34 775 IV Vaststelling van de begrotingsstaten van Koninkrijksrelaties (IV) en het BES-fonds (H) voor het jaar 2018

Nr. 7 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 11 oktober 2017

De vaste commissie voor Koninkrijksrelaties, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 29 september 2017 voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bij brief van 10 oktober 2017 zijn ze door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De fungerend voorzitter van de commissie, Van Meenen

De griffier van de commissie, De Lange

Vraag 1

Kan de Minister aangeven, op welke wijze en met welk resultaat tot nu toe uitvoering is gegeven aan de aanbevelingen van de commissie-Spies?

Antwoord:

In de afgelopen paar jaren zijn belangrijke stappen gezet. De commissie Spies, die overigens conclusies en bevindingen presenteerde en geen aanbevelingen, constateerde dit vooral op het terrein van onderwijs en gezondheidszorg. Op het terrein van sociaaleconomische ontwikkeling waren en zijn de uitdagingen nog groot. In de kabinetsreactie op het rapport Spies zijn aandachtspunten en een aantal concrete maatregelen gemarkeerd, zoals de koppeling van de uitkeringen aan het wettelijk minimum loon (en daarmee verhoging van de onderstand in stappen). Inmiddels is bijvoorbeeld ook de positie van arme gezinnen verder met concrete maatregelen versterkt door intensivering van armoedebestrijding onder kinderen. Recent heeft het Ministerie van Economische Zaken het onderzoek naar uw Kamer gestuurd over hoge prijzen; de in dit onderzoek genoemde concrete maatregelen worden uitgevoerd. Het door de Staatssecretaris van SZW vast te stellen ijkpunt sociaal minimum (rapport verwacht in maart 2018) is hierbij een belangrijke stap. Aandachtspunt is dat het ook aan de openbare lichamen zelf is de nodige verbeteringen te realiseren, aangezien het bij bijvoorbeeld armoedebestrijding en economische ontwikkeling (ook) om eilandelijke taken gaat. Het is aan de eilanden zelf om te bepalen of ze gebruik maken van de faciliteiten en ondersteuning die er vanuit Europees Nederland wordt geboden. Het is ook goed om te beseffen dat niet alles in één keer kan. Meer nadruk op het uitvoeren van bestaande plannen verdient in beginsel voorrang op het ontwikkelen van nieuwe plannen, gelet op de beperkte uitvoeringscapaciteit en het geringe absorptievermogen op de eilanden. Met name om hierover het gesprek te kunnen voeren met de openbare lichamen is in de kabinetsreactie op het rapport van de commissie Spies opgenomen dat twee maal per jaar een bilateraal overleg plaats vindt tussen een lid van de CN-tafel, het bestuurscollege en de Rijksvertegenwoordiger. Deze bilaterale bestuurlijke overleggen hebben nu twee keer plaatsgevonden: in september 2016 en in maart 2017.

Vraag 2

Welke vorm zal de (financiële) steun voor Sint Maarten krijgen als het gaat om financiering van herstel van de schade op het eiland na de orkaan Irma?

Antwoord:

De schade op de Bovenwindse eilanden is enorm. De regering doet wat in haar vermogen ligt om de acute nood te lenigen. Binnen het kabinet is afgesproken dat de volledige inzet van het Rijk voor noodhulp inzichtelijk gemaakt wordt op de begroting van Koninkrijksrelaties. Bij najaarsnota zal ik de Kamer informeren over de verwachte financiële omvang hiervan.

Ook in de wederopbouwfase staat het Caribisch deel van het Koninkrijk er niet alleen voor. Het ministerie is in overleg met het land Sint Maarten, de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius, en internationale partners om de wederopbouw vorm te geven. Ook in de komende jaren zal Nederland nauw betrokken blijven bij de wederopbouw. Regelmatig zal ik de Kamer informeren zoals toegezegd bij het AO van 21 september jl.

Ten slotte zal Irma ook gevolgen hebben voor de kantoren en andere bezittingen van het Rijk op de Bovenwindse eilanden. Zo is het kustwachtmaterieel ernstig beschadigd geraakt. Vooralsnog ligt de prioriteit bij noodhulp en het herstellen van cruciale infrastructuur. In het opmaken van het totale schadebeeld zal ook de directe schade voor het Rijk geïnventariseerd worden.

Vraag 3

Wordt er een fonds opgericht voor de (financiële) steun aan Sint Maarten na de orkaan Irma? Wat is de status van het fonds? Wat is de juridische basis van dat fonds? Welke voorwaarden worden er aan Sint Maarten gesteld voor het verkrijgen van financiële middelen uit dat fonds? Hoe wordt het fonds gevuld en met welk bedrag?

Antwoord:

Over de wijze waarop de wederopbouw vorm krijgt zijn wij in overleg met Sint Maarten. Op welke manier daaraan een bijdrage wordt geleverd, in combinatie met eventuele voorwaarden die daaraan worden gesteld, maakt onderdeel uit van de planvorming. Regelmatig zal ik de Kamer informeren zoals toegezegd bij het AO van 21 september.

Vraag 4

Wanneer verschijnt het rapport van de Commissie van wijzen die onderzoek doet naar het functioneren van het openbaar lichaam Sint Eustatius?

Antwoord:

De Commissie van Wijzen heeft mij op 30 september jl. geïnformeerd dat de afronding van het rapport meer tijd in beslag neemt dan was voorzien. De commissie verwacht zijn rapport begin november te kunnen opleveren.

Vraag 5

Met wie en/of welke landen vindt de verbreding van de samenwerking in de regio van het Team Bestrijding Ondermijning plaats in 2018?

Antwoord:

De financiering van het Team Bestrijding Ondermijning is onlangs verlengd voor een periode van vier jaar. Het team richt zich primair op Sint Maarten. De ondermijnende criminaliteit is naar haar aard evenwel veelal eilandoverstijgend. Vanwege de vertakkingen, zowel binnen de Caribische regio als daarbuiten (inclusief Nederland) is er geen territoriale beperking. Zo is onlangs voor een uitlevering samengewerkt met de Italiaanse autoriteiten.

Vraag 6

Hoe zijn de kansen voor studenten afkomstig van de eilanden die in Nederland studeren om een passende baan te vinden in het ambtenarenapparaat op de eilanden?

Antwoord:

Uit het onderzoek van PBLQ «We are deeply rooted» in opdracht van het Ministerie van BZK is gebleken dat er op dit punt kansen liggen, maar ook dat er drempels en knelpunten zijn die terugkeer van Caribische studenten belemmeren.

Het programma Bestuurlijke ontwikkeling van BZK heeft om die reden als pilot een traineeship voor Caribische studenten opgezet. Naast het matchen op een goede werkplek wordt er ook specifiek aandacht besteed aan onder andere trainingen, coaching en huisvesting. Er zijn vanaf september 2016 een zestal jonge professionals (net afgestudeerden), die afkomstig zijn van de eilanden, op Bonaire gestart bij diverse organisaties. Tevens ondersteunen de Ministeries van OCW en BZK informatiebijeenkomsten in Nederland voor jonge professionals met Caribische roots om hen te matchen met Caribische werkgevers. Dit gebeurt samen met de stichting WeConnect.

Vraag 7

Welke gevolgen kan de schade als gevolg van de orkaan Irma gaan hebben voor de begroting Koninkrijksrelaties?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 2 en 3. Zodra er meer duidelijkheid is, wordt de Kamer geïnformeerd.

Vraag 8

Wat valt precies onder «overige mutaties», vermeld in de bovenste tabel op bladzijde 7 van de memorie van toelichting?

Antwoord:

Het betreft hier het terugvloeien van de restmiddelen Fonda Desaroya Aruba (FDA) naar hoofdstuk IV en de bijdrage van het Ministerie van Financiën (Financiën) aan RCN van de afnemer Belastingdienst.

Vraag 9

Waarom wordt er incidenteel € 8 mln. vrijgemaakt voor de kustwacht en niet structureel?

Antwoord:

De toegevoegde € 8 mln. stelt de Kustwacht in staat om haar taken dit jaar en in 2018 te verrichten, rekening houdend met de veiligheidssituatie in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het is aan het nieuwe kabinet om te besluiten over de investeringen die voorzien zijn in het langetermijnplan 2019–2028.

Vraag 10

Wat is de oorzaak van de grote daling in de stand ontwerpbegroting na 2018?

Antwoord:

De daling wordt voornamelijk veroorzaakt door de afname in de schuldsanering, veroorzaakt door het aflopen van schuldtitels van de voormalige Nederlandse Antillen. Daarnaast zijn bij 1e suppletoire begroting 2017 de voorziene wisselkoerstekorten toegevoegd aan de dollargevoelige budgetten vanuit de wisselkoersreserve voor de jaren 2017 en 2018. Voor de periode na 2018 dient op basis van het verloop van de dollarkoers een nieuwe afweging gemaakt te worden.

Vraag 11

Hoe worden de restmiddelen FDA ingezet? Hoe wordt de Kamer hiervan op de hoogte gebracht?

Antwoord:

De restmiddelen FDA zijn ingezet voor het herstel van onder meer wegen en overige infrastructuur na het noodweer op Aruba in november 2016, voor goed bestuur, duurzame ontwikkeling, rechtshandhaving, onderwijs en bescherming van natuur. De Kamer is hierover op 23 maart 2017 geïnformeerd per brief (Kamerstukken II 2016–2017 34 550 IV, nr. 29).

Vraag 12

Waarom is er gekozen de beleidsdoorlichting artikel 4 om de zes jaar te houden?

Antwoord:

Conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek dient elk artikel elke 4 tot 7 jaar geëvalueerd te worden. Op 5 juli 2017 is de beleidsdoorlichting van het voormalige artikel 2 aan uw Kamer gezonden (Kamerstukken II 2016–2017 33 189, nr. 7), met daarin onder andere opgenomen het in 2016 opgerichte artikel 4. De volgende doorlichting is voorzien in 2023.

Vraag 13

Wordt het opzetten van asielprocedures op Curaçao, Aruba en Bonaire financieel ondersteund en zo ja, uit welke post op de begroting wordt dat gefinancierd?

Antwoord:

Op zowel Aruba, Curaçao als Bonaire zijn momenteel asielprocedures van kracht (al dan niet in samenwerking met UNHCR). Het vreemdelingenbeleid, inclusief asiel, toelating en uitzetting, betreft een landsaangelegenheid. Aruba en Curaçao zijn derhalve zelf verantwoordelijk voor hun eigen asielprocedures. Zij worden daar financieel niet bij ondersteund. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie is verantwoordelijk voor het vreemdelingenbeleid in Caribisch Nederland en de daar geldende asielprocedure.

Nederland heeft kenbaar gemaakt dat Aruba en Curaçao een verzoek kunnen doen om technische bijstand wanneer zij wijziging van hun asielprocedure zouden overwegen. Een dergelijk verzoek is niet voorgekomen.

Vraag 14

Kunt u een uitsplitsing geven van de post «uitgaven Caribisch Nederland» en aangeven aan welke onderwerpen en projecten dit budget wordt uitgegeven, zoals jeugdzorg, armoede, tienermoeders?

Antwoord:

Bijdragen rondom jeugdzorg, armoede en tienermoeders worden op maat verstrekt vanuit de Bijzondere uitkering Sociaaleconomische initiatieven, zichtbaar onder artikel 4.2. Diverse departementen dragen hieraan bij, en de openbaar lichamen kunnen gedurende het jaar projecten indienen voor de besteding daarvan. Het is daarom niet mogelijk om vooraf aan te geven hoe deze middelen precies besteed zullen worden.

Vraag 15

Welke projecten worden vanuit het Europees Ontwikkelingsfonds gefinancierd op Curaçao, Sint Maarten en Caribisch Nederland? Om hoeveel geld gaat het daarbij?

Antwoord:

De Caribische (ei)landen van het Koninkrijk hebben volgens Europees recht allemaal de LGO-status (Landen en Gebieden Overzee). Het LGO-Besluit koppelt financiering van hulp aan deze eilanden aan het Europese Ontwikkelingsfonds (EOF). De LGO-fondsen zijn beschikbaar voor specifieke projecten die bijdragen aan de ontwikkeling van de eilanden. Onder het huidig EOF (2014 – 2020, 11e tranche) ontvangen de LGO’s de volgende bedragen.

LGO

Bedrag (in miljoenen)

Sector van project

Aruba

13,05

Education /research and innovation

Bonaire

3,95

Social Development – Youth

Curaçao

16,95

Renewable energy

Saba

3,55

Renewable energy

Sint Eustatius

2,45

Underground cabling

Sint Maarten

7,0

Water and sanitation

Vraag 16

Hoe is gekomen tot een rentepercentage van 2,5% bij de leningen aan andere landen in het koninkrijk?

Antwoord:

De leningen met rentepercentage van 2,5% betreffen leningen uit 2010 met een looptijd van 10 jaar aan Curaçao en Sint Maarten en waren onderdeel van de schuldsanering. Hierbij is het toenmalige rentepercentage op Nederlandse staatsleningen met dezelfde looptijd gehanteerd.

Vraag 17

Uit welke post wordt de financiering voor jongerenparticipatie in 2018 gefinancierd?

Antwoord:

In 2016 heeft UNICEF incidenteel een bedrag toegezegd gekregen van mijn begroting voor het ondersteunen van de openbare lichamen bij het verbeteren van de kinderrechten. Een belangrijk onderdeel hiervan is de participatie van jongeren, in samenwerking met de Missing Chapter Foundation. Op alle drie de eilanden zijn Raden van kinderen van start gegaan. Deze activiteiten lopen door in 2018. De middelen komen uit het budget dat beschikbaar is gesteld voor kinderrechten, zie ook het antwoord op vraag 28.

Vraag 18

Waarom is er voor 2022 een zeer aanzienlijke daling van de uitgaven aan recherchecapaciteit voorzien?

Antwoord:

De inzet van het Team Bestrijding Ondermijning is vanaf 2018 verlengd met vier jaar. Hiervoor is vier maal € 12 mln. uitgetrokken. In 2022 eindigt deze reeks.

Vraag 19

Voor welke periode treden Nederlandse rechters en Officieren van Justitie in lokale dienst? Waarom is er voor die periode gekozen?

Antwoord:

Er is geen maximale periode voor Nederlandse rechters en officieren van Justitie die in lokale dienst treden. Wel is er een maximale termijn voor de aanspraak op toelagen. Afspraken met betrekking tot toelagen zijn vastgelegd in Artikel 3.1.1. van het Voorzieningenstelsel Buitenlandtoelagen Rechterlijke Ambtenaren (VBRA).

Vraag 20

Wat is exact de onderbouwing om te komen tot een verdeling van de financiering van de exploitatie van de kustwacht waarbij Aruba, Curaçao en Sint Maarten respectievelijk 11%,16% en 4% bijdragen en hoe is deze verdeling tot stand gekomen?

Antwoord:

De exploitatiekosten worden gefinancierd door de Landen gezamenlijk. Hiervoor gold tot 10-10-10 de volgende verdeelsleutel: Nederland 6/9, Nederlandse Antillen 2/9 en Aruba 1/9. De bijdrage van het voormalige land Nederlandse Antillen is verdeeld over Curaçao, Sint Maarten en Nederland (voor wat betreft de bijdrage voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba), het aandeel van Aruba is gelijk gebleven. Dit heeft er toe geleid dat Nederland 69%, Aruba 11%, Curaçao 16% en Sint Maarten 4% betalen.

Vraag 21

Gaat de keuze om rechters en Officieren van Justitie beschikbaar te stellen gepaard met een investering in (jong) talent in de drie landen en Caribisch Nederland? Waarom?

Antwoord:

De werving en selectie is geen zaak van het Ministerie van BZK, de rechterlijke macht is onafhankelijk. Overigens zie ik wel dat er zowel door de Openbaar Ministeries als het Gemeenschappelijk Hof veel belang wordt gehecht aan de werving van lokale medewerkers. Dat draagt bij aan het waarborgen van continuïteit en ervaring en kennis.

Vraag 22

In hoeverre speelt het waarborgen van continuïteit van ervaring en kennis, door personele wisselingen van uitgezonden functionarissen te beperken, een rol in deze keuze voor rechters en Officieren van Justitie?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 21.

Vraag 23

Wordt er bij de vervulling van personele capaciteit actief gezocht onder studenten afkomstig van de eilanden?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 6.

Vraag 24

Hoe wordt beleidsmatige assistentie aan landen binnen ons Koninkrijk verrekend?

Antwoord:

In het algemeen vindt geen verrekening plaats.

Vraag 25

Hoe vindt precies de benoeming van de Rijksvertegenwoordiger plaats, op welke manier hebben eilandraden hier invloed op en kunnen eilandraden de Rijksvertegenwoordiger ook wegsturen?

Antwoord:

De benoeming van de Rijksvertegenwoordiger vindt op mijn voordracht plaats bij koninklijk besluit. Alvorens ik een voordracht tot benoeming doe, peil ik bij de bestuurscolleges van de openbare lichamen de stemming over de kandidaat.

Ontslag of schorsing van de Rijksvertegenwoordiger vindt net als de benoeming plaats bij koninklijk besluit op mijn voordracht.

Vraag 26

Hoe zijn de verschillen te verklaren tussen de uitgaven van bijna € 21 mln. in 2017, € 11 mln. in 2018 en bijna € 14,5 in 2019 en later?

Antwoord:

In het jaar 2017 is rekening gehouden met een aantal grote ontvangsten en die via de uitgaven kant van de begroting van KR ook herbestemd worden, zoals de middelen van FDA. Zulke ontvangsten zijn voor latere jaren niet voorzien. Ook zijn voor dit jaar de specifieke uitkeringen reeds overgeboekt vanuit de andere departementen.

De dip in 2018 wordt voornamelijk veroorzaakt doordat al geanticipeerd is op lagere uitgaven als gevolg de vaste verrekenkoersregeling, veroorzaakt door de hoge stand van de dollar. Deze post is op de begroting zichtbaar onder artikel 4.1, Inkomensoverdracht. Bij voorjaarsnota 2018 wordt bekeken wat – op basis van de dan geldende koers – de wisselkoersimpact is op dit artikel.

Vraag 27

Wat zijn de exacte redenen voor de substantiële daling van de uitgaven onder artikel 4.2 in 2018 en de jaren daarna? Wat zijn bijvoorbeeld de redenen voor de dalingen van de uitgaven aan subsidies, inkomensoverdrachten en bijdrage aan medeoverheden, agentschappen en andere begrotingshoofdstukken?

Antwoord:

Departementen maken gaandeweg het uitvoeringsjaar budgetten over naar de begroting van Koninkrijksrelaties. Vervolgens wordt dit budget als specifieke uitkering overgemaakt naar Caribisch Nederland. De bijdragen van de departementen voor 2018 zijn derhalve nog niet zichtbaar op deze begroting. De bijdragen worden uitgekeerd vanuit de Bijzondere uitkering Sociaaleconomische initiatieven. Ten slotte zijn er nog enkele incidentele uitgaven in 2017, zoals het herstel van pensioenen van voormalig werknemers in dienst van Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN) en de renovatie van enkele monumenten op Sint Eustatius, die leiden tot een incidentele piek in 2017.

Vraag 28

Vanuit welke post of posten worden de kosten van de plannen voor de kinderrechten op de autonome landen en de BES gefinancierd?

Antwoord:

Naar aanleiding van het amendement van de leden Van Laar (PvdA) en Segers (ChristenUnie) op de begroting Koninkrijksrelaties 2015 is in de periode van 2015–2017 € 3 mln. vrijgemaakt voor de verbetering van de positie van kinderen in Caribisch Nederland. Deze middelen zijn inzichtelijk gemaakt in begroting en jaarverslag, onder de regeling Kinderrechten.

Vraag 29

Kunt u aangeven waarom het budget voor sociaaleconomische initiatieven op de BES daalt van 3,8 miljoen naar 1,2 miljoen, en of deze daling elders gecompenseerd wordt en zo ja, waar?

Antwoord:

Departementen maken gaande weg het uitvoeringsjaar budgetten over naar de begroting van Koninkrijksrelaties. Vervolgens wordt dit budget als specifieke uitkering overgemaakt naar Caribisch Nederland. De bijdragen van de departementen voor 2018 is derhalve nog niet zichtbaar op deze begroting.

Vraag 30

Waarom dalen de uitgaven voor kinderrechten naar 0 vanaf 2018?

Antwoord:

De kamerleden Van Laar (PVDA) en Segers (ChristenUnie) hebben naar aanleiding van de UNICEF-rapporten eind 2014 de Begroting Koninkrijksrelaties 2015 geamendeerd om voor de periode van 2015–2017 € 3 mln. vrij te maken voor de verbetering van de positie van kinderen in Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Dit betekent dat 2017 het laatste jaar was dat er € 1 mln. beschikbaar is voor de participatie van jongeren.

Vraag 31

Waarom is het budget voor samenwerkingsprogramma's naar 0 gegaan sinds 2017? Welke samenwerkingsprogramma's waren er en worden nu niet meer voortgezet? Waarom niet?

Antwoord:

Vooruitlopend op de nieuwe, meer zelfstandige relatie tussen de Koninkrijkspartners, heeft Nederland eind 2012 voor het laatst financieel bijgedragen aan de samenwerkingsprogramma’s Antiliaanse MedeFinanciering Organisatie (AMFO) en Stichting Ontwikkeling Nederlandse Antillen (SONA) in Curaçao en Sint Maarten en in januari 2013 via het FDA aan Aruba. AMFO en SONA zijn in respectievelijk 2014 en 2016 opgeheven.

Vraag 32

Hoeveel dragen de andere landen van het Koninkrijk bij aan het Koninkrijkstoernooi?

Antwoord:

Deze editie van het Koninkrijkstoernooi wordt gehouden in Curaçao. Een derde van de totale kosten zullen door Curaçao worden betaald, het gaat om een bedrag van ongeveer € 50.000.

Vraag 33

Wat wordt er in het kader van het programma Bestuurlijke ontwikkeling specifiek gedaan om de kwaliteit en slagkracht van het openbaar bestuur op Aruba, Curaçao en Sint Maarten te versterken?

Antwoord:

Aruba, Curaçao en Sint Maarten hebben een eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en slagkracht van het bestuur. Op verzoek en op maat kan ondersteuning worden geboden, vooral door het beschikbaar stellen van expertise.

Op Aruba faciliteert het programma bestuurlijke ontwikkeling samen met de gemeente Den Haag een (groen) mobiliteitsplan. Voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten investeert het programma in vakinhoudelijke kennisontwikkeling bij de overheidsbedrijven op het terrein van corporate governance en toezicht. Op het gebied van wetgeving en de juridische functie zijn er gesprekken gestart met de overheid van Sint Maarten en Curaçao om te kijken hoe wetgeving en de juridische functie verbeterd kan worden en in welke mate Nederlandse capaciteit ondersteunend kan zijn.

Vraag 34

Welke doelen worden bereikt met het programma Bestuurlijke Ontwikkeling? Wanneer worden die doelen gehaald? Hoe wordt dit gemonitord?

Antwoord:

Het programma Bestuurlijke Ontwikkeling heeft de volgende doelstellingen/ambities: professionalisering van het bestuur, het versterken van het ambtelijk apparaat qua kennis en capaciteit en het verbeteren van de interne processen en dienstverlening. Uitgangspunten bij de inzet vanuit het programma Bestuurlijke Ontwikkeling zijn de vraag/behoefte op het eiland, lokaal committent, de kans van slagen en de lokale borging van het initiatief. Langs deze criteria vindt de monitoring plaats.

In 2017 heeft het programma Bestuurlijke Ontwikkeling gericht ingezet op het versterken van de ambtelijke capaciteit en kennis op Saba, Sint Eustatius en Bonaire. Er is een Talent Ontwikkeling Programma op Bonaire gestart (TOP Bonaire); dit is gericht op individuele groei en groei van de ambtelijke organisaties, waarbij het bouwen van een community van young professionals tevens beoogd wordt. Saba heeft gerichte financiële bijdragen ontvangen om de eigen organisatieontwikkeling ter hand te nemen. Er wordt nauw samengewerkt en geadviseerd in deze trajecten. Op Sint Eustatius is geïnvesteerd in het bestuurlijk en financieel toezicht. Zowel op Sint Eustatius als op Bonaire is er geïnvesteerd in burgerzaken om de dienstverlening te verbeteren en processen verder te digitaliseren. Al deze activiteiten worden gemonitord door medewerkers van het programma bestuurlijke ontwikkeling in samenhang met onze collega’s en partners op de eilanden.

Vraag 35

Is er door het land Aruba voldaan aan alle verplichte rentebetalingen over leningen die aan Aruba verstrekt zijn?

Antwoord:

Ja, dit is het geval.

Vraag 36

Welke opdrachten aan bedrijven en organisaties ten aanzien van goed bestuur en gezonde overheidsfinanciën zijn er gegeven en gaan mogelijk het komende jaar gegeven worden?

Antwoord:

BZK werkt gericht aan bestuurlijke ontwikkeling en gezonde overheidsfinanciën op Bonaire, Saba en Sint Eustatius. De inzet is gericht op de professionalisering van het bestuur, vergroten van de kennis, versterken van de capaciteit van het ambtenarenapparaat, versterken en het verbeteren van de interne processen en de dienstverlening. Voor deze projecten worden er zowel Caribische als Europees Nederlandse experts ingezet om gericht aan kennisontwikkeling bij te dragen. De vraag is leidend voor de keuze voor een specifieke partner en de samenwerking wordt door het programma bestuurlijke ontwikkeling gemonitord en geëvalueerd.

Vraag 37

Zijn er de komende jaren geen leningen of garanties meer voor de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten?

Antwoord:

Bij brief heb ik uw Kamer in november 2016 geïnformeerd over de uitstaande (garantie)leningen aan Curaçao, Aruba en Sint Maarten en de vervaldata (Kamerstukken II 2016–2017 31 568, nr. 180). De procedure voor het aangaan van nieuwe leningen is opgenomen in de Rijkswet financieel toezicht.

Daarin staat dat als Curaçao en Sint Maarten voldoen aan de normen uit de Rijkswet financieel toezicht, en er dus sprake is van een vastgestelde begroting die naar het oordeel van het College financieel toezicht voldoet aan de vereisten uit de wet, de landen om een lening voor dat betreffende jaar kunnen verzoeken. De Nederlandse Staat heeft dan een lopende inschrijving. Sint Maarten heeft in 2017 een bedrag van 21,7 mln. ANG aangetrokken. Curaçao heeft voor 2017 een verzoek voor 60 mln. ANG ingediend. Het Cft moet dit verzoek nog beoordelen. Voor Aruba geldt geen verplichte lopende inschrijving door Nederland.

Vraag 38

Hoe komt het dat de schuldsanering voor de landen Curaçao en Sint Maarten na 2018 zo drastisch afneemt?

Antwoord:

Met de overname van de schuldtitels van de voormalige Nederlandse Antillen werden deze integraal onderdeel van de Nederlandse staatsschuld. Om uiting te geven aan de beleidsmatige verantwoordelijkheid van de Minister van BZK voor de schuldsanering is de bijbehorende reeks van rente en aflossing, die loopt tot 2030, opgenomen in begrotingshoofdstuk IV. De in de begroting zichtbare bedragen, inclusief de daling per 2018, betreffen dus louter de meerjarige verwerking van de sanering per 2010.

Vraag 39

Worden er gezien de gevolgen van de orkaan Irma op Sint Maarten nieuwe leningen verwacht in 2018?

Antwoord:

De plannen voor de wederopbouwfase moeten nog worden uitgewerkt (zie ook de antwoorden op de vragen 2, 3 en7), daaronder valt ook de wijze waarop en de (financiële) instrumenten die daarvoor ingezet kunnen worden. Leningen als financieel instrument worden in die planvorming in overweging genomen. Aandachtspunt bij de inzet van dit instrument is het maximale leningenplafond van het land Sint Maarten. Zodra er meer duidelijkheid is over de plannen voor de wederopbouwfase, zal ik de Tweede Kamer daarover informeren.

Vraag 40

In hoeverre gaan de landen binnen het Koninkrijk bijdragen aan de wederopbouw van Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius?

Antwoord:

In het kader van de noodhulp zijn vanuit Aruba en Curaçao bijdragen geleverd. De plannen voor de wederopbouwfase moeten nog worden uitgewerkt (zie ook de antwoorden op de vragen 2, 3 en7). Ook de andere landen wordt gevraagd een bijdrage te leveren. Of, en zo ja in welke mate de andere landen in het Koninkrijk de wederopbouw kunnen ondersteunen wordt in de planfase meegenomen. Zodra er meer duidelijkheid is over de plannen voor de wederopbouwfase, zal ik de Tweede Kamer daarover informeren.

Vraag 41

In hoeverre wordt de Kamer geïnformeerd over uitgaven uit post 7.3?

Antwoord:

Vanaf dit artikel onvoorzien worden geen rechtstreekse uitgaven gedaan, maar het budget wordt gebruikt om waar nodig uitgaven op een ander artikel te dekken. Hier wordt u tijdens reguliere begrotingsmomenten over geïnformeerd.

Vraag 42

Is het nodig geweest om corrigerend op te treden op de BES-eilanden op het gebied van financiën en financieel beheer in het afgelopen jaar?

Antwoord:

Op Sint Eustatius is het nodig geweest om corrigerend op te treden. Op die begroting is eind 2016 door mij voorafgaand toezicht ingesteld. Het voorafgaand toezicht is sinds augustus jl. gemandateerd aan het Cft. De voortgang met betrekking tot het plan van aanpak ter verbetering van het financieel beheer is te beperkt. De financiële administratie, de salarisadministratie en de training en opleiding van de medewerkers van de unit financiën worden voor een langdurige periode uitbesteed aan een extern kantoor.

Vraag 43

Waarom is de vrije uitkering vanaf 2019 € 8,3 mln. lager dan in 2018?

Antwoord:

Bij voorjaarsnota 2017 zijn de voorziene wisselkoerstekorten toegevoegd aan de dollargevoelige budgetten vanuit de wisselkoersreserve voor de jaren 2017 en 2018. Bij voorjaarsnota 2018 wordt bekeken wat – op basis van de dan geldende koers – de wisselkoersimpact is op de KR-begroting en het BES-fonds voor 2019 en in hoeverre dit gecompenseerd kan worden vanuit de reserve.

Vraag 44

Vanwaar wordt er vanaf 2019 een substantiële daling van de uitgaven naar 33.087 (x1.000) voorzien bij het BES-fonds? Waarom precies daalt de vrije uitkering naar 32.987 (x1.000)?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 43.

Vraag 45

Kunt u de resterende mutaties van € 1,6 mln. toelichten?

Antwoord:

Het betreft hier het uitkeren van loon- en prijsbijstelling.

Vraag 46

Kunt u de nieuwe mutatie van € 1.112.000 in artikel 6 toelichten?

Antwoord:

De Shared Service Organisatie Caribisch Nederland (SSO CN) is het bedrijfsvoeringsonderdeel van Rijksdienst Caribisch Nederland. Andere departementen maken gebruik van de ondersteuning van dit SSO, en dragen hiertoe bij aan de begroting. De mutatie betreft deze verrekening met andere departementen.

Vraag 47

Hoeveel bedraagt de rijksuitkering per hoofd van de bevolking voor Bonaire, Sint-Eustatius en Saba voor het jaar 2018? Hoe ontwikkelt deze bijdrage zich in de volgende jaren?

Antwoord:

Voor de jaren 2017 en 2018 is het aantal inwoners door het CBS niet vastgesteld. In het jaar 2016 woonden 24.548 mensen op de eilanden Bonaire, Saba en Sint Eustatius. De voorziene bijdrage per hoofd van de bevolking bedraagt in 2018 € 12.440 (€ 311 mln. gedeeld door 25.000 inwoners).

Vraag 48

Kan uit de overzichten de conclusie worden getrokken dat de netto bijdrage aan Caribisch Nederland € 311 mln. (totaal rijksuitgaven) minus € 157 mln. (belasting- en premieontvangsten) bedraagt?

Antwoord:

Ja, dit is het geval.

Naar boven