Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 november 2017
Zoals gebruikelijk tijdens de behandeling van het pakket Belastingplan geef ik in
deze brief met betrekking tot de op de wetsvoorstellen in het pakket Belastingplan
2018 amendementen en moties die vandaag in stemming worden gebracht aan of ik deze
ontraad of het oordeel aan de Kamer laat. In deze brief geef ik tevens mijn oordeel
over de op het wetsvoorstel Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot het geleidelijk
uitfaseren van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld ingediende amendementen
en moties.
Bekendmaking percentage eigenwoningforfait
Verder wil ik graag van de gelegenheid gebruikmaken om uw Kamer te informeren over
de indexering van het eigenwoningforfait (EWF-percentage), aangezien in 2014 is toegezegd
om uw Kamer jaarlijks te informeren over de indexering van het EWF-percentage.1 De wettelijke indexering van het EWF-percentage vindt plaats aan de hand van de ontwikkeling
van het indexcijfer van de woninghuren (stijging van 1,58% voor 2018)2en de ontwikkeling van de woningwaarden (stijging van 5,9% voor 2018). Het aldus geïndexeerde
EWF-percentage3 wordt naar beneden afgerond op 0,05%-punt. Het EWF-percentage voor 2018 bedraagt
0,70%. Dit is een verlaging met 0,05%-punt ten opzichte van het jaar 2017.
In dezelfde brief heb ik u tevens toegezegd dat ik uw Kamer jaarlijks bij het Belastingplan
zal informeren over de hoogte van de tabelcorrectiefactor en de arbeidskorting.
Bekendmaking tabelcorrectiefactor en arbeidskorting
De tabelcorrectiefactor voor 2018 bedraagt 1,008. De wettelijke indexering van de
arbeidskorting wordt naast door de hiervoor genoemde tabelcorrectiefactor mede bepaald
aan de hand van de ontwikkeling van het wettelijke minimumloon (WML) per 1 januari
van het lopende jaar ten opzichte van het WML per 1 januari van het daaropvolgende
jaar. Het WML bedroeg per 1 januari 2017 € 1.551,6 per maand. Het WML bedraagt per
1 januari 2018 € 1.578,0 per maand. Hierna zijn de uiteindelijke parameters voor de
arbeidskorting weergegeven voor het jaar 2018 zoals deze voortvloeien uit de indexatie.
Tot een inkomen van € 9.468 per jaar geldt een arbeidskorting van 1,764% van het arbeidsinkomen,
met een maximum van € 167. Bij een arbeidsinkomen vanaf € 9.468 per jaar geldt een
arbeidskorting van € 167 vermeerderd met 28,064% van het arbeidsinkomen boven die
€ 9.468 met een maximum van in totaal € 3.249. Dit maximum wordt bereikt bij een arbeidsinkomen
van € 20.450. Boven een inkomen van € 33.112 per jaar wordt de berekende arbeidskorting
verminderd met 3,6% van het inkomen boven die € 33.112. De arbeidskorting is volledig
afgebouwd bij een arbeidsinkomen vanaf € 123.362.
Klimaatakkoord Parijs
Ten slotte heb ik tijdens de plenaire behandeling van het pakket Belastingplan 2018
op 23 november jongstleden toegezegd schriftelijk terug te komen op een vraag van
de heer E. Mulder. De heer Mulder heeft tijdens deze plenaire behandeling gevraagd
hoeveel Nederland extra aan Opslag Duurzame Energie gaat betalen om de afspraken uit
het Klimaatakkoord van Parijs te financieren. In het basispad was al een stijging
van de Opslag Duurzame Energie naar € 2,28 miljard in 2021 opgenomen. In dat basispad
zijn maatregelen verwerkt die al in de boeken stonden vóór het aantreden van dit kabinet,
dus vóór het regeerakkoord. Het gaat dan in essentie om maatregelen uit het Energieakkoord
van 2013 die gefinancierd worden door de Subsidieregeling Duurzame Energie. Het regeerakkoord
Vertrouwen in de toekomst bevat aanvullende afspraken op het terrein van klimaat en energie die een stijging
van de Opslag Duurzame Energie in 2020 met € 103 miljoen en in 2021 met € 368 miljoen
betekenen. Om ook op de lange termijn te voldoen aan de eisen die het Klimaatakkoord
van Parijs stelt, zijn overigens ook na deze kabinetsperiode nog kosten te maken.
Uit de budgettaire tabel van het Regeerakkoord kan opgemaakt worden dat de Opslag
Duurzame Energie daarom nog verder oploopt tot € 3,2 miljard in 2033.
In de bijlage4 treft u een overzicht aan van de ingediende amendementen en moties met daarbij mijn
oordeel. Tevens treft u als bijlage5 de quickscans aan waarmee de Belastingdienst de amendementen beoordeelt op uitvoeringsaspecten.
De Staatssecretaris van Financiën,
M. Snel