Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2017, 318Klein Koninklijk Besluit

Besluit van 19 augustus 2017 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van enkele onderdelen van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 augustus 2017, nr. 2017-0000365326, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving;

Gelet op artikel 171, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

Onder toepassing van artikel 12 van de Wet raadgevend referendum treden de artikelen 1, 32, eerste lid, 33, 34, 35, 97, eerste en tweede lid, 98, 99, 100, 101, 103, 104, 105, 106 en 170 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 in werking met ingang van 1 september 2017.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 19 augustus 2017

Willem-Alexander

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk

Uitgegeven de vijfentwintigste augustus 2017

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok

NOTA VAN TOELICHTING

In artikel 171, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) is bepaald, dat de artikelen van deze wet in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Tevens wordt in dat besluit zo nodig toepassing gegeven aan artikel 12, eerste lid, van de Wet raadgevend referendum. De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 zal in twee fasen in werking treden. Dit besluit ziet op de eerste fase; de tweede fase betreft de inwerkingtreding van de rest van de wet op een nader te bepalen tijdstip. Op laatstgenoemd tijdstip zal ook de huidige Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 worden ingetrokken.

In onderhavig besluit is bepaald dat de artikelen 1, 32, eerste lid, 33, 34, 35, 97, eerste en tweede lid, 98, 99, 100, 101, 103, 104, 105, 106 en 170 eerst in werking treden. De reden hiervoor is allereerst dat in de wet wordt voorzien in de instelling van een nieuwe commissie, de toetsingscommissie inzet bevoegdheden (TIB). Voorts wordt de Commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CTIVD) met een lid uitgebreid en wordt de CTIVD tegelijkertijd onderverdeeld in twee afdelingen: de afdeling toezicht en de afdeling klachtbehandeling. Een lid van de CTIVD zal worden benoemd tot voorzitter van de afdeling klachtbehandeling. Daarnaast zullen ten behoeve van de werkzaamheden van de afdeling klachtbehandeling ten minste twee andere leden dienen te worden benoemd.

Voor zowel de benoeming van de leden van de TIB als voor die van de CTIVD en de leden van de afdeling klachtbehandeling van de CTIVD, geldt een wettelijk voorgeschreven benoemingsprocedure (artikel 99, eerste en tweede lid). Daarnaast dient zowel voor de TIB als voor de CTIVD voorzien te zijn in secretariële ondersteuning. De CTIVD, die als instantie reeds bestaat, beschikt weliswaar reeds over een secretariaat maar dat zal moeten worden versterkt ten behoeve van de werkzaamheden van de afdeling toezicht en de afdeling klachtbehandeling.

De benoemingsprocedure voor de leden van de TIB, de leden van de CTIVD alsmede de leden van de afdeling klachtbehandeling houdt in dat door de Tweede Kamer der Staten-Generaal per vacature een voordracht van ten minste drie personen wordt gedaan. Bij haar voordracht slaat de Tweede Kamer zodanig acht als haar dienstig voorkomt op een door de vice-president van de Raad van State, de president van de Hoge Raad der Nederlanden en de Nationale ombudsman gezamenlijk opgemaakte aanbevelingslijst van ten minste drie kandidaten per vacature. Naar aanleiding van de voordracht van de Tweede Kamer wordt door de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie gezamenlijk, een keuze gemaakt van een kandidaat voor de vacature. Indien de betrokken ministers menen dat geen van de door de Tweede Kamer aanbevolen personen in aanmerking kan komen voor de vervulling van de vacature kunnen zij de Tweede Kamer verzoeken om een nieuwe voordracht (artikel 99, tweede lid, Wiv 2017). De persoon die in aanmerking komt voor de vervulling van een vacature zal, alvorens deze bij koninklijk besluit kan worden benoemd, eerst een veiligheidsonderzoek dienen te ondergaan. De desbetreffende functies betreffen immers vertrouwensfuncties op het hoogste niveau (A). Pas indien aan betrokkene de verklaring van geen bezwaar is afgegeven kan tot benoeming worden overgegaan. Al met al neemt de benoemingsprocedure enkele maanden in beslag. De instelling en bemensing van de TIB en het daarvoor werkzame secretariaat alsmede de uitbreiding van de CTIVD met een lid en de bemensing van de afdeling klachtbehandeling en het daarvoor werkzame secretariaat is voorwaardelijk voor het in werking kunnen treden van de gehele wet. Vandaar dat allereerst die artikelen van de wet in werking treden die op de benoemingsprocedure en daarmee samenhangende onderwerpen betrekking hebben.

Waar het gaat om de CTIVD treedt ook artikel 170 in werking. Ingevolge dat artikel blijven zij die op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet lid zijn van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, voor de resterende duur van hun benoemingsperiode lid van de CTIVD. Daarmee staat buiten kijf dat de ingevolge de nieuwe wet te doorlopen benoemingsprocedure waar het gaat om de leden van de CTIVD uitsluitend betrekking heeft op het te benoemen vierde lid. De aanwijzing van de voorzitter van de afdeling klachtbehandeling, waarin dit artikel ook voorziet, kan plaatsvinden nadat het vierde lid is benoemd.

Met dit inwerkingtredingsbesluit wordt ook toepassing gegeven aan artikel 12 van de Wet raadgevend referendum. Dat betekent dat in afwijking van artikel 8 van die wet het tijdstip van inwerkingtreding eerder wordt gesteld dan acht weken na publicatie van het referendabiliteitsbesluit over de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017, aangezien inwerkingtreding van de hiervoor toegelichte bepalingen inzake de TIB en de CTIVD geen uitstel kan lijden. Toepassing van artikel 12 van de Wet raadgevend referendum laat de mogelijkheid om een raadgevend referendum over de wet te houden onverlet.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk