Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 30 november 2016
In het wetgevingsoverleg Personeel van 9 november jl. (Kamerstuk 34 550 X, nr. 48) heb ik toegezegd uw Kamer te informeren over de wijze waarop Defensie omgaat met
de ongeveer 30 medewerkers van wie de Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) op een ontoereikende
juridische grond is ingetrokken.
Intrekkingsgrond
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar
uitspraak van 24 augustus jl.1 geoordeeld dat artikel 10, eerste lid van de Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo) vóór
1 september 2015 geen wettelijke grondslag bood voor de intrekking van de VGB, indien
het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens had opgeleverd. Voor een VGB zijn namelijk
voldoende gegevens nodig om antwoord te kunnen geven op de vraag of een medewerker
onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk
zal volbrengen. Van de bewuste medewerkers is inderdaad de VGB ingetrokken omdat het
veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens van de partner had opgeleverd. Sinds de
wetswijziging van 1 september 2015 bestaat hiervoor in het gewijzigde artikel 10 Wvo
wel een toereikende intrekkingsgrond. De Afdeling heeft voorts geoordeeld dat Defensie
een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van de uitspraak
van de Afdeling. De Rechtbank Rotterdam verwijst in haar uitspraak van 2 november
jl.2 in een vergelijkbare zaak naar de uitspraak van de Afdeling en oordeelt vergelijkbaar.
Aantal en gevolgen
Op dit moment zijn er 29 (voormalige) medewerkers bekend op wie de uitspraak van de
Afdeling van toepassing is. Zeven van hen hebben nog een juridische procedure lopen.
Eén van die zeven zaken is in behandeling bij de rechtbank, drie bij de Afdeling en
in drie zaken is het bezwaar aangehouden. In 22 van de 29 gevallen loopt er geen procedure
(meer) of is de termijn voor het indienen van een bezwaar of beroep verstreken.
In de zaken waarin de rechter oordeelt dat, overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling
van 24 augustus jl., een nieuwe beslissing op bezwaar moet worden genomen, zal Defensie
een beslissing nemen op basis van de huidige Wvo. Uit de Algemene wet bestuursrecht
en de jurisprudentie volgt namelijk dat bij een dergelijke nieuwe beslissing het geldende
recht, dat wil zeggen het gewijzigde artikel 10 van de Wvo van ná 1 september 2015,
moet worden toegepast. Er zijn op dit moment vier zaken in behandeling bij de (hoger)
beroepsrechter die raken aan de uitspraak van 24 augustus jl. Afhankelijk van het
verloop van deze vier zaken zal Defensie een nieuw besluit op bezwaar nemen.
Indien er ten tijde van de nieuwe beslissing op bezwaar nog steeds onvoldoende gegevens
over de partner beschikbaar zijn, bijvoorbeeld omdat diegene nog geen vijf jaar in
Nederland verblijft of in een land waarmee Nederland geen zodanige samenwerking heeft
dat persoonsgegevens kunnen worden uitgewisseld, kan geen nieuwe VGB worden afgegeven.
Dit betekent echter niet automatisch dat medewerkers worden ontslagen. Zij kunnen
worden geplaatst op een niet-vertrouwensfunctie of op een functie met een lager veiligheidsmachtigingsniveau
(VMN-C) waarvoor geen gegevens van de partner is vereist. Ook kunnen werkzaamheden
worden opgedragen waarvoor geen VGB is vereist.
Overige medewerkers
Zoals gezegd loopt er in 22 gevallen geen procedure (meer) of is de termijn voor het
indienen van een bezwaar of beroep verstreken. Voor de betrokkenen heeft de intrekking
van de VGB vanwege onvoldoende gegevens van de partner formele rechtskracht. Ook bij
deze medewerkers heeft de intrekking niet automatisch ontslag tot gevolg.
Inmiddels hebben 11 van deze 22 personen Defensie verlaten. Twee van hen hebben Defensie
verlaten wegens leeftijdsontslag, twee anderen hebben zelf ontslag aangevraagd en
gekregen en van één medewerker liep het contract af (FPS-fase 2). Zes medewerkers
hebben onvrijwillig ontslag gekregen.
De overige 11 personen zijn nog steeds werkzaam bij Defensie. Zij zijn geplaatst op
een niet-vertrouwensfunctie of op een functie met VMN-C, of zij hebben werkzaamheden
gekregen waarvoor geen VGB is vereist. Zodra de termijn van vijf jaar is verstreken
dat gegevens van de partner inzichtelijk moeten zijn, kan na een hernieuwd veiligheidsonderzoek
weer een VGB worden verstrekt voor een vertrouwensfunctie met VMN-A of -B. Voor twee
van de 11 medewerkers loopt momenteel een dergelijk veiligheidsonderzoek.
Tot slot
Vanaf 13 februari 2015 gold de maatwerkregeling (zie Kamerstuk 34 000 X, nr. 66). Deze is overbodig geworden door de herintroductie van functies voor militairen
op VMN-C. Gedwongen ontslagen worden met deze maatregel zoveel mogelijk voorkomen.
Tot nu toe is 15 maal ontslag voorkomen.
Ik acht het van belang dat medewerkers van wie de VGB vóór 1 september 2015 is ingetrokken
vanwege onvoldoende gegevens van de partner, bij Defensie terecht kunnen met vragen
over de mogelijke individuele gevolgen van de rechterlijke uitspraak. Zij kunnen hiervoor
contact opnemen met het Dienstencentrum Juridische Dienstverlening. De persoonlijke
omstandigheden zullen per geval verschillen. Ik kan daarom niet vooruitlopen op de
uitkomsten van dergelijke gesprekken.
De Minister van Defensie,
J.A. Hennis-Plasschaert