Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202034541 nr. 11

34 541 Voorstel van wet van de leden Van Ojik, Kuiken, Van Kooten-Arissen en Jasper van Dijk tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het verankeren van het belang van het kind

Nr. 11 VERSLAG

Vastgesteld 19 september 2019

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

ALGEMEEN DEEL

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het initiatiefwetsvoorstel van de leden Van Ojik, Kuiken, Van Kooten-Arissen en Jasper van Dijk tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het verankeren van het belang van het kind (34 541) (Hierna: het wetsvoorstel) en danken de initiatiefnemers voor het werk en de tijd die zij in het schrijven van het wetsvoorstel hebben gestoken. Zij hebben nog enkele vragen.

De voorgenoemde leden merken op dat de initiatiefnemers van mening zijn dat het belang van het kind verankerd moet worden in het vreemdelingenrecht. Waarom zijn de initiatiefnemers van mening dat dit niet reeds het geval is? Kunnen zij aangeven waaruit concreet blijkt dat het belang van het kind nu niet verankerd is in het vreemdelingenrecht? Volgens de initiatiefnemers hebben migranten- en vluchtelingenkinderen het recht verblijfsrechtelijke bescherming te krijgen wanneer hun ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. De leden van de VVD-fractie vragen waaruit dit recht op specifiek verblijfsrechtelijke bescherming voortvloeit? Bovendien vragen zij waarom de bedreiging van de ontwikkeling van kinderen verblijfsrechtelijk moet worden opgelost. Hebben initiatiefnemers hier ook andere, minder verstrekkende, oplossingen overwogen?

Sinds 1 mei 2019 heeft de hoofddirecteur van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de bevoegdheid tijdens de eerste aanvraagprocedure in Nederland ambtshalve te beoordelen of sprake is van een schrijnende situatie. De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemers waarom zij dit initiatiefwetsvoorstel nog nodig achten naast deze bevoegdheid tot ambtshalve beoordeling van schrijnendheid? Voorts vragen deze leden of de initiatiefnemers kunnen toelichten waarom zij onderhavig wetsvoorstel nodig achten naast het bestaan van de inherente afwijkingsbevoegdheid, zie artikel 4:84 van de Algemene Wet Bestuursrecht.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe onderhavig wetsvoorstel zich verhoudt tot de bestaande toets aan artikel 8 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Kunnen de initiatiefnemers toelichten waarom zij het bestaan van deze toets niet afdoende achten, terwijl hierbij ook expliciet de specifieke belangen van het kind gewogen worden en het individuele belang van het kind om in Nederland te blijven een belangrijk onderdeel uitmaakt van een belangenafweging waarin ook andere belangen worden gewogen. De initiatiefnemers schrijven in de memorie van toelichting dat in het huidige beleid te vaak en te snel wordt aangenomen dat kinderen die asielmotieven hebben op basis van hun kind zijn, zich aan deze gevaren kunnen onttrekken of dat ouders of verzorgers hen ertegen beschermen. De aan het woord zijnde leden vragen waar deze stelling op gebaseerd is. Waaruit blijkt dat dit te vaak en te snel wordt aangenomen? Ook stellen de initiatiefnemers dat in reguliere procedures het belang van het kind te weinig wordt meegewogen en dat bij procedures rond kinderen met een medische aandoening of handicap het ontwikkelingsperspectief bij terugkeer onvoldoende wordt meegewogen. De leden van de VVD-fractie vragen of beide stellingen onderbouwd kunnen worden. Waaruit blijkt dat dit zo is? De initiatiefnemers constateren verder dat een vergunning kan worden verleend aan slachtoffers of aangevers van mensenhandel, maar zij zijn van mening dat hierbij het belang van het kind ontbreekt. De voorgenoemde leden vragen waarom deze vergunning geen recht zou doen aan het belang van het kind. De initiatiefnemers stellen dat rechters niet kunnen oordelen over de weging van de belangen van het kind tegenover andere belangen. Deze leden vragen waarom dit niet zou blijken uit de motivering van de IND. Initiatiefnemers wijzen erop dat volgens het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM), als de belangen van het kind gewogen worden, de hele familiesituatie in ogenschouw genomen moet worden, alsmede alle verdere relevante factoren. Ook hier vragen de aan het woord zijnde leden waar uit blijkt dat dit in de huidige praktijk niet gebeurt.

De leden van de VVD-fractie vragen voorts waaruit blijkt dat migranten- en vluchtelingenkinderen in landen van herkomst eerder dan volwassenen, geconfronteerd zullen worden met een onmenselijke en vernederende behandeling. Zij vragen of dit zo generiek gesteld kan worden? Het EHRM heeft aangegeven dat het belang van het kind op zichzelf niet beslissend is. Zij vragen hoe onderhavig wetsvoorstel zich hiertoe verhoudt. Op welke wijze wordt door de initiatiefnemers hier rekening mee gehouden? Zorgt deze wijziging van de wet er niet voor dat Nederland een veel ruimere regeling krijgt dan andere Europese landen? Hoe duiden de initiatiefnemers de aanzuigende werking?

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van voornoemd wetsvoorstel en brengen de navolgende opmerkingen en vragen naar voren. Zij merken op dat ouders op grond van het gezinsherenigingsbeleid ex artikel 8 van het EVRM vaak ook aanspraak kunnen maken op een verblijfsrecht indien hun kind verblijfsrecht is toegekend. Is dit ook het streven van de initiatiefnemers? Realiseren zij zich dat slecht gedrag van de ouders, die bijvoorbeeld hun kind in de illegaliteit laten opgroeien in Nederland, daardoor wordt beloond? Delen de initiatiefnemers de mening dat, in het verlengde van bovenstaande, nog meer kansloze asielzoekers hun kinderen zullen inzetten om toch voor het hele gezin een verblijfsrecht te regelen? Realiseren de initiatiefnemers zich, dat het probleem van illegaal in Nederland verblijvende gezinnen c.q. kinderen daardoor juist groter wordt? Erkennen de initiatiefnemers dat het vreemdelingenbeleid gebaat is bij duidelijkheid en dat het derhalve niet goed is vage bepalingen uit het internationale recht in de Vreemdelingenwet 2000 op te nemen? Zo nee, waarom niet? Hebben de initiatiefnemers nagedacht over het punt dat vreemdelingen en hun advocaten met dit wetsvoorstel weer meer aanknopingspunten krijgen om veel c.q. verschillende verblijfsaanvragen in te dienen terwijl dit procedure-stapelen juist één van de oorzaken is van het feit dat veel uitgeprocedeerden Nederland niet verlaten? Zo ja, hoe wordt dit tegengegaan?

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het initiatiefwetsvoorstel. Hoewel zij de belangen van kinderen ook zeer zwaarwegend vinden, betwijfelen deze leden de noodzaak van dit wetsvoorstel. Daarom hebben zij nog enkele vragen.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling dit wetsvoorstel gelezen. Zij hechten veel waarde aan de rechten van het kind, ook de rechten van migranten- en vluchtelingenkinderen. Voornoemde leden delen de mening dat er tijdens de asielprocedure voldoende rekening moet worden gehouden met het belang van het kind. Wel hebben zij nog vragen over voorliggend wetsvoorstel. Zij lezen in de memorie van toelichting dat de initiatiefnemers van mening zijn dat de positie van het kind in het internationale migratie- en vluchtelingenrecht al jaren wordt versterkt, maar dat de Nederlandse praktijk hierbij achter blijft. Delen de initiatiefnemers de mening dat voor het versterken van de positie van het kind in asiel- en gezinsherenigingszaken Nederland samen moet optrekken met onze buurlanden? Kunnen de initiatiefnemers voorts concreet uiteenzetten op welke punten Nederland achterblijft bij buurlanden zoals Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk? De leden van de D66-fractie lezen voorts in de memorie van toelichting dat de initiatiefnemers stellen dat het belang van het kind per definitie in het geding is als een kind verblijfsrecht wordt ontzegd. Kunnen de initiatiefnemers deze stelling toelichten? Kan hieruit worden geconcludeerd dat de initiatiefnemers van mening zijn dat bij elk kind dat in Nederland een vergunning aanvraagt en deze vergunning niet wordt toegekend, het belang van dit kind in het geding is? Kunnen de initiatiefnemers toelichten waarom, bijvoorbeeld, het belang van een kind van 12 jaar dat uit een veilig land komt en daar is opgegroeid, ouders heeft die vanwege redenen anders dan vastgelegd in het VN-Vluchtelingenverdrag een verblijfsvergunning aanvragen, per definitie in het geding is in het geval er geen verblijfsrecht wordt verleend?

De initiatiefnemers ontlenen de noodzakelijkheid van hun wetsvoorstel aan het aantal kinderen dat in Nederland een lange procedure heeft doorlopen en daardoor in Nederland is opgegroeid, maar geen perspectief heeft op een toekomst in Nederland. De groep vreemdelingen die langer dan vijf jaar in Nederland verblijft is echter maar vier procent van het totaal aantal vreemdelingen. Dat werpt de vraag op in hoeverre dit wetsvoorstel een proportioneel middel is teneinde het voorgestelde doel te bereiken en of alternatieven, bijvoorbeeld een «commissie van wijzen», zoals ook is voorgesteld in een eerdere kabinetsbrief van 29 januari 2019 (Kamerstuk19 637, nr. 2459), niet tot een vergelijkbaar of beter resultaat zal kunnen leiden? Welke alternatieven zijn er volgens de initiatiefnemers nog meer voorhanden en waarom kiezen zij voor het gekozen middel van een wetsvoorstel, zo vragen de leden van de D66-fractie. Bovendien is het is nu ook al mogelijk onafhankelijk advies in te winnen en bij schrijnende omstandigheden is er ook specifieke aandacht voor het kind. Wat voegt dit wetsvoorstel daaraan toe en hoe verhoudt de proportionaliteit van voorliggend wetvoorstel zich hiertoe? De leden van de D66-fractie merken voorts op dat de initiatiefnemers er vanuit gaan dat de rechtelijke macht niet aan de norm van artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) kan toetsen nu zij niet is uitgewerkt in het Nederlandse Vreemdelingenrecht. Het belang van het kindbeginsel is echter nader uitgewerkt in het door het VN-Kinderrechtencomité opgestelde General Comment nr. 14 (GC nr. 14). Op basis daarvan kan de rechter toetsen en de regering verplichten het belang van het kind vast te stellen en in zijn besluitvorming te betrekken. Het IVRK is immers juridisch bindend en door de beschrijving ervan in het GC nr. 14 ook voldoende concreet en hanteerbaar voor rechterlijke toetsing zoals de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voorschrijft.1 Kunnen de initiatiefnemers toelichten op welke manier zij willen dat de rechterlijke macht de norm van artikel 3, eerste lid, IVRK dan wel toetst? Op welke wijze gaat die manier van toetsen volgens de initiatiefnemers verder dan de toets die nu reeds mogelijk is?

De leden van de D66-fractie constateren dat de initiatiefnemers, net als de Afdeling advisering van de Raad van State (Hierna: de Afdeling), zien dat het IVRK specifieke bepalingen in de sfeer van gezinshereniging en asiel heeft. Het vreemdelingenrecht is niet betrokken in de totstandkoming van artikel 3, eerste lid, van dit verdrag. Wel blijkt uit de totstandkoming dat er andere bepalingen zijn in het IVRK die betrekking hebben op gezinshereniging en asiel, waaronder de artikelen 10, 22 en 37. Kunnen initiatiefnemers toelichten waarom zij, ondanks voorgaande, artikel 3, eerste lid van het IVRK als belangrijkste grondslag hebben gekozen voor hun wetsvoorstel? Waarom vinden zij deze analyse, ook gemaakt door de Afdeling, niet steekhoudend om te bepleiten dat het vreemdelingenrecht hier niet onder zou vallen?

De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de initiatiefnemers spreken over een diepgaande toets die rechters moeten uitvoeren waarin «de hele familiesituatie in ogenschouw wordt genomen, alsmede alle verdere relevante factoren». Kunnen de initiatiefnemers expliciet ingaan op de betekenis van «alle verdere relevante factoren» en toelichten welke factoren hier bedoeld worden en in hoeverre dit een al dan niet onuitputtelijke lijst betreft? De aan het woord zijnde leden lezen verder in de toelichting: «Om het «belang van het kind» op de juiste wijze mee te wegen in de belangenafweging, vereist het EHRM dat bewijs dat wordt aangedragen over de consequenties van een negatief verblijfsrechtelijk besluit vanuit het perspectief van het kind moet worden onderzocht op de uitvoerbaarheid, haalbaarheid en proportionaliteit. Waar meerdere interpretaties mogelijk zijn, dient in situaties waar kinderen bij betrokken zijn te worden gekozen voor de interpretatie die het «belang van het kind» het meest dient.» Zij vragen de indieners deze passage toe te lichten en in te gaan op wat deze wet toevoegt aan de staande praktijk waarbij het EHRM al vereist het belang van het kind op de juiste wijze mee te wegen in de belangenafweging.

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij delen de mening dat de belangen van het kind beter verankerd moet worden in het vreemdelingenrecht. Zij hebben nog wel een aantal vragen. Kan worden beschreven welk concreet verschil deze wet nu gaat maken ten opzichte van de huidige situatie? Hoeveel kinderen zullen profiteren van deze wet, is de inschatting? Kan worden toegelicht waarom migranten- en vluchtelingenkinderen extra kwetsbaar zijn? Is het niet zo dat voor elk kind waarbij de ondersteuning van ouders is weggevallen of onvoldoende is gebleken, de overheid de morele en juridische plicht heeft in te grijpen? Ontstaat «schrijnendheid» niet vanzelf als een jong kind langdurig verblijft en dus opgroeit in Nederland en dan opeens dreigt te worden uitgezet naar een totaal ander en voor dit kind onbekend land? Waarom is er niet gekozen voor een wet die regelt dat als een minderjarig kind een bepaalde periode in Nederland is, dit kind vanzelf een status toegewezen krijgt?

De leden van de CU-fractie hebben met veel belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel van de initiatienemers de Vreemdelingenwet 2000 te wijzigen met het oog op de verankering van het belang van het kind in die wet. De norm uit artikel drie van het IVRK is nooit vastgelegd in het Nederlandse vreemdelingenrecht en dit te doen is een duidelijk en legitiem doel, zoals ook de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) stelt. Deze leden zijn het daarmee eens. Zonder nadere uitwerking in nationale regelgeving is het immers onduidelijk hoeveel gewicht in concrete gevallen aan het belang van het kind moet worden toegekend. Ook de Afdeling erkent dat de vertaling van artikel drie IVRK in het vreemdelingenrecht ontbreekt en begrijpt de wens van de initiatiefnemers dit nu wettelijk te verankeren. In het gewijzigde wetsvoorstel hebben de initiatiefnemers stappen gezet teneinde tegemoet te komen aan de bezwaren die de Afdeling eerder heeft geuit over de uitwerking van dit principe. De voorgenoemde leden hebben verder nog enkele vragen en opmerkingen bij het initiatiefwetsvoorstel.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het initiatiefwetsvoorstel. Het wetsvoorstel regelt de invoering van een kinderrechtentoets in alle verblijfsrechtelijke procedures en regelt dat de aanvraag van minderjarige asielzoekers zoveel mogelijk met voorrang op andere zaken wordt behandeld. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik over het initiatiefwetsvoorstel enkele vragen te stellen. Kunnen de initiatiefnemers toelichten waarom in de huidige procedure en wetgeving de specifieke belangen van kinderen niet goed zouden zijn gewaarborgd? Zij kunnen zich namelijk indenken dat in het geval van de voorbeelden die de initiatiefnemers noemen, zoals een substantieel risico bij terugkeer op genitale verminking, mensenhandel of rekrutering als kindsoldaat, de huidige wet- en regelgeving genoeg handvatten bieden om hierin een afweging te maken ter bescherming van het kind. De initiatiefnemers geven daarnaast zelf aan dat het IVRK ook nu al directe werking heeft voor de Nederlandse praktijk. Waarom zou het dan nodig zijn nog een extra afwegingskader te creëren? Zijn de initiatiefnemers van mening dat het vooral vastzit op het gebruik van het IVRK in de thans geldende procedures of op het ontbreken van bepalingen in de huidige wet- en regelgeving? Kunnen zij in dat geval concreet maken op welke punten de bepalingen van de vreemdelingenwet op dit moment tekort schieten?

De leden van de SGP-fractie vragen de initiatiefnemers toe te lichten wat het afzonderen van kinderen als een separate groep met een eigen verblijfsrechtelijke status rechtvaardigt. Waarom zou je dan ook niet eigen verblijfsrechtelijke procedures creëren voor geloofsvervolgden of LHBTI’ers, waarbij rekening wordt gehouden met hun specifieke belangen?

2. Doel van het wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie vragen of de initiatiefnemers kunnen toelichten wat zij bedoelen met «de discrepantie tussen het rechtsgevoel omtrent het belang van het kind enerzijds, en de beslissing over een asielaanvraag anderzijds». De initiatiefnemers verwachten dat het aantal zaken van kinderen die geworteld raken in de Nederlandse samenleving na langdurig verblijf, zal afnemen door onderhavig wetsvoorstel. De leden van de VVD-fractie vragen of onderhavig wetsvoorstel het rekken van verblijf in Nederland juist in de hand zal werken, en zo nee, waarom niet. Ook vragen zij waarom de initiatiefnemers van mening zijn dat dit wetsvoorstel voorkomt dat er lang wordt doorgeprocedeerd. De initiatiefnemers menen dat voorrang voor de afhandeling van aanvragen met betrekking tot kinderen, zal zorgen voor het terugdringen van de wortelingsproblematiek. Waarom zijn de initiatiefnemers niet van mening dat het vooral in het belang van het kind is dat hun ouders en dus ook de kinderen zelf zo snel mogelijk terugkeren naar het land van herkomst als zij geen recht hebben op verblijf in Nederland en dat het dus vooral belangrijk is dat deze verblijfsrechtelijke procedures geen vertraging oplopen?

De leden van de D66-fractie lezen dat de indieners stellen dat «Het tijdig uitvoeren van een kinderrechtentoets [...] mede tot doel heeft om te voorkomen dat lang wordt doorgeprocedeerd vanwege de discrepantie tussen het rechtsgevoel omtrent het belang van het kind enerzijds, en de beslissing over een asielaanvraag anderzijds.» Voorts stellen de initiatiefnemers dat «naar verwachting het aantal zaken van kinderen die geworteld raken in de Nederlandse samenleving na langdurig verblijf afneemt, omdat eerder in de procedure wordt vastgesteld of het belang van het kind consequenties voor de beslissing op de aanvraag dient te hebben». Sinds de kabinetsbrief van 29 januari 2019 (Kamerstuk19 637, nr. 2459), is echter al afgesproken dat bij de eerste asielaanvraag ambtshalve beoordeeld wordt of er sprake is van een schrijnende situatie. Kunnen de initiatiefnemers aangeven wat dit wetsvoorstel daaraan toevoegt?

3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie vragen welke criteria worden gehanteerd teneinde te bepalen dat het belang van het kind ernstig wordt bedreigd bij uitzetting. Wat wordt in dit verband concreet verstaan onder «het belang van het kind»? Initiatiefnemers geven aan dat het hun intentie is met onderhavig wetsvoorstel bescherming te verlenen en een veilig toekomstperspectief voor het kind in Nederland te creëren. De voorgenoemde leden vragen wat dit voor consequenties heeft voor de ouders van het kind dat bescherming verleend wordt. Zij lezen dat, indien het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt, dit niet op zichzelf kan betekenen dat een verblijfsrecht ontleend aan dit wetsvoorstel kan worden ingetrokken of een verlenging kan worden afgewezen. Zij vragen wat dit dan wel betekent. Welke gevolgen heeft het bereiken van de leeftijd van 18 jaar dan wel?

Initiatiefnemers geven aan dat voor alle elementen bij de vaststelling van het belang van het kind, de visie van het kind gehoord en meegewogen moet worden. De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre minderjarige kinderen in staat zijn een dergelijke visie te vormen en kenbaar te maken. In hoeverre kan een kind bijvoorbeeld een visie geven op de situatie waar het in terecht zou komen na terugkeer naar het land van herkomst? De aan het woord zijnde leden vragen de initiatiefnemers om ten aanzien van de veertien voorwaarden uit het Best Interests of the Child (BIC)-model per voorwaarde aan te geven 1) waarom in die voorwaarde niet voorzien kan worden bij terugkeer met de ouders naar het land van herkomst, en 2) waarom de Nederlandse overheid hiervoor verantwoordelijk is.

Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de verantwoordelijkheid die ouders hebben ten opzichte van hun kind. Het lijkt erop dat de initiatiefnemers de gehele verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van het kind bij de Nederlandse overheid neerleggen. Kunnen zij toelichten hoe zij invulling geven aan, of aanspraak maken op, de verantwoordelijkheid die ouders hebben voor de ontwikkeling van hun kind? Deze leden vragen of er niet in elke zaak een reden te bedenken is waarom een kind beter af is in Nederland dan in het land van herkomst. Tuigen initiatiefnemers met dit wetsvoorstel niet een systeem op waarmee alle kinderen afkomstig uit een ander land waar het minder goed is dan in Nederland, hier verblijf moeten krijgen? Ook vragen de aan het woord zijnde leden wat de asielprocedure nog waard is als alle volwassenen voortaan een kind vooruit kunnen sturen aan wie verblijf verleend wordt als aangetoond kan worden dat een belang van dit kind zou worden geschaad bij terugkeer.

Initiatiefnemers geven aan dat met het BIC-model aan voor verblijfsrechtelijke kwesties relevante onderwerpen kan worden getoetst. De leden van de VVD-fractie vragen of zij hiermee bedoelen te zeggen dat in de huidige praktijk niet aan deze relevante onderwerpen wordt getoetst? Zo ja, waar blijkt dit dan uit? Kunnen de initiatiefnemers ook toelichten waarom het BIC-model geschikt zou zijn om te toetsen aan voor verblijfsrechtelijke kwesties relevante onderwerpen? De leden van de VVD-fractie vragen wat initiatiefnemers concreet verstaan onder «een significante, bovengemiddelde bedreiging van het belang van het kind». Daarnaast vragen zij hoe initiatiefnemers willen laten toetsen wat de te verwachten situatie van een kind zal zijn, na uitzetting.

Initiatiefnemers geven aan dat gebruik gemaakt kan worden van deskundigen zoals het Bureau Medische Advisering (BMA), de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), het Ministerie van Buitenlandse Zaken, et cetera. De leden van de VVD-fractie vragen hoe de voorgestelde uitvoering van de kinderrechtentoets zich verhoudt tot het doel van de initiatiefnemers om langdurige procedures te voorkomen. Volgens de initiatiefnemers weegt het algemene belang tot het beperken van migratie alleen op tegen het belang van het kind zolang er geen sprake is van significante en bovengemiddelde bedreiging van dit belang bij uitzetting. Deze leden vragen of dit een niet veel te vage omschrijving is die niet valt te toetsen en of initiatiefnemers kunnen concretiseren wat hieronder moet worden verstaan en hoe dat kan worden getoetst. Daarnaast vragen zij of en hoe de initiatiefnemers ook rekening houden met de belangen van Nederlandse kinderen en de bescherming daarvan door het beperken van migratie.

De leden van de VVD-fractie vragen wat de criteria zijn teneinde te bepalen of een kind, meer dan een gemiddeld kind, ontwikkelingsschade en veiligheidsrisico’s oploopt bij discontinuering van het verblijf in Nederland. Is een meer dan gemiddeld risico altijd reden voor een verblijfsverlening? In hoeverre wordt ook rekening gehouden met het feit dat kinderen zich ook weer aan kunnen passen aan een nieuwe situatie, eenmaal terug in het land van herkomst? Waar ligt voor de initiatiefnemers de grens? Is het feit dat een kind bij verblijf in Nederland gelukkiger zou zijn dan bij terugkeer, al voldoende reden voor verblijfverlening? De aan het woord zijnde leden vragen waar de initiatiefnemers zich op baseren dat in de huidige praktijk niet of onvoldoende getoetst wordt of kinderen bij terugkeer het risico lopen op genitale verminking, mensenhandel of rekrutering als kindsoldaat.

De leden van de VVD-fractie vragen of met het verlenen van voorrang voor minderjarigen binnen verblijfsrechtelijke procedures ook verstaan moet worden dat met voorrang beslist moet worden op verblijfsaanvragen van ouders met minderjarige kinderen, zodat zij zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen of zij het land moeten verlaten of niet. Zien de initiatiefnemers ook mogelijkheden om terugkeer te bevorderen en het terugkeerproces te versnellen om op die manier te zorgen dat de kinderen zo snel mogelijk uit de onzekerheid zijn en hun leven kunnen opbouwen in het land van herkomst. De leden van de VVD-fractie vragen of verlening van een verblijfrecht geen oneigenlijk middel is om worteling van kinderen in de samenleving tegen te gaan. Zien de initiatiefnemers ook andere manieren om worteling van kinderen in de samenleving tegen te gaan dan een verblijfsverlening? Hoe kijken zij bijvoorbeeld aan tegen de optie kinderen tijdens de verblijfsprocedure naar school te laten gaan binnen de asielzoekerscentra (azc’s) en tegen de optie kinderen les te geven in hun moedertaal dan wel in een taal die hen ook van pas zou komen bij terugkeer in het land van herkomst?

Initiatiefnemers wijzen erop dat procedures jarenlang kunnen slepen door het stapelen van de aanvragen. De leden van de VVD-fractie vragen of de initiatiefnemers ook voorstander zijn van het maximeren van het aantal in te dienen aanvragen. Initiatiefnemers roepen de regering op de beslistermijnen in algemene zin te verkorten. De voorgenoemde leden vragen hoe deze oproep zich verhoudt tot onderhavig wetsvoorstel dat een, in meerdere opzichten, complexe kinderrechtentoets introduceert. Zij vragen waarom de initiatiefnemers niet gekozen hebben voor een wetsvoorstel dat de maximale beslistermijnen wijzigt, in plaats van onderhavig wetsvoorstel? Zou het verkorten van de beslistermijnen niet een veel effectievere en efficiëntere manier zijn om te bereiken dat kinderen minder lang op een definitieve beslissing moeten wachten dan onderhavig wetsvoorstel? Hoe beoordelen de initiatiefnemers, mede in dat licht, de proportionaliteit van onderhavig wetsvoorstel?

Initiatiefnemers geven aan dat zij in de memorie van toelichting hebben opgenomen dat het algemeen belang tot het beperken van migratie kan opwegen tegen het belang van het kind. De leden van de VVD-fractie vragen hoe in dit wetsvoorstel daar concreet invulling aan is gegeven. Initiatiefnemers geven aan van mening te zijn dat kinderen zoveel als mogelijk bij hun ouders moeten kunnen opgroeien. Deze leden vragen waarom de initiatiefnemers dan niet volledig inzetten op de spoedige terugkeer van kinderen met hun ouders naar het land van herkomst. Ook geven initiatiefnemers aan dat indien ouders hun ouderlijke taak schromelijk hebben misbruikt of nagelaten, dit een contra-indicatie vormt voor het herenigen van kind en ouders. De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre dit in de praktijk ook kan worden tegengeworpen. Is dit daadwerkelijk een grond voor verblijfsweigering van de ouders? In het geval van nalatige ouders die hun kind alleen vooruit sturen, zal het volgens de initiatiefnemers moeilijk zijn een doorslaggevend beroep te doen op artikel 8 van het EVRM. Heeft onderhavig wetsvoorstel daarmee niet een averechts effect? Immers, kinderen worden dan gescheiden van hun ouders, terwijl het doel van de initiatiefnemers is kinderen bij hun ouders op te laten groeien. Onderstreept dit niet dat het juist in het belang van het kind is terug te keren naar het land van herkomst?

De leden van de CDA-fractie begrijpen dat uit artikel 3, eerste lid, van het IVRK een procedureel recht volgt. Deze leden zijn van mening dat in de bestaande procedure de rechten van het kind reeds worden meegewogen, immers worden de rechten van iedere belanghebbende gewogen. Voorts kunnen kinderen in de thans geldende procedure in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning indien zij voldoen aan de klassieke refoulementverboden gekoppelde asielgronden. De voorgenoemde leden begrijpen dat dit wetsvoorstel geen nieuwe asielgrond introduceert. Kunnen de initiatiefnemers enkele voorbeelden geven van situaties wanneer een kind, middels dit wetsvoorstel een asielvergunning kan krijgen, waar dat thans niet het geval is? Kunnen de initiatiefnemers daarmee de noodzaak van dit wetsvoorstel verduidelijken?

De leden van de CDA-fractie constateren dat in het rapport van de Commissie Langdurig Verblijvende Vreemdelingen, de Commissie-Van Zwol, er eveneens de aanbeveling wordt gedaan om reeds bij de eerste asielaanvraag door een ouder, te motiveren hoe het belang van kinderen is meegewogen. Voorts adviseert de CommissieVan Zwol dat kinderen zoveel als mogelijk zelf gehoord moeten worden. Deze leden vragen de initiatiefnemers te verduidelijken wat dit wetsvoorstel toevoegt naast deze aanbevelingen, die door de regering worden overgenomen?

De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat bij de aanvraag voor een verblijfsvergunning door een minderjarige, het risico op ernstige bedreiging van het belang van het kind als eerste overweging in het besluit moet worden meegenomen. Zij lezen in de memorie van toelichting voorts dat die ernstige bedreiging moet worden vastgesteld door een weging van de verwachte schadedreiging ten opzichte van de schadedreiging van een gemiddeld kind bij discontinuering van een verblijf in Nederland. De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemers te verduidelijken hoe de schadedreiging van een gemiddeld kind moet worden vastgesteld? Wat is de schadedreiging van een gemiddeld kind? Betekent dit dat, wanneer er een grote instroom van asielaanvragen van kinderen uit veilige landen is, daarmee de gemiddelde schadedreiging daalt en dat dit voorts tot gevolg heeft dat kinderen vlak boven die gemiddelde schadedreiging nu ineens wél in aanmerking zouden komen voor een verblijfsvergunning? Kunnen de initiatiefnemers uitleggen hoe voorkomen wordt dat dit niet tot willekeur in de asielprocedure zal leiden? Wordt de schadedreiging van een gemiddeld kind bijvoorbeeld per jaar, of per herkomstland, vastgesteld? Deze leden vragen op dit punt een nadere duiding.

De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat het algemene belang tot het beperken van migratie kan opwegen tegen het belang van het kind. De aan het woord zijnde leden vragen de initiatiefnemers enkele voorbeelden te geven, buiten de voorbeelden genoemd in de memorie van toelichting, van situaties waarbij het algemene belang tot beperking van migratie kan prevaleren boven het belang van het kind. Kunnen de initiatiefnemers voorts aangeven hoe dit zal afwijken van de thans geldende belangenafweging in de asielprocedure?

De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de initiatiefnemers de regering oproepen de beslistermijnen in algemene zin te verkorten. Zij onderschrijven deze oproep. De aan het woord zijnde leden vragen of het opleggen van verdere procedurele verplichtingen, het introduceren van een nieuw spoor in het sporenbeleid en het verder belasten van de IND, aan die verkorting gaat bijdragen. Dit wetsvoorstel regelt voorts dat de aanvraag voor een verblijfsvergunning met betrekking tot een kind zoveel mogelijk met voorrang afgehandeld dient te worden, terwijl uit verschillende onderzoeken juist blijkt dat dit soort zaken erg lang duren. Deze leden vrezen dat, als gevolg van dit wetsvoorstel, reguliere aanvragen verder vertraagd zullen worden, waardoor de beslistermijn in algemene zin zal oplopen. Kunnen de initiatiefnemers op deze zorgen reageren? Hoe gaat dit wetsvoorstel de beslistermijnen in algemene zin verkorten?

De leden van de D66-fractie vragen op welke wijze wordt in de kinderrechtentoets rekening gehouden met de maatstaven in het land van herkomst van het kind? Voorts vragen zij hoe de initiatiefnemers de vergelijking tussen de situatie in het land van herkomst zien, als het bijvoorbeeld gaat om economische welvaart of levensstandaard, ten opzichte van Nederland? Delen zij de mening dat Nederland één van de beste landen ter wereld is om te wonen en dat het belangrijk is in de afwegingen die gemaakt worden rekening te houden met de maatstaven in herkomstlanden? Op welke wijze houden de initiatiefnemers in voorliggend wetsvoorstel rekening met de situatie in het land van herkomst op bijvoorbeeld terreinen als economische welvaart, levensstandaard en kwaliteit van onderwijs? Voorts wordt gesproken in de memorie van toelichting over een «gemiddeld kind» in een «situatie die als normaal kan worden beschouwd». Ook de Afdeling spreekt hierover in haar advies en de leden van de D66-fractie vragen wat verstaan wordt onder deze begrippen «normaal» en «gemiddeld». Kan worden toegelicht hoe de tekst van de initiatiefnemers «wat de initiatiefnemers betreft betekent het belang van het kind echter niet automatisch ook verblijfsrecht in Nederland» zich verhoudt tot de tekst «[dat] het belang van het kind per definitie in het geding is als een kind verblijfsrecht wordt ontzegd»?

De leden van de CU-fractie merken op dat de kinderbescherming die centraal staat in de jeugdwet op dit moment geregeld schuurt met de Vreemdelingenwet 2000, zoals de jurisprudentie en zaken in de praktijk laten zien. Tracht dit wetsvoorstel de jeugdwet en vreemdelingenwet met elkaar in lijn te brengen? Klopt het, dat de toets aan het belang van het kind ook kan uitwijzen dat het in het belang van het kind is terug te keren naar het land van herkomst? Kan deze informatie dan worden gebruikt teneinde de terugkeer van het kind beter voor te bereiden? Zijn de initiatiefnemers van mening dat de kinderrechtentoets uitgevoerd kan worden door de IND of zou dit door een aparte instantie gedaan moeten worden zoals de Raad voor de Kinderbescherming, die in jeugdrechtzaken de ontwikkelingsdreiging voor en het belang van het kind onderzoeken? De initiatiefnemers stellen dat, indien bij de vaststelling van het belang van het kind wordt geconstateerd dat het belang van het kind, afgezet tegen het niveau van bescherming van dit belang dat een gemiddeld kind in een minder ontwikkeld land geniet, ernstig geschaad zou worden bij uitzetting, het algemene belang van migratiebeperking niet boven het belang van het kind kan worden gesteld. De leden van de CU-fractie vragen op welke wijze de initiatiefnemers voorstellen dat vastgesteld wordt wat de situatie is van een gemiddeld kind in een minder ontwikkeld land? Worden hierbij de ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken leidend of de rapporten van Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO)? Is hierover voldoende informatie beschikbaar of vraagt dit ook aanpassing van de landeninformatie die beschikbaar is voor de immigratieautoriteiten?

De initiatiefnemers schrijven in hun reactie op het advies van de Afdeling dat over de afweging tussen het belang van het kind en andere belangen dat «per kind beoordeeld moet worden of het kind bij het niet verkrijgen van verblijfsrecht in Nederland geconfronteerd wordt met significant meer ontwikkelingsschade en veiligheidsrisico’s dan een gemiddeld kind dat verzoekt om verblijfsrecht. Voor deze beoordeling moet dus weggestreept worden welke voordelen verblijfsrecht voor een kind in Nederland heeft ten opzichte van verblijf in een minder ontwikkeld land. De resterende gevallen, te weten de gevallen waarin een kind meer dan een gemiddeld kind ontwikkelingsschade en veiligheidsrisico’s oploopt bij discontinuering van verblijf in Nederland, kan het algemene belang van migratiebeperking niet boven het belang van het kind gesteld worden.» De leden van de CU-fractie vragen hoe het voorstel tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 waarborgt, dat deze belangafweging ook leidend wordt in het afwegingskader dat volgens dit voorstel door de regering wordt opgesteld. Zoals hiervoor al aangehaald, kan in de gevallen waarbij een kind meer dan een gemiddeld kind, ontwikkelingsschade oploopt en veiligheidsrisico’s bij beëindiging van het verblijf in Nederland het algemene belang van migratiebeperking niet boven het belang van het kind worden gesteld. Dat stelt ook de toelichting bij de Nederlandse goedkeuringswet van het IVRK en dit is weer in overeenstemming met General Comment 6 van het VN-Kinderrechtencomité. Wat de initiatiefnemers betreft is van een dergelijke situatie sprake bij een aannemelijk risico op genitale verminking, misbruik, kindhuwelijken of rekrutering tot kindsoldaat.

De leden van de CU-fractie vragen of deze opsomming van de initiatiefnemers limitatief is, of ontbreekt daar de woorden «onder andere»? Zijn de meeste van de genoemde situaties op zichzelf al geen gronden voor asiel? Kan de toets ook in het voordeel uitpakken van bijvoorbeeld ernstig gehandicapte kinderen die op dit moment niet in aanmerking komen voor asiel of een medische vergunning omdat zij naar verwachting niet binnen drie maanden overlijden, maar hun levensverwachting substantieel wordt verminderd bij uitzetting? Of voor kindslachtoffers van mensenhandel waarvoor de dader niet wordt veroordeeld of waarin geen onderzoek naar de dader wordt opgestart wegens onvoldoende aanknopingspunten maar waarbij het slachtofferschap van het kind aannemelijk is bevonden? Voorts zouden de aan het woord zijnde leden nog willen weten of de initiatiefnemers van mening zijn dat de kinderrechtentoets ook vraagt om aanpassing van de samenstelling van de vreemdelingenkamer? Zouden hierin ook kinderrechters moeten plaatsnemen die meer ervaring hebben met toetsing aan rapporten van onder andere de Raad voor de Kinderbescherming en ernstige bedreiging van belangen van kinderen?

De leden van de SGP-fractie vragen de initiatiefnemers aan te duiden wat wordt bedoeld met de specifieke belangen van de minderjarige? Waarom kiezen de initiatiefnemers ervoor om in artikel 19a en artikel 32a van dit wetsvoorstel twee onderdelen van het vast te stellen afwegingskader wél in de wet op te nemen, maar de overige bepalingen van het afwegingskader aan de regering te laten? Deze leden herinneren de initiatiefnemers eraan dat de regering begin 2019 nieuwe afspraken heeft gemaakt met betrekking tot langdurig in Nederland verblijvende minderjarige vreemdelingen. Genoemde leden vragen de initiatiefnemers hoe hun wetsvoorstel zich tot deze afspraken verhoudt.

De leden van de SGP-fractie constateren dat in het initiatiefvoorstel de focus ligt op de belangen van het kind. Kunnen de initiatiefnemers schetsen wat voor praktische consequenties het voorstel heeft voor familieleden van kinderen die onder dit wetsvoorstel vallen. Betekent dit bijvoorbeeld dat hun ouders, wanneer zij wegens misdraging tijdens de asielprocedure geen verblijfsvergunning krijgen, Nederland worden uitgezet, maar dat de kinderen vanwege het voor hen specifieke belang wél in Nederland mogen blijven? Of dat deze ouders in zo’n geval tóch een verblijfsvergunning krijgen, omdat dat dit in het belang van het kind zou zijn?

De leden van de SGP-fractie constateren dat wat de initiatiefnemers betreft het belang van het kind niet automatisch ook een verblijfsrecht in Nederland betekent. Genoemde leden delen dit standpunt. Zij vragen of hun waarneming correct is dat het doel van de initiatiefnemers eigenlijk is met dit wetsvoorstel de kans op het afwijzen van een asielverzoek van een minderjarige asielzoeker zo klein mogelijk te maken. Deze leden vragen waarom het nodig is de prioritering van de aanvragen van kinderen wettelijk te regelen? Delen de initiatiefnemers de mening van de leden van de SGP-fractie dat dit door de IND het gemakkelijkst op beleidsniveau zou kunnen worden geregeld? De initiatiefnemers geven immers zelf al aan dat deze prioritering kan worden ingepast binnen het sporenbeleid dat reeds door de IND wordt gehanteerd. De leden van de SGP-fractie vragen de initiatiefnemers voorts breder te reflecteren op de prioritering die de IND zou moeten hanteren. Immers, er valt heus wel wat voor te zeggen de eenvoudigste zaken als eerst te behandelen om zo ruimte te creëren voor andere zaken. Verder zijn er, naast kinderen, nog wel meer zeer kwetsbare groepen asielzoekers te noemen, voor wie een korte procedure en een snelle beslissing ook van grote waarde zou zijn. Te denken valt aan christelijke asielzoekers of bekeerlingen uit streng islamitische landen.

4. Financiële effecten

De leden van de VVD-fractie vragen of de initiatiefnemers een indicatie kunnen geven met meerdere scenario’s van de kosten aan opvang, scholing, zorg en huisvesting die onderhavig wetsvoorstel met zich meebrengt. Kunnen de initiatiefnemers ook aangeven welke dekking zij daarbij voor ogen hebben? Initiatiefnemers gaan ervan uit dat het aantal kinderen dat op basis van dit wetsvoorstel verblijf zal krijgen, beperkt zal zijn. Zal dit wetsvoorstel er niet toe leiden dat dit aantal toe zal nemen? Waar baseren de initiatiefnemers de verwachting op dat de mate waarin dit wetsvoorstel bijdraagt aan motieven voor kinderen of gezinnen om naar Nederland af te reizen, in alle redelijkheid als beperkt is in te schatten? Kunnen zij deze stelling staven? Kunnen zij daarbij ook ingaan op het feit dat Nederland al een toename ziet van het aantal kinderen dat als vooruitgeschoven posten door hun ouders naar Europa worden gestuurd? Kunnen de initiatiefnemers daarbij eveneens ingaan op het feit dat wij bij bijna alle alleenstaande minderjarige vreemdelingen aan wie verblijf is verleend, zien dat zij vervolgens ook gezinshereniging met hun ouders aanvragen? Welke invloed zal onderhavig wetsvoorstel ook op deze trend hebben?

Initiatiefnemers stellen dat onderhavig wetsvoorstel een positief effect zal hebben op de kosten voor de overheid voor wat betreft langdurig verblijf in opvangcentra. De leden van de VVD-fractie vragen of daarbij ook is meegenomen dat dit positieve effect wellicht teniet wordt gedaan door het tekort aan woningen waar statushouders naar kunnen doorstromen. Initiatiefnemers verwijzen voor de kosten van de kinderrechtentoets naar de kosten voor het opstellen van een orthopedagogische rapportage. De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre pedagogen en onderwijskundigen toegerust zijn rapportages ten behoeve van verblijfsprocedures te maken. In hoeverre hebben zij bijvoorbeeld verstand van de situatie van kinderen in de landen van herkomst? In hoeverre zullen zij een oordeel vellen vanuit een Nederlands perspectief en in hoeverre zijn hun oordelen over het belang van het kind realistisch c.q. toepasbaar voor kinderen in landen van herkomst?

5. Consultatie en reacties op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State

Naar aanleiding van het advies van de Afdeling hebben initiatiefnemers het wetsvoorstel grondig herzien. De leden van de VVD-fractie vragen of een grondige herziening van een wetsvoorstel niet vraagt om een nieuw advies van de Afdeling advisering van de Raad van State. Kunnen de initiatiefnemers toelichten waarom zij daar niet voor gekozen hebben en/of waarom zij dat niet nodig achten? Zijn de initiatiefnemers van mening dat de aangebrachte wijzigingen in voldoende mate tegemoet komen aan de bezwaren van de Afdeling, en zo ja, kunnen zij dit toelichten?

De leden van de VVD-fractie merken op dat, mede op basis van het advies van de Raad voor de Rechtspraak, de initiatiefnemers hebben gekozen voor striktere formuleringen in het wetsvoorstel. De voorgenoemde leden vragen of zij kunnen toelichten in welke zin de formuleringen strikter zijn geworden. Initiatiefnemers hebben naar aanleiding van een vraag van de ACVZ over onder meer de aanzuigende werking, de reikwijdte van de nieuwe reguliere verblijfsvergunning onder beperking teruggebracht naar in Nederland verblijvende kinderen. Deze leden vragen waarom ook een regeling alleen voor in Nederland verblijvende kinderen geen aanzuigende werking zou kunnen hebben.

De leden van de CDA-fractie lezen in het advies van de Afdeling en de reactie daarop van de initiatiefnemers, dat de initiatiefnemers het wetsvoorstel, naar aanleiding van het advies van de Afdeling, substantieel hebben gewijzigd. Deze leden vragen de initiatiefnemers daarom of zij bereid zijn het grondig gewijzigde wetsvoorstel opnieuw voor te leggen aan de Afdeling? Zij vragen dit teneinde tot een zorgvuldige afweging te kunnen komen.

De leden van de D66-fractie merken op dat het voor de Afdeling niet duidelijk is wanneer sprake is van een «ernstige bedreiging» in de zin van het initiatiefwetsvoorstel. Daardoor komt de vraag op wanneer is er sprake van een dergelijke bedreiging? Weliswaar is die minder ernstig dan die waartegen genoemde waarborgen reeds beschermen, maar niettemin wel zo ernstig dat hierop een recht op een verblijfsvergunning zou moeten worden gebaseerd. Kunnen de initiatiefnemers ingaan op dit punt en duidelijker toelichten wanneer sprake is van een ernstige bedreiging in de zin van het wetsvoorstel?

De leden van de D66-fractie constateren dat in het recent uitgebrachte rapport van de Commissie-Van Zwol wordt geconcludeerd dat het níet nodig is wet- en regelgeving aan te passen. Kunnen de initiatiefnemers reflecteren op deze conclusie en hoe zich dit verhoudt tot het voorliggende initiatiefwetsvoorstel? De voorgenoemde leden hebben de uitgebreide reactie van de Afdeling en de ACVZ op voorliggend wetsvoorstel gelezen. Alhoewel zij de inspanning van de initiatiefnemers waarderen, vinden zij het lastig te beoordelen of het gewijzigde voorstel zoals dat nu voorligt tegemoet komt aan de opmerkingen die de Afdeling en de ACVZ destijds over de eerste versie van het wetsvoorstel hebben gemaakt. Daarom zouden deze leden graag zien dat het wetsvoorstel nogmaals aan de Afdeling en de ACVZ wordt voorgelegd, teneinde tot een goede beoordeling over voorliggend wetsvoorstel te kunnen komen. Zijn de initiatiefnemers daartoe bereid?

De leden van de SP-fractie vragen de initiatiefnemers in te gaan op het advies van de Afdeling waarin wordt gesteld dat de noodzaak tot ruimere bescherming niet dragend wordt gemotiveerd. Kan voorts worden ingegaan op de kanttekeningen die de Afdeling plaatst bij de praktische uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel.

De leden van de SP-fractie constateren dat dit wetsvoorstel regelt dat kinderen voorrang krijgen in de asielprocedure. De redenen daarvoor zijn te begrijpen, maar wat betekent dit voor de doorlooptijden voor andere groepen, en welke mogelijk eveneens kwetsbare personen betreft dit? Is hier een inschatting van te geven? Is de rechtspraak en/of de IND om inschatting of advies gevraagd wat er nodig zou zijn teneinde de doorlooptijden voor alle personen te verkorten?

ARTIKELSGEWIJS DEEL

Artikel I, onderdeel A

De leden van de VVD-fractie merken op dat de initiatiefnemers wijzen op het feit dat het belang van het kind moeizaam is vast te stellen indien het kind in het buitenland verblijft. Deze leden vragen of het niet ook moeizaam is vast te stellen hoe het een kind zal vergaan na terugkeer naar het land van herkomst en welk effect dat zal hebben op het belang van het kind.

Bijlage 1

Best Interests of the Child-Model (BIC-model)

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre de initiatiefnemers van mening zijn dat de veertien voorwaarden uit het BIC-model te garanderen of te vervullen zijn voor verblijfsverlening. In hoeverre houden deze voorwaarden verband met de verblijfsplaats van een kind? In hoeverre kan de Nederlandse staat verantwoordelijk gehouden worden voor de vervulling van deze voorwaarden en voor hoe ouders voor hun kind zorgen? Kunnen de initiatiefnemers daarnaast ook nog reageren op de opmerking van de Afdeling dat aan het belang van het kind niet als zodanig een recht op verblijf in Nederland kan worden ontleend? In hoeverre maakt onderhavig wetsvoorstel het nog mogelijk dat de Nederlandse staat rekening houdt met de rechten, maar vooral ook met de plichten, van degenen die wettelijk voor een kind verantwoordelijk zijn?

De voorzitter van de commissie, Van Meenen

De adjunct-griffier van de commissie, Tielens-Tripels


X Noot
1

Zie onder andere HR 6 december 1983, NJ 1984/557, m.nt. A.C. ’t Hart; HR 18 februari 1986, NJ 1987/62; HR 30 mei 1986, NJ 1986/688, m.nt. P.A. Stein (Spoorwegstakingsarrest); en HR 14 april 1989, NJ 1989/469, m.nt. M. Scheltema.