Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734376 nr. 15

34 376 Initiatiefnota van de leden Bouwmeester en Oosenbrug: «Lobby in daglicht: luisteren en laten zien»

Nr. 15 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 mei 2017

In de initiatiefnota «Lobby in daglicht: luisteren en laten zien» van de Tweede Kamerleden Bouwmeester en Oosenbrug is een aanscherping van het draaideurbeleid voor bewindspersonen bepleit. In de kabinetsreactie van 17 november 2016 op de initiatiefnota (Kamerstuk 34 376, nr. 4) is gemeld dat het kabinet zich op dit punt nog buigt over een eventuele nadere kaderstelling. Ook in het notaoverleg over genoemde initiatiefnota van 23 januari 2017 heb ik een nader standpunt van het kabinet aangekondigd (Kamerstuk 34 376, nr. 13).

Draaideurbeleid beoogt te voorkomen dat aftredende of afgetreden bewindslieden kennis en positie uit de eerdere hoedanigheid als bewindspersoon op onwenselijke wijze benutten voor de belangen van een organisatie waar zij na het aftreden in dienst zijn getreden. In de bovengenoemde kabinetsreactie heeft het kabinet al verwoord welke bestaande spelregels daarbij gelden.

Het kabinet kiest voor de volgende aanvulling op deze spelregels. Ministeries zullen uitdrukkelijk de bewindspersoon na het aftreden gedurende een periode van twee jaar niet aanvaarden als lobbyist namens een bedrijf, een semipublieke organisatie (bijvoorbeeld een woningcorporatie, een publieke omroep of een zorginstelling) of een lobbyorganisatie (waaronder een non-gouvernementele organisatie) die belangen behartigt op het beleidsterrein van de gewezen bewindspersoon. Een dergelijk lobbyverbod past het Ministerie van Defensie nu al toe voor gewezen ambtenaren en bewindspersonen.

Deze regel beoogt dus niet het in dienst treden bij een dergelijke instelling geheel onmogelijk te maken maar wel om gedurende een bepaalde periode te voorkomen dat een oud-bewindspersoon kennis en positie op grond van de vorige functie inzet voor de belangen van de nieuwe werkgever.

Het lobbyverbod zal niet gelden voor gewezen bewindspersonen die een vervolgfunctie in het openbaar bestuur (bijvoorbeeld commissaris van de Koning, burgemeester, gedeputeerde of wethouder) aanvaarden, met inbegrip van het lidmaatschap van een volksvertegenwoordiging.

Concreet komt deze spelregel erop neer dat gewezen bewindspersonen na het aftreden gedurende twee jaar voor de medewerkers van het ministerie op geen enkele manier aanvaardbaar zijn als lobbyist namens een bedrijf, een semipublieke organisatie of een lobbyorganisatie die belangen behartigt op het beleidsterrein van de gewezen bewindspersoon. Dit betekent dat zij ook niet als bemiddelaar, lobbyist of tussenpersoon kunnen optreden in zakelijke contacten met het ministerie. Het begrip zakelijke contacten moet breed worden uitgelegd: niet alleen gesprekken in levenden lijve, maar ook e-mails, telefoongesprekken, andere vormen van telecommunicatie of het deel uitmaken van een bedrijfsdelegatie.

Uitzondering op het voorgaande is een handelsdelegatie naar het buitenland. Een gewezen bewindspersoon die na het aftreden werkzaam is in het bedrijfsleven mag vanwege zijn statuur en reputatie in het buitenland wel leiding geven of deel uitmaken van een door een ministerie georganiseerde handelsdelegatie.

Het oordeel over de (on)aanvaardbaarheid van zakelijke contacten met het ministerie zal op het hoogste ambtelijke niveau moeten liggen. De secretaris-generaal van het desbetreffende ministerie heeft de mogelijkheid een uitzondering op het lobbyverbod toe te staan.

Voor een dergelijk lobbyverbod is geen wettelijke verankering vereist en het tast de positie op de arbeidsmarkt van gewezen bewindspersonen niet wezenlijk aan. Het lobbyverbod gaat gelden met ingang van het aftreden van de huidige zittende demissionaire bewindspersonen.

Tijdens het overleg over de initiatiefnota «Lobby in daglicht: luisteren en laten zien» op 23 januari 2017 is aan de orde geweest of er dan ook vergelijkbare regels zouden moeten worden overwogen voor Kamerleden. Hun positie als lid van het parlement biedt hen mogelijk een voorsprong in contacten met ministeries. Ik laat het oordeel over een dergelijk lobbyverbod graag aan beide Kamers.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk