34 628 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Invorderingswet 1990 en enkele andere wetten in verband met een vereenvoudiging van de beslagvrije voet (Wet vereenvoudiging beslagvrije voet)

Nr. 7 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 23 januari 2017

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

In artikel I, onderdeel E, wordt het voorgestelde artikel 475c als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid, onderdeel g, wordt «lijfrentespaarrekening» vervangen door: lijfrenterekening.

b. In het tweede lid vervalt: daar opgenomen.

c. Het vierde lid vervalt onder vernummering van het vijfde tot vierde lid.

d. Na het vierde lid (nieuw) worden drie leden toegevoegd, luidende:

5. Bij meerdere beslagen op vorderingen tot periodieke betaling als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met i, wordt de beslagvrije voet omgeslagen in verhouding tot de hoogte van deze betalingen voor zover toepassing van het tweede lid een opvolgend beslaglegger verplicht tot een beslag op een andere vordering dan de vordering waarop reeds beslag is gelegd.

6. Een beslag dat in strijd met het tweede of derde lid wordt gelegd, kan binnen drie jaar na het leggen van het beslag worden vernietigd door de schuldenaar of door een opvolgend beslaglegger.

7. Een derde-beslagene die een betaling heeft gedaan aan een deurwaarder die in strijd met artikel 475c, tweede of derde lid, een executoriaal beslag heeft gelegd dat is vernietigd, heeft niettemin bevrijdend betaald.

2

In artikel I, onderdeel G, wordt het voorgestelde artikel 475da als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt voor «eerste lid» ingevoegd: het.

2. In de begripsomschrijving van J wordt «de genoemde normhuur.» vervangen door: de genoemde normhuur.

b. In het derde lid wordt «Wet op de Zorgtoeslag» vervangen door: van de Wet op de zorgtoeslag.

c. In het vijfde lid wordt «de voor de desbetreffende leefsituatie in het eerste lid opgenomen bedrag» vervangen door: het voor de desbetreffende leefsituatie in het eerste lid opgenomen bedrag.

3

In artikel I, onderdeel I, wordt in het voorgestelde tweede lid, «wordt de beslagvrije voet omgeslagen in de verhouding tot de hoogte van deze betalingen» vervangen door: is artikel 475c, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

4

Artikel I, onderdeel M, onder 2, wordt als volgt gewijzigd:

a. In het voorgestelde tweede lid wordt «bedoeld in vorige zin» vervangen door «bedoeld in de vorige zin», wordt «de mogelijkheid om de vermelde gegevens aan te passen» vervangen door «de verplichting van artikel 475g, eerste lid,» en wordt «artikel 475da, vijfde lid, en artikel 475e, vierde lid» vervangen door: de artikelen 475da, vijfde lid, en 475e, derde en vierde lid.

b. Het voorgestelde vijfde lid komt te luiden:

5. Indien onder de derde-beslagene ten laste van de schuldenaar reeds beslag is gelegd, verstrekt de coördinerende deurwaarder aan de andere deurwaarder op diens verzoek onverwijld schriftelijk de beslagvrije voet, alsmede de gegevens waarop deze is gebaseerd. De deurwaarder deelt deze schriftelijk mede aan de schuldenaar onder vermelding van de mogelijkheid van de schuldenaar om wijzigingen bij de coördinerende deurwaarder te melden. In de situatie, bedoeld in de tweede volzin, blijft het derde lid, buiten toepassing.

5

Artikel I, onderdeel O, komt te luiden:

O

In artikel 479i, tweede lid, wordt «475a, eerste en tweede lid» vervangen door: 475a, eerste tot en met derde lid.

6

Artikel I, onderdeel Q, komt te luiden:

Q

In artikel 724, tweede lid, wordt «475a, eerste en tweede lid» vervangen door: 475a, eerste tot en met derde lid.

7

Aan artikel II wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:

3. In het zevende lid wordt «waaraan voorrang boven vorderingen wegens rijksbelastingen is toegekend» vervangen door: waaraan een gelijke of hogere voorrang is toegekend.

8

De artikelen VIII, IX en XI vervallen.

9

In artikel XVI vervalt: wordt als volgt gewijzigd:.

10

In artikel XIX wordt na «en 475i, tweede tot en met vijfde lid» een komma ingevoegd.

11

Artikel XXI komt te luiden:

ARTIKEL XXI. ZORGVERZEKERINGSWET

Artikel 18f van de Zorgverzekeringswet wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vijfde lid vervalt onder vernummering van het zesde tot en met het elfde lid tot vijfde tot en met tiende lid.

2. In het achtste lid (nieuw) wordt na «de derde-beslagene» ingevoegd «vanaf de dag van het beslag» en wordt na «tot welker verhaal het beslag is gelegd,» ingevoegd «met inachtneming van het bepaalde in artikel 478, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,».

3. Het negende lid (nieuw) komt te luiden:

9. Indien een beslag als bedoeld in het achtste lid is gelegd op een vordering tot een periodieke betaling als bedoeld in artikel 475c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, wordt de beslagvrije voet, berekend overeenkomstig de artikelen 475d tot en met 475e en artikel 475fa van die wet, louter ten aanzien van de vordering van het CAK ter zake waarvan het beslag is gelegd en enkel voor zover het beslag dient tot inning van een nieuw vervallende termijn als bedoeld in het negende lid, verlaagd met de bestuursrechtelijke premie. De verlaging vindt niet plaats voor zover de beslagvrije voet onder toepassing van artikel 475db, onderdeel c, van die wet reeds is verlaagd voor het in te houden bedrag van de bestuursrechtelijke premie.

12

Artikel XXII wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «de datum van inwerkingtreding van deze wet» vervangen door «de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van deze wet» en wordt «inwerkingtreding van deze wet» vervangen door «de datum van inwerkingtreding van dat artikelonderdeel».

b. Het tweede lid komt te luiden:

2. Artikel 475c, tweede tot en met vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geldt tot twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E, van deze wet niet voor een beslag dat is gelegd voor de datum van inwerkingtreding van dat artikelonderdeel.

13

Na artikel XXIII wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXIIIA. SAMENLOOP MET DE VERZAMELWET ZVW 2016

Indien het bij koninklijke boodschap van 13 oktober 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Zorgverzekeringswet en de Wet op de zorgtoeslag in verband met enkele inhoudelijke en technische verbeteringen (Verzamelwet Zvw 2016) (Kamerstukken 34 575), tot wet is of wordt verheven, en artikel I, onderdeel Ao, van die wet later in werking treedt dan artikel XXI van deze wet, wordt in artikel I, onderdeel Ao, van die wet «negende lid» vervangen door: achtste lid.

Toelichting

Deze nota van wijziging bevat een aantal wijzigingen van technische en redactionele aard. Daarnaast bevat deze nota een voorstel dat er zorg voor draagt dat wanneer eigenlijk beslag gelegd had moet worden op een andere inkomstenbron, het beslag niet nietig maar vernietigbaar is. Bijvoorbeeld omdat er geen rekening is gehouden met een inkomstenbron waar wettelijk gezien eerst beslag op had moeten worden gelegd. Door het beslag niet nietig maar vernietigbaar te laten zijn, wordt voorkomen dat, ook als de beslagvrije voet in acht wordt genomen, een beslag automatisch teruggedraaid moet worden. Deze aanpassing zal zich naar verwachting sporadisch voordoen, maar komt de rechtszekerheid voor beslagleggende partijen, derde-beslagenen en schuldenaren ten goede.

Onderdelen 1, onder a, c en d, en 3 (artikel I, onderdelen E en I)

Onder a

Dit betreft een technische wijziging. In dit onderdeel wordt rekening gehouden met de tekst van artikel 475c, eerste lid, onderdeel g, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zoals deze luidt na inwerkingtreding van artikel XV van het bij koninklijke boodschap van 20 september 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten tot uitfasering van het pensioen in eigen beheer en het treffen van enkele fiscale maatregelen inzake oudedagsvoorzieningen (Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen) (Kamerstukken 34 555).

Onderdeel 1, onder c en d, en 3

Het vijfde lid wordt vernummerd tot vierde lid en er wordt een nieuw vijfde, zesde en zevende lid toegevoegd in verband met het feit dat het wenselijk is dat een beslag gelegd niet in overeenstemming met de volgorde regeling vernietigbaar is in plaats van nietig.

Artikel 475c, tweede en derde lid, Rv geeft aan in welke volgorde een beslaglegger zich mag verhalen op periodieke vorderingen waaraan ingevolge artikel 475c, eerste lid, Rv een beslagvrije voet is verbonden. Het tweede lid geeft de hoofdregel aan. Het derde lid bepaalt onder welke omstandigheden van de hoofdregel mag worden afgeweken. De verhaalsvolgorde is dwingend recht. Een beslaglegger dient zich, tenzij zich de situatie, bedoeld in het derde lid voordoet, te houden aan de in artikel 475c, tweede lid, Rv opgenomen volgorde. Houdt een beslaglegger zich niet aan deze volgorde, dan bepaalt het voorgestelde artikel 475c, zesde lid, Rv dat het beslag kan worden vernietigd. Het zevende lid bepaalt dat vernietigbaarheid alleen kan worden ingeroepen tegen de beslaglegger. Dat betekent dat de derde-beslagene ook bij vernietiging bevrijdend betaald heeft. De schuldenaar of opvolgende beslaglegger dient binnen drie jaar na het moment van beslaglegging vernietiging in te roepen. Dit is een vervaltermijn waardoor stuiting niet mogelijk is.

Het vierde lid bevat nu de hoofdregel (eerder in het vijfde lid opgenomen) hoe er gehandeld dient te worden in de situatie waar meerdere deurwaarders of beslagleggers op verschillende periodieke betalingen beslag hebben gelegd. Het gaat dan om situaties waarbij, ondanks de volgorde regeling, beslag op meerdere periodieke inkomens tot de mogelijkheden behoort, bijvoorbeeld bij beslag op toeslagen. In deze situaties zal de latere beslaglegger bij vaststelling van de beslagvrije voet rekening moeten houden met het reeds lopende beslag.

Een nieuw vijfde lid is toegevoegd voor de uitzonderlijke situatie dat de volgorde regeling bij een beslag op tijdstip X leidt tot een beslag op inkomen Y en een beslag op een later tijdstip vraagt om een beslag op inkomen Z. Denk hierbij aan de situatie dat inkomen Z in de loop der tijd hoger is geworden dan inkomen Y. Een opvolgende beslaglegger zal dan niet aansluiten bij het eerste beslag omdat de opvolgend beslaglegger door de wijziging in de inkomenssituatie in dat geval in strijd met de volgorderegeling zou handelen. De tweede beslaglegger moet dan beslag leggen op inkomen Z omdat dit het hoogste is. Beide beslagleggers handelen dan conform de wet en geen van beide beslagen is dan vernietigbaar. Het voorgestelde vijfde lid voorziet daarom in een regeling waarbij in deze situatie de beslagvrije voet naar rato van de hoogte van de beslagen periodieke vordering wordt verdeeld. Hierdoor wordt geborgd dat de schuldenaar het bedrag ter hoogte van de beslagvrije voet houdt.

Benadrukt dient te worden dat de situatie in het vijfde lid niet vaak zal voorkomen.

In verband met voornoemde wijzigingen wordt de formulering van artikel 475f, tweede lid, technisch aangepast.

Onderdelen 1, onder b, 2, 5, 6, 8, 9 en 10 (artikelen I, onderdelen E, onder b, G, O en Q, VIII, IX, XI, XVI en XIX)

In deze onderdelen zijn enkele technisch-redactionele wijzigingen opgenomen.

Onderdeel 4 (artikel I, onderdeel M)

Onder a

Met het voorgestelde artikel 475i, tweede lid, wordt beoogd de schuldenaar op het moment dat de beslagvrije voet aan hem wordt gecommuniceerd duidelijkheid te verschaffen over a) de hoogte van de beslagvrije voet, b) de gegevens op basis waarvan de deurwaarder de beslagvrije voet heeft berekend, c) de eventueel op basis van artikel 475db op de beslagvrije voet in mindering gebrachte bedragen, en d) de mogelijkheden die de schuldenaar heeft om in bepaalde situaties tot een aangepaste beslagvrije voet te komen. In het kader van het genoemde onder d behoort de schuldenaar ook te worden gewezen op de mogelijkheid die artikel 475e, derde lid, Rv biedt om bij de beslagvrije voet rekening te houden met de situatie van de eigen woningbezitter.

Het tweede lid is verder als volgt aangepast. In plaats van de mogelijkheid tot aanpassing wordt de schuldenaar gewezen op de in artikel 475g, eerste lid, Rv opgenomen plicht om de deurwaarder te informeren over de voor de vaststelling van de beslagvrije voet benodigde gegevens voor zover deze gegevens niet door de deurwaarder kunnen worden verkregen uit de basisregistratie personen en de polisadministratie. Dit impliceert ook dat hij de deurwaarder wijst op eventuele onvolkomenheden binnen de berekening van de beslagvrije voet.

Onder b

Het voorgestelde vijfde lid van artikel 475i Rv geeft een regeling voor het geval na het leggen van beslag een volgende deurwaarder beslag legt onder de derde-beslagene. De beslagvrije voet wordt in deze situatie vastgesteld door de coördinerende deurwaarder. De volgende deurwaarder vraagt de door de coördinerende deurwaarder vastgestelde beslagvrije voet en de gegevens waarop deze is gebaseerd op bij de coördinerende deurwaarder.

Met de wijziging in dit onderdeel wordt in het genoemde vijfde lid geëxpliciteerd dat de coördinerende deurwaarder verplicht is de vraag van de andere deurwaarder schriftelijk te beantwoorden. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat deze verplichting ook ziet op andere partijen dan gerechtsdeurwaarders, die op grond van de overeenkomstige toepassing van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering optreden als de coördinerende deurwaarder.1 Dit betekent bijvoorbeeld dat indien de Belastingdienst of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) als coördinerende deurwaarder zijn aan te merken zij gehouden zijn desgevraagd de voornoemde gegevens te verstrekken. Deze wettelijke informatieplicht doorbreekt geheimhoudingsplichten, zoals opgenomen in artikel 67, eerste lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 74, eerste lid, Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI).

Onderdeel 7 (artikel II)

Artikel 19, zevende lid, Invorderingswet 1990 (IW 1990) kent een van artikel 478 Rv afwijkende regeling als het gaat om aan wie de inkomensverstrekker in een samenloopsituatie (een situatie waarin zowel beslagen zijn gelegd als vorderingen op grond van artikel 19 IW 1990 (artikel 19-vorderingen) zijn gedaan) bevrijdend dient te betalen. Wanneer sprake is van een artikel 19-vordering dient de desbetreffende inkomensverstrekker deze vordering aan de ontvanger te voldoen ongeacht een eventuele samenloop met een beslag op het inkomen.

Op deze hoofdregel wordt in de tweede volzin van artikel 19, zevende lid, IW 1990 binnen de huidige regeling een beperkte uitzondering gemaakt. De derde behoeft niet te voldoen aan de opgelegde betalingsverplichting, indien onder hem beslag is gelegd of indien verzet is gedaan ter zake van schulden waaraan voorrang boven vorderingen wegens rijksbelastingen is toegekend. Dit betreft schuldeisers met vorderingen met een hogere preferentie dan vorderingen van de Belastingdienst.

Met de voorgestelde wijziging van de tweede volzin wordt geregeld dat de uitzondering op de in de eerste volzin opgenomen hoofdregel van toepassing is bij beslag of verzet ter zake van schulden waaraan een gelijke of hogere voorrang is toegekend. Deze wijziging heeft met name gevolgen voor de invordering van gemeentelijke belastingen, provinciale belastingen en waterschapsbelastingen. Op grond van de in de Gemeentewet, de Provinciewet en de Waterschapswet opgenomen schakelbepalingen is artikel 19 IW 1990 ook op de invordering van deze decentrale belastingen van toepassing. Het gaat dan in beginsel om concurrente vorderingen, waarbij op basis van het onderhavige voorstel in samenloopsituaties alsnog de regeling zoals opgenomen in artikel 478 Rv geldt. Door deze vorderingen onder artikel 19, zevende lid, tweede volzin, IW 1990 te laten vallen wordt aldus voorkomen dat bij de inning van deze concurrente vorderingen de betaalrichting bij een reeds lopend beslag door de derde moet worden gewijzigd en de desbetreffende schuldeiser bij samenloop van deze vorm van artikel 19-vorderingen en beslag in de situatie komt dat hij als verdeler moet optreden.

Onderdeel 11 (artikel XXI)

Onder 1

De wijziging onder 1 is reeds in het wetsvoorstel opgenomen. Met de voorgestelde tekst van artikel 475db, onderdeel c, Rv kan artikel 18f, vijfde lid, Zorgverzekeringswet (Zvw) vervallen.

Onder 2

De bedoeling van het achtste lid (nieuw) is het CAK de mogelijkheid te geven om beslag te leggen voor een achterstallige betaling van de bestuursrechtelijke premie en nieuwe termijnen van de premie. Het achtste lid (nieuw) is redactioneel aangepast zodat duidelijker is dat de verplichting tot afdracht niet eerder ingaat dan dat het beslag is gelegd. Daarnaast is het lid ook inhoudelijk aangepast. In het oude lid werd een verplichting gecreëerd voor het direct uitbetalen van de afdracht aan het CAK. Hierdoor werd het proces van afdracht in de praktijk bij samenloop doorkruist. Dit zorgde in de uitvoering voor problemen. Daarnaast was deze directe uitbetaling van de afdracht niet zo bedoeld door de wetgever. Daarom is dit gedeelte van het artikel zo aangepast dat het proces van betaling van de afdracht verloopt overeenkomstig artikel 478 Rv.

Onder 3

De bedoeling van het negende lid (nieuw) is dat de beslagvrije voet in geval er – op basis van de in het achtste lid (nieuw) gegeven bevoegdheid – beslag ligt voor de bestuursrechtelijke premie uitsluitend voor het CAK verlaagd kan worden met de bestuursrechtelijke premie en alleen voor zover het beslag ziet op de inning van de lopende premie. Op deze wijze wordt voorkomen dat de schuldenaar bij wie beslag ligt voor de lopende bestuursrechtelijke premie over meer inkomen beschikt dan andere schuldenaren die geen wanbetaler voor de zorgverzekering zijn, doordat bij hem een beslagvrije voet wordt gehanteerd, waaruit hij geen zorgverzekeringspremie meer hoeft te betalen. Deze verlaging geldt alleen voor zover het beslag ziet op de inning van de lopende premie. Voor achterstallige betalingen geldt deze verlaging niet en is de beslagvrije voet onverkort van toepassing, aangezien de schuldenaar dan in de gelegenheid moet blijven om zijn lopende premie vanuit de beslagvrije voet te voldoen. Daarnaast is bepaald dat de beslagvrije voet niet wordt verlaagd voor zover voor de lopende bestuursrechtelijke premie reeds broninhouding plaatsvindt in verband waarmee de beslagvrije voet al is verlaagd.

Onderdeel 12 (artikel XXII)

Dit betreft een technische wijziging. Het voorgestelde overgangsrecht wordt verduidelijkt door de verwijzingen naar de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet te vervangen door verwijzingen naar specifieke artikelonderdelen van deze wet, nu de inwerkingtredingsbepaling in artikel XXIV voorziet in de mogelijkheid van gedifferentieerde inwerkingtreding.

Onderdeel 13 (artikel XXIIIA)

In artikel I, onderdeel Ao, van het wetsvoorstel Verzamelwet Zvw 2016 (Kamerstukken 34 575) is een wijziging opgenomen van artikel 18f Zvw. De beoogde inwerkingtreding van dit artikelonderdeel is voorzien in 2017. Voor het geval de inwerkingtreding van dit artikelonderdeel vertraging oploopt is voorzien in een samenloopbepaling met onderhavig wetsvoorstel.

Deze nota van wijziging wordt mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie ingediend.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma


X Noot
1

Zie ook Kamerstukken II 2016/17, 34 628, nr. 3, blz. 17–18.

Naar boven