Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834880 nr. 1

34 880 Evaluatie Jeugdwet

Nr. 1 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 januari 2018

Hierbij zenden wij u de «Eerste evaluatie Jeugdwet» 1 die wij vandaag – samen met de VNG – in ontvangst hebben genomen. Hiermee voldoen wij aan artikel 12.2 Jeugdwet om binnen 3 jaar na inwerkingtreding van de Jeugdwet verslag uit te brengen over de doeltreffendheid en effecten van de wet in de praktijk. De Tweede Kamer heeft najaar 2013 bij amendement de oorspronkelijke evaluatietermijn vervroegd van 5 naar 3 jaar (Kamerstuk 33 684, nr. 30). Vervolgens heeft de Tweede Kamer voorjaar 2016 bij motie verzocht de evaluatie als een tussenevaluatie aan te merken.2

De onderzoekers constateren dat de transformatiedoelen van de Jeugdwet breed worden gedragen, door zowel gemeenten als aanbieders. Ze constateren ook dat de gewenste transformatie «grotendeels nog vorm moet krijgen» en dat een dergelijk grote verandering zoals met de Jeugdwet in gang is gezet nu eenmaal tijd kost. De bijgevoegde evaluatie van de Jeugdwet bevestigt eerdere bevindingen (o.a. TAJ-rapportage april 2017 (bijlage bij Kamerstuk 31 839, nr. 572), Monitor Sociaal Domein 2016 (bijlage bij Kamerstuk 34 477, nr. 29) en de periodieke voortgangsrapportages aan de Kamer) dat weliswaar op veel plaatsen in het land gemeenten en aanbieders veelbelovende initiatieven zijn gestart, maar dat de vernieuwing van de jeugdhulp (transformatie) over de volle breedte nog onvoldoende van de grond is gekomen.

Opzet en uitvoering evaluatie

De bijgevoegde evaluatie is gebaseerd op vier deelstudies en laat zien hoe de per 1 januari 2015 ingevoerde Jeugdwet uitpakt voor kinderen en ouders, gemeenten als regisseurs van het jeugdbeleid en voor jeugdhulpaanbieders en -professionals. Daarnaast wordt ingegaan op de werking van het juridisch instrumentarium van de wet. Voor de evaluatie zijn de ontwikkelingen tot en met de zomer van 2017 meegenomen. De ontwikkeling van en implementatie van beleid naar aanleiding van de invoering van de Jeugdwet zijn tijdens en na de evaluatie nog in volle gang. De evaluatie geeft dus in die zin echt een tussenstand.

De wetsevaluatie is uitgevoerd door een samenwerkingsverband van onderzoeksinstellingen (Nivel, NJi, SCP, Universiteit Leiden, Stichting Alexander en twee academische werkplaatsen Jeugd (Groningen en Tilburg)) onder verantwoordelijkheid van ZonMw. De evaluatie is begeleid door een breed samengestelde onafhankelijke begeleidingscommissie, volgens de daarvoor geldende ZonMw-procedures.3 Wij spreken onze waardering uit naar de onderzoekers dat het hen is gelukt om onder grote tijdsdruk een treffend overzicht te geven van de veranderingen die in de jeugdsector gaande zijn als gevolg van de Jeugdwet. De evaluatie levert al met al een mooie agenda op voor een gezamenlijke aanpak van gemeenten, jeugdhulpaanbieders en Rijk om de transformatie van de jeugdhulp verder te brengen.

Algemeen beeld

Hoofdconclusie onderzoekers:

«De veranderingen sinds invoering van de Jeugdwet zijn vooral te kenmerken als transitie, de gewenste transformatie, gericht op de realisatie van de doelen van wet, moet grotendeels nog vorm krijgen.»4

Op hoofdlijnen is het beeld:

  • Ouders zijn over het algemeen positiever over de ontvangen jeugdhulp dan over de weg er naartoe. Vooral de gezinnen die de hulp het hardste nodig hebben – bijvoorbeeld eenoudergezinnen en gezinnen met een laag inkomen – hebben grote moeite om hun weg te vinden in de jeugdhulp. Ouders in het onderzoek constateren een toenemend beroep op eigen kracht. De onderzoekers constateren dat op het moment van de evaluatie nog geen sprake is van een verminderd beroep op gespecialiseerde hulp zoals beoogd met de Jeugdwet. Ook is nog niet zichtbaar dat op grote schaal wordt ingezet op preventie.

  • Veel gemeenten zijn op de goede weg met de transformatie van de jeugdhulp. Een grote minderheid van gemeenten geeft echter aan dat ze hun zaken nog niet goed op orde hebben. Veel gemeenten komen nog onvoldoende toe aan een goede verbinding met andere domeinen, zoals het onderwijs, schuldhulpverlening of de Wmo en bij de overgang naar volwassenheid (18-/18+). Door gemeenten is de budgettaire krapte op dit moment het meest genoemde knelpunt.

  • Aanbieders van jeugdhulp en jeugdprofessionals hebben – zoals ook in de eerdere voortgangsrapportages aan uw Kamer gemeld – zorgen over de kwaliteit van wijkteams, de regels rond aanbesteden en administratieve lasten. De onderzoekers constateren ook dat het in het gedwongen kader nog onvoldoende lukt om tijdig passende hulp te organiseren. Als een rechter aan een jongere specifieke hulp oplegt, dan dient deze ook door de gemeente te zijn ingekocht.

  • In de juridische deelstudie (hfdst 2) wordt een spanning gesignaleerd tussen de juridische waarborgen van de Jeugdwet enerzijds en een doelmatige uitvoering van de Jeugdwet anderzijds, waaronder het leveren van maatwerk. Volgens de onderzoekers is een herbezinning op de vrijheidsbeperkingen bij gesloten jeugdhulp nodig.

Vervolg

De Kamer ontvangt in april 2018 het programma «Zorg voor Jeugd» met als hoofdopgave: kinderen en jongeren met problemen ontvangen op tijd goede en effectieve jeugdhulp zodat ze veilig, gezond en kansrijk opgroeien.

Wij willen het rapport nu eerst op regionale en landelijke «ronde tafels» bespreken met gemeenten, instellingen en cliënten om daarna in april a.s. een afgewogen beleidsreactie te kunnen geven. Bij de ronde tafels zijn vragen aan de orde zoals: Wordt het beeld van de evaluatie herkend? Wat is het specifieke beeld in een regio? Wat lukt er regionaal wel en wat niet? Wat is nodig om de transformatie verder te brengen? Welke inzet is daarvoor nodig van de verschillende partijen? Wat is nodig van het Rijk? Wat is nodig voor de inrichting van een continu leerproces?

Daarnaast gaan we de uitkomsten van de evaluatie bespreken in (bestuurlijk) overleg met cliënten, gemeenten en branches om daarna uw Kamer in de loop van april a.s. te kunnen informeren over de conclusies die we uit de evaluatie trekken en het vervolg dat we aan de evaluatie gaan geven met het toegezegde programma «Zorg voor de Jeugd». Daarbij zullen we uw Kamer ook informeren over de uitkomsten van de regionale en landelijke ronde tafels en de in voorbereiding zijnde TAJ – rapportage 2017.

Tot slot

In onze brief van 27 november 2017 (Kamerstuk 31 839, nr. 606) over de maatschappelijke opgaven zorg voor jeugd – die we in het wetgevingsoverleg van 4 december 2017 met uw Kamer hebben besproken (Kamerstukken 34 775 XVI en 34 775 VI, nr. 112) – hebben we aangegeven dat met de decentralisatie van de jeugdhulp en jeugdbescherming een goede beweging in gang is gezet. We hebben ook geconstateerd dat deze kabinetsperiode nog forse inspanningen nodig zijn van gemeente, jeugdhulpaanbieders en Rijk om de veranderdoelen van de Jeugdwet te realiseren. Zorg en ondersteuning realiseren die zoveel mogelijk dicht bij huis plaatsvindt en aansluit bij wat nodig is. Om de Jeugdwet tot een succes te maken zijn afspraken nodig over wat je op welk niveau organiseert. Ordening, uniformering en samenwerkingsbereidheid is nodig in de jeugdsector. Om ruimte te creëren voor vernieuwing.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Kamerstuk 31 839, nr. 516

X Noot
4

Zie hdst 8 samenvatting,conclusies en aanbevelingen (zie par. 8.2)