Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834775 nr. 54

34 775 Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën

Nr. 54 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 november 2017

Inleiding

Deze Startnota geeft de vertaling van de financiële afspraken uit het Regeerakkoord.

Leeswijzer

Paragraaf 1 geeft een toelichting op het begrotingsbeleid en de begrotingsregels die voor deze kabinetsperiode zullen gelden. Paragraaf 2 bevat de nieuwe uitgavenplafond, het inkomstenkader en de macro-economische kerngegevens waarop de plafonds en het kader zijn gebaseerd. Daarnaast wordt ingegaan op de indexatie van het Gemeentefonds en het Provinciefonds en de fiscale regelingen. Paragraaf 3 licht de verwachte ontwikkeling van het overheidssaldo (EMU-saldo) en de overheidsschuld (EMU-schuld) toe. Paragraaf 4 bevat een toelichting op de intensiveringen en ombuigingen uit het Regeerakkoord, alsmede de departementale herverkavelingen.

Tegelijk met de Startnota ontvangt u een aantal nota’s van wijzigingen op de departementale ontwerpbegrotingen1. Met de nota’s van wijziging worden de ontwerpbegrotingen 2018 aangepast aan de wijzigingen uit het Regeerakkoord. De fiscale maatregelen die in 2018 ingaan, zijn bij nota van wijziging verwerkt in het Belastingplan 2018.

In de nota’s van wijziging zijn de herverkaveling van Groen onderwijs (naar OCW) en de beleidspakketten van WenR (naar BZK) verwerkt. De overige herverkavelingen worden, door middel van nota’s van wijzigingen, ingediend voor de stemmingen over de begrotingen 2018 in de Tweede Kamer, en zodoende in de begrotingen 2018 opgenomen.

1. Begrotingsbeleid

Het kabinet voert een trendmatig begrotingsbeleid. Het doel van het begrotingsbeleid is beheersing van de overheidsfinanciën, een doelmatige allocatie van middelen en bijdragen aan economische stabiliteit. Bij trendmatig begrotingsbeleid gelden de volgende basisprincipes. Voor de uitgavenkant van de begroting worden aan het begin van een kabinetsperiode afspraken gemaakt over het maximale uitgavenniveau: het zogenoemde uitgavenplafond. Voor elk jaar wordt een plafond voor de totale uitgaven afgesproken dat niet overschreden mag worden. Voor de inkomstenkant van de begroting geldt het principe van automatische stabilisatie: inkomstenmeevallers komen ten gunste van het overheidssaldo, inkomstentegenvallers belasten het overheidssaldo. Dit betekent dat hogere inkomsten – bijvoorbeeld meer belastingontvangsten als gevolg van een hogere economische groei – niet kunnen worden gebruikt voor extra uitgaven. Daar staat tegenover dat tegenvallers aan de inkomstenkant in principe niet tot een bezuiniging leiden. Beleidsmatige ontwikkelingen in de collectieve lasten (met name belastingen en premies) moeten aan de inkomstenkant gecompenseerd worden. Het kabinet besluit ieder jaar in het voorjaar integraal over de hoofdlijnen van de uitgaven- en inkomstenkant, voor zowel het uitvoeringsjaar als het eerstkomende begrotingsjaar. In augustus vindt nadere besluitvorming plaats over de inkomstenkant en de koopkrachtontwikkeling, op basis van een nieuwe raming van het Centraal Planbureau (CPB).

Bijlage 1 bevat de begrotingsregels voor deze kabinetsperiode (begrotingsjaren 2018 tot en met 2021). Het kabinet bestendigt de huidige begrotingsregels, inclusief de aanpassingen die de 15e Studiegroep Begrotingsruimte heeft geadviseerd. Deze aanpassingen zijn onder andere:

  • Het uitgavenplafond wordt geïndexeerd met de loon- en prijsontwikkelingen van de uitgaven, niet langer met de prijs nationale bestedingen (pNB). Hierdoor is er geen sprake meer van mee- of tegenvallers op dit gebied, de zogeheten ruilvoetproblematiek.

  • Het conjuncturele deel van de uitgaven aan WW en bijstand wordt uit het uitgavenplafond gehaald.

  • De rente-uitgaven over de staatsschuld en de budgettaire gevolgen van beleidsmatige besluiten over de gaswinning worden onder het uitgavenplafond geplaatst.

Voornoemde aanpassingen aan het uitgavenplafond zorgen er per saldo voor dat de stabiliserende werking van de overheidsbegroting op de economie toeneemt.

Tevens wordt de Middellangetermijnverkenning van het CPB jaarlijks geactualiseerd in plaats van alleen bij Regeerakkoord. Dit verbetert de kwaliteit en actualiteit van de begrotingsramingen van het kabinet.

2. Uitgavenplafond, inkomstenkader en indexatie Gemeentefonds en Provinciefonds

Macro-economische veronderstellingen en budgettaire kerngegevens

De ramingen voor de inkomsten, uitgaven en daarmee het overheidssaldo zijn gebaseerd op de macro-economische ramingen van het CPB na doorrekening van het Regeerakkoord. Tabel 1 geeft een overzicht van de macro-economische veronderstellingen voor deze Startnota.

Tabel 1 Macro-economische veronderstellingen
 

2017

2018

2019

2020

2021

Bruto binnenlands product (in miljarden euro)

733

771

807

840

873

Economische groei (volumegroei; in procenten bbp)

3,3

3,1

1,9

1,5

1,5

Inflatie (consumentenprijsindex; mutatie per jaar in procenten)

1,6

1,6

2,8

2,3

2,3

Contractloon marktsector (mutatie per jaar in procenten)

1,8

2,5

3,6

3,4

3,1

Werkloze beroepsbevolking (in duizenden personen, internationale definitie)

441

355

343

354

383

Lange rente (niveau in procenten)

0,6

0,8

1,0

1,4

1,8

Eurokoers (dollar per euro)

1,11

1,14

1,15

1,18

1,20

Olieprijs (dollar per vat)

49

50

51

53

54

Bron: Actualisatie Economische Verkenning 2018–2021 (CPB)

Op basis van deze macro-economische veronderstellingen en de financiële afspraken uit het Regeerakkoord (netto intensivering van 14,5 miljard in 2021) komt het kabinet tot de budgettaire kerngegevens voor de komende kabinetsperiode (tabel 2). Het is een weloverwogen beslissing van het kabinet om na de voorbije zuinige jaren te investeren. Met de totale impuls uit het Regeerakkoord komt het kabinet aan de grenzen van de budgettaire ruimte.

Tabel 2 Budgettaire kerngegevens

(in miljarden euro, tenzij aangegeven)

2017

2018

2019

2020

2021

Inkomsten (belastingen en sociale premies)

270,3

285,3

302,9

312,3

322,6

           

Netto-uitgaven onder het uitgavenplafond

253,2

278,3

294,7

307,4

317,8

Rijksbegroting

107,0

126,6

139,8

144,3

147,1

Sociale zekerheid

77,4

78,9

82,0

85,6

88,6

Zorg

68,8

72,8

72,9

77,6

82,1

Netto-uitgaven buiten het uitgavenplafond

11,2

1,8

0,9

0,7

0,9

Gasbaten

– 2,1

– 2,0

– 1,9

– 1,9

– 1,8

Rentelasten1

6,5

0,0

0,0

0,0

0,0

Zorgtoeslag

4,6

5,2

5,7

6,1

6,3

Overig

2,2

– 1,5

– 2,9

– 3,5

– 3,7

Totale netto-uitgaven

264,4

280,0

295,6

308,1

318,7

           

EMU-saldo centrale overheid

5,9

5,3

7,2

4,2

3,9

EMU-saldo decentrale overheden

– 1,8

– 1,7

– 1,6

– 1,6

– 1,6

           

Feitelijk EMU-saldo

4,1

3,5

5,6

2,6

2,3

Feitelijk EMU-saldo (in procenten bbp)

0,6%

0,5%

0,7%

0,3%

0,3%

           

EMU-schuld

418,

415,9

411,3

409,9

409,5

EMU-schuld (in procenten bbp)

57,1%

54,0%

51,0%

48,8%

46,9%

           

Bruto binnenlands product (bbp)

733,4

770,5

807,0

840,5

872,9

X Noot
1

De rentelasten vallen per 2018 onder het uitgavenplafond Rijksbegroting.

Het uitgavenplafond

Voor de uitgavenkant van de begroting worden aan het begin van een kabinetsperiode afspraken gemaakt over het maximale uitgavenniveau: het uitgavenplafond. Het totale uitgavenplafond bestaat uit drie deelplafonds. Het plafond Rijksbegroting (R) heeft betrekking op alle uitgaven en niet-belastingontvangsten van de rijksbegroting, die niet tot de inkomstenkant van de begroting en de andere twee budgetdisciplinesectoren gerekend worden. Het plafond Sociale Zekerheid (S) heeft betrekking op het totaal van de uitgaven in die sector. De collectieve zorguitgaven vallen ten slotte onder het plafond Zorg (Z). De totale uitgaven onder de plafonds SZ en Z betreffen zowel uitgaven die via de rijksbegroting worden gefinancierd, als uitgaven die door premies worden betaald. Bij de plafonds geldt het principe dat uitgaven die meetellen voor het overheidssaldo in beginsel ook meetellen bij de uitgaven onder het totale uitgavenplafond.

De hoogte van de uitgavenplafonds zijn bepaald door de (netto)uitgavenramingen voortvloeiend uit het Regeerakkoord, de wijzigingen aan het uitgavenkader zoals geadviseerd door de 15e Studiegroep Begrotingsruimte en de macro-economische doorwerking. Het uitgavenplafond wordt met deze Startnota vastgelegd voor de jaren 2018 tot en met 2021. Tabel 2 en figuur 1 presenteren het uitgavenniveau van de verschillende deelplafonds voor deze jaren. De feitelijke ontwikkeling van de uitgaven wordt in de komende jaren getoetst aan de hand van deze plafonds. De tabellen in bijlage 2 geven een overzicht van de uitgaven onder de plafonds van de drie budgetdisciplinesectoren en de uitgaven die niet onder het uitgavenplafond vallen (Tabellen 3a t/m 3d) evenals de aansluiting met de Miljoenennota 2018 (Tabellen 4a t/m 4c).

Figuur 1 Plafonds budgetdisciplinesectoren 2018–2021 (in miljarden euro)

Figuur 1 Plafonds budgetdisciplinesectoren 2018–2021 (in miljarden euro)

Figuur 2 geeft een uitsplitsing weer van de ontwikkeling van publieke uitgaven (in reële termen) voor de grootste uitgavencategorieën. Deze laat voor de komende kabinetsperiode een sterke reële stijging van de zorguitgaven zien, van ca. 17% tussen 2017 en 2021. De uitgaven aan sociale zekerheid stijgen met ca. 4% Bijna 2/3 van de totale uitgavenstijging van de overheid sinds 2006 komt door de stijgende uitgaven aan zorg en sociale zekerheid. De gunstige economische ontwikkeling beperkt de komende jaren de uitgavengroei voor deze categorie enigszins via lagere werkloosheidsuitgaven. Uitgaven aan openbaar bestuur stijgen met ca. 6% en uitgaven aan onderwijs met ca. 4%.

Figuur 2 Ontwikkeling uitgaven (index, 2006=100)

Figuur 2 Ontwikkeling uitgaven (index, 2006=100)

Bron: Op basis van cijfers CPB

Indexatie Gemeentefonds en Provinciefonds

In de realisatie van grote maatschappelijke uitdagingen spelen gemeenten en provincies een belangrijke rol. Als gevolg van de keuzes van dit kabinet komt er voor het gemeente- en provinciefonds structureel 1,4 miljard euro extra beschikbaar. Uitgangspunt voor de indexering van het Gemeentefonds en Provinciefonds is de trap-op-trap-afsystematiek. In deze systematiek groeien het Gemeentefonds en Provinciefonds mee met de Rijksuitgaven op een evenredige, actuele, inzichtelijke en beheersbare wijze. Deze systematiek wordt vanaf 2018 gekoppeld aan de totale uitgaven onder het uitgavenplafond (minus enkele correctieposten, zoals het Gemeentefonds en Provinciefonds zelf). Deze verbreding versterkt de evenredigheid van de systematiek en draagt bij aan een stabielere ontwikkeling van de fondsen, de zogenaamde accresontwikkeling. Het integreerbaar deel van de integratie-uitkering sociaal domein gaat per 2019 op in de algemene uitkering en maakt daarmee deel uit van de trap-op-trap-afsystematiek. In overeenstemming met de Wet Houdbare overheidsfinanciën (wet Hof) worden ook afspraken gemaakt over het aandeel van de decentrale overheden in het overheidssaldo de komende kabinetsperiode, waarbij het uitgangspunt het overheidssaldo na doorrekening door het CPB is.

Tabel 3 geeft een overzicht van de indexatie van het Gemeentefonds en Provinciefonds. De tabellen 5a t/m 5e in bijlage 2 geven een overzicht van de aansluiting van deze bedragen met de Miljoenennota 2018, een uitsplitsing van het accres naar Gemeentefonds en Provinciefonds en het plafond van het BTW-Compensatiefonds.

Tabel 3 Normeringsystematiek Gemeentefonds en Provinciefonds

(in miljoenen euro, tenzij anders aangegeven)

20171

2018

2019

2020

2021

2022

Uitgaven Rijksbegroting

106.995

126.574

139.811

144.273

147.135

151.348

Uitgaven Sociale zekerheid

77.388

78.937

82.029

85.563

88.642

92.057

Uitgaven Zorg

68.828

72.762

72.896

77.581

82.087

87.487

A) Netto uitgaven onder uitgavenplafond

253.211

278.274

294.736

307.418

317.864

330.892

B) Correcties

– 30.086

– 40.086

– 42.054

– 43.533

– 44.746

– 46.220

w.v. Gemeentefonds, Provinciefonds en BTW-Compensatiefonds

– 22.255

– 23.082

– 31.623

– 32.968

– 33.989

– 35.284

w.v. overige Rijksbijdragen aan gemeenten en provincies

– 17.147

– 17.005

– 10.431

– 10.565

– 10.757

– 10.937

w.v. overboekingen met GF, PF en BCF

0

0

0

0

0

0

w.v. overige financieringsverschuivingen

9.316

0

0

0

0

0

C) Accresrelevante uitgaven (aru) = A+B

223.125

238.188

252.682

263.885

273.117

284.671

D) Ontwikkeling aru (%) = (Ct – Ct-1)/Ct-1

1,14%

6,75%

6,09%

4,43%

3,50%

4,23%

             

Gemeentefonds

           

E) Grondslag (t-1)

16.702

16.654

17.461

25.682

26.782

27.660

F) Accres (= E * D)

190

1.124

1.063

1.139

937

1.170

G) accres cumulatief

190

1.314

2.377

3.515

4.452

5.622

             

Provinciefonds

           

H) Grondslag (t-1)

2.494

2.410

2.234

2.349

2.435

2.446

I) Accres (= H * D)

28

163

136

104

85

103

J) accres cumulatief

28

191

327

431

516

620

X Noot
1

De normeringsystematiek wijzigt per 2018. Voor 2017 blijven de afspraken van het kabinet Rutte II van toepassing.

Het inkomstenkader

De inkomstenmaatregelen uit het Regeerakkoord worden in lijn met het advies van de 15e Studiegroep Begrotingsruimte vastgelegd in het inkomstenkader. Gedurende de kabinetsperiode wordt de beleidsmatige lastenontwikkeling getoetst aan het inkomstenkader. In de begrotingsregels is vastgelegd dat het inkomstenkader cumulatief over de kabinetsperiode moet sluiten, waarbij tijdelijke afwijkingen zoveel mogelijk dienen te worden vermeden.

Het principe van het inkomstenkader is dat alleen budgettaire gevolgen van beleidsaanpassingen (tariefs- dan wel grondslagwijziging) gecompenseerd moeten worden door andere inkomstenmaatregelen2. Dit zorgt voor beheersing aan de inkomstenkant van de rijksbegroting. Schommelingen in ontvangsten als gevolg van overige oorzaken – met name economische ontwikkelingen – lopen in het overheidssaldo. Dit zorgt voor automatische stabilisatie; in slechte economische tijden nemen de belastingontvangsten af, terwijl zij in goede tijden toenemen.

Tabel 4 geeft het inkomstenkader voor de komende kabinetsperiode.

Tabel 4 Inkomstenkader 2018–2021

(in miljarden euro’s; – is lastenverlichting/saldoverslechterend)

2018

2019

2020

2021

Cum. 2018–2021

Basispad

2,2

3,9

2,1

0,9

9,0

Maatregelen vorige kabinetten

0,6

1,7

1,0

– 0,1

3,1

Zorgpremies

1,1

1,5

1,2

1,0

4,8

Uitboeken LIV/LKV

0,5

0,4

0,0

0,0

0,9

Btw-sport

0,0

0,2

0,0

0,0

0,2

           

Regeerakkoord

– 0,2

– 0,2

– 3,4

– 2,7

– 6,5

IB-pakket

– 0,4

– 1,1

– 1,8

– 2,1

– 5,4

w.v. box 1 maatregelen

0,0

– 5,0

– 1,9

– 2,5

– 9,4

w.v. vergroening burgers

0,0

0,5

0,2

0,3

1,0

w.v. overige lasten

– 0,4

3,3

– 0,1

0,2

3,0

Pakket bedrijfsleven

0,2

0,8

– 2,0

– 1,2

– 2,2

Milieupakket bedrijven

0,0

0,2

0,3

0,0

0,4

Lastenmaatregelen in uitgavenpakketten

0,0

0,0

0,1

0,6

0,7

           

Doorwerking Regeerakkoord op zorgpremies en compensatie

0,1

0,1

0,3

0,2

0,8

Zorgpremies

0,1

– 0,1

– 0,3

– 0,6

– 0,9

Compensatie zorgpremies

0,0

0,2

0,6

0,8

1,7

           

Totaal

2,1

3,8

– 1,0

– 1,6

3,4

Het inkomstenkader wordt weergegeven in mutaties; de verandering ten opzichte van het voorgaande jaar.

De beleidsmatige lastenontwikkeling in de periode 2018 tot en met 2021 wordt in belangrijke mate bepaald door het basispad. In het basispad zitten onder andere de effecten van maatregelen van voorgaande kabinetten met gevolgen voor de komende kabinetsperiode zoals de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting. Deze zorgen voor een cumulatieve lastenverzwaring van 3,1 miljard euro. In het basispad zorgen de stijgende zorgpremies, als gevolg van stijgende zorguitgaven, voor een beleidsmatige lastenverzwaring van cumulatief 4,8 miljard euro. Tevens worden vanaf nu, het Lage Inkomens Voordeel (LIV) en het Loonkostenvoordeel (LKV) geboekt onder het uitgavenplafond. Zowel het inkomstenkader als het uitgavenplafond wordt hiervoor gecorrigeerd.

De btw-sportvrijstelling moet door een uitspraak van het Europees Hof van Justitie worden aangepast. Dit leidt tot een extra lastenrelevante opbrengst voor de schatkist van 241 miljoen euro in 2019. Voor gemeenten en sportverenigingen leidt dit tot een financieel nadeel van dezelfde omvang. Om gemeenten en sportverenigingen hiervoor te compenseren3 wordt 241 miljoen euro overgeheveld van de inkomsten- naar de uitgavenkant van de rijksbegroting.

In het inkomstenkader zijn alle bedragen uit de financiële bijlage van het Regeerakkoord (prijzen 2017) omgezet naar constante prijzen van het beoogde jaar van invoering. De omzetting naar constante prijzen in het beoogde jaar van invoering is «for better or worse». Ieder verschil tussen de ramingen in het Belastingplan en het inkomstenkader is lastenrelevant en moet binnen het inkomstenkader worden gecompenseerd.

Om van de financiële bijlage in het Regeerakkoord te komen tot het inkomstenkader zijn nog de volgende stappen gezet:

  • De wet Hillen wordt in 30 jaar afgebouwd in plaats van 20 jaar;

  • Enkele fiscale maatregelen uit het Regeerakkoord worden opgenomen in een nota van wijziging bij het Belastingplan 2018. Het verschil tussen de budgettaire bedragen in de nota van wijziging en het Regeerakkoord wordt gedekt door het tarief eerste schijf van het nieuwe tweeschijvenstelsel met 0,02%-punt te verhogen per 2021. Het tarief komt hierdoor uit op 36,95% in plaats van 36,93% zoals voorzien in het Regeerakkoord4.

  • Tijdelijke kaseffecten zoals anticipatie-effecten in reactie op maatregelen die leiden tot een verschuiving van inkomsten over de tijd worden niet in het inkomstenkader geboekt. Dat speelt bij de voorgenomen verhoging van het tarief in box 2 en het afschaffen van de dividendbelasting.

Zorgpremies in de Zorgverzekeringswet (Zvw), inclusief de zorgtoeslag, maken ook onderdeel uit van het inkomstenkader. Maatregelen in de curatieve zorg om de uitgaven te beperken, zoals de hoofdlijnenakkoorden, werken een-op-een door in een lagere nominale premie, inkomensafhankelijke bijdrage en zorgtoeslag omdat de Zvw lastendekkend is. Daarmee heeft een maatregel in de curatieve zorg geen positief effect op het overheidssaldo. Voor een positief effect op het overheidssaldo dienen tegenover de lagere zorgpremies hogere belastingen te staan.

De maatregelen in het Regeerakkoord leiden tot een beleidsmatige cumulatieve lastenverlichting van 6,5 miljard euro. Inclusief de lastenontwikkeling in het basispad komt de totale beleidsmatige lastenontwikkeling voor de komende kabinetsperiode uit op 3,4 miljard euro.

Fiscale regelingen

Fiscale regelingen (voorheen belastinguitgaven) zijn regelingen die de belastingopbrengst verminderen. Bijlage 6 van de Miljoenennota 2018 bevat hier een overzicht van. Het budgettaire belang van deze fiscale regelingen wordt jaarlijks gemonitord. Voor de beoordeling van de ontwikkeling van het budgettaire belang wordt als benchmark de raming voor het jaar 2017 volgens Miljoenennota 2018 gehanteerd. In elke Miljoenennota zal de raming voor het komende jaar worden vergeleken met de benchmark om te bepalen of sprake is van een substantiële ontwikkeling. Indien er sprake is van substantiële endogene ontwikkelingen, kan dit aanleiding zijn voor het nemen van maatregelen. Deze maatregelen zijn niet relevant voor het inkomstenkader.

3. Overheidssaldo en overheidsschuld

Het kabinet voert een begrotingsbeleid dat voldoet aan de Europese begrotingsregels uit het Stabiliteits- en Groeipact (SGP). Het overheidssaldo (EMU-saldo) blijft gedurende de kabinetsperiode positief en houdt een ruime marge ten opzichte van de tekortnorm uit de correctieve arm van 3% bbp. De overheidsschuld (EMU-schuld) komt in 2017 uit onder de norm van 60% bbp en daalt verder naar 47% bbp in 2021.

Tabel 5 Ontwikkeling feitelijk overheidssaldo en overheidsschuld

(in procenten bbp, + is overschot of toename schuld)

2017

2018

2019

2020

2021

Feitelijk overheidssaldo Miljoenennota 2018

0,6%

0,8%

1,2%

1,4%

1,6%

Maatregelen Regeerakkoord

0,0%

– 0,6%

– 0,9%

– 1,4%

– 1,6%

Macro-economische doorwerking Regeerakkoord

0,0%

0,3%

0,4%

0,3%

0,3%

Overheidssaldo Startnota

0,6%

0,5%

0,7%

0,3%

0,3%

           

Overheidsschuld Miljoenennota 2018

57,5%

54,4%

51,6%

48,6%

45,6%

Maatregelen Regeerakkoord

0,0%

0,6%

1,5%

2,8%

4,3%

Macro-economische doorwerking Regeerakkoord

0,0%

– 0,7%

– 1,8%

– 2,3%

– 2,7%

Overig

– 0,3%

– 0,3%

– 0,3%

– 0,3%

– 0,3%

Overheidsschuld Startnota

57,1%

54,0%

51,0%

48,8%

46,9%

Naast deze tekort- en schuldnormen voldoet Nederland naar verwachting ook aan de vereisten van de preventieve arm uit het SGP. Hierin staat de landenspecifieke Middellangetermijndoelstelling (MTO) centraal, uitgedrukt in het structureel saldo. Het structurele saldo is het saldo na correctie voor de conjunctuur en eenmalige mee- of tegenvallers. Voor Nederland is de MTO een structureel saldo van –0,5% bbp. Het structurele saldo komt in 2018 naar verwachting uit op –0,7%. Dit saldopercentage valt binnen de marge van 0,25% die de Commissie hanteert in de ex-post beoordeling om te beoordelen of aan de MTO wordt voldaan5. Daarnaast geldt in de preventieve arm een norm voor de ontwikkeling van de uitgaven (uitgavenregel). Naar verwachting blijft de ontwikkeling van de uitgavengroei in 2018 binnen de toegestane marges. De Europese Commissie zal in het najaar een oordeel geven over het ontwerpbegrotingsplan van Nederland voor 2018. Het kabinet ziet de beoordeling van de Commissie met vertrouwen tegemoet. Na 2018 verbetert het structureel saldo naar 0,1% in 2021. Op basis van de cijfers in deze Startnota voldoet Nederland aan de vereisten van het SGP.

Tabel 6 Opbouw structureel Overheidssaldo

(in procenten bbp, + is overschot)

2017

2018

2019

2020

2021

Feitelijk overheidssaldo Startnota

0,6%

0,5%

0,7%

0,3%

0,3%

Conjuncturele component

– 0,2%

– 1,1%

– 0,8%

– 0,3%

– 0,2%

Incidentele correcties

– 0,3%

– 0,1%

– 0,1%

0,0%

0,0%

Structureel overheidssaldo Startnota

0,0%

– 0,7%

– 0,2%

0,0%

0,1%

Figuren 3 en 4 even de ontwikkeling van het overheidssaldo en de overheidsschuld in historisch perspectief weer.

Figuur 3 Ontwikkeling overheidssaldo (in procenten bbp)

Figuur 3 Ontwikkeling overheidssaldo (in procenten bbp)

Figuur 4 Ontwikkeling overheidsschuld (in miljarden euro en procenten bbp)

Figuur 4 Ontwikkeling overheidsschuld (in miljarden euro en procenten bbp)

4. Toelichting intensiveringen en ombuigingen

De maatregelen uit het Regeerakkoord tellen op tot een netto intensivering van 14,5 miljard euro in 2021. In bijlage 3 wordt per begrotingshoofdstuk aangegeven waar intensiveringen en ombuigingen neerslaan.

De intensiveringen (inclusief uitvoeringskosten) die nadere uitwerking behoeven, worden conform de afspraak uit het Regeerakkoord op de aanvullende post van het Ministerie van Financiën geboekt in afwachting van concrete, doelmatige en evalueerbare beleidsvoorstellen. Intensiveringsmiddelen worden vervolgens jaarlijks tranchegewijs uitgekeerd naar de departementale begrotingen. Intensiveringen die reeds voldoende concreet en evalueerbaar zijn, zijn op de departementale (meerjaren)begrotingen verwerkt. Dit geldt ook voor de ombuigingen uit het Regeerakkoord. De verwerking van deze intensiveringen en ombuigingen vindt plaats middels nota’s van wijzigingen op de ontwerpbegroting 2018.

Operatie Inzicht in Kwaliteit

Conform het Regeerakkoord wordt er een operatie Inzicht in Kwaliteit uitgevoerd om de doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid te vergroten. Met deze operatie wordt beoogd dat beleid van te voren beter wordt onderbouwd en achteraf goed wordt geëvalueerd. Evaluatieonderzoek is een essentieel onderdeel van de beleidscyclus, wat helpt om beter beleid te maken. Dat komt de kwaliteit van de overheidsuitgaven ten goede. In de eerste helft van 2018 wordt de Kamer nader geïnformeerd.

Herverkavelingen

Uit het Regeerakkoord volgen herverkavelingen van budgetten tussen de bestaande en nieuwe begrotingen. In deze Startnota zijn twee herverkavelingen meegenomen. Het betreft de overheveling van Groen onderwijs van Economische Zaken en Klimaat (EZK) naar OCW. Daarnaast worden de middelen van het voormalige WenR overgeheveld naar de begroting van BZK. De herverkaveling is verwerkt in de departementale tabbladen (bijlage 3). Per definitie tellen alle wijzigingsvoorstellen bij elkaar op tot 0; er wordt door de herverkaveling per saldo geen voorstel tot uitgavenverhogingen of uitgavenverlagingen gedaan. Voor zover niet alle herverkavelingen nu middels nota’s van wijziging verwerkt kunnen worden, zullen deze door middel van nota’s van wijzigingen, in te dienen voor het de stemmingen over de begrotingen 2018 in de Tweede Kamer, in de begrotingen 2018 worden opgenomen. Nieuwe begrotingen kunnen pas op Prinsjesdag 2018 worden ingediend. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) krijgt een eigen departementale begroting. Omdat een nieuwe begrotingswet alleen op Prinsjesdag kan worden ingediend, wordt de nieuw in te richten begroting van LNV pas bij de begroting 2019 ingevoerd.

Tabel 7 Overzicht herverkaveling

Taak

Ministerie

Voorheen onderdeel van

Groen onderwijs1

OCW

EZ

Wonen en Rijksdienst1

BZK

WenR

Landbouw

LNV

EZ

Klimaat

EZK

IenM

Elektrisch vervoer

IenW

EZ

Digitale overheid

BZK

EZ

Ruimte

BZK

IenM

Kustwacht Caribisch NL

Defensie

BZK/KR

X Noot
1

Reeds verwerkt bij Startnota.

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra

Bijlage 1 Begrotingsregels 2018–2021

zoals deze zijn vastgesteld door het Kabinet-Rutte III.

Inleiding

Gezonde, houdbare overheidsfinanciën zijn een noodzakelijke voorwaarde voor de welvaart van Nederland. Het kabinet streeft naar het handhaven van een begrotingsoverschot in de komende kabinetsperiode en het voeren van een trendmatig begrotingsbeleid. Een degelijk begrotingsbeleid draagt bij aan voorspelbaar overheidsbeleid, een doelmatige allocatie van middelen en versterking van de economische groei. Degelijk begrotingsbeleid levert vertrouwen op vanuit de financiële markten, wat via lagere rentebetalingen tot een positieve bijdrage aan de overheidsbegroting en het bedrijfsleven leidt.

In de Wet Houdbare Overheidsfinanciën (Wet Hof) zijn de belangrijkste uitgangspunten van het Nederlandse begrotingsbeleid vastgelegd. Ook zijn hierin de Europese begrotingsafspraken verankerd. Deze afspraken vormen de grenzen waarboven het begrotingsbeleid vorm krijgt. Aan het begin van elke kabinetsperiode wordt nader invulling gegeven aan het begrotingsbeleid zoals vastgelegd in de Wet Hof.

De reikwijdte van het begrotingsbeleid van het kabinet betreft de sectoren Rijksbegroting, Zorg en Sociale zekerheid. Voor sectoren van de collectieve sector die buiten het bereik van het begrotingsbeleid van het kabinet vallen – in casu decentrale overheden en rechtspersonen met een wettelijke taak – regelt de Wet Hof een gelijkwaardige inspanning in het houdbaar maken en houden van de overheidsfinanciën.

Leeswijzer

De begrotingsregels bestaan uit basisprincipes, budgettaire spelregels en technische uitwerking. De basisprincipes van het begrotingsbeleid verwoorden de belangrijkste uitgangspunten en de rationale daarachter. De budgettaire spelregels zorgen er voor dat in de praktijk recht wordt gedaan aan de basisprincipes, waarbij de technische aspecten daarvan zijn ondergebracht in de technische uitwerking.

I Basisprincipes van het begrotingsbeleid

1. Uitgaven

Voor de uitgavenkant van de begroting worden aan het begin van een kabinetsperiode afspraken gemaakt over het maximale uitgavenniveau: het uitgavenplafond. Voor elk jaar wordt een plafond voor de totale uitgaven afgesproken dat niet overschreden mag worden. De hoogte van het uitgavenplafond wordt vervolgens jaarlijks aangepast aan loon- en prijsontwikkelingen. De uitgavenplafonds van de sectoren Rijksbegroting, Sociale Zekerheid en Zorg samen vormen het totale uitgavenplafond.

2. Inkomsten

Voor de inkomstenkant van de begroting geldt het principe van automatische stabilisatie: inkomstenmeevallers komen ten gunste van het EMU-saldo, inkomstentegenvallers belasten het EMU-saldo. Dit betekent dat hogere inkomsten – bijvoorbeeld meer belastingontvangsten als gevolg van een hogere economische groei – niet kunnen worden gebruikt voor extra uitgaven. Daar staat tegenover dat ook niet bezuinigd hoeft te worden wanneer sprake is van een bijvoorbeeld een tegenvaller in de belastinginkomsten.

Beleidsmatige ontwikkelingen in de collectieve lasten (met name belastingen en premies) moeten aan de inkomstenkant gecompenseerd worden. Bij lastenverlichting moeten andere lasten verzwaard worden en bij lastenverzwaring moet elders sprake zijn van lastenverlichting. Deze werkwijze heeft als doel beleidsmatige ontwikkelingen aan de inkomstenkant te beheersen en voorkomt dat het principe van automatische stabilisatie aan de inkomstenkant wordt ondermijnd.

3. Besluitvorming over de begroting

Om een goede integrale afweging te kunnen maken tussen de verschillende beleidsdoelstellingen en bijbehorende kosten vindt de besluitvorming over de begroting plaats op één vast moment in het jaar. Dit «hoofdbesluitvormingsmoment» valt in het voorjaar, voorkomt dat de begroting continu wordt bijgesteld en maakt dat er genoeg tijd is voor gedegen invoering van maatregelen. Het kabinet besluit in het voorjaar integraal over de hoofdlijnen van de uitgaven- en inkomstenkant voor zowel het uitvoeringsjaar als het eerstkomende begrotingsjaar. In augustus vindt nadere besluitvorming plaats over de inkomstenkant en de koopkrachtontwikkeling, op basis van een nieuwe raming van het Centraal Planbureau.

II Budgettaire spelregels

Tijdens een kabinetsperiode is altijd sprake van ontwikkelingen die budgettaire gevolgen met zich meebrengen die anders zijn dan bij de opstelling van een regeerakkoord werd verwacht. Een goede set spelregels biedt dan uitkomst bij het beantwoorden van de vraag hoe om te gaan met nieuwe budgettaire ontwikkelingen gedurende een kabinetsperiode. De onderstaande spelregels zijn een nadere invulling van de basisprincipes van het begrotingsbeleid en dragen gedurende de kabinetsperiode bij aan het realiseren van de aan het begin van de kabinetsperiode vastgestelde budgettaire uitgangspunten.

1. Overschrijding van uitgaven

Dreigende overschrijdingen dienen zoveel mogelijk te worden voorkomen door passende en tijdige maatregelen. Iedere dreigende overschrijding dient zo snel mogelijk schriftelijk te worden gemeld aan de Minister van Financiën. De bewindspersoon die verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waar de overschrijding zich voordoet, doet in dezelfde budgettaire nota voorstellen voor compensatie binnen de eigen begroting. Alleen de ministerraad kan besluiten om hiervan af te wijken en compensatie te vinden op andere begrotingen en / of binnen andere sectoren. Bij een overschrijding op een begroting binnen de sector rijksbegroting ligt compensatie binnen deze sector allereerst in de rede.

Het uitgangspunt is dat de opbrengst van een compenserende maatregel in ieder jaar gelijk is aan de problematiek. Indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is kan compensatie in de tijd voor- of achterlopen op de problematiek. Compensatie vindt plaats binnen de meerjarenperiode. Zie bijlage 1 voor een uitgebreide toelichting.

2. Meevallende uitgaven

Meevallende uitgaven mogen worden gebruikt om tegenvallende uitgaven te compenseren, maar mogen niet worden gebruikt voor nieuw beleid of aanpassingen van beleid.

Om ondoelmatige besteding van middelen aan het einde van het jaar te voorkomen, kunnen middelen van het huidige naar het volgende jaar geschoven worden met behulp van de zogenoemde eindejaarsmarge. Hiervoor geldt een maximum van 1,0 procent van het (gecorrigeerde) begrotingstotaal. Zie bijlage 1 voor een uitgebreide toelichting.

3. Beleid aan de inkomstenkant

Het totaal van beleidsmatige aanpassingen aan de inkomstenkant wordt aan het begin van een kabinetsperiode vastgelegd voor de duur van de kabinetsperiode in het inkomstenkader. Budgettaire gevolgen van beleidsaanpassingen (tariefs- dan wel grondslagwijziging) moeten gecompenseerd worden door andere inkomstenmaatregelen.

III Technische uitwerking

A. Afbakening uitgavenplafond

Uitgaven in de sectoren Rijksbegroting, sociale zekerheid en zorg die meetellen voor het EMU-saldo vallen onder het uitgavenplafond. Onder het uitgavenplafond valt ook een aantal ontvangsten die geen belasting- of premieontvangsten zijn, zoals boeteontvangsten.

B. Indexatie van het uitgavenplafond

Het uitgavenplafond wordt aan het begin van de kabinetsperiode vastgesteld in lopende prijzen. De hoogte van het uitgavenplafond en de daadwerkelijke uitgaven van de rijksoverheid worden gedurende de kabinetsperiode aangepast aan de onafhankelijke indices voor loon- en prijsontwikkelingen van het CPB die in het voorjaar volgen uit het Centraal Economisch Plan (CEP) en in augustus uit de Macro Economische Verkenning (MEV). Deze indices zijn gebaseerd op de lonen en prijzen in de markt en zijn niet beïnvloedbaar door de overheid. Beleidsmatige beslissingen die betrekking hebben op de loon- en prijsbijstelling van de overheid moeten onder het uitgavenplafond worden gedekt. De indexatie van het uitgavenplafond voor het lopende jaar wordt definitief vastgesteld bij Voorjaarsnota.

C. Meerjarencijfers en extrapolatie

De meerjarenperiode bestaat uit het begrotingsjaar en de vier daarop volgende jaren. Bij het beleidsarm extrapoleren van meerjarencijfers wordt rekening gehouden met bestaande wettelijke regelingen. Zie bijlage 1 voor een uitgebreide toelichting.

De begrotingen voor de jaren tijdens de kabinetsperiode worden gebaseerd op de macro-economische cijfers uit het CEP en MEV. Alle uitgavenmutaties na de kabinetsperiode voortvloeiend uit mutaties in de kabinetsperiode moeten elkaar compenseren. Mutaties voortkomend uit een gewijzigd economisch beeld na de kabinetsperiode worden niet betrokken in de besluitvorming. Zo wordt voorkomen dat beslag wordt gelegd op de budgettaire ruimte van het volgende kabinet.

D. Uitgavenmutaties met een afwijkende behandeling

Voor mutaties in enkele uitgaven- en ontvangstencategorieën geldt het uitgangspunt niet dat compensatie van deze mutaties plaats moet vinden binnen de departementale begroting of sector. Het betreft de mutaties in het rendement op het vermogen van de Staat als dividenden en rente (inclusief rente op de staatsschuld), boetes en transacties op de JenV begroting en afpakken op de JenV begroting. Dit geldt ook voor mutaties in budgetten waarvoor een rekenregel (niet zijnde de macro-economische doorwerking) geldt, zoals ontwikkelingssamenwerking, EU-afdrachten, loon- en prijscompensatie en de ontwikkeling van het gemeente- en provinciefonds volgend uit de normeringsystematiek.

E. Uitzonderingen op de afbakening van het uitgavenplafond

Voor de volgende uitgaven geldt dat sprake is van een uitzondering op het uitgangspunt EMU-saldorelevant = plafondrelevant. Het saldo van het Diergezondheidsfonds, delfstofbaten, veilingopbrengsten en het consolidatiesaldo voor Rijksdiensten met een baten-lastenstelsel vallen niet onder het uitgavenplafond. De budgettaire gevolgen van besluiten over het volume van gaswinning worden ingepast onder het uitgavenplafond; hiervoor hoeft geen compensatie binnen de departementale begroting plaats te vinden. De verandering in productie wordt gewaardeerd tegen de gasprijzen waarop de meest recente openbare meerjarenraming is gebaseerd.

Rijksbijdragen en rentebetalingen aan de sociale fondsen en premiebijdragen zijn – om boekhoudkundige dubbeltellingen te voorkomen – niet relevant voor het uitgavenplafond.

De zorgtoeslag, ETS-opbrengsten en de SDE+-heffing vallen niet onder het uitgavenplafond, maar worden meegeteld aan de inkomstenkant van de begroting en tellen op die wijze mee voor het EMU-saldo.

Eerder genomen interventies in de financiële sector en de afbouw hiervan tellen niet mee voor het uitgavenplafond of inkomstenkader. Dit geldt ook voor maatregelen genomen met het oog op de financiële stabiliteit van het eurogebied.

Mutaties in de werkloosheids- en bijstandsuitgaven (WW en WWB) die niet het gevolg zijn van beleidsmatige keuzes zijn geen onderdeel van het uitgavenplafond.

F. Overschrijding van verplichtingen

Een overschrijding van de vastgelegde verplichtingenbedragen is alleen toegestaan indien en voor zover de kaseffecten daarvan passen binnen, dan wel opgevangen kunnen worden binnen de voor het begrotingsjaar afgesproken (kas)ramingen en de bijbehorende meerjarencijfers.

G. Integrale afweging

Vanwege het belang om een goede afweging te kunnen maken tussen de (kosten van) verschillende beleidsdoelstellingen is het oormerken van inkomsten voor uitgaven niet toegestaan, ook niet in het geval van (begrotings)fondsen. Fondsen dienen van een voeding voorzien te zijn passend bij het uitgavenniveau van het fonds.

Subsidie-elementen in opbrengsten uit staatsvermogen (rente, dividend, delfstofbaten en veilingopbrengsten) die mogelijk gederfde opbrengsten impliceren, dienen vooraf inzichtelijk te zijn gemaakt met het oog op de integrale afweging tijdens het hoofdbesluitvormingsmoment.

Regelingen zoals garanties, achterborgstellingen en leningen, brengen een voorwaardelijke financiële verplichting met zich mee en daardoor risico’s voor de begroting. Voor dergelijke regelingen geldt een «nee, tenzij beleid». Voorstellen voor nieuwe risicoregelingen en aanpassingen in bestaande regelingen zijn onderdeel van het hoofdbesluitvormingsmoment in het voorjaar en onderhavig aan een beleidskader. Zie bijlage 3 voor een uitgebreide toelichting.

Voor nieuwe of geïntensiveerde geldstromen naar gemeenten en provincies geldt dat het vakdepartement in kwestie zorgt voor een volledige dekking van de geldstroom inclusief de btw-component. De btw-component wordt vervolgens door het vakdepartement afgedragen aan de begroting van het Btw-compensatiefonds; de nieuwe of geïntensiveerde geldstroom exclusief btw wordt verstrekt aan de gemeente(n) of provincie(s) in kwestie.

H. Inkomstenkant

Voor de inkomstenkant van de begroting tellen alle inkomsten mee die vallen onder de definitie «collectieve last». Een collectieve last is een in Nederland door de overheid opgelegde verplichte betaling waar geen concrete, individuele en met de betaling samenhangende tegenprestatie tegenover staat, of waarbij het gaat om een bijdrage voor een voorziening waarvan het gebruik verplicht is. Mutaties in de lokale lasten (van gemeenten, provincies en waterschappen) worden niet gecompenseerd binnen het inkomstenkader.

Voor het inkomstenkader is het statische effect van fiscale beleidswijzigingen relevant. Het statische effect is het effect van een beleidsmatige tariefswijziging bij gelijkblijvende grondslag of het effect van een beleidsmatige grondslagwijziging bij gelijkblijvend tarief. Mutaties in het inkomstenkader worden geboekt op transactiebasis.

Daar waar relevant, telt ook het eersteordegedragseffect mee in het inkomstenkader. Dit zijn directe effecten op de grondslag van de belasting waar de maatregel op betrekking heeft. Daar waar relevant wordt rekening gehouden met kruiselasticiteiten. Wanneer bijvoorbeeld de accijns op bier wordt verhoogd heeft dat een gevolg voor de opbrengst uit de accijns op wijn. Het effect van een fiscale beleidsmaatregel op het toetsingsinkomen dan wel vermogenstoets van de toeslagen wordt ook als eersteordeeffect gezien.

Voor maatregelen waar de omkeerregel van toepassing is – maatregelen met intertemporele effecten waarbij op korte termijn sprake is van lagere belastinginkomsten en op langere termijn hogere belastingontvangsten en omgekeerd –, is de contante waarde van de langjarige kasstroom relevant voor het inkomstenkader.

Structurele wijzigingen in de premies van de Zorgverzekeringswet (Zvw-premies) worden gecompenseerd in het inkomstenkader. Wijzigingen in de zorgtoeslag als gevolg van wijzigingen in de nominale premie en beleidsmatige wijzigingen worden ook in het inkomstenkader gecompenseerd. Incidentele wijzigingen in de premies zoals (1) het effect op de premies van het wegwerken van tekorten en overschotten in het zorgverzekeringsfonds, (2) incidentele bijstellingen in het saldo verzekeraars en (3) het verschil tussen de VWS-raming en de door verzekeraars vastgestelde nominale premie, worden niet binnen het inkomstenkader gecompenseerd. Ten slotte worden wijzigingen in de Zvw-premiegrondslag nadat de hoogte van de zorgpremies eenmaal zijn vastgesteld niet gecompenseerd binnen het inkomstenkader.

De budgettaire ontwikkeling van specifieke regelingen aan de inkomstenkant zoals vrijstellingen, aftrekposten en verlaagde tarieven die de belastinggrondslag verkleinen, wordt jaarlijks gemonitord in de Miljoenennota. Deze regelingen worden periodiek geëvalueerd. Voor alle nieuwe regelingen aan de inkomstenkant dient een toetsingskader te worden doorlopen en geldt een horizonbepaling. Zie bijlage 2 voor een uitgebreide toelichting.

I. Aanpassingen van het uitgavenplafond en inkomstenkader

In enkele gevallen is het mogelijk om het uitgavenplafond en/of het inkomstenkader aan te passen gedurende de kabinetsperiode. Deze aanpassingen worden statistische correcties genoemd. Het doel van deze correcties is een budgettair neutrale verwerking, waardoor er geen effect ontstaat op de totale ruimte onder het uitgavenplafond en het inkomstenkader en het EMU-saldo niet verslechtert. Van dergelijke correcties is alleen sprake bij:

  • een wijziging in de financiële vormgeving van beleid (van inkomsten naar uitgaven en v.v.), waarbij het voorzieningenniveau en de doelgroep nagenoeg gelijk blijven.

  • grote hervormingen waarbij een collectief arrangement anders wordt vormgegeven met zowel aan de uitgaven- als aan de inkomstenzijde mutaties.

  • bij Publiek Private Samenwerking (PPS). In dat geval vindt een budgettair neutrale omzetting plaats van het (kas) budget in (meerjarige) beschikbaarheidbudgetten. Dat betekent een verlaging van het uitgavenplafond en een per saldo even grote verhoging van het uitgavenplafond in de jaren waarin een beschikbaarheidvergoeding nodig is. De efficiencywinst komt ten gunste van het betreffende departement. Voor het infrastructuurfonds geldt dat de toegestane uitgavenruimte voor beschikbaarheidsvergoedingen 20 procent is.

  • Een bij het Regeerakkoord gevormde besluitvormingsreserve mag tussen de uitgaven- en inkomstenkant geschoven.

Als het hanteren van een apart uitgavenplafond en inkomstenkader leidt tot inefficiënte of onbedoelde uitkomsten, kan de Minister van Financiën besluiten tot een correctie tussen uitgavenplafond en inkomstenkader met instemming van de MR. De Minister van Financien dient dergelijke correcties, waarmee wordt afgeweken van de standaardgronden voor correctie, expliciet toe te lichten in de Miljoenennota.

Bijlagen bij de technische uitwerking

Begrotingsregels bijlage 1 Eindejaarsmarge en opbouw van meerjarencijfers en extrapolatie

Begrotingsregels bijlage 2 Beheersing belastinguitgaven

Begrotingsregels bijlage 3 Beleidskader risicoregelingen

Begrotingsregels bijlage 1 Eindejaarsmarge en opbouw meerjarencijfers en extrapolatie

• Eindejaarsmarge

  • Voor de bepaling van het gecorrigeerde begrotingstotaal wordt uitgegaan van de brutouitgaven stand Ontwerpbegroting. Voor de begrotingsfondsen geldt deze eindejaarsmarge niet. In overleg met Financiën kan een hogere eindejaarsmarge worden vastgesteld.

  • De hoogte van het feitelijk gebruik door de departementen van de eindejaarsmarge wordt in eerste instantie bepaald bij Voorlopige Rekening. De overgehevelde bedragen worden bij de Voorjaarsnota aan de begrotingen toegevoegd. De definitieve omvang van het feitelijk gebruik wordt bepaald op basis van de Slotwet.

  • Gelijktijdig met het toevoegen bij Voorjaarsnota wordt, onder de veronderstelling dat ook het komende jaar gebruik zal worden gemaakt van de eindejaarsmarge, op een aanvullende post een ramingstechnische veronderstelling opgenomen (de zogenoemde in=uit-taakstelling). De combinatie van de toevoeging aan de begrotingen en de ramingstechnische veronderstelling, bewerkstelligt dat het totale uitgavenbeeld niet wijzigt. Onderuitputting die optreedt na de Voorjaarsnota kan worden aangewend ter realisatie van de taakstelling.

• Meerjarencijfers en extrapolatie

  • De ramingen van de uitgaven voor het begrotingsjaar en elk van de vier daaropvolgende jaren (de meerjarenramingen) bestaan uit:

  • De uitgaven die voortvloeien uit verplichtingen die zijn aangegaan tot en met het lopende begrotingsjaar of in dat jaar zullen worden aangegaan;

  • De uitgaven die voortvloeien uit verplichtingen die in het eerstvolgende begrotingsjaar zullen worden aangegaan;

  • De uitgaven die voortvloeien uit verplichtingen die in de jaren volgend op het eerstvolgende begrotingsjaar moeten worden aangegaan, omdat deze een technisch noodzakelijke voortzetting vormen van reeds eerdere aangegane verplichtingen;

  • De overige verplichtingen, voortvloeiend uit bestaand beleid of afspraken op kabinets- of ministerieel niveau die in de jaren volgend op het eerstvolgend begrotingsjaar worden aangegaan.

• Voor het extrapoleren van de meerjarencijfers gelden de volgende uitgangspunten:

  • 1. Bij de ramingen wordt rekening gehouden met bestaande wettelijke regelingen.

  • 2. Het extrapolatiejaar voor de departementale begrotingen en fondsen wordt beleidsarm geëxtrapoleerd. De demografische ontwikkeling is bepalend voor het beleidsarm extrapoleren. In alle gevallen moet het gaan om aan te gane verplichtingen en daaruit voortvloeiende uitgaven op grond van de voortzetting van bestaand of ongewijzigd beleid, of om uitgaven die door expliciete besluiten van de Minister van Financiën of het kabinet zijn geaccordeerd. Indien bestaand beleid niet noodzakelijkerwijze impliceert dat nieuwe verplichtingen worden aangegaan (bijvoorbeeld bij projecten of eenmalige investeringen), dient te worden verondersteld dat geen nieuwe verplichtingen worden aangegaan, tenzij is besloten om het beleid te continueren.

  • 3. Voor de economische groei wordt aangesloten bij de recentste MLT-raming van het Centraal Planbureau (CPB).

  • 4. Het extrapolatiejaar wordt kwantitatief (met prestatiegegevens) onderbouwd. Wanneer geen expliciete andersluidende afspraken bestaan, dienen het volume en de prijs die ten grondslag liggen aan de ramingen, constant gehouden te worden.

  • 5. Het extrapolatiejaar wordt ook kwalitatief (welke programma's, projecten, bijdragen, etc.) onderbouwd.

  • 6. De ramingen dienen te zijn gebaseerd op het in ongewijzigd tempo realiseren van meerjarige projecten.

  • 7. Wanneer reeds is afgesproken dat instrumenten een afloop kennen, dient deze afloop tot uiting te komen in de extrapolatie.

Begrotingsregels bijlage 2 Beheersing belastinguitgaven

• Beheersingskader

  • De zogenoemde «belastinguitgaven» en de budgettaire derving van andere fiscale regelingen vallen om praktische redenen niet onder een met de uitgaven vergelijkbaar strikt beheersingskader. Beleidsmatige mutaties aan de inkomstenkant en nieuwe fiscale regelingen worden geboekt onder het inkomstenkader.

• Toetsingskader belastinguitgaven

  • Voor de introductie van nieuwe dan wel intensiveringen van bestaande belastinguitgaven en de evaluatie van deze regelingen geldt een restrictief toetsingskader, zoals opgenomen in de RBV. Met behulp van het toetsingskader kan worden afgewogen of (de intensivering van) een fiscale maatregel al dan niet de voorkeur heeft.

• Budgettering van individuele belastinguitgaven

  • Voor nieuwe belastinguitgaven en intensiveringen van bestaande belastinguitgaven geldt dat het budgettaire beslag van een dergelijke maatregel wordt gebudgetteerd indien uitvoerbaar. Voor bestaande belastinguitgaven worden bij een evaluatie de mogelijkheden van (nadere) budgettering bezien.

• Monitoring van individuele belastinguitgaven

In een bijlage van de Miljoenennota is het budgettaire beslag van belastinguitgaven (in enge zin) en van de inkomstenbeperkende regelingen eigen woning en pensioenen opgenomen. Het budgettaire beslag van de belastinguitgaven in enge zin wordt tevens afgezet tegen de aan het begin van de kabinetsperiode verwachte ontwikkeling. Bij substantiële opwaartse afwijkingen van de endogene ontwikkeling ten opzichte van de aan het begin van de kabinetsperiode verwachte ontwikkeling kan dit aanleiding geven tot maatregelen, waarbij deze maatregelen niet relevant zijn voor het inkomstenkader.

Begrotingsregels bijlage 3 Beleidskader risicoregelingen

Het beleidskader risicoregelingen ziet toe op alle nieuwe en bestaande risicoregelingen die tussen een organisatie van de rijksoverheid en een organisatie buiten de «sector overheid»6 zijn overeengekomen. Onder risicoregelingen wordt verstaan: (in)directe garanties en leningen.

Besluitvorming over een nieuwe en of aanpassing van een bestaande risicoregeling gebeurt aan de hand van het «toetsingskader risicoregelingen». Dit toetsingskader wordt gepubliceerd in de HAFIR en in de wettenpocket. Voor de besluitvorming over risicoregelingen gelden de volgende voorwaarden:

  • 1. Risicoregelingen vallen onder voorafgaand toezicht van de Minister van Financiën. Nieuwe risicoregelingen, dan wel de aanpassingen in bestaande regelingen, zijn altijd onderdeel van de besluitvorming in de ministerraad en besluitvorming gebeurt in principe bij het Hoofdbesluitvormingsmoment.

  • 2. Ten behoeve van ordentelijke besluitvorming worden voornemens tot het opzetten van nieuwe of wijzigen van bestaande risicoregelingen al in een zeer vroeg stadium kenbaar gemaakt aan het Ministerie van Financiën en worden besproken in de beleidsbrief.

  • 3. Na besluitvorming wordt het toetsingskader risicoregeling verzonden aan het parlement en wordt conform de instructies in de rijksbegrotingvoorschriften verantwoording afgelegd.

De hieronder besproken uitgangspunten vormen de basis voor het toetsingskader risicoregeling.

Probleemstelling en rol van de overheid

Het kabinet betracht zoveel mogelijk terughoudendheid bij het aangaan van nieuwe financiële risico’s. Echter, soms kan het aangaan van nieuwe risico’s noodzakelijk zijn. Essentieel in de besluitvorming is daarom een adequate beschrijving van het probleem en een beschrijving waarom de voorgestelde risicoregeling het meest doelmatig en doeltreffende beleidsinstrument is in vergelijking met alternatieve beleidsinstrumenten. Wat legitimeert deze overheidsinterventie?

Risico's en risicobeheersing

De directe en indirecte financiële risico’s die de overheid loopt dienen goed inzichtelijk te worden gemaakt. Geef een deugdelijke onderbouwing van de directe en indirecte financiële risico’s die de overheid zal gaan dragen. Maak daarbij inzichtelijk welke aannames er bij de risico inschatting zijn gebruikt en waar deze risico inschatting op gebaseerd is. Wat is maximale risico dat per jaar kan optreden en wat zijn de precieze kenmerken van het risico dat de regeling moet dekken? Iedere risicoregeling dient eindig te zijn en het risico dient gemaximeerd te zijn met een plafond. Als gedurende de uitvoering van de risicoregeling er sprake blijkt te zijn van een onderbenutting van meer dan 10 procent van het plafond, dan zal het plafond neerwaarts worden bijgesteld, tenzij aangetoond wordt dat een hoger plafond gerechtvaardigd is, omdat uit het meerjarig gebruik bijvoorbeeld blijkt dat er sprake is van sterke fluctuaties als gevolg van economische ontwikkelingen of omdat het gebruik van de regeling in de toekomst sterk zal toenemen.

Geef ook een beschrijving van alle risicomitigerende maatregelen die worden gehanteerd om het risico voor de overheid zoveel mogelijk te beperken. Wordt het risico bijvoorbeeld (deels) gedekt door private financiële instellingen, kan de overheid beslag leggen op het vermogen van de tegenpartij en welke maatregelen en risicovoorzieningen moet de afnemer van de risicoregeling treffen om het risico voor de overheid zoveel mogelijk te beperken?

Voor grote en complexe risico’s zal een second opinion gevraagd worden aan een onafhankelijke gespecialiseerde partij ten aanzien van de risicoschatting en beheersing en premiestelling. Zowel het beleidsdepartement als het Ministerie van Financiën kunnen om een dergelijke expertise verzoeken. Het beleidsdepartement draagt hiervoor de kosten.

Risicopremie, risicovoorziening en budgettaire verwerking

In het geval wordt besloten tot een risicoregeling dan wordt een premie gevraagd die een reële weergave vormt van het risico. De premie wordt in een risicovoorziening gestort en is in principe de optelsom van de verwachte schade, de uitvoeringskosten en een risico-opslag. Deze risico-opslag dient overeen te komen met gangbare risicopremies die worden gehanteerd bij vergelijkbare marktactiviteiten. De voorziening blijft meerjarig beschikbaar voor het doen van uitgaven voortkomend uit de risicoregeling. In overeenstemming met het Ministerie van Financiën wordt besloten over de aanwending van de middelen die na afloop van een risicoregeling nog resteren in een risicovoorziening.

Vormgeving en budgettaire inpasbaarheid van de risicoregeling

Bij nieuwe risicoregelingen en aanpassingen van bestaande regelingen zal er een versobering van (andere) risicoregelingen plaatsvinden. Indien een departement zelf geen risicoregelingen heeft waarmee vrije ruimte voor een nieuwe risicoregeling kan worden gecreëerd, dan kan het departement nieuwe ruimte voor de risicoregelingen organiseren door een substantiële eerste storting in een risicovoorziening.

De Minister van Financiën zal bij het inrichten van een risicovoorziening voorwaarden stellen. Exacte vormgeving van de risicovoorziening wordt vastgelegd in een brief van het Ministerie van Financiën aan het beleidsdepartement.

Horizonbepaling en evaluatie

Iedere risicoregeling krijgt een horizonbepaling, de standaardtermijn is vijf jaar.

Ten tijde van de horizonbepaling wordt een evaluatie van de risicoregeling uitgevoerd. De doelmatigheid en doeltreffendheid van de risicoregeling wordt onderzocht. De kwaliteitseisen voor dit onderzoek zijn beschreven in de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek.

Relevante wet en regelgeving met betrekking tot risicoregelingen:

  • Comptabiliteitswet.

  • Rijksbegrotingvoorschriften.

  • Begrotingsregels zoals vastgelegd door het kabinet.

  • ABC-fiche begrotingsreserves.

  • Hafir algemeen.

  • Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek.

Bijlage 2 Budgettaire plafonds en kerngegevens

Budgettaire kerngegevens

Tabel 2 Budgettaire kerngegevens

(in miljarden euro, tenzij anders aangegeven)

2017

2018

2019

2020

2021

Inkomsten (belastingen en sociale premies)

270,3

285,3

302,9

312,3

322,6

           

Netto-uitgaven onder het uitgavenplafond

253,2

278,3

294,7

307,4

317,8

Rijksbegroting

107,0

126,6

139,8

144,3

147,1

Sociale zekerheid

77,4

78,9

82,0

85,6

88,6

Zorg

68,8

72,8

72,9

77,6

82,1

Netto-uitgaven buiten het uitgavenplafond

11,2

1,8

0,9

0,7

0,9

Gasbaten

– 2,1

– 2,0

– 1,9

– 1,9

– 1,8

Rente-uitgaven1

6,5

0,0

0,0

0,0

0,0

Zorgtoeslag

4,6

5,2

5,7

6,1

6,3

Overig

2,2

– 1,5

– 2,9

– 3,5

– 3,7

Totale netto-uitgaven

264,4

280,0

295,6

308,1

318,7

           

EMU-saldo centrale overheid

5,9

5,3

7,2

4,2

3,9

           

EMU-saldo decentrale overheden

– 1,8

– 1,7

– 1,6

– 1,6

– 1,6

           

Feitelijk EMU-saldo

4,1

3,5

5,6

2,6

2,3

Feitelijk EMU-saldo (in procenten bbp)

0,6%

0,5%

0,7%

0,3%

0,3%

           

EMU-schuld

418,7

415,9

411,3

409,9

409,5

EMU-schuld (in procenten bbp)

57,1%

54,0%

51,0%

48,8%

46,9%

           

Bruto binnenlands product (bbp)

733,4

770,5

807,0

840,5

872,9

X Noot
1

De rente-uitgaven vallen per 2018 onder het uitgavenplafond Rijksbegroting.

Budgettaire uitgavenplafonds en overige uitgaven

Tabel 3a Netto-uitgaven onder plafond Rijksbegroting

(in miljoenen euro)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

De Koning

42

42

42

42

42

44

2A

Staten-Generaal

146

140

138

138

143

140

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

114

108

106

106

106

106

3

Algemene Zaken

57

56

56

56

58

60

4

Koninkrijksrelaties

93

87

80

80

81

68

5

Buitenlandse Zaken

4.611

8.786

9.599

9.779

9.641

9.920

6

Justitie en Veiligheid

11.268

10.457

10.430

10.261

10.127

9.778

7

Binnenlandse Zaken

736

4.634

4.637

4.614

4.772

4.925

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

34.971

36.814

36.846

36.511

36.316

36.122

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

17

6.149

5.883

5.891

5.940

6.445

9B

Financiën

4.707

4.853

4.707

4.573

4.544

4.642

10

Defensie

8.427

8.777

8.825

8.841

8.710

8.631

12

Infrastructuur en Waterstaat

7.409

8.410

8.720

8.761

8.930

8.980

13

Economische Zaken en Klimaat

4.671

4.024

4.561

5.215

5.193

5.330

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

587

518

452

394

395

391

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

2.480

2.607

2.533

2.475

2.421

2.411

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

2.759

2.447

2.596

2.916

3.194

3.366

18

Wonen en Rijksdienst

3.746

0

0

0

0

0

50

Gemeentefonds

18.409

18.911

24.887

24.828

24.769

24.637

51

Provinciefonds

2.410

2.188

2.167

2.148

2.075

2.065

55

Infrastructuurfonds

551

0

0

0

0

0

58

Diergezondheidsfonds

0

0

0

0

0

0

60

Accres Gemeentefonds

159

649

1.890

3.167

4.218

5.531

61

Accres Provinciefonds

21

93

256

380

483

607

64

BES-fonds

42

41

33

33

33

33

65

Deltafonds

127

0

0

0

0

0

80

Prijsbijstelling

0

453

1.019

1.605

2.205

2.826

81

Arbeidsvoorwaarden

0

1.405

3.443

5.494

7.223

9.058

86

Algemeen

– 1.564

3.923

5.902

5.963

5.515

5.231

HGIS

Internationale Samenwerking1

– (4.510)

– (4.926)

– (4.979)

– (5.219)

– (5.369)

– (5.524)

 

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

106.995

126.574

139.811

144.273

147.135

151.348

               
 

Totaal netto-uitgaven onder plafond Rijksbegroting

106.995

126.574

139.811

144.273

147.135

151.348

X Noot
1

In deze tabel zijn de netto-uitgaven voor Internationale Samenwerking toegerekend aan de begrotingen waarop deze worden verantwoord. De totale netto-uitgaven voor Internationale Samenwerking zijn tussen haken vermeld en lopen niet mee in het totaalbedrag.

Tabel 3b Netto-uitgaven onder plafond Sociale zekerheid

(in miljoenen euro)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

18.501

19.185

20.043

20.648

21.151

21.415

50

Gemeentefonds

2.636

2.483

1.877

1.797

1.757

1.721

AP

Aanvullende posten

– 87

394

1.076

1.853

2.491

3.126

 

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

21.050

22.062

22.996

24.298

25.399

26.261

40

Sociale verzekeringen

56.338

56.875

59.033

61.265

63.243

65.796

 

Premiegefinancierde netto-uitgaven

56.338

56.875

59.033

61.265

63.243

65.796

               
 

Totaal netto-uitgaven onder plafond Sociale zekerheid

77.388

78.937

82.029

85.563

88.642

92.057

Tabel 3c Netto-uitgaven onder plafond Zorg

(in miljoenen euro)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

509

540

555

462

457

385

50

Gemeentefonds

6.777

6.889

1.627

1.626

1.626

1.626

AP

Aanvullende posten

0

25

40

52

59

73

 

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

7.286

7.454

2.222

2.140

2.142

2.084

41

Zorg

61.542

65.308

70.673

75.441

79.945

85.402

 

Premiegefinancierde netto-uitgaven

61.542

65.308

70.673

75.441

79.945

85.402

               
 

Totaal netto-uitgaven onder plafond Zorg

68.828

72.762

72.896

77.581

82.087

87.487

Tabel 3d Netto-uitgaven buiten uitgavenplafond

(in miljoenen euro)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Gasbaten

– 2.100

– 1.950

– 1.850

– 1.850

– 1.750

– 1.700

Rente-uitgaven

6.458

0

0

0

0

0

Zorgtoeslag

4.625

5.210

5.713

6.057

6.329

6.563

Ontvangsten SDE+

– 678

– 1.074

– 1.730

– 2.411

– 2.648

– 2.692

Klimaatverandering en luchtkwaliteit (ETS)

– 224

– 224

– 224

– 224

– 224

– 224

Werkgeversbijdrage kinderopvang

– 1.175

– 1.222

– 1.264

– 1.306

– 1.350

– 1.382

Eigenrisicodragers WGA/ZW

– 365

– 370

– 391

– 413

– 434

– 456

Bemiddelingskosten zorgverzekeraars

64

938

1.097

1.307

1.434

1.511

Netto-opbrengsten interventies financiële sector

– 430

– 313

– 390

– 407

– 418

– 418

Kas-transverschillen Rijk

4.685

634

14

– 22

– 10

– 6

Overige posten

338

121

– 51

– 51

– 52

– 54

Netto-uitgaven buiten uitgavenplafond

11.198

1.750

924

680

877

1.142

Opbouw uitgavenplafonds

Tabel 4a Opbouw uitgavenplafond Rijksbegroting

(in miljoenen euro, – is onderschrijding)

2018

2019

2020

2021

1

Uitgavenplafond bij Startnota (=6)

126.574

139.811

144.273

147.135

           

2

Uitgaven bij Miljoenennota 2018

115.412

119.104

121.845

124.091

3

Maatregelen Regeerakkoord

4.718

13.195

13.901

13.789

4

Macro-economische doorwerking Regeerakkoord

302

1.489

2.675

3.547

5

Overig

6.142

6.024

5.852

5.708

6

Uitgaven bij Startnota (=2 t/m 5)

126.574

139.811

144.273

147.135

           

7

Over/onderschrijding uitgavenplafond bij Startnota (=6–1)

0

0

0

0

Tabel 4b Opbouw uitgavenplafond Sociale zekerheid

(in miljoenen euro, – is onderschrijding)

2018

2019

2020

2021

1

Uitgavenplafond bij Startnota (=6)

78.937

82.029

85.563

88.642

           

2

Uitgaven bij Miljoenennota 2018

78.464

80.568

82.727

84.480

3

Maatregelen Regeerakkoord

73

147

850

1.167

4

Macro-economische doorwerking Regeerakkoord

– 139

338

1.055

2.064

5

Overig

539

976

931

931

6

Uitgaven bij Startnota (=2 t/m 5)

78.937

82.029

85.563

88.642

           

7

Over/onderschrijding uitgavenplafond bij Startnota (=6–1)

0

0

0

0

Tabel 4c Opbouw uitgavenplafond Zorg

(in miljoenen euro, – is onderschrijding)

2018

2019

2020

2021

1

Uitgavenplafond bij Startnota (=6)

72.762

72.896

77.581

82.087

           

2

Uitgaven bij Miljoenennota 2018

72.557

76.887

81.517

86.457

3

Maatregelen Regeerakkoord

172

– 5.284

– 6.145

– 7.175

4

Macro-economische doorwerking Regeerakkoord

34

1.293

2.209

2.805

6

Uitgaven bij Startnota (=2 t/m 5)

72.762

72.896

77.581

82.087

           

7

Over/onderschrijding uitgavenplafond bij Startnota (=6–1)

0

0

0

0

Decentrale overheden

Tabel 5a Normeringsystematiek Gemeentefonds en Provinciefonds

(in miljoenen euro, tenzij anders aangegeven)

20171

2018

2019

2020

2021

2022

Uitgaven Rijksbegroting

106.995

126.574

139.811

144.273

147.135

151.348

Uitgaven Sociale zekerheid

77.388

78.937

82.029

85.563

88.642

92.057

Uitgaven Zorg

68.828

72.762

72.896

77.581

82.087

87.487

A) Netto uitgaven onder uitgavenplafond

253.211

278.274

294.736

307.418

317.864

330.892

B) Correcties

– 30.086

– 40.086

– 42.054

– 43.533

– 44.746

– 46.220

w.v. Gemeentefonds, Provinciefonds en BTW-Compensatiefonds

– 22.255

– 23.082

– 31.623

– 32.968

– 33.989

– 35.284

w.v. overige Rijksbijdragen aan gemeenten en provincies

– 17.147

– 17.005

– 10.431

– 10.565

– 10.757

– 10.937

w.v. overboekingen met GF, PF en BCF

0

0

0

0

0

0

w.v. overige financieringsverschuivingen

9.316

0

0

0

0

0

C) Accresrelevante uitgaven (aru) = A+B

223.125

238.188

252.682

263.885

273.117

284.671

D) Ontwikkeling aru (%) = (Ct – Ct-1)/Ct-1

1,14%

6,75%

6,09%

4,43%

3,50%

4,23%

             

Gemeentefonds

           

E) Grondslag (t-1)

16.702

16.654

17.461

25.682

26.782

27.660

F) Accres (= E * D)

190

1.124

1.063

1.139

937

1.170

G) accres cumulatief

190

1.314

2.377

3.515

4.452

5.622

             

Provinciefonds

           

H) Grondslag (t-1)

2.494

2.410

2.234

2.349

2.435

2.446

I) Accres (= H * D)

28

163

136

104

85

103

J) accres cumulatief

28

191

327

431

516

620

X Noot
1

De normeringsystematiek wijzigt per 2018. Voor 2017 blijven de afspraken van het kabinet Rutte II van toepassing.

Tabel 5b Aansluiting accres Gemeentefonds en Provinciefonds stand Miljoenennota 2018 naar Startnota

(in miljoenen euro, tenzij anders aangegeven)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Accrespercentage Miljoenennota 2018 (%)

1,14%

4,83%

2,60%

2,54%

2,20%

2,56%

Accres (jaarlijkse tranches) stand Miljoenennota 2018

218

921

502

502

444

523

Accres cumulatief stand Miljoenennota 2018 (A)

218

1.139

1.641

2.143

2.587

3.110

             

Mutatie accrespercentage (%)

0,00%

1,92%

3,49%

1,89%

1,30%

1,67%

Accresmutatie tranches

0

366

696

741

578

751

Accresmutatie cumulatief (B)

0

366

1.062

1.804

2.381

3.133

             

Accrespercentage stand Startnota (%)

1,14%

6,75%

6,09%

4,43%

3,50%

4,23%

Accres (jaarlijkse tranches) stand Startnota

218

1.287

1.199

1.243

1.022

1.274

Accres cumulatief stand Startnota (A+B)

218

1.505

2.704

3.946

4.969

6.242

Tabel 5c Accres Gemeentefonds

(in miljoenen euro)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Tranche 2017

190

190

190

190

190

190

Tranche 2018

 

1.124

1.124

1.124

1.124

1.124

Tranche 2019

   

1.063

1.063

1.063

1.063

Tranche 2020

     

1.139

1.139

1.139

Tranche 2021

       

937

937

Tranche 2022

         

1.170

Cumulatief accres Gemeentefonds Startnota

190

1.314

2.377

3.515

4.452

5.622

Tabel 5d Accres Provinciefonds

(in miljoenen euro)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Tranche 2017

28

28

28

28

28

28

Tranche 2018

 

163

163

163

163

163

Tranche 2019

   

136

136

136

136

Tranche 2020

     

104

104

104

Tranche 2021

       

85

85

Tranche 2022

         

103

Cumulatief accres Provinciefonds Startnota

28

191

327

431

516

620

Tabel 5e Geraamd plafond BTW-compensatiefonds

(in miljoenen euro)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

A) BCF-Plafond

3.191

3.387

3.592

3.751

3.882

4.046

w.v. grondslag Miljoenennota 2018

3.191

3.326

3.411

3.497

3.574

3.665

w.v. mutatie overhevelingen i.v.m taakmutaties (sinds Miljoenennota 2018)

0

0

0

0

0

0

w.v. mutatie accres (sinds Miljoenennota 2018)

0

61

181

254

308

381

B) Uitgaven

3.010

3.010

3.010

3.010

3.010

3.010

w.v. Gemeenten

2.619

2.619

2.619

2.619

2.619

2.619

w.v. Provincies

392

392

392

392

392

392

C) Ruimte onder plafond (=A-B)

181

377

582

741

872

1.036

w.v. Gemeenten

157

328

506

644

758

901

w.v. Provincies

23

49

76

96

113

135

Inkomstenkader

Tabel 6 Inkomstenkader 2018–2021

(in miljarden euro’s; – is lastenverlichting/saldoverslechterend)

2018

2019

2020

2021

Cum. 2018–2021

Basispad

2,2

3,9

2,1

0,9

9,0

Maatregelen vorige kabinetten

0,6

1,7

1,0

– 0,1

3,1

Zorgpremies

1,1

1,5

1,2

1,0

4,8

Uitboeken LIV/LKV

0,5

0,4

0,0

0,0

0,9

Btw-sport

0,0

0,2

0,0

0,0

0,2

           

Regeerakkoord

– 0,2

– 0,2

– 3,4

– 2,7

– 6,5

IB-pakket

– 0,4

– 1,1

– 1,8

– 2,1

– 5,4

w.v. box 1 maatregelen

0,0

– 5,0

– 1,9

– 2,5

– 9,4

w.v. vergroening burgers

0,0

0,5

0,2

0,3

1,0

w.v. overige lasten

– 0,4

3,3

– 0,1

0,2

3,0

Pakket bedrijfsleven

0,2

0,8

– 2,0

– 1,2

– 2,2

Milieupakket bedrijven

0,0

0,2

0,3

0,0

0,4

Lastenmaatregelen in uitgavenpakketten

0,0

0,0

0,1

0,6

0,7

           

Doorwerking Regeerakkoord op zorgpremies en compensatie

0,1

0,1

0,3

0,2

0,8

Zorgpremies

0,1

– 0,1

– 0,3

– 0,6

– 0,9

Compensatie zorgpremies

0,0

0,2

0,6

0,8

1,7

           

Totaal

2,1

3,8

1,0

– 1,6

3,4

Bijlage 3 Departementale tabbladen

I De Koning

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

1

De Koning

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

42

42

42

42

44

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

42

42

42

42

44

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

0

0

0

0

0

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

0

0

0

0

0

   

IIA Staten-Generaal

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

2A

Staten-Generaal

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

144

142

142

147

144

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

144

142

142

147

144

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

4

4

4

4

4

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

4

4

4

4

4

   

IIB Hoge Colleges van Staat

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

2B

Hoge Colleges van Staat

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

113

112

112

112

112

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

113

112

112

112

112

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

6

6

6

6

6

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

6

6

6

6

6

   

III Algemene Zaken

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

3

Algemene Zaken

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

63

63

63

65

67

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

63

63

63

65

67

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

7

7

7

7

7

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

7

7

7

7

7

   

IV Koninkrijksrelaties

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

4

Koninkrijksrelaties

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

294

139

138

138

125

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

294

139

138

138

125

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

48

39

37

35

35

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

48

39

37

35

35

   

V Buitenlandse Zaken

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

5

Buitenlandse Zaken

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

8.181

9.011

9.170

9.037

9.302

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

8.181

9.011

9.170

9.037

9.302

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

687

700

714

729

741

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

687

700

714

729

741

   

VI Justitie en Veiligheid

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

6

Justitie en Veiligheid

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

12.048

11.999

11.872

11.697

11.308

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

12.048

11.999

11.872

11.697

11.308

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

1.714

1.662

1.675

1.632

1.593

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

– 90

– 60

– 30

– 30

– 30

– 30

 
             

 

B11

Afpakken crimineel vermogen (tegenvaller)

– 90

– 60

– 30

– 30

– 30

– 30

2020

                 
 

Stand Startnota

1.624

1.602

1.645

1.602

1.563

   

VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

7

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

758

734

717

716

713

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Herverkaveling

4.536

4.616

4.600

4.708

4.850

   
                 
 

Stand Startnota

5.294

5.349

5.317

5.424

5.563

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

51

66

66

65

65

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Herverkaveling

609

647

637

586

573

   
                 
 

Stand Startnota

660

713

703

652

639

   

VIII Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

38.812

38.673

38.617

38.793

38.996

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

564

758

708

595

440

445

 
                 

G34

Modernisering CAO primair onderwijs

270

270

270

270

270

270

2018

G46

Doelmatiger onderwijs

– 20

– 92

– 137

– 183

– 183

– 183

2021

G47

Terugdraaien taakstelling OCW

244

415

410

338

183

183

2022

G49

Halvering collegegeld eerstejaars HO (incl. Pabo voor 2 jaar en intensivering profileringsfondsen)

70

165

165

170

170

175

2023

                 
 

Herverkaveling

800

783

772

767

767

   
                 
 

Stand Startnota

40.177

40.214

40.097

40.155

40.203

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

1.381

1.415

1.488

1.554

1.633

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

226

 
                 

G50

10-jaarsrente studievoorschot

         

226

2060

                 
 

Herverkaveling

0

0

0

0

0

   
                 
 

Stand Startnota

1.381

1.415

1.488

1.554

1.633

   

IXA Nationale Schuld

In miljoenen euro's (excl. HGIS en cat. 2)

9A

Nationale Schuld

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

7.918

7.450

7.266

7.203

9.435

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Macromutaties

79

180

371

1.164

2.039

   
                 
 

Stand Startnota

7.997

7.630

7.636

8.367

11.474

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

12.428

9.648

5.653

3.107

2.574

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Macromutaties

865

800

– 123

– 193

0

   
                 
 

Stand Startnota

13.293

10.448

5.529

2.914

2.574

   

IXB Financiën

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

9B

Financiën

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

6.800

6.500

6.159

6.016

6.053

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

6.800

6.500

6.159

6.016

6.053

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

2.161

2.148

2.218

2.080

2.078

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

2.161

2.148

2.218

2.080

2.078

   

X Defensie

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

10

Defensie

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

8.852

8.803

8.766

8.630

8.542

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

8.852

8.803

8.766

8.630

8.542

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

394

304

261

267

269

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

394

304

261

267

269

   

XII Infrastructuur en Waterstaat

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

12

Infrastructuur en Waterstaat

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

8.410

8.715

8.756

8.925

8.979

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

3

3

3

1

1

1

 
                 

O160

Uitvoeringskosten oplopende CO2- minimumprijs

3

3

3

1

1

1

2021

                 
 

Stand Startnota

8.413

8.718

8.759

8.926

8.980

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

248

243

242

242

242

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

248

243

242

242

242

   

XIII Economische Zaken en Klimaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

13

Economische Zaken en Klimaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

5.202

5.703

6.341

6.244

6.359

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Herverkaveling

– 800

– 783

– 772

– 767

– 767

   
                 
 

Stand Startnota

4.402

4.921

5.569

5.477

5.592

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

3.540

4.083

4.652

4.555

4.658

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

103

268

140

0

 
                 

E27

Verhoging ODE1

   

103

368

290

3.264

2033

L106

Daling aardgasbaten door lagere gaswinning

   

– 50

– 175

– 175

   
 

Correctie daling aardgasbaten2

   

50

75

25

   
                 
 

Herverkaveling

0

0

0

0

0

   
                 
 

Stand Startnota

3.540

4.083

4.755

4.823

4.798

   
X Noot
1

Deze intensivering/lastenverzwaring zit al in het basispad van het CPB en leidt ten opzichte van dat basispad dus niet tot lastenverzwaring of extra uitgaven. De middelen uit de begrotingsreserve worden bij het afsluiten van het Klimaat- en Energieakkoord toegevoegd aan de beschikbare middelen voor de SDE+ voor de periode na 2022.

X Noot
2

De daling aardgasbaten zoals opgenomen in het Regeerakkoord is op transactiebasis. De begroting is op kasbasis. Dat verschil wordt hiermee gecorrigeerd.

XV Sociale Zaken en Werkgelegenheid

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

32.090

32.577

32.603

32.759

32.951

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

27

473

948

1.180

1.263

1.193

 
                 

I77

IOW verlengen met 5 jaar en leeftijdsgrens met AOW-leeftijd mee laten lopen

       

16

0

2032

I79

WGA 35–80 wordt WGA 35–99 voor nieuwe instroom

     

1

1

6

2050

I83

Toerekening WGA-lasten werkgever inkorten naar 5 jaar (nieuwe gevallen)

     

1

1

5

2050

I84

Loondoorbetaling bij ziekte kleine werkgevers (tot 25 werknemers) voor nieuwe ziektegevallen ingaande 1-1-2020

     

207

278

280

2050

I90

Loondispensatie i.p.v. loonkostensubsidie (nieuwe gevallen)

 

– 10

– 25

– 40

– 55

– 500

2050

I91

20.000 Extra beschutte werkplekken ingaande 1-1-2019, met gelijk ingroeitempo als oorspronkelijke 30.000 plekken (zonder inverdieneffect)

 

10

27

44

60

309

2048

I94

Aanscherpen schattingsbesluit WIA van 3x3 naar 9 banen ingaande 1-1-2019 (IBO)

 

3

12

19

25

103

2064

M136

Kindgebonden budget later afbouwen voor paren

 

48

494

496

485

485

2022

M137

Verhogen kinderopvangtoeslag

22

225

240

250

250

250

2021

M138

Verhogen kinderbijslag

 

250

250

250

250

250

2019

M139

Beperken jaarlijkse afbouw AHK bijstand

 

2

5

8

9

2040

M143

Doorwerking aanpassing box 3 naar toeslagen

5

5

5

5

5

5

2018

 

Niet-kaderrelevante boeking a.g.v. intrekken wetsvoorstel uitbreiding kraamverlof (zie H40)

 

– 59

– 60

– 61

– 62

   
                 
 

Macromutaties

– 128

– 246

– 413

– 418

– 373

   
                 
 

Stand Startnota

31.989

32.804

33.137

33.522

33.840

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

1.886

1.919

1.957

1.949

1.952

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

1.886

1.919

1.957

1.949

1.952

   

XVI Volksgezondheid, Welzijn en Sport

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

15.222

15.375

15.729

16.324

16.762

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

25

7

– 162

– 328

– 363

– 363

 
                 

H58

Stimulering medisch specialisten in loondienst/ participatiemodel

 

16

8

8

     

H67

Verlaging eigen bijdragen Wlz1

2

2

2

2

2

2

2018

H74

Compensatie lagere zorgpremies in IB-tarief, zorgtoeslag en aof-premie

 

– 89

– 235

– 389

– 415

– 415

2022

H76

Compensatie hogere zorgpremies in zorgtoeslag

9

14

19

23

22

22

2022

M133

Verlaging normpercentage zorgtoeslag paren

 

80

80

80

80

80

2019

M142

Doorwerking verhogen algemene heffingskorting naar toeslagen

 

– 30

– 50

– 66

– 66

– 66

2019

M143

Doorwerking aanpassing box 3 naar toeslagen

14

14

14

14

14

14

 
                 
 

Macromutaties

– 32

– 9

223

294

373

   
                 
 

Stand Startnota

15.215

15.372

15.790

16.290

16.772

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

100

94

94

94

94

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

100

94

94

94

94

   
X Noot
1

Onderverdeling verlagen eigen bijdragen WLZ.

XVII Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

17

BHOS

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

0

0

0

0

0

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

0

0

0

0

0

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

16

13

13

10

10

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Stand Startnota

16

13

13

10

10

 

XVIII Wonen en Rijksdienst

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

18

Wonen en Rijksdienst

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

4.526

4.641

4.583

4.727

4.908

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

10

– 25

17

– 19

– 58

– 58

 
                 

M140

Harde afbouwgrens huurtoeslag wegnemen

   

70

70

70

70

2020

M141

KAN-bepaling huurtoeslag schrappen

 

– 35

– 63

– 99

– 138

– 138

n.v.t.

M143

Doorwerking aanpassing box 3 naar toeslagen

10

10

10

10

10

10

2018

                 
 

Herverkaveling

– 4.536

– 4.616

– 4.600

– 4.708

– 4.850

   
                 
 

Stand Startnota

0

0

0

0

0

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

609

647

637

586

573

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Herverkaveling

– 609

– 647

– 637

– 586

– 573

   
                 
 

Stand Startnota

0

0

0

0

0

   

Sociale zekerheid

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

40

Sociale zekerheid

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

57.287

59.040

60.614

61.741

63.679

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

3

– 58

26

106

116

78

 
                 

I78

WIA: 5 jaar niet herzien verdienvermogen bij werk per 1-1-2020

   

4

7

11

35

2050

I79

WGA 35–80 wordt WGA 35–99 voor nieuwe instroom

 

2

3

– 1

– 4

– 51

2050

I83

Toerekening WGA-lasten werkgever inkorten naar 5 jaar (nieuwe gevallen)

1

8

18

29

39

160

2050

I84

Loondoorbetaling bij ziekte kleine werkgevers (tot 25 werknemers) voor nieuwe ziektegevallen ingaande 1-1-2020

   

5

10

21

87

2050

I85

Loonsanctie voor re-integratie vervalt

   

3

10

16

93

2050

I88

Intrekken wetsvoorstel uitbreiding kraamverlof van 2 naar 5 dagen betaald door de overheid1

– 1

– 62

– 63

– 64

– 64

– 64

2021

I87

Kraamverlof verlengen naar 5 dagen en adoptieverlof verlengen naar 6 weken ingaande 1-1-2019, 5 weken partnerverlof tegen 70% loon ingaande 1-7-2020

 

1

89

171

171

171

2021

I94

Aanscherpen schattingsbesluit WIA van 3x3 naar 9 banen ingaande 1-1-2019

3

– 8

– 34

– 58

– 76

– 353

2064

M139

Beperken jaarlijkse afbouw AHK bijstand

 

1

1

2

2

   
                 
 

Macromutaties

– 91

387

978

1.766

2.386

   
                 
 

Stand Startnota

57.199

59.370

61.618

63.613

66.181

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

370

382

394

406

419

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0

0

0

0

0

0

 
                 
 

Macromutaties

 

1

5

9

12

   
                 
 

Correctie sociale lasten UFO2

– 46

– 46

– 46

– 46

– 46

   
                 
 

Stand Startnota

324

337

353

370

386

   
X Noot
1

Het verwerken van maatregel I88 leidt tevens tot een niet-kaderrelevante boeking op H15 voor het afboeken van de Rijksbijdrage voor het wetsvoorstel uitbreiding kraamverlof.

X Noot
2

Conform de methodiek die het Centraal Planbureau hanteert worden de UFO-ontvangsten (de door het UWV op overheidswerkgevers verhaalde bedragen) voortaan exclusief de werkgeverslasten geboekt. Hierdoor sluiten de UFO-ontvangsten ook beter aan bij de uitkeringslasten, waarin de werkgeverslasten ook niet zijn meegeteld.

Zorg

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

41

Zorg

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

70.307

74.887

79.847

84.984

90.337

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

39

– 361

– 1.345

– 2.458

– 2.939

– 2.941

 
                 

H51

Hoofdlijnenakkoord 2019–2021

 

– 460

– 1.190

– 1.920

– 1.920

– 1.920

2021

H52

Maatregelen op het gebied van genees- en hulpmiddelen1

 

– 61

– 158

– 305

– 465

– 467

2023

H54

Gedragseffect derving eigen risico a.g.v. HLA + geneesmiddelen2

 

20

35

50

65

65

2022

H55

Gedragseffect stabilisatie eigen risico

39

80

105

130

125

125

2022

H72

Terugdraaien taakstelling BKZ

 

136

208

213

188

188

2022

A2

Accreseffect inclusief aanpassing normeringssystematiek GF/PF

   

– 269

– 550

– 856

– 856

2022

 

Overheveling sociaal domein volumegroei Wmo + Jeugd tranche 2019 van Z3

0

– 76

– 76

– 76

– 76

– 76

2019

                 
 

Macromutaties

33

1.297

2.215

2.813

3.634

   
                 
 

Stand Startnota

70.379

75.822

80.716

85.338

91.031

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2018

5.187

5.430

5.689

5.957

6.232

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

– 117

– 291

– 429

– 583

– 628

– 628

 
                 

H53

Doorwerking maatregelen Zvw (doorwerking van HLA + geneesmiddelen)4

 

– 43

– 92

– 141

– 184

– 184

2022

H55

Stabilisatie eigen risico 2018–2021

– 101

– 203

– 306

– 411

– 413

– 413

2022

H67

Verlaging eigen bijdragen Wlz5

– 16

– 45

– 31

– 31

– 31

– 31

2020

                 
 

Macromutaties

0

10

15

19

24

   
                 
 

Stand Startnota

5.071

5.149

5.276

5.394

5.629

   
X Noot
1

Invulling gebeurt zoveel mogelijk door een scherpere inkoop van genees- en hulpmiddelen (inclusief barcodering), een overheveling van extramuraal naar intramuraal en een aanpassing van de Wet geneesmiddelenprijzen. Sluitpost is een aanpassing van het Geneesmiddelenvergoedingssysteem. Waarbij de GVS-bijbetalingen per verzekerde per 2019 worden gemaximeerd op € 250 per jaar.

X Noot
2

De hoofdlijnenakkoorden en de beheersing van de kosten van genees- en hulpmiddelen leiden tot een lager eigen risico dan eerder geraamd, waardoor de opbrengsten uit het verplicht eigen risico lager zijn (wat weer gedragseffecten heeft).

X Noot
3

In het RA is opgenomen dat het integreerbare deel van de integratie-uitkering sociaal domein per 2019 opgaat in de algemene uitkering, en daarmee deel uitmaakt van de trap-op-trap-af-systematiek. Dit leidt tot de opgenomen overhevelingen sociaal domein.

X Noot
4

De hoofdlijnenakkoorden en de beheersing van de kosten van genees- en hulpmiddelen leiden tot een lager eigen risico dan eerder geraamd, waardoor de opbrengsten uit het verplicht eigen risico lager zijn (wat weer gedragseffecten heeft).

X Noot
5

Onderverdeling verlagen eigen bijdragen WLZ.

Gemeentefonds

In miljoenen euro's (excl. HGIS)

50

Gemeentefonds

2018

2019

2020

2021

2022

struc

struc in

                 
 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2018

28.282

28.165

28.015

27.902

27.724

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

1

227

236

250

259

394

 
                 

H66

Bijdrage Rijk in abonnementstarief Wmo1

 

143

143

148

148

145

2023

H67

Verlaging eigen bijdragen Wlz2

1

2

1

1

1

1

 

I91

20.000 Extra beschutte werkplekken

 

5

15

25

33

171

 
 

Overheveling sociaal domein3

 

7.054

7.080

7.165

7.162

7.162

2022

 

Overheveling sociaal domein Wmo van R

 

– 90

– 90

– 90

– 90

– 90

2019

 

Overheveling sociaal domein Wmo van Z

 

– 3.335

– 3.340

– 3.403

– 3.399

– 3.399

2022

 

Overheveling sociaal domein Jeugd van R

 

– 1.127

– 1.148

– 1.167

– 1.167

– 1.167

2021

 

Overheveling sociaal domein Jeugd van Z

 

– 1.912

– 1.912

– 1.916

– 1.916

– 1.916

2021

 

Overheveling sociaal domein participatie van S

 

– 514

– 514

– 514

– 514

– 514

2022

                 
 

Stand Startnota

28.283

28.391

28.251