaad ook kwetsbaar maken. Daarom nemen we bij het maken van afspraken altijd de randvoorwaarden voor specialiseren in acht, zoals het delen van de risico’s (risk sharing) en van de kosten (burden sharing), en het feit dat Defensie aan alle drie de hoofdtaken invulling moet kunnen geven. Tegelijkertijd kan (het toewerken naar) specialisatie de onderlinge band ook juist versterken. Het begint vaak bij het intensiveren van samenwerkingen en met pooling and sharing van capaciteiten. Nederland gaat dan ook door met de actieve deelname aan dergelijke initiatieven. Goede voorbeelden van waar we dat nu al doen zijn de marinesamenwerking met België, de samenwerking tussen de Duitse en Nederlandse landstrijdkrachten, het gezamenlijke Command & Control hoofdkwartier (C-SOCC) voor de NATO Respons Force (NRF) aansturing van Special Operation Forces (SOF) met België en Denemarken en de pool voor tank- en transportvliegtuigen die Nederland deelt met Luxemburg, België, Duitsland, Noorwegen en Tsjechië.

25

Op welke manier wordt er in de Defensievisie 2035 aandacht gegeven aan meer vrouwen in de krijgsmacht?

De ontwikkelingen die Defensie omgeven, de toenemende onvoorspelbaarheid en complexiteit van toekomstige missies, een groeiende diversiteit aan (hybride) dreigingen, maar ook demografische ontwikkelingen en de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt vragen om een scala aan reacties. Een divers samengestelde krijgsmacht draagt ook bij aan een effectiever operationeel optreden. De Defensievisie stelt met het oog daarop dat de diversiteit van het personeelsbestand wordt vergroot. Het verhogen van het aandeel vrouwen is daar een belangrijk onderdeel van.

26

Wordt er in de visie voortgeborduurd op of een link gelegd met het Nationaal Actieplan 1325?

Defensie is al betrokken bij het Nationale Actieplan 1325 van Nederland en onderschrijft dus de doelstellingen die daarin staan verwoord. De Defensievisie 2035 kijkt verder vooruit en zet expliciet in op het verder versterken van de geïntegreerde benadering. Dat is ook een van de belangrijkste voorwaarden voor het naleven van de ambities in het NAP 1325 over Vrouwen, Vrede en Veiligheid.

27

Gaat Defensie in de komende jaren meer fossiele brandstof gebruiken? Zou een Defensievisie richting 2035 niet ook moeten inzetten op het afbouwen van de afhankelijkheid op fossiele brandstof?

De Defensievisie beschrijft wat er nodig is voor Defensie om in 2035 op haar taken berekend te zijn. De streefdoelen op het gebied van fossiele brandstoffen zijn opgenomen in de Defensie Energie en Omgevingsstrategie (DEOS) (Kamerstuk 33 763, nr. 152) en in het Plan van aanpak energietransitie Defensie van 16 juli 2020. Voor het operationele domein betekent dit dat we ernaar streven om in 2030 onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen met tenminste 20 procent en in 2050 met tenminste 70 procent te reduceren ten opzichte van 2010.

28

Is er niet meer vooruitgang te halen in het personeelsbestand door meer vrouwen en mensen met een diverse achtergrond aan te trekken bij de krijgsmacht dan taken door te schuiven naar technologische uitkomsten zoals AI? Wordt deze afweging expliciet gemaakt?

In de Defensievisie wordt geen verband gelegd tussen keuzes voor de inzet van kunstmatige intelligentie (of technologische uitkomsten) en een divers personeelsverband. Los van de verdere ontwikkeling naar een krijgsmacht waarin defensiepersoneel wordt ondersteund door hoogtechnologische uitkomsten, moet het personeelsbestand diverser worden.

29

Hoeveel extra vacatures dienen er gevuld te worden naar aanleiding van de plannen in de Defensievisie indien de 2% NAVO-norm wordt gehanteerd?

30

Hoeveel extra vacatures dienen er gevuld te worden naar aanleiding van de plannen in de Defensievisie indien deze in haar geheel wordt uitgevoerd?

Bij het doorrekenen van de keuzes voor investeringen wordt ook altijd het aantal benodigde arbeidsplaatsen berekend. Ook voor de maatregelen van de Defensienota van 2018 is dat gebeurd. In de personeelsrapportage van midden 2020 (Kamerstuk 35 570 X, nr. 5) is zodoende aangegeven dat de formatie tussen 1 januari 2018 en 1 juli 2020 is gegroeid met 5.861 functies (waarvan 2.890 burgerfuncties en 2.971 militaire functies). Ook voor nieuwe keuzes zal een becijfering plaatsvinden. Echter, toegroeien naar de 2%-norm van de NAVO is een budgettaire ontwikkeling en zegt niets over de samenstelling van de toekomstige krijgsmacht: meer geld betekent niet automatisch evenredig meer functies. Pas als duidelijk wordt hoe het budget op basis van de 2%-norm wordt ingevuld en welke keuzes daarvoor gemaakt worden, kan een eerste indicatie van het aantal benodigde mensen worden gegeven. Hierbij moet bovendien worden opgemerkt dat arbeidsextensiviteit een van de inrichtingsprincipes in de Defensievisie is. Hiervoor is gekozen met het oog op de demografische ontwikkelingen richting 2035 en verder, de technologische ontwikkelingen, de kansen om het beste uit onze mensen te halen en de veiligheid van onze mensen. In de komende jaren moet duidelijk worden op welke gebieden arbeidsextensiviteit mogelijkheden biedt en wat dit betekent voor het totaal aan arbeidsplaatsen. Daarnaast richt de Defensievisie zich op 2035; dat maakt het nog moeilijker om uitspraken over het aantal vacatures te doen.

32

Hoe komt het dat er na drie jaar investeringen in Defensie onder dit kabinet nog steeds te weinig middelen, voorraden en ondersteuning zijn?

Dit kabinet heeft significant extra geïnvesteerd in Defensie: € 1,7 miljard structureel, plus € 1,7 miljard incidenteel in deze kabinetsperiode. Met behulp van deze investeringen heeft Defensie stappen kunnen zetten om de voorraden te verhogen, de ondersteuning te versterken en de krijgsmacht te moderniseren – en kon een deel van het Nationaal Plan voor de NAVO (Kamerstuk 28 676, nr. 308) worden gerealiseerd. De maatregelen zijn een zeer belangrijke eerste stap, maar nog niet het eindstation. Het is aan volgende kabinetten om te bepalen welke additionele stappen wenselijk zijn. Wij hebben in de Defensievisie duidelijk gemaakt wat nodig is.

33

Houdt de Defensievisie 2035 ook rekening met een situatie waarin Nederland in een gewapend conflict alleen komt te staan zonder dat er partners of bondgenoten zijn die te hulp komen? Hoe bereidt Nederland zich op een dergelijke situatie voor?

Onze bondgenootschappen en allianties, zoals de NAVO en de EU, zijn gefundeerd op onderlinge solidariteit. Zowel binnen de NAVO (artikel 5) als de EU (artikel 42) is afgesproken dat bondgenoten elkaar ondersteunen in het geval van een (gewapende) aanval. Dit betekent dat Nederland mag vertrouwen op haar bondgenoten, net zoals onze bondgenoten ook op Nederland moeten kunnen vertrouwen.

De Defensievisie onderkent de noodzaak om in kaart te brengen wat Defensie te allen tijde zelfstandig moet bezitten om bijvoorbeeld te kunnen handelen bij een crisis binnen het Koninkrijk. Hiervoor is ook een politiek en maatschappelijk debat nodig over wat veiligheid waard is en welke risico’s men bereid is om te nemen. Bovendien is goede afstemming met (nationale) veiligheidspartners randvoorwaardelijk. Deze capaciteiten zal Defensie vervolgens, in overleg met haar veiligheidspartners, moeten kunnen garanderen in het geval van (nationale) crisis.

34

Is er bij de totstandkoming van de Defensievisie 2035 ook onderzoek gedaan naar de manieren waarop andere kleinere landen als Denemarken, Finland en Zweden hun Defensie organiseren? Zo ja, wat is daaruit geleerd en hoe is dat betrokken bij deze visie?

Een van de vele onderzoeken die zijn betrokken bij het opstellen van de Defensievisie 2035 is een onderzoek over de manieren waarop «vergelijkbare» landen hun defensieorganisaties aanpassen aan nieuwe manieren van conflictvoering, over het incorporeren van activiteiten in het cyberdomein en in de ruimte. Dat onderzoek heeft geresulteerd in het Clingendaelrapport «Witnesses to change: Defence transformation in comparative perspective», gepubliceerd in december 2019. De bevindingen van deze studie zijn meegenomen bij het opstellen van de visie. De conclusie van het onderzoek was o.a. dat er in andere landen steeds meer nadruk ligt op inlichtingen, surveillance, reconnaissance, elektronische oorlogsvoering, de ruimte en cyberactiviteiten en dat er, met name op het gebied van cyberactiviteiten, meer geïntegreerd wordt gewerkt met de private sector en kennisinstellingen. Ook bijvoorbeeld de rapporten van The Hague Center for Strategic Studies (HCSS) over de veranderingen in verschillende domeinen en aanbevelingen voor de Nederlandse defensieorganisatie zijn betrokken, waaronder de conclusies en aanbevelingen wat betreft het versterken van de innovatiefunctie, flexibele inzet van mensen, het modulaire karakter van middelen en het versterken van het anticiperend vermogen van de organisatie. Overigens heeft bijvoorbeeld Zweden recent besloten om de defensiebegroting vanwege de toegenomen dreigingen en COVD-19 te verhogen met 40%.

35

Is de kwestie van het chronische personeelstekort niet ook een kwestie van vraag en aanbod? Moet er niet een grondige aanpassing in de salarissen van militairen komen zodat voldoende mensen kunnen kiezen voor een loopbaan als militair? In hoeverre houden de plannen rekening met een structureel hoger aandeel van salarissen ten opzichte van uitgaven aan nieuw materieel?

Uiteraard is ook Defensie voor het invullen van de personeelsbehoefte afhankelijk van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Dat neemt niet weg dat er ook intern maatregelen kunnen worden genomen om de positie van Defensie op de arbeidsmarkt te versterken om zo in de behoefte aan personeel te kunnen voorzien. Die maatregelen strekken verder dan alleen de (primaire) arbeidsvoorwaarden.

In de personeelsrapportage (Kamerstuk 35 570 X, nr. 5) bent u geïnformeerd over de vertrekredenen bij het personeel. De top 3-vertrekredenen zijn de wijze waarop de organisatie wordt bestuurd, het gebrek aan loopbaan- en ontwikkelingsmogelijkheden, en de reistijd. Om aantrekkelijk te zijn voor nieuw personeel en zittend personeel te behouden, zet Defensie in op een nieuw en meer open personeelsmodel dat veel mogelijkheden tot maatwerk biedt. Belangrijke elementen van dat personeelsmodel zijn nieuwe aanstellings- en contractvormen en strategisch talent management. Nieuwe aanstellings- en contractvormen gaan zorgen voor meer mogelijkheden voor arbeidsduur en arbeidstijd, een betere werk/privébalans en een beter carrièreperspectief. Strategisch talent management zorgt ervoor dat capaciteiten en talenten van medewerkers centraal staan en worden ingezet waar de organisatie daar behoefte aan heeft. In overleg met de bonden wordt een bezoldigingsstelsel ontwikkeld dat bij dit alles aansluit. In proeftuinen wordt al enig tijd praktijkervaring opgedaan met elementen van het personeelsmodel. De proeftuinen kunnen worden gezien als fase 0 van het personeelsmodel.

Over het personeelsmodel en de proeftuinen bent u geïnformeerd op 10 februari jl. (Kamerstuk 35 300 X, nr. 54). Al deze maatregelen maken Defensie niet alleen een aantrekkelijker werkgever voor nieuw personeel, maar dragen ook bij aan behoud van personeel.

36

Betekent opschaalbaarheid dat er heel veel extra capaciteit aan mensen en middelen beschikbaar moet zijn? Is Defensie nu al op bepaalde aspecten opschaalbaar? Zo ja, welke?

Defensie moet flexibeler worden en in elke grootte en samenstelling inzetbaar zijn. De dreigingsanalyse vraagt dat we kleine zelfstandige eenheden direct ergens naartoe kunnen sturen, maar ook dat we grootschalig kunnen optreden (brigade, maritieme taakgroep, air wing).

In het kader van slagkracht, kwaliteit en samenwerking, gaan we daarom onder andere meer werken met flexibele schillen van personeel en materieel waarmee we snel kunnen op- en afschalen. In dit kader hebben we ons reservistennetwerk al met ruim 20% uitgebreid. Reservisten worden ook veel vaker ingezet: 2,5 miljoen uur in 2019, omgerekend 1.300 vte’en. Ook hebben we het proces voor de inhuur van tijdelijk extern burgerpersoneel vereenvoudigd.

We moeten ook de ondersteuning versterken en onze eenheden anders organiseren om zelfstandiger, sneller en langer op te kunnen treden, zowel in klein als in groot verband. Ook geeft de Defensievisie aan dat we over bepaalde capaciteiten te allen tijde zelfstandig moeten kunnen beschikken, juist om een korte reactietijd en adequaat opschalingsvermogen te kunnen garanderen.

Een goede samenwerking met het bedrijfsleven, kennisinstituten, andere overheidsorganisaties en maatschappelijke instanties is hierbij ook van belang. We hebben hierin de afgelopen jaren al flinke stappen gezet. Het gaat onder andere om samenwerking met bedrijven in de logistiek en transport en in het grondverzet, die modern materieel en gekwalificeerd personeel hebben waarvan Defensie gebruik kan maken op momenten dat dat nodig is. Andere voorbeelden zijn te vinden in de medische sfeer (Instituut Defensie Relatieziekenhuizen), bij verwerving van nieuw materieel (bijvoorbeeld door een deel van de totale behoefte adaptief in te vullen door het afsluiten van prestatiecontracten met de markt) en in het vergroten van de instructie- en opleidingscapaciteit door samenwerking met opleidingsinstituten. Deze initiatieven dragen bij aan het opschalingsvermogen van Defensie en ook de komende jaren zullen we deze mogelijkheden, in samenwerking met onze partners en het bedrijfsleven, verder uitbreiden.

37

Wordt onze defensie bij een grote afhankelijkheid van hoogwaardige technologie niet kwetsbaar, aangezien geavanceerdere techniek meestal ook storingsgevoeliger is?

Defensie ziet grote kansen in het gebruik van technologie ten behoeve van flexibiliteit, inzetbaarheid, schaalbaarheid en zelfstandigheid. Technologie kan menselijke fouten voorkomen en daarmee kwetsbaarheden verkleinen. Tevens kan het worden ingezet om de gevoeligheid voor verstoringen te verminderen. Voor Defensie is het essentieel dat het gebruik van nieuwe technologieën onder een betekenisvolle menselijke controle blijft staan, zoals internationaal is afgesproken.

Als we geen gebruik maken van nieuwe technologie zijn we niet in staat de veranderende dreigingen het hoofd te bieden, en zijn we per definitie kwetsbaar. Daarnaast moeten we kunnen blijven opereren wanneer de techniek het laat afweten.

38

Wanneer en bij welke gelegenheid is door bondgenoten geconcludeerd dat Nederland onvoldoende in staat is invulling te geven aan capaciteitsdoelstellingen? Hoe komt dat? Hebben de investeringen van dit kabinet deze situatie nog niet verholpen?

De NAVO-bondgenoten werken samen in het NAVO Defensieplanningsproces (NDPP) om te zorgen dat de capaciteiten van de bondgenoten elkaar aanvullen. Onderdeel van dit proces is de NATO Defence Planning Capability Review (DPCR). In deze DPCR maakt de NAVO een analyse van de staat van de Nederlandse krijgsmacht, inclusief de Nederlandse defensie-uitgaven.

De meest recente DPCR is vastgesteld tijdens de bijeenkomst van de NAVO-Ministers van Defensie op 22 en 23 oktober jongstleden. Het aan Nederland gewijde hoofdstuk is op 2 november jl. met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 28 676, nr. 347). In dit rapport constateert de NAVO dat Nederland stappen heeft gezet om tekortkomingen bij het invullen van de toegewezen capaciteitendoelstellingen te adresseren, dankzij de forse investeringen die dit kabinet heeft gedaan. De NAVO stelt vast dat Nederland geavanceerde, inzetbare en interoperabele eenheden inbrengt in het bondgenootschap, waarvan een groot deel van hoogwaardige kwaliteit.

Daarnaast is echter nog steeds sprake van significante tekortkomingen, zowel kwalitatief als kwantitatief. Die tekortkomingen liggen vooral op het vlak van slagkracht en operationele (gevechts-)ondersteuning (combat support en combat service support). De NAVO uit in dit rapport haar grote zorgen over de toekomstige ontwikkeling van het Nederlandse defensiebudget. De NAVO wijst in dit kader op het feit dat, bij ongewijzigd beleid, de defensie-uitgaven na 2022 zullen afnemen.

40

Op pagina 7 staat duidelijk dat niet alles tegelijk kan; wat wordt de prioritering van deze inrichtingsprincipes als het aan u ligt?

In de Defensievisie 2035 wordt aan de hand van drie eigenschappen en tien inrichtingsprincipes een nieuw profiel voor de defensieorganisatie geschetst. Het gaat om één profiel waarbinnen de inrichtingsprincipes elkaar aanvullen en versterken.

De opmerking dat niet alles kan en niet alles tegelijk kan, heeft betrekking op de balans tussen beleid en beschikbare middelen en op het feit dat we stapsgewijs naar het nieuwe profiel toewerken. We hebben overigens al belangrijke stappen gezet. Dit kabinet heeft fors geïnvesteerd in Defensie: € 1,7 miljard structureel, plus € 1,7 miljard incidenteel in deze kabinetsperiode. Volgende kabinetten zullen zich buigen over eventuele vervolgstappen.

41

Is er volgens u geen militaire dreiging te verwachten rond het Caribisch deel van het Koninkrijk de komende decennia? Indien u wel militaire dreiging verwacht, waarom komt dit dan niet terug in uw dreigingsanalyse?

De visie kijkt vijftien jaar vooruit en in de dreigingsanalyse is gekeken naar wat we in die tijdsperiode denken te kunnen verwachten. Het Caribisch gebied is daarbij genoemd in het kader van «onvoorspelbare natuurlijke dreigingen» (extreem weer), in het kader van «ontvlambare geopolitieke situaties», waarbij wordt gesteld dat ook het Caribisch gebied «geopolitieker» is geworden en er is gesteld dat de georganiseerde misdaad grootschaliger en gewelddadiger wordt, ook binnen ons Koninkrijk. In de Verdiepingsbijlage II «Inzetscenario’s 2035», is een fictief scenario opgenomen waarbij er wordt gevreesd dat grensconflicten in het noorden van Zuid-Amerika militair escaleren en de regio zullen destabiliseren. Terwijl dit dus momenteel nog geen waarschijnlijke dreiging is, zou de impact op onze veiligheid significant zijn. Defensie moet dus ook op een dergelijk scenario voorbereid zijn.

42

Ziet u ook het risico dat de drempel voor het aangaan van een conflict lager komt te liggen door de optie om hybride oorlogsinstrumenten, zoals cyber, in te zetten? Zo ja, deelt u de analyse dat regulering in het internationale domein voor hybride oorlogsinstrumenten van kritiek belang is?

Voor tegenstanders is de drempel voor hybride conflictvoering onder het niveau van een gewapend conflict inderdaad lager dan voor een openlijk militair conflict. Bij een hybride conflict versluiert de tegenstander namelijk zijn activiteiten. Als ze hierop dan toch worden aangesproken, dan ontkennen ze die glashard of bedenken «alternatieve feiten». De activiteiten kunnen bestaan uit een mix van economische spionage, cyberaanvallen, militaire intimidatie, aanvallen met chemische wapens en/of ondermijnende desinformatie. Door deze handelwijze onttrekken statelijke tegenstanders zich doelbewust aan het geldende internationaal (oorlogs)recht. Samen met partners zal Nederland opponenten hierop altijd blijven aanspreken. Verder draagt Nederland bij aan de internationale discussie over hybride conflicten en de ontwikkeling van een normenstelsel. Een aanzet hiertoe is het recente rapport van HCSS getiteld From Blurred Lines to Red Lines, How Countermeasures and Norms Shape Hybrid Conflict (2020) dat in opdracht van het kabinet is opgesteld. Samen met het Europese Centre of Excellence on Hybrid Threats in Helsinki organiseert Nederland hierover in 2021 een internationaal seminar.

43

Hoe draagt Nederland met de uitvoering van de Defensievisie 2035 bij aan een effectief weerwoord op zowel conventionele/traditionele militaire dreigingen (bijvoorbeeld van de Russische landmacht) als zeer moderne militaire technologieën (Russische hypersone wapens, Chinese robots, etc.)?

Door invulling te geven aan de drie eigenschappen en tien inrichtingsprincipes wil Defensie zich zo gaan richten en inrichten dat nu en in de toekomst de Nederlandse belangen kunnen worden beschermd tegen de in de Defensievisie onderkende dreigingen. Hieronder vallen zowel de conventionele dreigingen als de meer nieuwe dreigingen, zoals hybride conflictvoering en dreigingen in het cyberdomein. Al deze vormen van dreiging manifesteren zich namelijk nu en in de toekomst, en het is daarom essentieel dat Defensie, gezamenlijk met zijn partners en bondgenoten, daarop een antwoord heeft. Door in te zetten op een technologisch hoogwaardige en informatiegestuurde organisatie voorkomen we dat we achterop komen te lopen bij potentiële tegenstanders die hierin investeren. Als het erop aankomt, moeten we de strijd immers kunnen winnen.

44

Kunt u aangeven wat de afgelopen kabinetsperiode had moeten gebeuren om ervoor te zorgen dat Defensie wél toegerust zou zijn op het verdedigen tegen hybride dreigingen en optreden in de informatieomgeving?

Na jaren van bezuinigingen investeerde dit kabinet fors in Defensie (€ 1,7 mld. structureel en € 1,7 mld. incidenteel over de periode tot en met 2024). In de Defensienota 2018 is uiteengezet welke maatregelen worden genomen om stappen te zetten richting een informatiegestuurde krijgsmacht die is opgewassen tegen technologisch hoogwaardige tegenstanders en hybride dreigingen. Zo investeerde Defensie deze kabinetsperiode onder andere in cyber, inlichtingen, IT, informatievergaring en het gehele informatiedomein, inclusief de MIVD, en zijn wapensystemen vervangen of gemoderniseerd.

Tegelijkertijd heeft Defensie daarbij steeds gezegd dat dit slechts een eerste stap was en dat de NAVO er op wees dat Defensie, ondanks de investeringen, veel van de capaciteitendoelstellingen nog niet of onvoldoende kon verwezenlijken. De Defensienota en het Nationaal Plan voor de NAVO stelden dan ook dat een verdere stapsgewijze groei in het kader van de zogeheten lange lijnen naar de toekomst nodig was. In dit kader kijkt de Defensievisie 2035 nu hoe de dreiging zich sinds 2018 heeft ontwikkeld, wat we in 2035 moeten kunnen en koppelt daar een financieel overzicht aan.

45

Hoeveel extra budget is nodig om Defensie (op termijn) voldoende toegerust te laten zijn om adequaat te kunnen verdedigen tegen hybride dreigingen en op te kunnen treden in de informatieomgeving?

Domeinoverschrijdende hybride dreigingen zijn complex en manifesteren zich op veel verschillende manieren en (beleids)terreinen (zie ook het antwoord op vraag 42). De bestrijding van deze dreiging vergt een geïntegreerde aanpak van Defensie met andere departementen en veiligheidspartners. Daarbij kunnen zo nodig alle capaciteiten van Defensie worden ingezet. De mate waarin Defensie in staat is een adequaat antwoord te genereren op hybride dreigingen hangt dus sterk samen met een volledige inzet op alle drie de eigenschappen en de tien inrichtingsprincipes die samen met het bijbehorende financiële overzicht in de Defensievisie zijn weergegeven.

Het huidige kabinet heeft een belangrijke eerste stap gezet met forse investeringen. Het is aan volgende kabinetten in hoeverre hier verder invulling aan wordt gegeven. Als we álle behoeften zo goed mogelijk inrichten, dan is daarvoor structureel € 13 tot € 17 mld. extra nodig, zoals aangegeven in de Defensievisie. Juist vanwege de aard van hybride dreigingen kan dit niet worden uitgesplitst.

46

Houdt de Defensievisie 2035 ook rekening met de mogelijke situatie dat bondgenoten tegenover elkaar komen te staan, zoals nu bijvoorbeeld gebeurt tussen NAVO-leden Griekenland en Turkije? Zo ja, hoe?

In de probleemanalyse van de Defensievisie 2035 wordt als één van de problemen aangeduid dat Defensie het niet alleen kan, maar dat er verdeeldheid heerst in vertrouwde samenwerkingsverbanden. Met die situatie wordt dus rekening gehouden. De conclusie is dat het in ons belang is om aan de ene kant NAVO sterk te houden en aan de andere kant dat Europa (en dus ook Nederland) de komende vijftien jaar op het gebied van veiligheid (net als op andere strategische dossiers) zelfredzaam dient te worden en in staat moet zijn om de eigen belangen te verdedigen. Daarvoor is het nodig dat de Europese defensiebudgetten groeien (naar minimaal de NAVO-norm) en dat we daarmee zowel Europa als de NAVO sterker maken.

47

Is Defensie van plan om software te gaan gebruiken die compatibel is met de software van Europese bondgenoten?

Defensie werkt op alle niveaus samen, binnen de eigen organisatie en met partners. Die samenwerking is breder dan alleen met Europese bondgenoten; denk bijvoorbeeld aan andere NAVO-partners of civiele partners binnen Nederland. Aangezien partners verschillende softwarevarianten gebruiken en dit voortdurend in ontwikkeling is, moet Defensie zorgen dat de interoperabiliteit geborgd is. Dit geldt zowel op de koppelvlakken tussen de diverse systemen binnen de eigen organisatie als met de systemen van partners. Daarom stellen we bij de verwerving van nieuwe systemen de eisen zoveel mogelijk samen met partners vast.

48

Waarom is gekozen voor specifiek de drie eigenschappen Technologisch hoogwaardig, Informatiegestuurd in organisatie en optreden en Betrouwbare partner en beschermer?

51

Waarom is gekozen voor specifiek de in de Defensievisie geformuleerde tien inrichtingsprincipes?

De geselecteerde eigenschappen en inrichtingsprincipes zijn bepaald op basis van de dreigingsanalyse en de probleemanalyse. De eigenschappen geven weer wat onze defensieorganisatie in 2035 op het hoogste conceptuele niveau, moet zijn om een relevante, geloofwaardige defensieorganisatie te blijven die kan blijven verdedigen wat ons dierbaar is. De tien inrichtingsprincipes geven vervolgens op het niveau daaronder aan wat daarvoor noodzakelijk is.

De eigenschappen en inrichtingsprincipes vormen samen een nieuw profiel van de defensieorganisatie waarmee zij ook in 2035 haar taken goed kan vervullen (het «wat»). De uitwerking welke capaciteiten of eenheden daar dan bij horen (het «hoe») is de volgende fase en hangt samen met het te voeren politieke en maatschappelijke debat over wat veiligheid ons waard moet zijn.

49

Wat bedoelt u precies met «we specialiseren ons in het opbouwen en behouden van een gezaghebbende informatiepositie»? Welke extra capaciteiten wilt u creëren/aanschaffen om deze ambitie te realiseren?

De Defensievisie 2035 laat zien dat veranderingen in het dreigingsbeeld vragen om veranderingen in onze defensieorganisatie. De visie gaat niet in op welke specifieke capaciteiten aangeschaft (moeten) gaan worden. Dat hangt af van het toekomstige budget en toekomstige keuzes. Dat gebeurt in de Defensienota. De noodzaak om een gezaghebbende informatiepositie te bouwen en te behouden, wordt verder onderbouwd in inrichtingsprincipe vijf van de Defensievisie («Gezaghebbende informatiepositie») en zal in de uitwerking van de visie door volgende kabinetten verder gespecificeerd worden.

50

Kunt u concreet maken wat u bedoelt met dat u wil dat Europa sterker en zelfstandiger moet optreden? Hoe moet Nederland dit gaan aanjagen?

De militaire mogelijkheden van Europa moeten worden vergroot, zodat Europa meer verantwoordelijkheid kan nemen voor de eigen veiligheid en de behartiging van de Europese veiligheidsbelangen. Bij inrichtingsprincipe 8 («Inzetten op een sterker, zelfredzamer Europa») staat verwoord wat we daar in ieder geval voor moeten doen.

In dit verband wordt ook verwezen naar de recente kabinetsreacties op het AIV-briefadvies «Europese veiligheid»: tijd voor nieuwe stappen» en op de evaluatie van de Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van het Europese veiligheids- en defensiebeleid in de periode 2016–2019.

52

Betekent de inzet op arbeidsextensieve capaciteiten (inrichtingsprincipe 1) dat actief wordt toegewerkt naar het vervangen van mensen door robotica en autonome systemen? Wat betekent dit inrichtingsprincipe voor de werving van nieuw personeel en het behoud van bestaand personeel?

Het vervangen van mensen door robotica is geen doel op zich. Het gaat om het bereiken van het gewenste effect: het zijn van een technologisch hoogwaardige en informatiegestuurde organisatie die in staat is om te gaan met de dreigingen en problemen van de toekomst. De mens is en blijft het hart van die organisatie. Automatisering, digitalisering en robotisering bieden kansen om meer effect te kunnen bereiken en om mensen in te kunnen zetten daar waar hun kwaliteiten de meeste meerwaarde hebben. De eisen die aan mensen worden gesteld kunnen in de loop van de tijd wel veranderen, wat onderstreept dat we onze mensen moeten blijven opleiden en trainen.

53

Wat is nu de variatie in reactietijden? Wat zijn de gewenste reactietijden waar Defensie naar toe wil, en waarom?

Nederland heeft zich internationaal gecommitteerd aan NAVO en EU afspraken omtrent de reactietijden voor eenheden. Deze variëren van 2 tot 90 dagen. Defensie opereert namelijk in een internationale context waarin onder het gezag van een internationale organisatie afspraken tot stand komen over reactietijden.

Een korte reactietijd, voorzettingsvermogen en opschalingsvermogen zijn ook essentieel voor de inzet van Defensie bij crises binnen het Koninkrijk. Hierover maakt Defensie afspraken met zijn nationale veiligheidspartners.

Het is essentieel dat Defensie kan voldoen aan de reactietijden die nationaal en internationaal zijn vereist. Defensie moet om hieraan (blijvend) te kunnen voldoen nog stappen zetten. Een constant goede operationele gereedheid en voldoende voorraden en ondersteuning, zijn hierbij essentieel. Zoals in de Defensievisie staat wil Defensie dit op een slimme manier organiseren. Dat betekent enerzijds dat Defensie bepaalde capaciteiten altijd autonoom moet kunnen leveren, waardoor reactietijden worden verkort en capaciteiten zijn gegarandeerd. Anderzijds betekent dat ook dat wanneer er sprake is van een kortere reactietijd of lagere gereedheid we meer gebruik gaan maken van schaalbare oplossingen, die deels buiten Defensie zijn georganiseerd.

54

Wat voor specifieke data heeft de toekomstige krijgsmacht vooral nodig? Naast het gebruiken van deze data moet het ook vergaard worden; hoe doet de krijgsmacht dit en aan welke privacy-kwesties raakt dit?

De toekomstige krijgsmacht zal onder andere data gebruiken uit open bronnen, haar eigen (wapen)systemen, sensoren, satellieten en inlichtingen van de MIVD. We moeten dit soort informatie kunnen ontsluiten, filteren, verwerken, analyseren, erop kunnen sturen en naar kunnen handelen om onze kerntaken uit te voeren. Eigenlijk is informatie voor Defensie net zo belangrijk als brandstof voor een auto.

Defensie werkt nu en in de toekomst binnen wettelijke kaders. De inzet van nieuwe technologie kan fundamentele ethische en maatschappelijke vragen oproepen, daarom participeert Defensie in interdepartementale en internationale trajecten om deze publieke waarden te blijven beschermen. Defensie heeft taken ten behoeve van nationale veiligheid, waarbij bijvoorbeeld de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) (2017) de noodzakelijke bevoegdheden geeft aan de inlichtingendienst om in het kader van de nationale veiligheid de burgers bescherming te kunnen bieden. Hierbij wordt altijd in ogenschouw genomen dat het middel niet erger is dan de kwaal.

55

Heeft u een idee over hoe de door u gewenste «Ruimtestrategie» eruit moet komen te zien, of is uw strategie ertoe beperkt dat er een strategie moet komen?

57

Hoe gaat Nederland bijdragen aan de escalatiedominantie in de ruimte?

Zoals aangekondigd in de Defensievisie komt er een ruimtestrategie waarin de ambitie van Defensie in dit domein nader zal worden zal toegelicht. Hierbij zal stil worden gestaan bij de toegenomen risico’s, huidige en toekomstige dreigingen en het belang van het militair gebruik van de ruimte voor Defensie en haar partners. De ruimtestrategie zal voor de zomer van 2021 worden aangeboden aan de Kamer.

56

Beperkt uw visie zich ertoe dat er sprake moet zijn van betere samenwerking en interoperabiliteit tussen de partners in het Nederlandse cyberbeveiligingsnetwerk, of heeft u ook ideeën over hoe dit gerealiseerd moet worden? Zo ja, welke?

Defensie is een cruciale partner in het Nederlandse cybersecuritylandschap. Samen met strategische partners zoals het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC), de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD), de Politie en het OM zijn defensiemedewerkers dagelijks bezig om Nederland ook digitaal veilig te houden. Een voorbeeld van dit soort samenwerkingsverbanden is de Cyber Intel/Info Cell, waar sinds deze zomer medewerkers van bovengenoemde organisaties fysiek bij elkaar zitten om relevante informatie zo snel mogelijk te kunnen delen.

Daarnaast is Defensie aangehaakt bij het Nationaal Respons Netwerk, een samenwerkingsverband tussen o.a. Defensie, NCSC en Rijkswaterstaat waar kennis en informatie wordt gedeeld. Ook kunnen de organisaties bij crises een beroep op elkaars schaarse cyberpersoneel doen. Deze twee voorbeelden laten zien dat Defensie een belangrijke speler in het nationale cybersecuritylandschap is. Zowel als bron van informatie en inlichtingen als door het beschikbaar hebben van cruciale personele capaciteit. De wereld staat echter niet stil dus blijft Defensie continu bezien welke rol zij moet spelen in het cyberlandschap en of zij nog is aangehaakt bij de juiste initiatieven.

58

Hoe wilt u de openheid over desinformatie(campagnes) vorm gaan geven? Gaat de MIVD en/of het DCC (periodiek) informatie publiceren over desinformatie?

Om de weerbaarheid te verhogen, is bredere bewustwording van de dreiging van desinformatie van groot belang. Openheid over desinformatiecampagnes kan daaraan bijdragen. Dit doet Defensie overigens altijd in samenspraak met de betrokken ministeries en inlichtingen- en veiligheidsdiensten binnen de Rijksbrede aanpak desinformatie. Wanneer daar aanleiding toe is, kan Defensie, indien mogelijk en wenselijk, in het openbaar communiceren over onderkende desinformatiecampagnes en -incidenten.

59

Welke concrete aanpassingen in de opleidingen bent u voornemens in gang te gaan zetten?

In deze visie kijkt Defensie vooruit naar een situatie waarin opleidingen steeds meer aansluiten bij de buitenwereld. Concreet passen we opleidingen aan zodat kwalificaties, certificaten en diploma’s van militaire vakopleidingen buiten Defensie sneller herkend en beter gewaardeerd worden. Daarbij valt te denken aan technische, logistieke of medische opleidingen in militaire context. Naast militaire vaardigheden gaat het ook om opleidingen gericht op individuele kwaliteiten zoals didactiek en leiderschap. Dit alles met als doel dat uitwisselbaarheid van personeel met de buitenwereld verder toeneemt. Tegelijkertijd nemen we ook de huidige opleidingen onder de loep zodat ze meebewegen met de technologische mogelijkheden, waardoor we ook uitval willen voorkomen.

60

In hoeverre draagt uitvoering van de Defensievisie 2035 bij aan het legitimeren en mogelijk maken van een Europees leger?

De Defensievisie maakt duidelijk dat de kabinetsinzet is gericht op het vergroten van de militaire mogelijkheden van Europa om meer verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen veiligheid en de behartiging van de Europese veiligheidsbelangen. Dat doen we door Europese defensiesamenwerking te intensiveren en door meer in te zetten op interoperabiliteit, standaardisatie en specialisatie. De langdurige samenwerking met onze strategische partners bewijst dat dit niet leidt tot een verlies van soevereiniteit. Het kabinet acht het van essentieel belang de soevereiniteit te behouden om te besluiten waar mensen en middelen in te zetten.

Van de vorming van een Europees leger is geen sprake, ook niet van het legitimeren daarvan. Er zijn civiele en militaire EU-missies op onder meer het gebied van capaciteitsopbouw, training en crisismanagement. Lidstaten, waaronder Nederland, beslissen zelf of zij bijdragen leveren aan deze missies of niet.

61

Hoe draagt de Defensievisie 2035 bij aan het nakomen van afspraken in EU- en NAVO-verband inzake budget, capaciteit, inzet en gereedheid?

In de Defensievisie wordt beschreven welke keuzes er richting 2035 voorliggen om onze belangen op een slimme en technologisch hoogwaardige manier te beschermen. Het is geen document dat nieuwe middelen verdeelt en concrete materieel- of personeelsmaatregelen doorvoert. Dat zijn zaken waar een Defensienota voor is.

Gelet op de veranderende veiligheidssituatie is het onder meer noodzakelijk dat Europa meer verantwoordelijkheid neemt voor de eigen veiligheid. Daarmee versterken we ook de NAVO. Wij moeten hier als Nederland onze verantwoordelijkheid in nemen, zodat we een betrouwbaar partner en bondgenoot zijn. Dit is een belangrijk element van de Defensievisie.

Dit kabinet heeft al fors geïnvesteerd in Defensie. Hiermee zijn stappen gezet, ook op het terrein van onze internationale verplichtingen. Volgende kabinetten zullen zich buigen over eventuele vervolgstappen.

62

Welke concrete stappen wilt u gaan zetten in het intensiveren van de samenwerking tussen defensieorganisaties in Europa?

De twee belangrijkste organisaties voor de veiligheid van Nederland zijn de NAVO en de EU (elk op hun eigen wijze). Zoals in de Defensievisie is aangegeven zet Nederland in op een versterking van beide organisaties. Ook hecht Nederland belang aan een intensivering van de samenwerking tussen de EU en de NAVO. Daartoe zijn al de nodige initiatieven in gang gezet, onder meer op gebied van hybride dreigingen, het cyberdomein en terrorismebestrijding. Hierover vindt regulier overleg plaats op politiek, militair en ambtelijk niveau tussen beide organisaties. Nederland speelt een voortrekkersrol op het gebied van militaire mobiliteit. Dit is bij uitstek een terrein waar goede samenwerking tussen de EU en de NAVO van belang is, aangezien deze organisaties een goede complementaire rol kunnen vervullen.

De samenwerking tussen nationale defensieorganisaties van de EU-lidstaten op het terrein van capaciteitsontwikkeling en inzet wordt de komende tijd versterkt door middel van de permanent gestructureerde samenwerking (PESCO) en het Europees Defensiefonds. Voor de strategische partners van Nederland op defensiegebied geldt dat het kabinet voortdurend kijkt naar mogelijkheden om de samenwerking verder te verdiepen in bilateraal, bijvoorbeeld met België en Duitsland, en/of multilateraal verband, bijvoorbeeld in het kader van de European Intervention Initiative, de Joint Expeditionary Force en de Northern Group.

63

Hoe wilt u «nog sterker» gaan pleiten voor interoperabiliteit en standaardisatie binnen de EU en de NAVO dan u nu al doet?

We pleiten nu al voor interoperabiliteit en standaardisatie en we gaan die beleidslijn verder aanscherpen door dit te benadrukken bij partners en bij de aanschaf van middelen. Dat geldt ook voor het pleiten voor goede afstemming van EU- en NAVO-processen. Bilaterale samenwerkingen, net als de samenwerking tussen de EU en de NAVO willen we, op operationeel, strategisch en politiek vlak naar een hoger niveau tillen. Interoperabiliteit en standaardisatie spelen daarbij een belangrijke rol.

64

Kunt u aangeven welk budgettair groeipad u voor ogen hebt om de 2%-norm van de NAVO na te leven? Zo nee, is deze passage in de visie dan niet een beetje gratuit?

75

Waaruit wilt u het door u gewenste groeipad naar € 16 miljard structureel in 2035 financieren? Wilt u dit financieren door het laten oplopen van de staatsschuld, lastenverzwaring of bezuiniging op overheidsuitgaven?

In de Defensievisie staat weergegeven wat er voor Defensie nodig is om de Nederlandse belangen nu en in de toekomst te blijven beschermen. Het is essentieel dat op basis hiervan het politieke en maatschappelijke debat gevoerd wordt over wat veiligheid ons waard moet zijn.

In de Defensievisie is een grafiek opgenomen, met daarin verschillende opties voor budgettaire groeipaden. Hierin is onder meer een groeipad uitgewerkt om in 2024 te voldoen aan de NAVO-norm. Het gaat daarbij in 2024, afhankelijk van de economische ontwikkelingen, om circa € 5–7 mld. extra ten opzichte van de huidige begroting. Het huidige kabinet heeft een eerste stap gezet met significante additionele investeringen in Defensie. Het is aan volgende kabinetten in hoeverre hier verdere invulling aan wordt gegeven en binnen welk tijdspad. Want niet alles kan en niet alles kan tegelijk, dus zijn keuzes noodzakelijk.

65

Hoe is «onze geloofwaardigheid» er precies bij gebaat om enerzijds vol te houden dat Nederland streeft naar de 2%-norm, terwijl er in de verste verte niet een begin van een plan is om daaraan te gaan voldoen?

In de Wales Pledge hebben de NAVO-bondgenoten in 2014 afgesproken ernaar te streven om toe te groeien naar 2% BBP uitgaven aan Defensie in tien jaar tijd. Nederland is gecommitteerd aan de NAVO-norm en de gemaakte afspraken met onze bondgenoten. We staan samen aan de lat om onze gezamenlijke veiligheid te beschermen. Daarvoor is onderlinge solidariteit en geloofwaardigheid vereist. Het is voor de effectiviteit van Defensie essentieel dat we een betrouwbare en geloofwaardige bondgenoot zijn en blijven.

72

Zijn er bondgenoten die zich al actief specialiseren in bepaalde taken? Zo ja, welke landen, en welke specialisaties betreft het?

Specialisatie begint vaak bij het intensiveren van samenwerkingen en met pooling and sharing van capaciteiten. Dat gebeurt al regelmatig tussen bondgenoten. Het is gelet op de uitgaven voor het verwerven en gereedstellen van militaire capaciteiten te land, ter zee, in het

lucht-, ruimte- en cyber-/informatiedomein voor de meeste landen noodzakelijk keuzes te maken en in bepaalde mate te specialiseren. Het NDPP van de NAVO helpt daarbij. Dat kunnen keuzes tussen en binnen die domeinen zijn, waarbij ook bezien wordt in welke operationele context eenheden bij voorkeur zouden kunnen worden ingezet, bijvoorbeeld bij stabilisatiemissies of bij missies hoger in het geweldsspectrum, en keuzes over hoeveel voortzettingsvermogen moet worden beschikt. Zo zijn er landen die over relatief veel zware eenheden beschikken en landen die zich concentreren op lichtere en ook gespecialiseerde eenheden.

73

Hoe verhoudt zich de wens om verder in een aantal op p. 37 genoemde specialismen te investeren tot het nationaal plan voor de NAVO uit 2018, en dan met name de daarin genoemde prioriteit van vuurkracht op land?

74

Welke rol heeft de Luchtmobiele Brigade binnen de op p. 37 genoemde specialismen? In het bijzonder, krijgt de rol van ondersteuning bieden aan Special Operations Forces hierin een groter belang?

De Defensievisie gaat over de eigenschappen en inrichting van de organisatie richting 2035 (het «wat»). Welke capaciteiten en eenheden er nodig zijn om richting 2035 succesvol op te kunnen treden (het «hoe») wordt in de komende fase (door volgende kabinetten) verder uitgewerkt en hangt samen met het te voeren politieke en maatschappelijke debat over wat veiligheid ons waard moet zijn.

Elk land heeft een natuurlijke focus op bepaalde capaciteiten en type inzet. Door van die respectievelijke meerwaarde gebruik te maken, kunnen we gezamenlijk meer effecten bereiken en de kwaliteit van ons optreden verhogen. Dat betekent uiteindelijk dat we dingen niet meer gaan doen. Er zijn nu nog geen keuzes gemaakt om welke zaken dat gaat, omdat we dat samen met onze NAVO- en EU-partners willen invullen. Specialisatie is bovendien niet van de één op de andere dag gerealiseerd. Het is een langdurig proces.

Een belangrijk element van de Defensievisie is dat we als Nederland verantwoordelijkheid moeten nemen voor onze veiligheid, zodat we een betrouwbaar partner en bondgenoot zijn. Het invulling geven aan de capaciteitendoelstellingen van de NAVO en de EU, waarbij we capaciteiten prioriteren die zowel in NAVO- als in EU-verband noodzakelijk zijn en die de EU helpen om ook in het hoogste geweldsspectrum op te kunnen treden, maakt daar onderdeel van uit. Dit kabinet heeft fors geïnvesteerd in Defensie. Omdat het extra geld onvoldoende is om alle prioriteiten uit het Nationaal Plan in te kunnen vullen, zijn er keuzes gemaakt. Volgende kabinetten zullen zich buigen over eventuele vervolgstappen.