Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2017-2018
Kamerstuk 34761 nr. A

Gepubliceerd op 18 april 2018 12:32

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



34 761 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Wet griffierechten burgerlijke zaken in verband met het mogelijk maken van Engelstalige rechtspraak bij de internationale handelskamers van de rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam

A VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID1

Vastgesteld 17 april 2018

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Inleiding

De fractieleden van de VVD hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Naar aanleiding daarvan hebben zij nog enkele vragen. De leden sluiten zich tevens aan bij de vragen van de CDA-fractieleden.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij hebben nog enige vragen.

De leden van de fracties van SP, PvdA en ChristenUnie sluiten zich graag aan bij de vragen van de leden van de VVD-fractie en de leden van de CDA-fractie.

2. Internationaal geschil

Het wetsvoorstel spreekt in artikel 30r, eerste lid van de mogelijkheid van partijen om een zaak door het Netherlands Commercial Court (hierna: NCC) of het Netherlands Commercial Court of Appeal (hierna: NCCA, en beide rechterlijke instanties hierna aan te duiden als NCC(A)) te laten behandelen in de Engelse taal, indien de rechtbank Amsterdam of het gerechtshof Amsterdam bevoegd is «kennis te nemen van een geschil dat is ontstaan of zal ontstaan naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking die ter vrije bepaling van partijen staat en het een internationaal geschil betreft», en indien partijen dit uitdrukkelijk zijn overeengekomen. Ook het concept van het procesreglement NCC(A) spreekt slechts van een internationale «burgerlijke of handelszaak, waarvan de rechtsgevolgen ter vrije bepaling van partijen staan»2. In de memorie van toelichting wordt echter steeds gesproken van «complexe» internationale handelszaken.3 Moeten de woorden «internationaal geschil» geïnterpreteerd worden als stond er in het voorgestelde artikel 30r, eerste lid steeds «complex internationaal geschil», of kunnen ook eenvoudige internationale burgerlijke of handelszaken ter beslechting voor de NCC(A) worden gebracht, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

De leden van de VVD-fractie vragen wanneer overigens sprake is van een internationaal geschil. Is dat als een van de partijen gevestigd is in twee verschillende landen? Is daar sprake van als een van de partijen gevestigd is buiten de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte? Of is daar sprake van indien de levering van producten en diensten een grensoverdragend karakter draagt? Of is het een combinatie van genoemde factoren? De voornoemde leden zijn op zoek naar een duidelijke afgebakende definitie van «internationale geschillen», dan wel duidelijke criteria om te bepalen of sprake is van een internationaal geschil.3

3. Griffierechten

De CDA-fractieleden merken op dat de te betalen griffierechten voor partijen die een procedure aanhangig willen maken bij de NCC(A), ongeveer vier keer hoger zijn dan de griffierechten die bij de reguliere handelskamer bij de rechtbank respectievelijk het gerechtshof Amsterdam (en overige handelskamers) moeten worden voldaan. Iedere partij die voor de NCC(A) wil procederen, dient immers 15.000 respectievelijk 20.000 euro aan griffierechten te betalen, alvorens toegelaten te worden tot de NCC(A), terwijl bij de reguliere handelskamer van de rechtbank en het gerechtshof Amsterdam voor zaken met een vordering van meer dan 100.000 euro door iedere partij een bedrag van 3.894 euro respectievelijk 5.200 euro aan griffierechten behoeft te worden betaald. Zoals de regering in de nota naar aanleiding van het verslag stelt, voert het onderhavige wetsvoorstel – afgezien van de hoogte van het griffierecht en de taal van de uitspraak – geen wijzigingen door in het Nederlandse procesrecht, noch in het Nederlandse materiële privaatrecht.4 Thans is het immers ook reeds mogelijk om producties over te leggen in een andere taal dan in het Nederlands.5 Als zowel de reguliere handelskamers bij de rechtbank en het gerechtshof als de NCC(A) – afgezien van de gebezigde taal – verder dezelfde werkzaamheden verrichten, wat is dan de rechtvaardiging voor een viervoudige verhoging van de griffierechten?

Is een dergelijke verhoging tevens niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel en/of met antidiscriminatiebepalingen uit internationale verdragen?

Hoe beoordeelt de regering bovendien de voorgestelde hoogte van de griffierechten in relatie tot de toegankelijkheid van de rechtspraak, zo vragen de VVD-fractieleden. Met name voor het midden- en kleinbedrijf vormt de huidige hoogte van de griffierechten al een drempel om te procederen bij de gewone overheidsrechter. De voorgestelde hoogte voor internationale geschillen maakt dat bepaald niet veel beter. Bovendien doet juist ook het midden- en kleinbedrijf steeds vaker zaken met buitenlandse bedrijven. Denk aan ICT-bedrijven die producten en diensten van bijvoorbeeld Amerikaanse toeleveranciers betrekken.

4. Opbrengsten en kosten

Volgens de regering zijn de kosten van de NCC(A) voor de eerste tien jaar begroot op in totaal 3,8 miljoen euro. Kan de regering een specificatie geven van de kosten die door de griffierechten moeten worden gedekt, zo vragen de CDA-fractieleden.

De opbrengsten worden op termijn begroot op 100 x 2 x 15.000 euro = 3 miljoen euro plus 25 x 2 x 20.000 euro = 1 miljoen euro, dus in totaal op 4 miljoen euro per jaar. Dat betekent dat in één jaar tijd de aanloopkosten van de daaraan voorafgaande tien jaar zijn terugverdiend. De daaropvolgende jaren zal er kennelijk «winst» worden gemaakt: wie beslist over de besteding van deze winst? Worden deze opbrengsten geoormerkt voor de rechtspraak in het algemeen, voor de NCC(A) in het bijzonder of vervallen ze aan de staat, zonder dat ze specifiek ten goede komen aan de rechtspraak? Gaarne een gemotiveerd antwoord, zo vragen de CDA-fractieleden.

Worden de zaken die tijdens de procedure voor de NCC(A) geschikt worden – begroot op 50% van het totaal aanhangige zaken! – wel of niet meegerekend voor een mogelijke vergoeding ten behoeve van de rechtspraak? Thans is het «beloningssysteem» voor de rechtspraak immers in het algemeen zo geregeld dat er van overheidswege slechts een vergoeding wordt gegeven als er vonnis/arrest is gewezen en niet als er, mede dankzij de bemiddeling van de rechters/raadsheren, een schikking tussen partijen is getroffen, terwijl deze rechters/raadsheren ook bij schikkingen werkzaamheden hebben verricht, merken de CDA-fractieleden op.

De regering stelt in de memorie van toelichting dat de NCC(A) zal zorgen voor een lastenverlichting van de reguliere rechtspraak.6 De fractieleden van de CDA vragen hoe die lastenverlichting eruitziet, nu de rechters en raadsheren die zitting zullen nemen in de NCC(A), allen zijn gekozen uit de reeds bestaande leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast.

5. Engelse en Nederlandse taal

Waarom is er geen vergelijkbare voorziening getroffen voor een Engelssprekende handelskamer bij de Hoge Raad, waarbij in de wet de verplichting kan worden opgenomen om het arrest zowel in de Nederlandse als in de Engelse taal te wijzen, zo vragen de CDA-fractieleden.

De leden van de CDA-fractie merken op dat de uitspraken van de NCC(A) ook relevant kunnen zijn voor de Nederlandse rechtspraak. Waarom is er niet voor gekozen om de uitspraken zowel in de Nederlandse als in de Engelse taal te wijzen?

Artikel 30r, vierde lid, van het wetsvoorstel geeft de mogelijkheid om – op verzoek van partijen – de procedure voor de NCC(A) in de Nederlandse taal te voeren. Behoort in een dergelijk geval niet steeds terugverwezen te worden naar de reguliere handelskamer van de rechtbank respectievelijk het gerechtshof Amsterdam? Zo nee, waarom niet, zo vragen de CDA-fractieleden.

Leidt dit niet tot een eerste- en tweedeklasrechtspraak, waarbij de NCC(A) sneller en efficiënter rechtspreekt tegen verhoogde griffierechten dan de reguliere handelskamers? Zo nee, waarom niet?

6. Selectie rechters en raadsheren

De commissie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van dit project, heeft ervoor gekozen om voorlopig te volstaan met het selecteren van niet meer dan zes rechters voor de NCC en vier raadsheren voor de NCCA. Dat is voor beide instanties een zodanig kleine «poule» van rechters, dat de reputatie van deze rechtsgang staat (of valt) bij de reputatie van de betrokken rechters. Zou de poule van aangewezen rechters, zo vragen de CDA-fractieleden, al bij aanvang niet veel groter moeten zijn, bijvoorbeeld minimaal twaalf rechters voor de NCC en minimaal twaalf voor de NCCA?

De geselecteerde rechters en raadsheren voor de NCC(A) zijn uitsluitend geworven uit het huidige bestand van de reguliere rechters en raadsheren. Heeft de regering overwogen om ook Nederlandse rechters en raadsheren te werven uit de internationale arbitragepraktijk? Zo nee, waarom niet, zo vragen de CDA-fractieleden.

7. Overige

Waarom zijn geschillen die tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoren, uitgezonderd? Deze kunnen, indien het arbeids- en/of huurzaken betreft, immers ook complex zijn en handelen over grote bedragen, merken de leden van de CDA-fractie op.

Partijen moeten uitdrukkelijk overeenkomen dat zij hun geschil willen voorleggen bij de NCC respectievelijk de NCCA. Blijkens artikel 30r, eerste lid, van het wetsvoorstel is een verwijzing naar algemene voorwaarden die een dergelijk beding bevatten, voldoende, mits het specifieke beding door of namens de wederpartij uitdrukkelijk in een schriftelijk stuk is aanvaard. Geldt hetzelfde ook wanneer een dergelijk beding is opgenomen in de statuten, zo vragen de CDA-fractieleden. Moet ook dan de wederpartij genoemd beding uitdrukkelijk in een schriftelijk stuk aanvaarden?

De CDA-fractieleden vragen voorts of de regering bereid is toe te zeggen dat de evaluatie die over vijf jaar of zoveel eerder of later zal plaatsvinden, ook zal worden toegestuurd aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal?

Ten slotte vragen de CDA-fractieleden of de positie van de derde die zich voegt, wel voldoende is gewaarborgd. Een partij die zich voegt, doet dat weliswaar in theorie «vrijwillig», maar in praktijk doet hij/zij dat in de meeste gevallen om zijn/haar eigen belang veilig te stellen. Een in vrijwaring opgeroepen derde ziet zich bijvoorbeeld meer dan eens verplicht om zich in de hoofdzaak aan de zijde van de gedaagde te voegen, om te voorkomen dat in die hoofdzaak vaststellingen plaatsvinden die zijn/haar verplichting tot vrijwaring raken. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorziet er zelfs specifiek in dat een dergelijke derde zich zonder verdere tussenkomst van de rechter mag voegen in de hoofdzaak. Het zou niet juist zijn als een dergelijke derde zijn/haar eigen belangen alléén kan beschermen als hij/zij zich conformeert aan de door partijen in de hoofdzaak gemaakte keuze voor de duurdere Engelstalige rechtsgang bij de NCC(A). Is het, anders gezegd, redelijk om een derde überhaupt te belemmeren in zijn/haar op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering beschikbare recht om zich te voegen of tussen te komen, doordat hij/zij de dure keuze van de partijen in de hoofdzaak verplicht is tot de zijne/hare te maken?

De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid zien de reactie van de regering – bij voorkeur binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Duthler

De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Engels (D66), Ruers (SP), Van Bijsterveld (CDA) (vice-voorzitter), Duthler (VVD) (voorzitter), Ten Hoeve (OSF), Koffeman (PvdD), Strik (GL), Knip (VVD), Backer (D66), Schouwenaar (VVD), Van Strien (PVV), Kok (PVV), Gerkens (SP), Vlietstra (PvdA), Lokin-Sassen (CDA), Bredenoord (D66), Dercksen (PVV), D.J.H. van Dijk (SGP), Van Rij (CDA), Rombouts (CDA), Van de Ven (VVD), Wezel (SP), Bikker (CU), Baay-Timmerman (50PLUS) Van Zandbrink (PvdA), Aardema (PVV), Fiers (PvdA).

X Noot
2

Artikel 1.2.1, onder a, van het concept van het Procesreglement voor internationale handelskamers van rechtbank Amsterdam (Netherlands Commercial Court) en gerechtshof Amsterdam (Netherlands Commercial Court of Appeal) (NCC-reglement).

X Noot
3

Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2016/17, 34 761, nr. 3, p. 1–2.

X Noot
4

Kamerstukken II 2017/18, 34 761, nr. 6, p. 3.

X Noot
5

HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:65.

X Noot
6

Kamerstukken II 2016/17, 34 761, nr. 3, p. 8.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl