Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834811-(R2092) nr. A;1

34 811 (R2092) Wijziging van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken; Kigali, 15 oktober 2016

A/ Nr. 1 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State)

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 17 oktober 2017.

De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens een van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer of door de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao of Sint Maarten te kennen worden gegeven uiterlijk op 16 november 2017.

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 oktober 2017

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 5, eerste en tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen de op 15 oktober 2016 te Kigali tot stand gekomen wijziging van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken (Trb. 2016, nr. 199 en Trb. 2017, nr. 96).

Een toelichtende nota bij deze wijziging van het Protocol treft u eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt voor het gehele Koninkrijk gevraagd.

Aan de Gouverneurs van Aruba, Curaçao en Sint Maarten is verzocht hogergenoemde stukken op 18 oktober 2017 over te leggen aan de Staten van Aruba, de Staten van Curaçao en de Staten van Sint Maarten.

De Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten is van deze overlegging in kennis gesteld.

De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. Koenders

TOELICHTENDE NOTA

1. Algemeen

Op 22 maart 1985 kwam in Wenen het Verdrag ter bescherming van de ozonlaag (Trb. 1985, 144; hierna: Verdrag van Wenen) tot stand. Het Verdrag is nader uitgewerkt in het Montreal Protocol betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, van 16 september 1987 (Trb. 1988, 11; hierna: Montreal Protocol).

Het Montreal Protocol verplicht partijen om de productie en consumptie van ozonlaagafbrekende stoffen in 1999 met 50% te reduceren ten opzichte van niveaus in 1986. Hierbij gaat het om de vijf belangrijkste CFK’s (chloorfluorkoolstoffen). CFK’s werden vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw gebruikt als koelmiddel en als drijfgas voor spuitbussen. Het Montreal Protocol verplicht partijen ook om de productie en consumptie van de drie belangrijkste HCFK’s (chloorfluorkoolwaterstoffen), de halonen – vooral gebruikt in brandblussers –, vanaf 1993 te bevriezen op de niveaus van 1986.

Het Protocol wordt gekenmerkt door een nalevingsregime, waarbij partijen jaarlijks de omvang van de productie en consumptie van de stoffen monitoren en rapporteren, en waarbij handel met niet deelnemende landen is uitgesloten. Het Montreal Protocol is daarmee een effectief verdrag gebleken om ozonlaagafbrekende stoffen uit te faseren, waardoor het gat in de ozonlaag langzamerhand herstelt. Volgens de voorspellingen zal de ozonlaag tussen 2050 en 2070 terug zijn op het niveau van 1980. Hierdoor wordt naar schatting in 2030 bij 2 miljoen mensen huidkanker voorkomen.1

Een belangrijk element van het Montreal Protocol is de flexibiliteit om zich verder te ontwikkelen naar aanleiding van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht en technische ontwikkelingen, zie artikel 6 van het Protocol. Dit maakte het mogelijk dat het controleregime (de beheersingsmaatregelen van artikel 2 van het Protocol) voor ozonlaagafbrekende stoffen onder het Protocol tot nu toe zes keer (in 1990, 1992, 1995, 1997, 1999 en 20072) door de vergadering van de partijen is aangepast en waarbij de bestaande uitfaseerschema’s voor de betreffende stoffen zijn aangescherpt. In 1991 is Bijlage D aan het Montreal Protocol toegevoegd.3

Het Montreal Protocol is daarnaast vier keer gewijzigd waarbij nieuwe verplichtingen voor partijen zijn opgenomen (bijvoorbeeld voor een nieuwe stof of stofgroep). Regelmatig zijn nieuwe stoffen, gebaseerd op wetenschappelijke onderzoeken die vaststelden dat ze een effect hebben op de afbraak van de ozonlaag, aan het flexibele, juridische systeem van het Montreal Protocol toegevoegd.

Deze wijzigingen van het Montreal Protocol betreffen, kort gezegd:

  • de toevoeging van methylchloroform, tetrachloorkoolstof en meer CFK’s aan de uitfaseerschema’s en de opzet van een mechanisme voor financiële en technische steun voor ontwikkelingslanden (Londen, 29 juni 1990, Trb. 1991, 49);

  • de toevoeging van HCFK’s, HBFC’s (broomfluorkoolwaterstoffen) en methylbromide aan de uitfaseerschema’s en de formele oprichting van het Multilateraal Fonds (hierna: MLF) (Kopenhagen, 25 november 1992, Trb. 1993, 90);

  • de introductie van een vergunningsysteem voor import en export van ozonlaagafbrekende stoffen, met name om illegale handel aan te pakken (Montreal, 17 september 1997, Trb. 1998, 50);

  • de toevoeging van broomchloormethaan en de uitbreiding van de uitfaseerschema’s van HCFK’s naar productie in plaats van alleen consumptie (Beijing, 3 december 1999, Trb. 2000, 83).

Het Koninkrijk heeft het Verdrag van Wenen en het Montreal Protocol aanvaard voor het gehele Koninkrijk, zie paragraaf 6 voor de gelding van de wijzigingen nadien voor het Koninkrijk.

Op 15 oktober 2016 is tijdens de achtentwintigste vergadering van de partijen van het Montreal Protocol in Besluit XVIII/I de zesde wijziging van het Montreal Protocol aangenomen, hierna te noemen: het Kigali Amendement. Dit Amendement wordt nu ter goedkeuring voorgelegd. Kern van het Amendement is de toevoeging van HFK’s (fluorkoolwaterstoffen) aan de uitfaseerschema’s, met bevriezing van productie en consumptie, inclusief de verplichting om de bijproductie van HFK-23 bij de productie van HCFK’s of HFK’s te vernietigen. In aanvulling op het Kigali Amendement zijn de onderwerpen die te technisch of veelvuldig aan verandering onderhevig kunnen zijn vastgelegd in Besluit XXVIII/2, getiteld Decision related to the amendment phasing down hydrofluorocarbons (hierna: Besluit XXVIII/24). Dit Besluit is van belang bij de in het Kigali Amendement vastgelegde afspraken. Het bevat nadere afspraken aangaande bepaalde uitzonderingen op de in het Amendement geregelde uitfaseerschema’s, alsook een nadere technische uitwerking van het Amendement. Besluit XXVIII/2 is aangenomen door de vergadering van de partijen binnen het kader van het Protocol van Montreal, en bevat geen juridisch afdwingbare afspraken.

Waren de wijzigingen in het verleden vooral gericht op de uitfasering van stoffen die de ozonlaag aantasten, het Kigali Amendement richt zich op de uitfasering van stoffen die een sterk klimaatopwarmend vermogen hebben. De reden waarom de HFK’s onder het regime van het Montreal Protocol zijn gebracht heeft te maken met het feit dat het om vergelijkbare sectoren en producten gaat als bij (H)CFK’s en dat wordt aangesloten bij een effectief bestaand juridisch en beleidsmatig kader. Daarbij komt dat de HFK’s in toenemende mate zijn gebruikt als vervanger voor de (H)CFK’s omdat HFK’s, in tegenstelling tot (H)CFK’s, de ozonlaag niet afbreken. De HFK’s blijken echter wel een groot klimaatopwarmend effect te hebben en worden daarom met het Kigali Amendement tot een minimum uitgefaseerd. Alle broeikasgassen, ook de HFK’s, vallen onder het Klimaatverdrag, maar in verband met een effectieve mondiale aanpak zorgt het Montreal Protocol voor de concrete aanpak van die stoffen ten dienste van het Klimaatverdrag.

HFK’s worden, net als voorheen CFK’s en HCFK’s, met name gebruikt in airconditioning, koelinstallaties en warmtepompen, (isolatie)schuimen en, in mindere mate, als aerosolen en oplosmiddel, in medische toepassingen (astmapuffers) en in brandveiligheidsinstallaties. HFK’s hebben een klimaatopwarmend effect tot meer dan 14.000 keer groter dan kooldioxide (CO2), het meest bekende broeikasgas. Voor de meeste toepassingen komen steeds meer klimaatvriendelijkere alternatieven binnen bereik, zoals koeling op ammoniak, kooldioxide of koolwaterstoffen, maar ook nieuwe chemische stoffen die een klein klimaatopwarmend vermogen hebben en de ozonlaag niet aantasten.

Bij het Kigali Amendement hebben partijen afgesproken de productie, gebruik en handel van HFK’s mondiaal te reguleren. De productie en consumptie worden wereldwijd bevroren en afgebouwd, waardoor de temperatuurstijging tot een halve graad kan worden verminderd in 21005. In totaal wordt naar schatting in de periode tot 2050 de consumptie van ongeveer 80 gigaton CO2-eq of meer aan HFK’s vermeden6. Het Kigali Amendement levert daarmee een belangrijke bijdrage aan de uitvoering van de op 12 december 2015 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst van Parijs (Trb. 2016, 94) om de temperatuurstijging tot ruim beneden de 2 graden Celsius te beperken met als streven 1,5 graad.

De verplichting om de productie en consumptie van HFK’s te bevriezen gaat voor ontwikkelde landen gelden vanaf 2019, voor enkele Oost-Europese landen vanaf 2020 en voor ontwikkelingslanden vanaf 2024 en 2028. Wereldwijd zal er een geleidelijke afbouw van 80–85% van de productie en consumptie plaatsvinden net voor het midden van deze eeuw. Hiermee wordt de groeiende trend van het gebruik en daarmee de emissies van HFK’s (jaarlijks ongeveer 10% meer HFK’s) gekeerd. Ook is afgesproken dat HFK-23, dat vrijkomt bij de productie van HCFK’s of HFK’s, met goedgekeurde technieken moet worden vernietigd.

Daarnaast zullen de HFK’s onder het Kigali Amendement ook vallen onder de bestaande verplichting een vergunningensysteem voor import en export van nieuwe, gebruikte en teruggewonnen stoffen in te voeren en onder de jaarlijkse rapportageverplichtingen. Handel in HFK’s met partijen die het Kigali Amendement niet hebben geratificeerd wordt vanaf 2033 verboden.

De wereldwijde afspraken van het Kigali Amendement om de productie en consumptie van HFK’s tot een minimum uit te faseren, stimuleert innovatie om klimaatvriendelijke en energiezuinige alternatieven te ontwikkelen en toe te passen en draagt bij aan een verdere groene groei. Een groot deel van de fabrikanten van deze apparatuur bevindt zich buiten Nederland en de Europese Unie. Een mondiale aanpak via het Kigali Amendement is een effectieve manier om de beoogde transitie naar klimaatvriendelijker en energiezuinigere apparatuur te realiseren en draagt daarmee indirect ook bij aan de klimaatdoelstellingen van de EU. Het is bovendien een kosteneffectieve manier, want hiermee wordt in verschillende stappen, naast een gelijk speelveld zoals dat nu al in de EU bestaat, ook een gelijk speelveld wereldwijd gecreëerd.

Ontwikkelingslanden zullen worden geassisteerd in hun omschakeling naar alternatieven voor het gebruik van HFK’s. Dit zal plaatsvinden via de financiering van de extra kosten van projecten en programma’s gericht op de naleving en rapportage van de uitfaseerschema’s en eventueel benodigde capaciteitsopbouw. Het MLF voorziet hierin. Nederland draagt bij aan het MLF en stelt de bijdrage aan het Fonds driejaarlijks vast.

Het Montreal Protocol is, evenals het Verdrag van Wenen en het op 9 mei 1992 te New York tot stand gekomen Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1992, 189), universeel geratificeerd (197 partijen). De verwachting is dat ook het Kigali Amendement door alle partijen zal worden geratificeerd. De EU is ook partij bij het Verdrag van Wenen en het Montreal Protocol en zal naar verwachting ook het Kigali Amendement ratificeren. De Europese Commissie heeft begin 2017 hiertoe een voorstel gedaan.

De regering is van mening dat het Kigali Amendement geen bepalingen bevat met rechtstreekse werking in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Of verdragsbepalingen rechtstreeks werkend zijn hangt af van de aard, de inhoud, de strekking en de bewoordingen van die bepalingen, en of het de intentie is geweest van verdragspartijen bij de totstandkoming van het verdrag om rechtstreekse werking toe te kennen aan een verdragsbepaling, en of de nationale wetgever bij de goedkeuringswetgeving die intentie heeft gehad. Partijen die hebben onderhandeld over het Kigali Amendement hebben niet de bedoeling gehad hieraan rechtstreekse werking toe te kennen, en de regering evenmin. Dit wordt bevestigd door de formulering van de bepalingen, die partijen verplichten tot het treffen van nadere maatregelen, en zich derhalve niet direct tot derden richten. Ook inhoudelijk zijn de bepalingen naar het oordeel van de regering niet voldoende concreet geformuleerd om als objectief recht te kunnen functioneren in de nationale rechtsorde.

2. Gevolgen voor wet- en regelgeving in het Europese deel van Nederland

Het Kigali Amendement geeft geen aanleiding tot aanpassing van Nederlandse wetgeving. De Europese (herziene) Verordening (EU) Nr. 517/2014 van de Europese Unie van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen (F-gassen) (hierna: F-gassenverordening7), die rechtstreeks van toepassing is in Nederland, is samen met de huidige Nederlandse regelgeving, met uitzondering van enkele noodzakelijke geachte administratieve wijzigingen, in lijn met het Amendement. De aanvaarding van het Amendement voor Europees Nederland brengt voor de Nederlandse overheid en het bedrijfsleven geen extra kosten met zich mee. De voor de uitvoering van het Kigali Amendement relevante regelgeving betreft met name de F-gassenverordening, die in werking is getreden op 1 januari 2015. Deze verordening voorziet in een uitfaseerschema en een quotasysteem (inclusief registratie- en rapportageverplichtingen) voor het op de markt brengen van HFK’s, zowel als bulk en in voorgevulde apparatuur, en reguleert het gebruik ervan door onder meer gebruiksverboden voor specifieke toepassingen en apparatuur. De F-gassenverordening geldt in alle EU-lidstaten en is in Nederland verder geïmplementeerd via het «Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen8» en de bijbehorende «Regeling gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen9». Beiden gelden sinds 1 december 2015. Andere relevante Europese regelgeving betreft de zogenaamde MAC richtlijn 2006/40/EC10 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen, die eisen stelt aan het gebruik van HFK’s in de airconditioning systemen van auto’s en bestelbusjes. Deze is in Nederland geïmplementeerd als onderdeel van het Besluit Voertuigen11.

De F-gassenverordening is, met uitzondering van enkele noodzakelijk geachte administratieve wijzigingen in de uitvoeringsverordeningen, zoals het rapportageformat van de invoer en uitvoer van (gerecyclede of teruggewonnen) HFK’s, op dit moment in lijn met het Kigali Amendement. Er zijn wel enkele punten waarop het Kigali Amendement mogelijk op termijn extra aandacht dan wel actie vraagt. Deze zullen worden meegenomen in de voor 2023 geplande evaluatie van de Verordening. Daarbij zal onder andere worden gekeken naar de wenselijkheid om de verplichtingen ten aanzien van productie in Europees verband te regelen, omdat de verordening alleen het op de markt brengen c.q. de consumptie reguleert (in Nederland vindt overigens geen productie van HFK’s plaats). Ook zal de noodzaak tot beperkte aanscherping van het quotasysteem van de laatste uitfaseerstap voor de periode na 2030 in ogenschouw worden genomen. Tot die tijd hoeven de F-gassenverordening en het Nederlandse Besluit en de Regeling «Gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen» niet te worden gewijzigd. Dit geldt ook voor MAC richtlijn en de implementatie ervan in het Besluit Voertuigen.

3. Gevolgen van voor wet- en regelgeving in het Caribische deel van Nederland

Het Montreal Protocol geldt sinds 10 oktober 2010 voor Caribisch Nederland, zie ook paragraaf 6 met betrekking tot de Koninkrijkspositie. Het ligt daarom voor de hand dat deze wijziging van het Protocol ook voor Caribisch Nederland gaat gelden. Hiervoor is echter ook nodig dat de wijziging, die op 3 december 1999 in Beijing is aanvaard, ook voor Caribisch Nederland zal gelden, overeenkomstig artikel II van het Amendement. In Beijing werden namelijk al afspraken gemaakt over uitfasering van HCFK’s. Op dit moment is de voor de uitvoering van de wijziging van 3 december 1999 van het Montreal Protocol benodigde wetgeving voor het Caribische deel van Nederland nog niet afgerond. Met Bonaire, Sint-Eustatius en Saba zal verder overleg gevoerd worden over de noodzakelijke aanpassingen van hun wetgeving en de voorbereiding van de uitvoeringswetgeving inzake het Kigali Amendement. Hetzelfde geldt voor de eerdere wijzigingen van het Montreal Protocol die dateren uit 1990, 1992 en 1997, zie ook paragraaf 6 van deze toelichting.

4. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I van het Kigali Amendement bevat de wijzigingen van het Montreal Protocol die bedoeld zijn om de HFK’s onder het regime van het Protocol te brengen.

De belangrijkste hiervan zijn:

  • bevriezing van productie en consumptie van HFK’s voor ontwikkelingslanden in 2024 en 2028 op het niveau van de afgesproken baselines en voor ontwikkelde landen in 2019 op 90% van de afgesproken baseline en voor een aantal Oost Europese landen in 2020 op 95% van de afgesproken baseline (het nieuwe artikel 2J van het Protocol);

  • uitfaseerschema’s voor ontwikkelde landen startend in 2019 tot 15% in 2036 en een aangepast schema startend in 2020 voor een aantal Oost-Europese landen tot 15% in 2036;

  • uitfaseerschema’s voor ontwikkelingslanden startend in 2029 tot 20% in 2045 en een aangepast schema startend in 2032 tot 15% in 2047.

De uitfaseerdata met de bijbehorende percentages voor de ontwikkelde landen en de Oost-Europese landen zijn opgenomen in het nieuwe artikel 2J van het Protocol en voor de ontwikkelingslanden in artikel 5, zoals gewijzigd. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de uitfaseerdata en -percentages van de verschillende groepen landen volgens de afspraken in artikel 2J en artikel 5, zoals gewijzigd.

Uitfasering van productie en consumptie van HFK’s (in percentages) voor verschillende groepen landen o.b.v. Kigali Amendement

Reductiestap

Periode

Artikel 2 (ontwikkelde landen) (%)

periode

Artikel 21

(Wit Rusland, Russische Federatie, Kazachstan, Tajikistan, Oezbekistan) (%)

periode

Artikel 5 Groep 1

(ontwikkelingslanden (%)

Periode

Artikel 5 Groep 22

(ontwikkelings landen)

Basis3

2011–2013

HFK + 15% HCFK basis

2011–2013

HFK + 15% HCFK basis

2020–2022

HFK + 65% HCFK basis

2024–2026

HFK + 65% HCFK basis

Bevriezing

       

2024–2028

100

2028–2031

100

1st

2019–2023

90

2020–2024

95

2029–2034

90

2032–2036

90

2nd

2024–2028

60

2025–2028

65

2035–2039

70

2037–2041

80

3rd

2029–2033

30

2029–2033

30

2040–2044

50

2042–2046

70

4th

2034–2035

20

2034–2035

20

2045 en later

20

2047 en later

15

Final

2036 en later

15

2036 en later

15

       
X Noot
1

Voor bepaalde Oost Europese landen zijn afwijkende data en % afgesproken voor de eerste twee uitfaseerstappen.

X Noot
2

Groep 1 Artikel 5 landen: Artikel 5 landen die niet vallen onder groep 2. Groep 2 Artikel 5 landen: Bachrein, India, Iran, Koeweit, Oman, Pakistan, Qatar, Saoedi Arabië, Verenigde Arabische Emiraten

X Noot
3

De basis (baseline) vormt de referentiewaarde voor het uitfaseerschema voor respectievelijk productie/consumptie. De formule voor de baseline wordt gevormd door de gemiddelde HFK productie/consumptie + x% van de HCFK baseline productie/consumptie, uitgedrukt in CO2eq. De HCFK baseline productie/consumptie is: voor A2 (ontwikkelde) landen: de HCFK productie/consumptie in 1989 + 2,8% van de CFK productie/consumptie in 1989 en voor A5 (ontwikkelingslanden: de gemiddelde HCFK productie/consumptie in 2009/2010.

In aanvulling hierop bepaalt het nieuwe artikel 2J, zevende lid, van het Protocol dat HFK-23, dat vrijkomt bij de productie van HCFK’s of HFK’s, alleen met goedgekeurde technieken mag worden vernietigd om te voorkomen dat het alsnog in de atmosfeer terecht komt.

Het Montreal Protocol verbiedt partijen om ozonlaagafbrekende stoffen te importeren en exporteren naar landen die geen partij zijn bij het Protocol, zie artikel 4 van het Protocol. Eenzelfde regime gaat gelden voor de nieuwe stoffen die op basis van het Kigali Amendement worden toegevoegd (artikel 4, paragraaf 1 sept en 2 sept). Dit artikel treedt in werking op 1 januari 2033 als minstens zeventig partijen het Kigali Amendement hebben geratificeerd. Indien op die datum het aantal van zeventig ratificaties niet gehaald is, treedt de bepaling in werking negentig dagen nadat de zeventigste ratificatie een feit is. Dit betekent dat de handel in HFK’s tussen landen die het Kigali Amendement geratificeerd hebben en landen die dat niet hebben gedaan in ieder geval tot 1 januari 2033 toegestaan is.

Op grond van artikel 4B van het Montreal Protocol moeten partijen een vergunningensysteem hebben opgezet voor import en export van nieuwe, gebruikte, hergebruikte en teruggewonnen stoffen. De HFK’s vallend onder het Kigali Amendement zullen ook onder dit systeem worden gebracht. Partijen dienen dit systeem uiterlijk drie maanden na inwerkingtreding operationeel te hebben.

Op basis van artikel 7 van het Montreal Protocol moeten partijen jaarlijks aan het secretariaat over de productie en consumptie van ozonlaagafbrekende stoffen rapporteren. Op basis van het Kigali Amendement moet dit ook over HFK’s (artikel 7, onderdelen 2, 3 en 3ter).

Partijen kunnen overeenkomen dat sommige essentiële en kritische toepassingen van HFK’s van de uitfaseerverplichtingen worden uitgezonderd. Voor deze toepassingen zullen vanaf 2029 aparte afspraken worden gemaakt over de specifieke uitzonderingsgronden, inclusief het beoordelen en toekennen van deze uitzonderingen.

Tenslotte zijn er voor een aantal landen met een zeer hoge zomertemperatuur (een gemiddelde maandelijkse piektemperatuur boven de 35 graden Celsius) uitzonderingen mogelijk om HFK’s in specifieke airconditioners te gebruiken. Het gaat daarbij om ingebouwde airconditioningsystemen met kanalen of systemen voor meerdere ruimtes.

Bijlagen

Groep I van Bijlage A en Groep I van Bijlage E worden in hun geheel vervangen omwille van toevoeging van de Global Warming Potentials van de gereguleerde stoffen. Er wordt een nieuwe Bijlage F toegevoegd met daarin opgenomen de gereguleerde HFK’s.

Artikel II regelt dat partijen het Kigali Amendement niet kunnen ratificeren zonder dat zij de wijziging van 3 december 1999 van Beijing, waarin de uitfasering van HCFK’s verder is aangescherpt, hebben geratificeerd. Dit betekent dat partijen eveneens de voorafgaande wijzigingen van Montreal, Kopenhagen en Londen dienen te hebben geratificeerd, overeenkomstig artikel 2 van de wijziging van 3 december 1999 van Beijing, artikel 2 van de wijziging van 17 december 1997 van Montreal en artikel 2 van de wijziging van 25 november 1992 van Kopenhagen.

Artikel III verklaart dat de wijziging niet is bedoeld om HFK’s uit te zonderen van de verplichtingen die zijn aangegaan in het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en het op 11 december 1997 te Kyoto tot stand gekomen Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1998, 170).

Artikel IV regelt de inwerkingtreding van de wijziging: op 1 januari 2019, mits het Amendement door twintig partijen is geratificeerd. Is dit niet het geval, dan treedt het in werking 90 dagen na de dag van de twintigste ratificatie.

Artikel V bepaalt dat partijen ervoor kunnen kiezen de controlemaatregelen van artikel 2J van het Protocol en de corresponderende rapportageverplichtingen uit artikel 7 van de wijziging alvast voorlopig toe te passen, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wijziging. Vooralsnog zullen noch de EU, noch Nederland gebruik maken van deze mogelijkheid.

6. Koninkrijkspositie

Het Montreal Protocol is aanvaard en geldt voor het gehele Koninkrijk. De op 29 juni 1990 te Londen, de op 25 november 1992 te Kopenhagen, de op 17 september 1997 te Montreal en de op 3 december 1999 te Beijing tot stand gekomen wijzigingen zijn aanvaard voor en gelden voor het Europese deel van Nederland. De wijzigingen van Londen, Kopenhagen, Montreal en Beijing zijn nog niet aanvaard voor het Caribische deel van Nederland, zie paragraaf 3 hierboven. Zodra de benodigde uitvoeringswetgeving gereed is, zullen alle opeenvolgende wijzigingen voor Caribisch Nederland kunnen worden aanvaard.

De op 29 juni 1990 te Londen tot stand gekomen wijziging is aanvaard voor Aruba. De regering van Aruba wenst medegelding van de wijzigingen van Kopenhagen, Montreal en Beijing voor haar land.

De regeringen van Curaçao en Sint Maarten wensen de medegelding van de wijzigingen van Londen, Kopenhagen, Montreal en Beijing voor hun land. De noodzakelijke uitvoeringswetgeving voor aanvaarding van deze wijzigingen voor de drie landen is in voorbereiding.

De regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten hebben de wenselijkheid van medegelding van het Kigali Amendement voor hun land nog in beraad. Voor medegelding van het Kigali Amendement zal uitvoeringswetgeving noodzakelijk zijn. Ook kan het Kigali Amendement pas voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten worden aanvaard, wanneer de wijzigingen van Londen, Kopenhagen, Montreal en Beijing zijn aanvaard.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma

De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. Koenders


X Noot
1

Environmental Effects Panel report 2014, p.74: Past studies have estimated the health gains in terms of skin cancers avoided through the implementation of the Montreal Protocol and its amendments. A recent update of this work that also integrated coupled climate-chemistry models has estimated that the world-wide incidence of skin cancer would have been 14% greater (2 million people) by 2030 without implementation of the Montreal Protocol and its amendments, with the largest effects in the South West USA and in Australia. http://ozone.unep.org/en/Assessment_Panels/EEAP/eeap_report_2014.pdf

X Noot
2

Zie respectievelijk Trb. 1991, 49, Trb. 1993, 90, 1997, 42, Trb. 1998, 50, Trb. 2001, 72 en Trb. 2008, 120.

X Noot
3

Nairobi, 21 juni 1991; Trb. 1992, 16.

X Noot
7

Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006, Pb EU L 150, 20.5.2014, p. 195–230.

X Noot
10

Richtlijn 2006/40/EG van het Europees parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van

Richtlijn 70/156/EEG van de Raad, Pb EG L 161, 14.6.2006, p. 12 ev.