34 588 Regels met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alsmede wijziging van enkele wetten (Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 20..)

J VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 7 mei 2018

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning1 heeft kennisgenomen van de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 april 2018 inzake de inwerkingtreding van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) in relatie tot de bepalingen in de Wet raadgevend referendum (Wrr).2 Naar aanleiding hiervan heeft de commissie de Minister op 26 april 2018 een brief gestuurd. De Minister heeft op 26 april 2018 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning, Bergman

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT/ALGEMENE ZAKEN EN HUIS VAN DE KONING

Aan de Minister van Binnenlandse Zake en Koninkrijksrelaties

Den Haag, 26 april 2018

De commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning heeft kennisgenomen van uw brief van 16 april 2018 inzake de inwerkingtreding van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) in relatie tot de bepalingen in de Wet raadgevend referendum (Wrr).3 Naar aanleiding van deze brief wenst de commissie een aantal vragen aan u voor te leggen. Daarnaast wensen de leden van enkele afzonderlijke fracties enkele vragen te stellen.

Commissievragen

Artikel 11 Wrr stelt dat na een afwijzend referendum de wetgever (regering en beide Kamers der Staten-Generaal) nader dient te overwegen of hij de desbetreffende wet in werking wil doen treden dan wel deze wil intrekken. Artikel 12 Wrr is de uitzondering op deze regel. In de gewijzigde memorie van toelichting bij de Wet raadgevend referendum (nr. 9, p. 21) staat dat artikel 12 Wrr bedoeld is om ten aanzien van de inwerkingtreding tijdelijk buiten de regelingen van artikel 8 en 9 Wrr te vallen. In de brief van 16 april jl. staat vervolgens dat toepassing van artikel 12 «niet beperkt [is] tot een snelle inwerkingtreding van een referendabele wet alleen». Kunt u de geciteerde passage nader toelichten en aangeven hoe deze toelichting zich verhoudt tot hetgeen op p. 21 van de gewijzigde memorie van toelichting is te lezen?

In de gewijzigde memorie van toelichting staat ten aanzien van artikel 12 Wrr verder (nr. 9, p. 21–22):

«Deze wetten [i.e. wetten waarvan de inwerkingtreding geen uitstel kan lijden] zijn en blijven referendabel maar het referendum vindt eerst plaats na de inwerkingtreding.»

Het laatste is bij de Wiv 2017 grotendeels niet het geval: daar heeft éérst het referendum plaatsgevonden, en is nu pas de inwerkingtreding aan de orde. De spoedeisendheid gold voor een beperkt aantal artikelen, die de regering vóór het referendum in werking liet treden bij koninklijk besluit. Voor de overige artikelen is eenzelfde spoedeisendheid niet ingeroepen. Kunt u nader toelichten waarom dan toch op de gehele wet artikel 12 Wrr van toepassing zou zijn? Kunt u deze vraag beantwoorden in het licht van het volgende: in artikel 171, eerste lid, Wiv staat dat «zo nodig toepassing [wordt] gegeven aan artikel 12, eerste lid, van de Wet raadgevend referendum». Dat is bij het grootste deel van de Wiv niet gebeurd. Kunt u uitleggen waarom op het niet in werking getreden deel, hoewel artikel 12, eerste lid, dus niet is toegepast, alsnog artikel 12, tweede lid, wordt toegepast?

U stelt in uw brief dat artikel 12, tweede lid, alleen spreekt van een voorstel tot intrekking «en niet ook tot inwerkingtreding, omdat de referendabele wet daarin reeds voorziet». Op p. 22 van de gewijzigde memorie van toelichting staat in het kader van dit tweede lid het volgende:

«Indien een referendum resulteert in een raadgevende uitspraak tot afwijzing van een spoedshalve reeds in werking getreden wet, kan de wetgever bij het verbinden van gevolgen aan een dergelijke uitslag niet meer beslissen over de inwerkingtreding van de wet. Het gaat dan uitsluitend om de vraag of de wet moet worden ingetrokken.»

Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de wetgever niet meer kan beslissen over de inwerkingtreding van de wet omdat deze reeds in werking is getreden. Van de mogelijkheid dat de referendabele wet in inwerkingtreding zou voorzien, spreekt de gewijzigde memorie van toelichting niet. Hoe past, gelet op het hiervoor uit deze memorie van toelichting geciteerde, het door u in de brief gestelde in de systematiek van de Wrr?

Waarop gaat de regering het koninklijk besluit tot inwerkingtreding per 1 mei baseren? Ziet de regering in artikel 12, tweede lid, Wrr, een rechtsbasis? Indien artikel 171, eerste lid, Wiv de beoogde rechtsbasis is, kunt u dan uitleggen waarom de inwerkingtredingsregeling van artikel 171, eerste lid, nog gebruikt kan worden? Kunt u daarbij specifiek ingaan op het gegeven dat alleen voor wat betreft een klein deel van de Wiv op grond van artikel 12, eerste lid, is afgeweken van de artikelen 8 en 9 Wrr? Kunt u uitleggen waarom de artikelen 8 en 9 niet op de rest van de Wiv van toepassing zouden moeten blijven en de inwerkingtredingsregeling van artikel 171, eerste lid, derhalve ingevolge artikel 9 is komen te vervallen nadat het inleidend verzoek voor een referendum begin september vorig jaar is toegelaten?

Vragen van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie stellen de volgende vragen. In de brief van 16 april jl. stelt de Minister:

«Op de Wiv 2017 is de spoedprocedure van artikel 12, eerste lid, van de Wrr toegepast. De mogelijkheid om op de inwerkingtreding van de Wiv de spoedprocedure toe te passen, is door de Wiv-wetgever in artikel 171, eerste lid, gegeven. De Wiv, een wet van 26 juli 2017, kon daardoor op onderdelen al op 1 september 2017 in werking treden.»

In een voetnoot bij deze passage verwijst de Minister naar het koninklijk besluit van 19 augustus 2017 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van enkele onderdelen van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Stb. 2017, 318). De nota van toelichting bij dit besluit stelt:

«In artikel 171, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) is bepaald, dat de artikelen van deze wet in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Tevens wordt in dat besluit zo nodig toepassing gegeven aan artikel 12, eerste lid, van de Wet raadgevend referendum. De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 zal in twee fasen in werking treden. Dit besluit ziet op de eerste fase; de tweede fase betreft de inwerkingtreding van de rest van de wet op een nader te bepalen tijdstip. Op laatstgenoemd tijdstip zal ook de huidige Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 worden ingetrokken.

In onderhavig besluit is bepaald dat de artikelen 1, 32, eerste lid, 33, 34, 35, 97, eerste en tweede lid, 98, 99, 100, 101, 103, 104, 105, 106 en 170 eerst in werking treden.»

Dit leidt tot de volgende vragen:

1. Het koninklijk besluit richt zich nadrukkelijk en specifiek op inwerkingtreding van bepaalde artikelen. Daarmee is volgens het besluit de spoedprocedure van artikel 12 Wrr alleen op desbetreffende artikelen van toepassing en alleen voor die artikelen is een nadere onderbouwing in de nota van toelichting opgenomen waarom inwerkingtreding van deze artikelen spoedeisend is. Dit onder verwijzing naar artikel 171, eerste lid, Wiv, «Tevens wordt in dat besluit zo nodig toepassing gegeven aan artikel 12, eerste lid, van de Wet raadgevend referendum.»

Kunt u aangeven hoe u gelet op de specifieke bepalingen van het besluit de spoedprocedure van artikel 12 Wrr tóch voor de gehele wet toe kan passen?

2. Kunt u nader onderbouwen waarom voor de tweede fase van de inwerkingtreding toepassing van de spoedprocedure van artikel 12 Wrr «zo nodig» is?

3. Kunt u specifiek voor de tweede fase van de inwerkingtreding onderbouwen wat het spoedeisende karakter van betreffende wetsartikelen is?

4. Kunt u aangeven of bij toepassing van de spoedprocedure van artikel 12 Wrr op de eerste fase van inwerkingtreding, deze spoedprocedure niet automatisch van toepassing is op de tweede fase van inwerkingtreding?

5. Kunt u aangeven in hoeverre en onder welke voorwaarden het binnen de wettelijke kaders mogelijk is om af te zien van artikel 12 Wrr voor de inwerkingtreding van de tweede fase (na toepassing van artikel 12 Wrr in de eerste fase van inwerkingtreding)?

6. Nu spoedeisendheid voor de inwerkingtreding wordt aangevoerd, kunt u aangeven waarom dan in de parlementaire behandeling van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 deze wet nooit is opgenomen op de lijst van door het kabinet aangemerkte spoedeisende wetsvoorstellen? Waarom is voor de inwerkingtreding van de tweede fase die spoedeisendheid nu opeens wel van toepassing?

Vragen van de SP-fractie en van de 50PLUS-fractie

De leden van de fracties van de SP en 50PLUS hebben over de brief van de Minister van 16 april en de achterliggende brief van 6 april aan de Eerste Kamer nog een aantal vragen. Zij constateren dat de regering voornemens is de Wiv 2017 per 1 mei in werking te laten treden, gelijktijdig met nieuwe beleidsregels die een drietal punten betreffen. Deze worden beschreven in de brief 6 april van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Defensie.4 Daarnaast verduidelijken de Ministers in deze brief op een drietal punten de Wiv 2017. Daarbij gaat het over de manier waarop de wet zal worden uitgevoerd. Met deze zes punten denkt de regering tegemoet te komen aan de belangrijkste bezwaren van de kiezers, die de Wiv 2017 in een raadgevend referendum hebben afgewezen.

Deelt de regering de conclusie dat het verduidelijken van een wet, hoe nuttig op zichzelf ook, niet tegemoet komt aan de kiezers die tegen die wet hebben gestemd, zo vragen deze leden. Deelt de regering de conclusie dat nieuwe beleidsregels die samen gaan met het onveranderd in werking laten gaan van een wet, geen wezenlijke aanpassingen van die wet kunnen bevatten?

Over de inhoud van de nieuwe beleidsregels hebben deze leden nog enkele vragen. De zogenaamde wegingsnotities waarop de inlichtingendiensten baseren in welke mate ze inlichtingen uitwisselen met buitenlandse diensten, zullen nog dit jaar worden vastgesteld. En zolang deze notitie voor een bepaald land nog niet is vastgesteld, zullen er met de diensten van dat land geen ongeëvalueerde (bulk)gegevens worden uitgewisseld. De leden van de fracties van de SP en 50PLUS zijn positief over deze voornemens van de Ministers, maar zien hierin geen tegemoetkoming aan de kiezers die bezwaar hebben tegen het uitwisselen van niet geëvalueerde gegevens met buitenlandse diensten, ongeacht of daar wegingsnotities aan ten grondslag liggen of niet. Is de regering het met deze leden eens? Zo nee, waarom niet?

De regering is voornemens de bewaartermijn van door een onderzoeksopdrachtgerichte (OOG) interceptie op de kabel verkregen bulkgegevens, te verkorten van drie jaar naar één jaar, met de mogelijkheid deze periode twee keer met één jaar te verlengen. Ze wil de wet op dit punt nu niet aanpassen, maar daarvoor eerst de evaluatie van de wet, die over twee jaar plaatsvindt, afwachten. Hoe denkt de regering een procedure die mogelijk drie jaar in beslag neemt, over twee jaar te evalueren, zo vragen deze leden.

De Ministers stellen in hun brief dat de regering de wet wil aanscherpen door vast te leggen dat bijzondere bevoegdheden, waaronder OOG-interceptie op de kabel, zo gericht mogelijk worden ingezet. Dat doet ze door de motie-Recourt eerst in een beleidsregel en daarna in een wetswijziging vast te leggen. De leden van deze fracties constateren dat de motie-Recourt reeds onderdeel van de wet uitmaakt sinds dat zo door de Minister van Binnenlandse Zaken bij de behandeling van de wet in de Eerste Kamer is uitgesproken. Wat is tegen deze achtergrond de materiële betekenis van deze beleidsregel, zo vragen deze leden de regering.

Daarnaast wil de regering eerst in een beleidsregel en daarna in een wetswijziging vastleggen dat bijzondere bevoegdheden, zoals de OOG-interceptie op de kabel, zo gericht mogelijk moeten worden ingezet. Wat is de materiële betekenis van een regel die voorschrijft dat een bevoegdheid zoals een op onderzoek gerichte interceptie op de kabel, zo gericht mogelijk moet worden ingezet? Is dat ook zonder deze nieuwe beleidsregel niet altijd nodig, zo vragen deze leden de regering.

Vragen van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie stellen de volgende aanvullende vragen. Om welke spoedeisende reden heeft de regering de betreffende artikelen destijds spoedshalve inwerking laten treden? Om welke redenen zijn de overige artikelen toen niet met spoed in werking getreden? Welke spoedeisende reden heeft de regering nu om niet de behandeling van een wetsvoorstel tot inwerkingtreding te kunnen afwachten? Deelt de regering de mening van de leden van de fractie van GroenLinks dat de constructie van artikel 12 Wrr bedoeld is om toe te passen voorafgaand, en niet na afloop van een referendum? Erkent de regering dat de systematiek van de wet op het raadgevend referendum (met name de onderdelen dat de paragrafen van de inwerkingtreding komen te vervallen en de wetgever middels een nieuwe wet over het al dan niet inwerking treden beslist) tot doel heeft dat na een referendum de wetgever in zijn geheel, dus inclusief het parlement, de betreffende wet in heroverweging neemt? Erkent de regering dat het met de inwerkingtreding middels een koninklijk besluit de medewetgevende macht de kans ontneemt op een integrale heroverweging middels een democratisch en transparant proces met de mogelijkheid van gebruikmaking van het recht van amendement en voorafgaand advies van de Raad van State? Zo ja, erkent de regering dat zij met de gekozen procedure het doel en de effectiviteit van de wet op het raadgevend referendum grotendeels ondermijnt?

Vragen van de PvdD-fractie

De leden van de fractie van de PvdD willen graag de volgende aanvullende vragen stellen:

1. Is de regering bereid de invoerdatum van de Wiv uit te stellen totdat alle voorgestelde wetswijzigingen door Tweede en Eerste Kamer behandeld zijn? Zo nee, waarom niet?

2. Is de regering bereid invoering van de wet op te schorten wegens de mogelijke strijdigheid met het internationaal en Europees privacyrecht, zoals aangevoerd door onder meer Privacy First, het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten, Bits of Freedom, De Nederlandse Vereniging van strafrechtadvocaten, het platform Bescherming Burgerrechten, Free Press Unlimited, BIT, Voys, Speakup, Greenpeace International en Waag Society? Zo nee, waarom niet?

3. Is de regering bereid invoering van de wet uit te stellen totdat de rechter uitspraak heeft gedaan in het kort geding dat door genoemde organisaties is aangespannen tegen invoering van de wet op 1 mei? Zo nee, waarom niet?

4. Is de regering bereid advies te vragen bij de Raad van State over de in deze commissiebrief genoemde bezwaren, en invoering van de wet uit te stellen hangende deze adviesprocedure? Zo nee, waarom niet?

5. Welk spoedeisend belang verzet zich tegen uitstel van de invoering van de wet, tot na behandeling van de door de regering voorgenomen wijzigingen in Tweede en Eerste Kamer?

De commissie ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag vóór 1 mei 2018.

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning, J.W.M. Engels

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 april 2018

Ik dank de commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning voor haar brief van 26 april jl. De brief bevat een aantal vragen van de commissie en enkele vragen van de fracties van de PVV, de SP en 50PLUS, GroenLinks en de PvdD over de inwerkingtreding van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017), in samenhang met de bepalingen van de Wet raadgevend referendum (Wrr). De commissie verzoekt om een beantwoording voor 1 mei 2018, aan welk verzoek ik hierbij tegemoet kom.

Alvorens de afzonderlijke vragen te beantwoorden ga ik in op de spoedeisendheid van de inwerkingtreding van de Wiv 2017. De veronderstelling die in de vragen van de commissie en van de aan het woord zijnde fracties naar voren komt dat de spoedeisendheid van de Wiv 2017 slechts voor een beperkt aantal artikelen van belang is, berust op een misverstand. Deze spoedeisendheid is voor de gehele wet van belang. Dat op 1 september 2017 slechts de artikelen in werking zijn getreden die zien op de benoemingsprocedure van de leden van de TIB en de afdeling klachtbehandeling van de CTIVD, doet daar niets aan af. Dit is gebeurd omdat de instelling en bemensing van deze commissies voorwaardelijk was voor het in werking kunnen treden van de gehele wet5. De toepassing van artikel 12 Wrr in artikel 171 van de Wiv 2017 en in het koninklijk besluit van 19 augustus 2017 heeft als effect dat artikel 9 Wrr niet van toepassing is, en de inwerkingtredingsbepaling van de Wiv 2017 in stand is gebleven. Deze inwerkingtredingsbepaling geldt vanzelfsprekend voor de gehele Wiv 2017, en op deze bepaling kan zowel voorafgaand als na afloop van een referendum een beroep worden gedaan.

Het belang van de spoedige inwerkingtreding van de volledige Wiv 2017, zo is ook tijdens het debat op 10 april naar aanleiding van de uitslag van het referendum, en tijdens de parlementaire behandeling van de Wiv 2017 uitvoerig aan de orde geweest, is gelegen in het belang van de nationale veiligheid. Zoals in de memorie van toelichting is opgemerkt,6 is sprake van een toename van cyberaanvallen en onrust aan de grenzen van Europa. Informatie over plannen en het werk van terroristen, statelijke actoren en andere kwaadwillenden blijft deels en soms volledig uit het zicht van de diensten vanwege beperkingen in hun onderzoeksmogelijkheden als gevolg van een op onderdelen sterk verouderde Wiv 2002. De diensten worden hierdoor ernstig belemmerd in hun taakuitvoering ten behoeve van de nationale veiligheid. Voorts heeft mijn ambtgenoot van Defensie er tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer op gewezen dat modernisering van de Wiv 2002 noodzakelijk is met het oog op de bescherming en ondersteuning van Nederlandse militairen op missie. Zoals ik in mijn brief van 6 april jl. aan uw Kamer heb aangegeven, dienen de diensten daarom op de kortst mogelijke termijn de beschikking te krijgen over middelen om de dreigingen voor onze nationale veiligheid en de belangen voor onze krijgsmacht het hoofd te kunnen blijven bieden. Deze urgentie is tijdens het gehele traject van totstandkoming van de wet, met name ook door Tweede en Eerste Kamer, gevoeld en de voortvarende behandeling van het wetsvoorstel en ruime aanvaarding in beide Kamers getuigt daar ook van.

De commissie vraagt een nadere toelichting op een passage in de brief van 16 april jl. (Kamerstukken I 2017/18, 34 588, H, blz. 3) in relatie tot een passage in de gewijzigde memorie van toelichting bij de Wet raadgevend referendum (Kamerstukken II 2005/06, 30 372, nr. 9, blz. 21) waar staat dat door toepassing van artikel 12 Wrr tijdelijk buiten het bereik gebleven kan worden van de inwerkingtreding neergelegd in de artikelen 8 en 9. In de vraag van de commissie is het woord tijdelijk gecursiveerd. In antwoord op deze vraag breng ik graag naar voren dat het woord «tijdelijk» op deze plaats in de toelichting van de initiatiefwet niet aansluit op de wettekst van artikel 12 waarop de toelichting betrekking heeft. Immers, artikel 12 spreekt niet over tijdelijkheid, maar geeft een éénmalige en definitieve regeling voor een afwijkende inwerkingtreding van een wet die geen uitstel kan lijden, namelijk dat deze in de desbetreffende wet zelf wordt geregeld. In de brief van 16 april is vermeld dat door toepassing van de spoedprocedure van artikel 12 de inwerkingtredingsbepaling van de referendabele wet overeind blijft en niet op grond van artikel 9 vervalt. Hiermee is gezegd dat òf het regime van artikel 8 en 9 van toepassing is, òf het regime van artikel 12. De toelichting geeft geen ruimte voor de mogelijkheid dat beide regimes van toepassing zijn.

De commissie vraagt om een nadere toelichting waarom op de gehele wet artikel 12 van toepassing zou zijn, nu spoedeisendheid niet is ingeroepen voor de artikelen die nog niet per 1 september 2017 inwerking zijn getreden. In het voorgaande ben ik hierop ingegaan. Zoals aan het begin van de brief benadrukt, is inwerkingtreding van de gehele wet urgent. Om die reden is van belang dat de toepassing van artikel 12 voor de inwerkingtreding van de gehele wet werking heeft. Artikel 171, eerste lid, van de Wiv 2017 bepaalt dat de artikelen van de Wiv 2017 bij koninklijk besluit in werking treden, waarbij zo nodig toepassing gegeven kan worden aan artikel 12. Daarvan zijn geen artikelen van de Wiv 2017 uitgesloten.

Op de vraag van de commissie of ik kan uitleggen waarom op de artikelen die niet per 1 september 2017 in werking zijn getreden, alsnog artikel 12, tweede lid, wordt toegepast, breng ik naar voren dat over de gehele Wiv 2017 een referendum is gehouden, en niet alleen over de artikelen die per 1 september in werking zijn getreden. Voor de gehele wet geldt daarom dat een heroverweging op grond van artikel 12, tweede lid, moet plaatsvinden.

De commissie vraagt hoe een passage uit de brief van 16 april waarin staat dat de wetgever niet meer kan beslissen over de inwerkingtreding van de wet zich verhoudt tot blz. 22 van de gewijzigde memorie van toelichting, nu daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de wetgever hierover niet meer kan beslissen omdat de wet reeds in werking is getreden. In antwoord hierop kan worden beaamd dat dit in de toelichting op de initiatiefwet kan zijn bedoeld. Daarnaast kan zijn bedoeld dat de referendabele wet – bij toepassing van artikel 12 waarover dit gedeelte van de memorie spreekt – in haar eigen inwerkingtreding voorziet. Daartoe is geen activiteit van de wetgever meer nodig.

De commissie vraagt waarom de artikelen 8 en 9 niet op de rest van de Wiv 2017 van toepassing zouden moeten blijven nadat het inleidend verzoek voor een referendum begin september vorig jaar is toegelaten, waarop de regering de inwerkingtreding van de rest van de Wiv 2017 per 1 mei 2018 baseert, en of ik kan ingaan op het gegeven dat alleen voor wat betreft een klein deel van de Wiv 2017 op grond van artikel 12, eerste lid, is afgeweken van artikel 8 en 9 Wrr. Zoals ik in het voorgaande al aangaf is door toepassing van de spoedprocedure van artikel 12 Wrr de inwerkingtredingsbepaling van de referendabele wet in stand gebleven en niet op grond van artikel 9 vervallen. Niet het regime van artikel 8 en 9 is van toepassing, maar dat van artikel 12. De Wrr beoogt niet dat beide regimes van toepassing zouden zijn, en de wetsgeschiedenis geeft evenmin ruimte voor de mogelijkheid dat beide regimes gelijktijdig van toepassing zijn.

De inwerkingtreding per 1 mei 2018 baseert de regering op artikel 171, eerste lid, van de Wiv 2017, waar staat dat de inwerkingtreding van de artikelen van de Wiv 2017 op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip plaatsvindt, waarbij zo nodig toepassing kan worden gegeven aan artikel 12 Wrr. Die laatste toevoeging in het artikel is opgenomen om te voorzien in een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding, ongeacht of een referendum zou plaatsvinden. Zoals in de memorie van toelichting op de Wiv 2017 is vermeld: «Naar het oordeel van de regering dient onderhavig wetsvoorstel, zodra zij tot wet is verheven zo spoedig mogelijk in werking te treden en dient aldus toepassing te worden gegeven aan artikel 12 Wrr. Artikel 171, eerste lid, van het wetsvoorstel voorziet daarin.» (Kamerstukken II 2016/17, 34 588, nr. 3, blz. 270). Of daadwerkelijk een referendum zou plaatsvinden, was vooraf niet te voorzien.

De leden van de fractie van de PVV vragen hoe, gelet op de specifieke bepalingen van het koninklijk besluit van 19 augustus 2017 (Stb. 2017, 318), de spoedprocedure van artikel 12 Wrr toch voor de gehele wet van toepassing kan zijn. Deze leden citeren de toelichting op dit besluit waarin is aangegeven dat de wet in twee fases in werking zal treden. Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar hetgeen hiervoor in antwoord op de vragen van de commissie is vermeld.

In antwoord op de vragen van de fractie van de PVV over onderbouwing van de spoedeisendheid verwijs ik naar het begin van deze brief.

De leden van de fractie van de PVV vragen of bij toepassing van artikel 12 Wrr op de eerste fase van inwerkingtreding, deze spoedprocedure automatisch van toepassing is op de tweede fase van inwerkingtreding en in hoeverre en onder welke voorwaarden het binnen de wettelijke kaders mogelijk is af te zien van artikel 12 Wrr voor de inwerkingtreding van de tweede fase. Het antwoord hierop is dat voor de inwerkingtreding van de gehele Wiv 2017 de totstandkoming van een koninklijk besluit voorwaarde is. Overeenkomstig artikel 12 Wrr voorziet de Wiv 2017 in artikel 171 in haar eigen inwerkingtreding, die inhoudt dat deze bij koninklijk besluit plaatsvindt. Met toepassing van artikel 12, eerste lid, op de eerste fase van inwerkingtreding is afgeweken van de artikelen 8 en 9 en voorziet niet de Wrr maar de referendabele wet zelf in haar inwerkingtreding.

De leden van de fractie van de PVV vragen waarom de Wiv 2017 nooit is opgenomen op de lijst van spoedeisende wetsvoorstellen. Voor gebruik van deze lijst bestond geen noodzaak, omdat de parlementaire behandeling met voortvarendheid plaatsvond.

De leden van de SP-fractie en de 50PLUS-fractie stellen de vraag of het verduidelijken van een wet tegemoet komt aan de kiezers die tegen de wet hebben gestemd. Tevens vragen deze leden of nieuwe beleidsregels wezenlijke aanpassingen van die wet kunnen bevatten. Het kabinet heeft geconcludeerd dat uit het raadgevend referendum is gebleken dat er op een aantal punten zorgen zijn in de samenleving. In de brief van 6 april heeft het kabinet aangegeven tegemoet te willen komen aan deze zorgen. De voorgenomen tegemoetkomingen zijn substantieel en betekenisvol. Tegelijkertijd verliest het kabinet de veiligheid niet uit het oog. Het gaat ook om het in lijn brengen van bevoegdheden met de landen om ons heen. Het kabinet is ervan overtuigd dat we met deze aanpassingen en met de spoedige inwerkingtreding recht doen aan de uitslag.

Over de inhoud van de nieuwe beleidsregels hebben de leden van beide fracties nog enkele vragen. In antwoord daarop wil ik benadrukken dat het kabinet met de introductie van de beleidsregels over de samenwerking met buitenlandse diensten de waarborgen op dit punt verstevigt, zonder de noodzaak van de wettelijke mogelijkheid om ongeëvalueerde gegevens te delen uit het oog te verliezen. Een intensieve samenwerking met buitenlandse diensten is onmisbaar voor het beschermen van de nationale veiligheid. Of het nu gaat om het uitwisselen van identifiers van terroristen die Europa inreizen, het uitwisselen van signatures van cyberaanvallen gericht op het hoogwaardig Europees bedrijfsleven of het met bondgenoten uitvoeren van militaire operaties in brandhaarden over de wereld: de razendsnelle uitwisseling van gegevens blijft doorslaggevend voor het nemen van adequate tegenmaatregelen. Het delen van gegevens, waaronder ook ongeëvalueerde gegevens maakt hier onderdeel van uit. Zo kan een gegeven bijvoorbeeld voor de Nederlandse diensten nietszeggend zijn, maar voor de dienst van een ander land het missende stukje informatie betreffen waardoor een netwerk zichtbaar wordt.7

Deze leden vroegen tevens hoe de regering denkt een procedure die mogelijk drie jaar in beslag neemt, over twee jaar te evalueren, waarmee zij doelden op de mogelijkheid om de bewaartermijn van door een onderzoeksopdrachtgerichte (OOG) interceptie op de kabel verkregen bulkgegevens, te verkorten van drie jaar naar één jaar, met de mogelijkheid deze periode twee keer met één jaar te verlengen. Na twee jaar kan een beeld worden verkregen over welke gegevens met onderzoeksopdrachtgerichte interceptie zijn verworven en bewaard, wat de waarde is van het jaarlijks beoordelen of het bewaren van de betreffende gegevens nog noodzakelijk is en in hoeverre het noodzakelijk is om de bewaartermijn van bepaalde gegevens te verlengen.

De leden van de SP-fractie en de 50PLUS-fractie vragen wat de materiële betekenis is van een regel die voorschrijft dat een bevoegdheid zoals een op onderzoek gerichte interceptie op de kabel, zo gericht mogelijk moet worden ingezet. Is dat ook zonder deze nieuwe beleidsregel niet altijd nodig, zo vragen deze leden de regering. In de brief van 6 april 2018 aan de Tweede Kamer is aangegeven dat een beleidsregel zal worden opgesteld die vastlegt dat, in het verlengde van de motie-Recourt (Kamerstukken II 2016/2017, 34 588, nr. 66), de inzet van bevoegdheden door de diensten zo gericht mogelijk dient te zijn. Zo wordt in algemene zin bepaald dat de toepassing van de bijzondere bevoegdheden door de diensten zo gericht mogelijk dient plaats te vinden. Daarnaast wordt bepaald dat in een verzoek om toestemming voor de uitoefening van bijzondere bevoegdheden, waaraan artikel 29, tweede lid, enkele minimumvereisten stelt, ook nadrukkelijk aangegeven dient te worden op welke wijze aan de eis van gerichte inzet van de desbetreffende bijzondere bevoegdheid invulling dient te worden gegeven. Dit komt derhalve bovenop cq. ligt deels in het verlengde van de wettelijke eis dat de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid noodzakelijk (artikel 28), proportioneel en subsidiair (artikel 26) dient te zijn, hetgeen eveneens in het verzoek om toestemming moet zijn aangetoond. Bij de beoordeling van het verzoek om toestemming zal de voor de desbetreffende dienst verantwoordelijke Minister zich ervan dienen te vergewissen of aan de eis van gerichtheid op adequate wijze is voldaan. Naast het bovenstaande verhoogt het opstellen van de beleidsregel en daarna het wijzigen van de wet de kenbaarheid van deze norm.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de constructie van artikel 12 Wrr niet is bedoeld voorafgaand aan een referendum en niet na afloop daarvan en of de inwerkingtreding bij koninklijk besluit de wetgever in zijn geheel de kans ontneemt op een integrale heroverweging. In aanvulling op hetgeen hierover hiervoor reeds naar voren is gebracht, licht ik graag toe dat artikel 12 van de Wrr uit twee onderdelen bestaat. Het eerste lid geeft de mogelijkheid van een spoedprocedure voor de inwerkingtreding van wetten die referendabel zijn. De spoedprocedure – bedoeld voor die wetten waarvan de inwerkingtreding geen uitstel kan lijden – zorgt ervoor dat de wet die aan een referendum kan worden onderworpen, in haar eigen, snelle inwerkingtreding mag voorzien. Er geldt geen stand-still periode van acht weken (artikel 8 Wrr) en er geldt bij een eenmaal aangevangen referendumprocedure over de wet ook niet dat de inwerkingtredingsbepaling vervalt, als het inleidend verzoek tot het houden van een referendum is toegelaten (artikel 9). De referendabele wet kan dus door toepassing van de spoedprocedure, komen tot een eigen, snelle inwerkingtreding, zoals voorzien in de referendabele wet. Voorzien kan zijn dat de wet voor verschillende onderdelen, op verschillende momenten in werking treedt. Dat is het geval bij de Wiv 2017. Op grond van artikel 171, eerste lid, zijn de eerste onderdelen van de Wiv 2017 per 1 september 2017 in werking getreden bij koninklijk besluit. Als er na afloop van het referendum, bij een raadgevende uitspraak tot afwijzing, na heroverweging wordt overgaan tot inwerkingtreding van de overige onderdelen van de wet, gebeurt dat opnieuw op de wijze die is voorzien in de wet waarover het referendum werd gehouden. Voor de Wiv 2017 dus, onder verwijzing naar de spoedprocedure, opnieuw bij koninklijk besluit. De spoedprocedure van artikel 12 van de Wrr geeft dus effect voor de gehele periode, voorafgaand en na afloop van een referendum, zoals hiervoor al aan de orde kwam. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de Wrr tot uitdrukking gebracht welke gevolgen verbonden zijn aan een raadgevende uitspraak tot afwijzing voor wetten waarbij de spoedprocedure is toegepast. Voor wetten waarin inwerkingtreding via de spoedprocedure is voorzien, geldt dat de wetgever zich bij heroverweging alleen nog kan buigen over de intrekking van de wet. Verwezen kan hierbij worden naar de gewijzigde memorie van toelichting, Kamerstukken II 2005/06, 30 372, nr. 9, blz. 22.

De leden van de PvdD-fractie vragen of de regering bereid is de invoering van de Wiv 2017 uit te stellen tot na wetswijziging dan wel op te schorten wegens mogelijke strijdigheid met internationaal en Europees recht en uit te stellen in afwachting van juridische procedures. Zoals de Minister van Defensie en ik hebben aangeven in de brief aan uw Kamer van 6 april jl., heeft het kabinet besloten de Wiv 2017 per 1 mei a.s. in werking te laten treden. Deze brief is op 10 april jl. uitvoerig besproken in de Tweede Kamer, waarin ook moties zijn ingediend waarover ook is gestemd. Daarbij is van belang dat een motie, waarin de regering wordt verzocht de Wiv 2017 niet in werking te laten treden voordat het wetsvoorstel tot wijziging van de Wiv 2017 is voorgelegd aan de Tweede Kamer, is verworpen8. In de brief van 25 april hebben wij de inwerkingtreding van de Wiv 2017 per 1 mei a.s. bevestigd. Het belang van deze wet en ook van de spoedige inwerkingtreding hiervan hebben wij hierboven onderstreept.

Zoals ook tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel uitvoerig aan de orde is geweest, zien wij een toetsing van de wet aan internationale verdragen door de rechter met vertrouwen tegemoet en zien wij dan ook geen aanleiding om de invoering van de wet op te schorten in afwachting van een beslissing in een rechterlijke procedure.

Gelet hierop en gelet op de parlementaire behandeling als hier beschreven, ziet het kabinet geen aanleiding advies te vragen aan de Afdeling advisering van de Raad van State over de inwerkingtreding. In het voorgaande is ingegaan op de spoedeisendheid van de inwerkingtreding van de Wiv 2017, waarmee de laatste vraag van de fractie van de PvdD over uitstel van invoering van de wet, is beantwoord.

Naar ik hoop heb ik de door uw commissie en de afzonderlijke fracties gestelde vragen met het voorgaande naar tevredenheid beantwoord.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren


X Noot
1

Samenstelling:

Engels (D66) (voorzitter), Nagel (50PLUS), Ruers (SP) (vice-voorzitter), Van Bijsterveld (CDA), Duthler (VVD), Ten Hoeve (OSF), Huijbregts-Schiedon (VVD), Van Kappen (VVD), Koffeman (PvdD), Strik (GL), De Vries-Leggedoor (CDA), Flierman (CDA), De Graaf (D66), Schouwenaar (VVD), Van Strien (PVV), P. van Dijk (PVV), Gerkens (SP), Van Hattem (PVV), Köhler (SP), Lintmeijer (GL), Pijlman (D66), Rombouts (CDA), Schalk (SGP), Verheijen (PvdA), Bikker (CU), Klip-Martin (VVD), Sini (PvdA), Van der Sluijs (PVV), Fiers (PvdA).

X Noot
2

Kamerstukken I 2017/18, 34 588, H.

X Noot
3

Kamerstukken I 2017/18, 34 588, H.

X Noot
4

Kamerstukken I 2017/18, 34 588, G.

X Noot
5

Stb. 2017, 318.

X Noot
6

Kamerstukken II 2016/17, 34 588, nr. 3, p. 270.

X Noot
7

Kamerstukken II 2016/17, 34 588, nr. 18, p. 89 en 91.

X Noot
8

Kamerstukken II 34 588, nr. 72.

Naar boven