Aan de Minister-President, Minister van Algemene Zaken
Den Haag, 7 juni 2019
Bij brief van 9 april 20192 heeft de Minister voor Rechtsbescherming een reactie gegeven op de nadere brief van
de Eerste Kamer, d.d. 7 februari 20193, over het toezenden van adviezen van de Afdeling advisering van de Raad van State
(hierna: Afdeling) bij de voorhang van algemene maatregelen van bestuur (hierna: AMvB’s).
Naar aanleiding van de brief van de Minister voor Rechtsbescherming wil de Kamer graag
de volgende vragen aan u stellen, die ook aan de Minister voor Rechtsbescherming in
een separate brief worden gesteld.
De leden danken allereerst voor de toezegging van het kabinet dat, in de gevallen
van een nahang van een AMvB, bij de aanbieding daarvan tevens het advies van de Afdeling
en het nader rapport worden meegezonden. Zij hebben echter met teleurstelling kennisgenomen
van het antwoord wat betreft het eventueel voorleggen van adviezen bij de voorhang
van AMvB’s.
In de brief van 9 april 2019 wordt aangegeven dat het niet kunnen voorleggen van de
adviezen bij een voorhang voortkomt uit de keuze van de wetgever over de vorm waarin
parlementaire betrokkenheid tot uitdrukking komt. Daarbij wordt opgemerkt dat bij
een voorhang maximale flexibiliteit bestaat om rekening te houden met opmerkingen
vanuit het parlement. Advisering volgt later. Bij een nagehangen AMvB zal het verwerken
van opmerkingen van het parlement tot een wijziging van de AMvB leiden en zelfs mogelijk
tot een nieuwe adviesaanvraag bij de Afdeling, zo is in voornoemde brief te lezen.
De leden hebben in hun brief van 7 februari 2019 de wens geuit dat de adviezen van
de Afdeling bij AMvB’s in een eerder stadium ter kennis worden gebracht, zodat zij
het advies bij een voorgehangen AMvB kunnen betrekken. In de brief van 9 april 2019
wordt slechts ingegaan op de onpraktische kant van nahang en het feit dat voorhang
flexibiliteit met zich brengt. Daarmee wordt naar de mening van de leden slechts aangegeven
wat de voordelen en nadelen zijn van voor- en nahang. Daaruit volgt volgens hen echter
niet waarom bij een voorhang het advies niet eerder toegestuurd kan worden, nu tevens
in voornoemde brief aangegeven wordt dat het niet kunnen voorleggen van adviezen bij
een voorhang geen verband houdt met de voorschriften over openbaarmaking daarvan.
Weliswaar wordt aangegeven dat de ontwerpAMvB pas na de voorhang voor advies wordt
voorgelegd aan de Afdeling, zoals bekend bij de leden, maar geeft niet aan hoe deze
procedure (eenvoudig) gewijzigd kan worden en wat de consequenties zullen zijn. Wat
is de ratio van deze procedure, oftewel: waarom wordt pas na de voorhang advies gevraagd?
Speelt hierbij het risico dat opnieuw advies gevraagd moet worden wanneer een AMvB
ingrijpend gewijzigd wordt na behandeling door het parlement? Hoe vaak komt een dergelijke
hernieuwde adviesaanvraag voor op dit moment bij nahangprocedures? De leden vragen
daarom nogmaals hun verzoek, het verkennen wat de mogelijkheden zijn om adviezen in
een eerder stadium onder de aandacht van de leden te kunnen brengen, te heroverwegen
en met een nadere onderbouwing te komen.
Kijkend naar het wetgevingsproces wordt het advies van de Afdeling gevoegd bij het
wetsvoorstel dat wordt ingediend bij de Tweede Kamer. Ook daar bestaat het risico
dat naar aanleiding van de behandeling, bijvoorbeeld door nota’s van wijziging of
amendering, de tekst ingrijpend gewijzigd wordt. Dit kan leiden tot een nieuwe, zij
het qua scope meer toegespitste, adviesaanvraag aan de Afdeling door regering of Eerste
Kamer. Het uitbrengen van een vervolgadvies is overigens zelden aan de orde.
Zoals de leden in de voornoemde brief van 7 februari 2019 hebben aangegeven, worden
AMvB’s in een toenemend aantal gevallen complexer en normstelling verschuift van wet
naar AMvB. De Raad van State heeft in zijn Jaarverslag 2018 daar ook enkele kritische
opmerkingen over gemaakt.4 De Kamer benadrukt daarom nogmaals dat zij het van belang vindt, in haar functie
als medewetgever, dat kwalitatief goede wet- en regelgeving tot stand komt en hecht
daarom veel belang aan de adviezen van de Afdeling. Wanneer een advies van de Afdeling
betrokken kan worden bij de behandeling van AMvB’s, dus ook in het geval bij voorgehangen
AMvB’s, komt dit volgens haar ten goede aan de kwaliteit.
Gelet op het vorenstaande herhaalt de Kamer daarom het verzoek gedaan in haar brief
van 7 februari 2019 de mogelijkheden te verkennen om adviezen in een eerder stadium
onder de aandacht van de leden te brengen. Daarbij vraagt zij wederom wanneer er mogelijkheden
zijn, of het kabinet bereid is daar uitvoering aan te geven en indien er geen mogelijkheden
zijn, bereid is vigerende regelgeving dan wel procedures te wijzigen. De Kamer ziet
uw reactie hierop – bij voorkeur voor 28 juni 2019 – met belangstelling tegemoet.
Een afschrift van deze brief is tevens aan alle ministeries toegezonden.
De Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, A. Broekers-Knol