Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734604 nr. 3

34 604 EU-voorstellen: Pakket vennootschapsbelasting COM (2016) 683, 685, 686 en 687

Nr. 3 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 november 2016

Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij vier fiches, die werden opgesteld door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC).

Fiche 1: Fiscale geschilbeslechting ter voorkoming van dubbele belasting (Kamerstuk 34 604, nr. 2)

Fiche 2: Richtlijn hybride mismatches met derde landen

Fiche 3: Richtlijnen gemeenschappelijke (geconsolideerde) heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCTB en CCCTB) (Kamerstuk 34 604, nr. 4)

Fiche 4: Verordening EU-certificeringsysteem apparatuur beveiligingsonderzoeken luchtvaart (Kamerstuk 22 112, nr. 2246)

De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. Koenders

Fiche: Richtlijn hybride mismatches met derde landen

1. Algemene gegevens

  • a) Titel voorstel

    Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybride mismatches met derde landen

  • b) Datum ontvangst Commissiedocument

    25 oktober 2016

  • c) Nr. Commissiedocument

    COM(2016) 687

  • d) EUR-Lex

    http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52016PC0687&from=EN

  • e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie Impact-assessment Board

    Er is geen impact assessment gemaakt. Wel heeft de Europese Commissie (hierna: de Commissie) een staff working document opgesteld dat nadere uitleg geeft bij het pakket (SWD(2016) 345).

  • f) Behandelingstraject Raad

    ECOFIN-raad

  • g) Eerstverantwoordelijk ministerie

    Ministerie van Financiën

  • h) Rechtsbasis

    Artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

  • i) besluitvormingsprocedure Raad

    Unanimiteit

  • j) rol Europees Parlement

    Raadpleging

2. Essentie voorstel

a) Inhoud voorstel

Dit voorstel is onderdeel van een pakket van vier richtlijnvoorstellen en een Commissiemededeling, alle op het terrein van de vennootschapsbelasting. Hierover zijn separate BNC-fiches opgesteld.

Een van de voorstellen behelst een wijziging van de Richtlijn anti-belastingontwijking (ATAD).1 In de Richtlijn anti-belastingontwijking zijn onder andere regels opgenomen om de effecten van hybride mismatches tussen lidstaten van de EU te neutraliseren. Bij hybride mismatches leidt een verschillende kwalificatie van een entiteit of een betaling door verschillende landen2 ertoe dat 1) een betaling aftrekbaar is, maar nergens wordt belast, 2) dat één betaling meerdere malen aftrekbaar is of 3) dat winst nergens wordt belast.

Bij de vaststelling van de Richtlijn anti-belastingontwijking nam de Raad een verklaring aan, waarin de Raad de Commissie oproept om in oktober 2016 een voorstel in te dienen over hybride mismatches waarbij derde landen betrokken zijn teneinde te voorzien in regels die consistent zijn en niet minder effectief dan de regels die in het BEPS-rapport3 van de OESO over actiepunt 2 waren voorgesteld, met het oog op het bereiken van een akkoord tegen eind 2016. Door middel van onderhavig richtlijnvoorstel geeft de Commissie gevolg aan de oproep van de Raad. Het richtlijnvoorstel bevat regels die aangeven hoe ongewenste effecten van hybride mismatches tussen EU-lidstaten en derde landen moeten worden geneutraliseerd. Tevens bevat het richtlijnvoorstel regels om de effecten van hybride mismatches te neutraliseren tussen EU-lidstaten voor zover die nog niet reeds in de Richtlijn anti-belastingontwijking waren opgenomen.

In het richtlijnvoorstel worden voorstellen gedaan voor het neutraliseren van hybride mismatches bij hybride entiteiten, hybride financiële instrumenten, hybride transfers, hybride vaste inrichtingen, geïmporteerde mismatches en situaties waarin sprake is van een dubbele vestigingsplaats.

Bij hybride entiteiten is er sprake van een entiteit (vennootschap) die door de landen die betrokken zijn bij een betaling verschillend wordt gekwalificeerd.

Hybride financiële instrumenten zijn financiële instrumenten, waarbij de transactie door de betrokken landen verschillend wordt gekwalificeerd (zie het laatste voorbeeld onder voetnoot 2).

Hybride transfers betreffen complexe structuren, waarin transacties verschillend worden gekwalificeerd.4

Bij hybride vaste inrichtingen beoordelen de betrokken landen verschillend of sprake is van een vaste inrichting (bijv. een filiaal) in één van de betrokken landen.

Bij geïmporteerde mismatches is sprake van een mismatch tussen derde landen op een andere plaats in de structuur, waarbij de mismatch door middel van een niet-hybride instrument als het ware wordt geïmporteerd.

In het geval van een dubbele vestigingsplaats is het mogelijk om een betaling op twee plaatsen (van de winst) af te trekken.

In de voorgestelde richtlijn wordt de verantwoordelijkheid voor het neutraliseren van de effecten van de hybride mismatch in alle gevallen bij de EU-lidstaat neergelegd, voor zover het derde land het effect niet reeds heeft weggenomen (en (het effect van) de mismatch zich derhalve niet meer voordoet). De lidstaat moet de belastingplichtige vennootschap ofwel aftrek weigeren ofwel de belastingplichtige verplichten om de betaling in de belastinggrondslag op te nemen.

b) Impact assessment Commissie

Er is geen impact assessment opgesteld. Wel heeft de Commissie een staff working document opgesteld dat nadere uitleg geeft bij het pakket. Dit staff working document is echter zeer summier en bevat geen cijfermatige onderbouwing van de effecten van het richtlijnvoorstel.

Volgens de Commissie is geen impact assessment noodzakelijk, omdat het voorstel aansluit bij de werkzaamheden aan hybride mismatches die in het kader van actiepunt 2 van het BEPS-project van de OESO zijn uitgevoerd, het staff working document al een goed overzicht geeft van studies die naar hybride mismatches zijn uitgevoerd en consultatie van belangengroepen over de technische aspecten van het voorstel in een vroeg stadium heeft plaatsgevonden. Daarnaast wijst de Commissie erop dat ook voor het voorstel voor de Richtlijn anti-belastingontwijking geen impact assessment werd uitgevoerd en dat haast geboden is om gevolg te geven aan de oproep van de Raad.

3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel

a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein

Zoals het kabinet meermaals heeft aangegeven,5 acht het kabinet de aanpak van internationale belastingontwijking en misbruik maatschappelijk wenselijk. Tegelijkertijd heeft het kabinet daarbij aangegeven dat eerlijke concurrentie en behoud van banen in Nederland zeker gesteld moeten worden. Effectieve nieuwe standaarden kunnen daarom uitsluitend in internationale consensus worden vastgesteld. Nederland heeft zich ook tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de Raad ingezet voor het vergroten van transparantie teneinde het inzicht in structuren waardoor belasting kan worden ontdoken of ontweken te vergroten, en voor het vaststellen van maatregelen tegen misbruik in overeenstemming met de maatregelen die binnen de OESO zijn uitgewerkt.

b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel

Nederland is van mening dat maatregelen tegen belastingontwijking door het benutten van verschillen tussen belastingstelsels in internationaal verband moeten worden getroffen. In die zin kan Nederland een richtlijn met maatregelen tegen hybride mismatches steunen. Een dergelijke richtlijn zal bijdragen aan een gelijk speelveld voor bedrijven die actief zijn op de Europese markt. Voor Amerikaanse multinationals zou Nederland door deze richtlijn relatief minder aantrekkelijk worden als vestigingsplaats. In relatie tot de aanpak van belastingontwijking en het fiscale vestigingsklimaat is in de brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer van 20 september 20166 opgemerkt dat het kabinet inzet op een gelijktijdige beweging op twee fronten: (1) én de proactieve aanpak van belastingontwijking krachtig voortzetten waarbij Nederland internationaal het voortouw neemt, én (2) het tarief van de vennootschapsbelasting verlagen tot een concurrerend niveau. Concreet betekent dit dat naarmate we slagen in de vergaande aanpak van belastingontwijking, we ook het vpb-tarief navenant verlagen.

Door middel van dit richtlijnvoorstel wordt verzekerd dat de EU-lidstaten uniform optreden tegen hybride mismatches met derde landen. Deze EU-richtlijn legt echter geen verplichting op aan derde landen die bij hybride mismatches zijn betrokken. Het is daarom belangrijk dat de richtlijn zo veel mogelijk aansluit bij de uitkomsten van het BEPS-project van de OESO. Bij het BEPS-project zijn immers ook veel niet-EU-landen betrokken. Nederland zet dan ook in op een goede aansluiting van de richtlijn op de OESO-uitkomsten. Het kabinet vindt het positief dat in het richtlijnvoorstel dezelfde hybride mismatches worden geadresseerd als in de BEPS-rapporten en dat de oplossingen niet beperkt blijven tot mismatches door hybride entiteiten of hybride financiële instrumenten, waartoe de Richtlijn anti-belastingontwijking beperkt bleef.

Hoewel het OESO-rapport over actiepunt 2 geen rangorde voorschrijft voor welk betrokken land als eerste moet optreden om (de effecten van) een hybride mismatch te neutraliseren, is wel bepaald dat de verantwoordelijkheid hiervoor primair bij het land behoort te liggen waar een betaling naartoe wordt gedaan. Wanneer dat in een concreet geval een derde land is en de betaling vanuit een EU-lidstaat is gedaan, maar de betaling via een hybride mismatch onbelast blijft, moet op basis van het richtlijnvoorstel de EU-lidstaat de mismatch neutraliseren, terwijl onder de OESO-regels het land waar de betaling naartoe is gedaan primair zou moeten optreden. Hoewel het richtlijnvoorstel hier niet tegengesteld is aan de OESO-uitkomsten – dat het derde land primair zou moeten optreden wil niet zeggen dat de betrokken lidstaat niet zou kunnen optreden, wanneer het derde land dat niet doet – moet het derde land wel de gelegenheid krijgen om de betaling in de belastinggrondslag op te nemen. Hiervoor moet dat derde land voldoende tijd worden geboden. Dit is ook de meest bevredigende uitkomst, omdat op die wijze de effecten van de hybride mismatch worden opgeheven en belasting wordt geheven waar waarde wordt gecreëerd.

Een voorbeeld kan dit illustreren. Dit is het voorbeeld van de zogenoemde CV/BV-structuur die door in Nederland gevestigde hoofdkantoren tussen Nederland en de Verenigde Staten (hierna: VS) geregeld in structuren is opgenomen. Het betreft hierbij een mismatch met een hybride entiteit (een Nederlandse commanditaire vennootschap (hierna: CV)), die door Nederland als transparant wordt aangemerkt en door de VS, nadat de belastingplichtige heeft gekozen deze als niet-transparant te laten aanmerken,7 dan dus als niet-transparant wordt aangemerkt. De VS betrekken betalingen gedaan door een Nederlandse besloten vennootschap (hierna: BV) naar de CV, bijvoorbeeld royaltybetalingen voor het exploiteren van in de VS ontwikkeld intellectueel eigendom, dan ook niet in de heffing, maar leggen wel een belastingclaim op de (door)betaling op het moment van uitkeren van de royalty’s van de CV aan het in de VS gevestigde moederconcern. Deze belastingclaim effectueren de VS echter gedurende lange tijd niet. Het OESO-rapport over actiepunt 2 legt de verantwoordelijkheid voor het wegnemen van de gevolgen van de hybride mismatch in dit voorbeeld bij de VS. Pas als de VS niet optreedt, zou het andere betrokken land, i.c. Nederland, de effecten van de mismatch moeten neutraliseren, oftewel aftrek van de royaltybetaling van de BV aan de CV weigeren. Hierbij zou Nederland in wezen winst belasten, terwijl de waarde in de VS is gecreëerd (de ontwikkeling van het intellectueel eigendom heeft immers daar plaatsgevonden). Dit is contrair aan het belasten van winst daar waar de waarde is gecreëerd dat internationaal is geaccepteerd als uitgangspunt voor de bepaling waar winst moet worden belast. Dit is een onwenselijke situatie. Het kabinet is van mening dat eerst het land waarnaar in een dergelijke situatie de betaling wordt gedaan (i.c. de VS) voldoende de kans moet krijgen om de nationale wetgeving aan te passen om zijn belastingclaim in dergelijke gevallen te effectueren of de nodige maatregelen te treffen, alvorens de EU-lidstaat die winst belast (of althans de aftrek weigert). De in onderhavige richtlijn voorgestelde implementatiedatum van 1 januari 2019 biedt deze derde landen naar verwachting niet voldoende tijd. Daar komt bij dat derde landen bezwaar zullen maken tegen het belasten van winsten door een EU-lidstaat, wanneer zij menen dat die winst hun toekomt en wanneer de EU-lidstaat die winst op grond van de richtlijn naar hun mening ten onrechte belast. Ook dat pleit ervoor om derde landen de kans te geven deze winsten zelf te belasten.

Ook om andere redenen zou een latere implementatiedatum van het richtlijnvoorstel logisch zijn. Het gaat om bedrijven met reële economische activiteiten. Deze bedrijven moeten voldoende tijd krijgen om zich aan de richtlijn aan te passen. Het kabinet wil deze bedrijven handelingsperspectief bieden. Dergelijke wijzigingen in de structuren van bedrijven zouden ook de Belastingdienst extra werk opleveren, onder meer omdat bedrijven hun nieuwe structuur aan de Belastingdienst zullen voorleggen om hierover zekerheid vooraf te krijgen. De Belastingdienst moet voldoende tijd krijgen om zich hierop voor te bereiden en hieraan met de belastingplichtige te werken. Tot slot is tijd nodig voor zorgvuldige implementatie van de richtlijn die op principes is gebaseerd en niet tot in detail is uitgewerkt. Om deze redenen zet Nederland in op een implementatiedatum van 1 januari 2024.

Wanneer de op deze richtlijn gebaseerde nationale wetgeving is geïmplementeerd en een derde land op een later moment regelgeving invoert die de mismatch alsnog neutraliseert en dat tot dubbele belasting leidt, kan een belastingplichtige verzoeken om een onderlinge overlegprocedure op te starten op basis van een bilateraal belastingverdrag. De inzet van Nederland is dan om deze dubbele belasting weg te nemen met als uitgangspunt dat de winst belast moet worden waar de waarde wordt gecreëerd.

In het BEPS-rapport over actiepunt 2 is een uitzondering opgenomen voor kapitaalinstrumenten met een hybride karakter die worden aangehouden op basis van prudentiële regelgeving voor financiële instellingen. De mogelijkheid van een uitzondering ontbreekt in het richtlijnvoorstel. Het is mogelijk dat dit onderwerp alsnog wordt opgebracht. Nederland zal navraag doen naar de motivatie van dit onderscheid.

c) Eerste inschatting van krachtenveld

In de eerste besprekingen in Raadsverband hebben vrijwel alle EU-lidstaten aangegeven dat zij een snel akkoord over het richtlijnvoorstel steunen, in lijn met de door de Raad uitgesproken ambitie om tegen eind 2016 een akkoord te bereiken over het voorstel. Tevens hebben deze lidstaten benadrukt dat de richtlijn moet aansluiten bij de uitkomsten van actiepunt 2 van het BEPS-project. Hierop heeft het voorzitterschap een gewijzigd voorstel gepresenteerd dat met input van de OESO is opgesteld. Het Slowaakse voorzitterschap stelt voor om het Commissievoorstel op wezenlijke punten te wijzigen. De belangrijkste wijziging betreft een uitbreiding van de reikwijdte van het richtlijnvoorstel en de Richtlijn anti-belastingontwijking en verplicht lidstaten hybride entiteiten die naar het recht van die lidstaat zijn opgericht, in bepaalde gevallen als belastingplichtige woonachtig in de lidstaat aan te merken en te belasten. Omdat het gaat om het belastingplichtig maken van een transparante entiteit, gaat dit verder dan alleen het wegnemen van de effecten van de hybride mismatch, waartoe het voorstel van de Commissie beperkt was gebleven. Omdat een minder ingrijpende maatregel derhalve ook de gevolgen van de mismatch teniet zou doen, kan gesteld worden dat de door het voorzitterschap voorgestelde oplossing problematisch is in het licht van het proportionaliteitsvereiste. Ook met het voorstel van het voorzitterschap zal Nederland bij de CV/BV-structuren winsten moeten gaan belasten die feitelijk in de VS zijn gecreëerd.

4. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit

a) Bevoegdheid

De EU heeft een gedeelde bevoegdheid op het gebied van belastingen die rechtstreeks invloed hebben op de interne markt. De Commissie baseert de bevoegdheid voor de voorgestelde richtlijn op artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Nederland acht dit de juiste rechtsbasis.

b) Subsidiariteit

Het kabinet beoordeelt de subsidiariteit als positief. Bij het voorstel is sprake van het bestrijden van grensoverschrijdende belastingontwijking (waarbij gebruik wordt gemaakt van verschillen tussen belastingstelsels). Het kabinet is van mening dat hiervoor een gecoördineerde aanpak noodzakelijk is.

Zoals ook eerder richting het parlement is benadrukt,8 zijn binnen de EU in beginsel alleen de lidstaten bevoegd op het gebied van directe belastingen. De Commissie kan slechts tot harmonisatie overgaan in het licht van verbetering van de interne markt.

c) Proportionaliteit

Het kabinet beoordeelt de proportionaliteit positief, met een kanttekening. Als het doel is om fiscale voordelen via kunstmatige structuren door gebruikmaking van hybride mismatches volledig onmogelijk te maken, dan heeft een mondiale aanpak de voorkeur. Zolang bindende mondiale regels nog niet voorhanden zijn, kan een stap daar naartoe worden gezet door binnen Europa de effecten van hybride mismatches te neutraliseren alsmede tussen EU-lidstaten en derde landen. De kans is echter groot dat bij een Europese oplossing bedrijven hun structuren aanpassen, met eventueel bijkomende gevolgen van verplaatsing van het bedrijf en zijn werknemers naar een ander land buiten de EU, om gebruik te kunnen blijven maken van de fiscale voordelen van hybride mismatches tussen twee niet-EU-landen. Een unilaterale Europese oplossing zou daarom alleen een bijdrage leveren aan het bestrijden van kunstmatige structuren met hybride mismatches, wanneer deze ruimte laat voor een mondiale oplossing. Daarom is het van groot belang dat de uiteindelijke richtlijn in overeenstemming is met de uitkomsten van het BEPS-rapport over actiepunt 2.

5. Financiële implicaties, gevolgen voor regeldruk en administratieve lasten

a) Consequenties EU-begroting

Er zijn geen gevolgen voor de EU-begroting.

b) Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/ of decentrale overheden

Er moet rekening mee worden gehouden dat de voorgestelde richtlijn en de op grond daarvan vastgestelde nationale wetgeving een groot gedragseffect zullen veroorzaken: bedrijven met structuren met hybride mismatches tussen EU-lidstaten of tussen een EU-lidstaat en een derde land zullen mogelijk op zoek gaan naar derde landen waar zij een structuur kunnen opzetten waardoor de aftrek gewaarborgd blijft. Dit kunnen zij bijvoorbeeld doen doordat zij de winst of de aftrek in een ander land laten neerslaan. De beperking van de aftrek zal dus niet leiden tot een budgettaire opbrengst in de vennootschapsbelasting.

Eventuele budgettaire gevolgen worden ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijke departement, conform de regels van de budgetdiscipline.

c) Financiële consequenties (incl. personele) voor bedrijfsleven en burger

De Commissie geeft geen cijfermatige onderbouwing van de financiële consequenties van het richtlijnvoorstel voor het bedrijfsleven en de burger. Aangezien in Nederland gevestigde Amerikaanse bedrijven gebruik maken van de eerder genoemde CV/BV-structuur, is door het kabinet in kaart gebracht wat de gevolgen van het richtlijnvoorstel voor de CV/BV-structuur zijn. Deze structuur blijft nog wel mogelijk, maar de fiscale voordelen voor Amerikaanse ondernemingen in Nederland verdwijnen.

In totaal zijn er 77.600 banen bij Amerikaanse bedrijven in Nederland, bij wie de CV/BV-structuur een rol heeft gespeeld bij de keuze voor Nederland. Een belangrijk deel van deze bedrijven maakt heden gebruik van de CV/BV-structuur. Voor de bedrijven die gebruik maken van de structuur betekent het wegvallen van de voordelen van deze structuur dat Nederland relatief minder aantrekkelijk wordt als vestigingsplaats voor Amerikaanse multinationals.

Doordat Nederland als vestigingsplaats voor Amerikaanse bedrijven minder aantrekkelijk wordt, kunnen er zonder gelijktijdige aanpassing van de tarieven op korte termijn banen verdwijnen doordat bedrijven hun centrale functies (hoofdkantoren) kunnen verplaatsen naar alternatieve locaties waar zij een hybride mismatchstructuur kunnen opzetten c.q. een land met een laag belastingtarief. Vooral de meer mobiele banen kunnen daarmee onder druk komen te staan. Iets minder dan de helft van de banen bij bedrijven die gebruik maken van een CV/BV-structuur wordt geïdentificeerd als mobiele functie. Het is echter erg lastig om te voorspellen wat precies de effecten van het verdwijnen van fiscale voordelen zullen zijn. Het ligt voor de hand dat op korte termijn een deel van de werknemers werkloos wordt en een deel van de werknemers met het bedrijf meeverhuist naar het buitenland. Dit laatste zou bijvoorbeeld kunnen gelden voor de 5.300 buitenlandse werknemers bij genoemde Amerikaanse bedrijven die gebruik maken van de 30%-regeling.9 Daarnaast kunnen er op korte termijn ook banen verdwijnen bij bijvoorbeeld de toeleveranciers van bedrijven die vertrekken of hun activiteiten verplaatsen.

Op de lange termijn geldt ook voor deze maatregelen dat de werkloosheid weer zal teruglopen doordat de arbeidsmarkt zich aanpast. Wel treedt er welvaartsverlies op, doordat het arbeidsaanbod zal afnemen en zou er mogelijk productiviteitsverlies kunnen optreden.

d) Gevolgen voor regeldruk/administratieve lasten voor rijksoverheid, decentrale overheden, bedrijfsleven en burger

Er zijn geen gevolgen voor de regeldruk.

e) Gevolgen voor concurrentiekracht

Hoewel ook andere factoren (o.a. opleiding beroepsbevolking, infrastructuur, prettige leefklimaat) het vestigingsklimaat van een land bepalen, waren voor sommige bedrijven de mogelijkheden voor het opzetten van een structuur met een hybride mismatch een belangrijke reden om zich in een land te vestigen. Dit geldt onder meer voor Amerikaanse multinationals die gebruik maken van hybride mismatches tussen een ander land en de VS en de mogelijkheden die check-the-box biedt (voetnoot 6). Het is te verwachten dat bedrijven die zich vanwege de mogelijkheden voor het opzetten van een hybride mismatchstructuur in een EU-lidstaat hebben gevestigd en die een hybride mismatch daadwerkelijk gebruiken voor fiscaal voordeel, hun aanwezigheid in die lidstaat en binnen de EU zullen heroverwegen. Zij zouden er ook voor kunnen kiezen om een nieuwe hybride mismatchstructuur op te zetten tussen een land buiten de EU en de VS. In die zin neemt de concurrentiekracht van de EU als geheel af, temeer omdat met het bedrijf ook de werknemers van dat bedrijf waarschijnlijk naar het buitenland vertrekken.

Wat voor de EU geldt, geldt nog meer voor Nederland. Met name de CV/BV-structuur is een belangrijk aspect voor buitenlandse, met name Amerikaanse bedrijven, om zich in Nederland te vestigen. Daarom kan worden gesteld dat het richtlijnvoorstel nadelig is voor de Nederlandse concurrentiekracht. Het kabinet heeft op Prinsjesdag uiteengezet dat het kabinet in relatie tot het fiscale vestigingsklimaat een én-én-strategie hanteert: het krachtig voortzetten van de proactieve aanpak van internationale belastingontwijking én tegelijkertijd het behoud van een goed fiscaal vestigingsklimaat met een voldoende concurrerend vennootschapsbelastingtarief.10

6. Implicaties juridisch

a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid (inclusief toepassing van de lex silencio positivo)

De richtlijn zal moeten worden geïmplementeerd in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Mogelijk zal ook andere fiscale regelgeving moeten worden aangepast.

b) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan

Het richtlijnvoorstel bevat geen gedelegeerde bevoegdheden en uitvoeringsbevoegdheden voor de Commissie.

c) Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid

De voorgestelde implementatiedatum is 1 januari 2019. Deze datum komt overeen met de algemene implementatiedatum van de Richtlijn anti-belastingontwijking.

Zoals onder 3.b) uiteengezet is deze termijn te kort voor Nederland. Daarom zet het kabinet in op een implementatiedatum van 1 januari 2024.

d) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling

In het richtlijnvoorstel is geen evaluatiebepaling opgenomen. In de overwegingen wordt echter gesteld dat de Commissie de richtlijn vier jaar na de inwerkingtreding moet evalueren en hiervan verslag moet doen aan de Raad. Deze termijn is voldoende tijd na de inwerkingtreding van de richtlijn om de werking hiervan goed te kunnen beoordelen en ook niet te lang na de inwerkingtreding.

7. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving

Het richtlijnvoorstel leidt tot een toename van uitvoeringslasten en is uitvoerbaar, onder voorwaarde dat de daarvoor noodzakelijke capaciteit beschikbaar komt.

8. Implicaties voor ontwikkelingslanden

Er zijn geen directe implicaties voor ontwikkelingslanden. Indirect is wel relevant dat de EU-aanpak is gebaseerd op de uitkomsten van het OESO-BEPS-project aangaande hybride mismatches. Ook niet-EU-lidstaten en ontwikkelingslanden kunnen deze uitkomsten toepassen. Voor een consistente wereldwijde toepassing van de OESO-afspraken is van belang dat ook ontwikkelingslanden deze via nationale wetgeving implementeren. De OESO helpt ontwikkelingslanden daarbij door middel van tool kits die mede met behulp van Nederlandse steun worden ontwikkeld.


X Noot
1

Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (PbEU 2016, L193/1).

X Noot
2

Een verschillende kwalificatie (of classificatie) betekent bijvoorbeeld dat het ene land een entiteit als transparant aanmerkt en veronderstelt dat de aandeelhouders van een entiteit (in het andere betrokken land) worden belast, terwijl dat andere land dezelfde entiteit als niet-transparant aanmerkt en veronderstelt dat de entiteit (in het andere betrokken land) wordt belast. Ook kan een betaling in het ene land als dividend worden aangemerkt dat onder een deelnemingsvrijstelling onbelast blijft, terwijl de betaling in het andere land als aftrekbare lening wordt aangemerkt.

X Noot
3

BEPS: Base Erosion and Profit Shifting. Het BEPS-project van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) beoogde maatregelen uit te werken tegen belastingontwijking door multinationals en bevatte vijftien actiepunten. Actiepunt 2 had betrekking op het neutraliseren van de effecten van hybride mismatches.

X Noot
4

Voorbeeld hiervan zijn zogenoemde repo’s, waarbij verkoop en vervolgens het opnieuw kopen van hetzelfde financiële product plaatsvindt.

X Noot
5

Onder meer in de brief met de appreciatie van de uitkomst van het BEPS-project en een vooruitblik op het Nederlandse fiscale vestigingsklimaat (Kamerstuk 25 087, nr. 112).

X Noot
6

Kamerstuk 25 087, nr. 130.

X Noot
7

In de VS kan de belastingplichtige kiezen of hij de vennootschap als transparant danwel als niet-transparant wil aanmerken. Dit wordt check-the-box genoemd.

X Noot
8

O.a. Kamerstuk 21 501-07, nr. 1281, p. 4.

X Noot
9

Deze regeling houdt in dat een werkgever in bepaalde gevallen 30% van het loon van een buitenlandse werknemer die in Nederland werkt, inclusief vergoeding, belastingvrij kan verstrekken.

X Noot
10

Kamerstuk 25 087, nr. 130.