Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634355 nr. 7

34 355 Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met een verbeterde regeling voor het gezamenlijk verzorgen van hoger onderwijs door Nederlandse en buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs alsmede vanwege enkele andere wijzigingen ter bevordering van de internationalisering van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (bevordering internationalisering hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek)

Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 17 mei

De regering is de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkentelijk voor het uitgebrachte verslag. De gestelde vragen en gemaakte opmerkingen zullen hierna in de volgorde van het verslag worden behandeld.

Zoals ik in mijn aanbiedingsbrief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer heb aangegeven verzoek ik de leden van de vaste commissie op dit moment kennis te nemen van de nota naar aanleiding van het verslag, maar de verdere behandeling van het wetsvoorstel aan te houden totdat de Afdeling advisering van de Raad van State zal hebben geadviseerd over de door de regering in te dienen nota van wijziging bij dit wetsvoorstel. Kortheidshalve verwijs ik naar deze aanbiedingsbrief.

1. Samenvatting inhoud wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat voor het internationale bedrijfsleven ook een professional doctorate (PD)-route interessant kan zijn. Zij vragen waarom deze route niet is meegenomen in het wetsvoorstel.

De regering kiest er in dit wetsvoorstel inderdaad voor in Nederland uitsluitend de graad Doctor of Philosophy in het Nederlandse hoger onderwijs toe te laten en niet ook de «professional doctorate». Het wettelijk mogelijk maken van het verlenen van een professional doctorate impliceert een ingrijpende inhoudelijke wijziging op het terrein van het promotierecht. De wet kent deze route immers niet. Dit wetsvoorstel beoogt geen ingrijpende wijzigingen op het terrein van graadverlening; de doelstelling van dit wetsvoorstel is primair het wegnemen van belemmeringen die de internationalisering van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek onnodig afremmen.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering intensief wil stimuleren dat universiteiten of instellingen een branche of campus starten in het buitenland. Zij willen weten wat daarvan de voordelen en de eventuele risico’s zijn.

Universiteiten en hogescholen zoeken in toenemende mate samenwerking met buitenlandse kennisinstellingen door samen programma’s op te zetten, veelal in de vorm van joint of double degrees. Dit wetsvoorstel zal deze samenwerking eenvoudiger maken. Sommige onderwijsinstellingen willen hun internationale activiteiten een stap verder brengen door opleidingen volledig in het buitenland aan te bieden (transnationaal onderwijs). Dat kan een enkele opleiding zijn of een breder opleidingsaanbod op een nevenvestiging in het buitenland, ook wel een «branchecampus »genoemd.

In de visiebrief over de internationale dimensie van HO en MBO1 heeft de regering aangegeven de meerwaarde van transnationaal onderwijs te onderschrijven. Het kan een interessante manier zijn om internationale netwerken te versterken, het Nederlands hoger onderwijs in het buitenland te positioneren en uitwisseling van studenten en docenten te vergemakkelijken. Het kan echter ook tot risico’s leiden op het terrein van kwaliteitsborging en doelmatige besteding van de rijksbijdrage. Ter ondervanging van dergelijke risico’s stelt de regering een nota van wijziging bij dit wetsvoorstel voor die ter advisering aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden voorgelegd. De nota van wijziging strekt ertoe de delegatiegrondslag van artikel 1.19 van de WHW aan te vullen, waardoor de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur betekenisvoller kan zijn.

De regering ziet geen reden om transnationaal onderwijs actief te stimuleren. Artikel 1.19 van de WHW, dat hoger onderwijs in het buitenland in beginsel mogelijk maakt, is immers nog niet in werking getreden. De reden daarvoor is dat zowel de vorige als de deze regering van oordeel is dat daarvoor eerst bij of krachtens algemene maatregel van bestuur specifieke waarborgen moeten worden vastgesteld. Naar verwachting zal deze algemene maatregel van bestuur in de tweede helft van dit jaar aan de Afdeling advisering van de Raad van State worden voorgelegd.

Bij het opstellen van de hiervoor bedoelde algemene maatregel van bestuur zal de regering scherp letten op eventuele risico’s door voorwaarden te stellen voor de borging van onderwijskwaliteit op afstand en het voorkomen van ondoelmatige besteding van publieke middelen.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering de mening deelt dat in het geval van de Rijksuniversiteit Groningen en de campus in Yantai deze investering vooral wordt ingegeven met als doel om voldoende aantallen studenten en daarmee financiering te behouden.

Het aanbieden van opleidingen van de Rijksuniversiteit Groningen in China sluit in principe aan op de ruimte die de regering wil bieden voor transnationaal onderwijs. De regering vindt een mogelijke daling van het aantal studenten in Nederland echter geen goede reden voor transnationaal onderwijs. De meerwaarde van transnationaal onderwijs ziet de regering in het versterken van internationale netwerken, het positioneren van het Nederlands hoger onderwijs in het buitenland en het vergemakkelijken van uitwisseling van studenten en docenten.

In het notaoverleg over de Strategische Agenda op 14 december 2015 (Kamerstukken II 2015/16, 31 288, nr. 524) heb ik toegezegd uw Kamer te informeren over de resultaten van mijn overleg met de Rijksuniversiteit Groningen over een mogelijke nevenvestiging in China. De Rijksuniversiteit Groningen heeft mij laten weten te werken aan de vormgeving van deze campus. Het gaat onder meer over de financiële afspraken met haar Chinese samenwerkingspartners, het borgen van de vrijheid van meningsuiting en de juridische vormgeving van de nevenvestiging. De regering verwijst in dit verband ook naar de antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Jasper van Dijk (Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 844). Ik heb met het college van bestuur afgesproken dat er met mij overleg plaatsvindt voordat er een definitief besluit wordt genomen over de start van deze branchecampus.

De vormgeving van de branchecampus zal uiteraard binnen de kaders van artikel 1.19 van de WHW en de nog vast te stellen algemene maatregel van bestuur moeten passen. Met betrekking tot die kaders stelt de regering een nota van wijziging voor. Dat voorstel wordt aan de Afdeling advisering van de Raad van State ter advisering voorgelegd.

In de voortgangsbrief over internationalisering die ik uw Kamer heb toegezegd, zal ik uitgebreider ingaan op de ontwikkelingen rondom transnationaal onderwijs en het initiatief van de Rijksuniversiteit Groningen in China. Deze brief kan de Kamer voor de zomer verwachten.

De leden van de SP-fractie vragen hoeveel instellingen op dit moment in campussen in het buitenland investeren en willen weten of er risicovolle investeringen bij zijn. Tevens vragen de voornoemde leden om welke bedragen het in totaal gaat.

De regering heeft geen overzicht van de opleidingen die deels in het buitenland worden aangeboden door Nederlandse instellingen. Het huidige beleid verplicht onderwijsinstellingen om minimaal 25% van de opleiding in Nederland aan te bieden, maar niet om hiervan melding te maken bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Een bekend initiatief is van Hogeschool Stenden. Deze instelling heeft al enkele jaren ervaring met het aanbieden van onderwijs op een vestiging in het buitenland. Het gaat deels om opleidingen voor lokale studenten die voor 25% van hun opleiding naar Nederland komen, maar ook om een infrastructuur die Nederlandse studenten aan deze hogeschool in staat stelt om een kortere periode in het buitenland te studeren (de Stenden Grand Tour). De financiële vormgeving van het onderwijs op deze campussen is gedaan in nauw overleg met onder andere de Inspectie van het Onderwijs met als doel financiële risico’s te voorkomen en publieke en private middelen helder te scheiden. In 2014 namen 506 studenten deel aan de Grand Tour.

De leden van de SP-fractie vragen in hoeverre het risico bestaat dat een mislukt buitenlands avontuur financiële consequenties heeft voor de instelling in Nederland.

Daarnaast vragen deze leden hoe de regering kan garanderen dat de Nederlandse instellingen geen risico lopen.

In de nog vast te stellen algemene maatregel van bestuur zullen voorschriften worden opgenomen om dergelijke risico’s tegen te gaan. Het gaat dan onder meer om het waarborgen van de onderwijskwaliteit en de financiële continuïteit bij de instelling in Nederland. Het zal niet zijn toegestaan om publieke middelen in te zetten voor transnationaal onderwijs of om financiële risico’s met publieke middelen af te dekken.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering voornemens is om dit soort buitenlandse vestigingen in het buitenland te steunen en of er een vorm van staatssteun is.

De regering is van plan om transnationaal onderwijs te faciliteren door de benodigde regelgeving tot stand te brengen. Uitgangspunt is dat op geen enkele wijze Nederlandse publieke middelen worden ingezet voor transnationaal onderwijs. Dit sluit bijvoorbeeld ook voorfinanciering vanuit publieke middelen uit. Ook eventuele financiële risico’s dienen te worden afgedekt door private middelen. Hierdoor kan er geen sprake zijn van staatssteun.

Tot slot vragen de leden van de SP-fractie of er landen zijn waar de regering liever geen Nederlandse campus wil zien. Als dat zo is, wat gaat zij daar mee doen, zo vragen de voornoemde leden.

De regering ziet transnationaal onderwijs als een waardevol instrument in de internationale onderwijssamenwerking tussen Nederland en de rest van de wereld. Net als bij andere vormen van samenwerking is het van belang om zorgvuldig af te wegen met welke partij en op welke manier wordt samengewerkt. Dit is een verantwoordelijkheid die past bij de autonomie van de onderwijsinstelling. De regering is niet van plan bepaalde landen op voorhand uit te sluiten. Wel is het van groot belang dat de campus recht doet aan het onderwijs zoals dat in Nederland vorm krijgt en aan de maatschappelijke waarden waarvoor dat onderwijs in Nederland staat. De kwaliteit van het onderwijs moet boven elke twijfel verheven zijn. Ook mogen aan de Nederlandse kernwaarden rondom academische vrijheid en vrijheid van meningsuiting geen concessies worden gedaan. Instellingen die een buitenlandse campus willen opzetten, moeten hierover heldere afspraken maken met hun buitenlandse partners.

2. Gezamenlijk hoger onderwijs

De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering om nader toe te lichten waarom het nodig is om een aantal maatregelen wettelijk te verankeren ten aanzien van de gezamenlijke opleiding, de gezamenlijke afstudeerrichting en het gezamenlijke Ad- programma. Zij willen weten waarom beleidsregels niet voldoende zijn.

Beleidsregels zijn met name op hun plaats als het gaat om de invulling van een bevoegdheid van een bestuursorgaan of om de uitleg van een wettelijk voorschrift. In geval van het verzorgen van een gezamenlijke opleiding, een gezamenlijke afstudeerrichting of een gezamenlijk Ad- programma gaat het veelal om zaken die – in ieder geval op hoofdlijnen – regeling op het niveau van de wet rechtvaardigen. De regering denkt daarbij aan de toedeling van wettelijke verantwoordelijkheden waar het de verzorging van gezamenlijk onderwijs betreft. Het mag niet zo zijn dat samenwerking met andere instellingen leidt tot onduidelijkheid in dat opzicht. Hetzelfde geldt voor de verlening van graden. Het belang van een goede regeling daarvan, ook in geval van gezamenlijk onderwijs, is evident; de maatschappelijke waarde en betekenis van graden moeten ondubbelzinnig zijn. Ook wijziging van bestaande wettelijke rechten, zoals de vrijheid van studenten om zich in- en uit te schrijven bij een opleiding, rechtvaardigt regeling op het niveau van de wet.

3. Wijziging van de voorschriften voor gezamenlijk hoger onderwijs

De leden van de VVD-fractie vragen de regering of zij concrete ambities heeft ten aanzien van het aantal joint, double en multiple degree opleidingen dat in de toekomst aangeboden gaat worden.

De regering heeft geen concrete ambities ten aanzien van het aantal van deze opleidingen dat in de toekomst aangeboden zou moeten worden. Dat is aan de hoger onderwijsinstellingen zelf. De regering heeft wel de ambitie het verzorgen van joint, double en multiple degree opleidingen te faciliteren en daartoe nodeloze belemmeringen weg te nemen. Dit voorstel strekt daar onder andere toe. De ontwikkeling van joint programmes past namelijk binnen het Bolognaproces. Het Bolognaproces versterkt de mobiliteit van studenten en samenwerking binnen de Europese Hoger Onderwijsruimte vanuit de overtuiging dat nieuwe vormen van grensoverschrijdende samenwerking de kwaliteit van het onderwijs bevorderen, zoals joint programmes dat ook ten doel hebben. Door de mogelijkheid van joint programmes wordt aan instellingen de ruimte gegeven voor profilering en partnerships binnen en over de nationale grenzen heen. Door deze verwachte positieve effecten ontwikkelen steeds meer (buitenlandse) instellingen joint programmes. De regering gaat er vanuit dat dit wetsvoorstel zal bijdragen aan het ontwikkelen van meer joint programmes.

In dat verband is ook van belang dat in mei 2015 de «European Approach for Quality Assurance of Joint Programmes» door de Ministers van onderwijs van de European Higher Education Area (Bologna) is aangenomen. Deze «approach» heeft tot doelstelling de accreditatie van joint programmes te vereenvoudigen. Ook dat zal een stimulans zijn voor het ontwikkelen van joint programmes.

Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie of de aanpassing van het collegegeldregime ook invloed kan hebben op de collegegeldverplichtingen die de studenten hebben bij de partnerinstelling in een ander land.

De regering sluit dat niet uit. Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk met onderwijspartners afspraken te maken over de hoogte van het collegegeld in die zin dat het collegegeld lager mag worden vastgesteld dan het bedrag van het wettelijk collegegeld. Daardoor wordt onder meer het werken met gesloten beurzen mogelijk en sluit de Nederlandse wet- en regelgeving beter aan bij de internationale praktijk van joint programmes. Dat biedt de Nederlandse instellingen een betere onderhandelingspositie in de gesprekken met potentiële partners en dat kan weer van positieve invloed zijn op de collegegeldverplichtingen in andere landen. Daardoor kunnen joint programmes aantrekkelijker worden voor studenten.

De leden van de VVD-fractie willen weten of de regering zicht heeft op de regels rondom het betalen van collegegeldverplichtingen bij de buitenlandse instellingen. Zij willen weten welke landen van Nederlandse studenten collegegeld vragen terwijl deze studenten dat jaar niet op de buitenlandse instelling les volgen.

De regering beschikt over de volgende informatie. De meeste joint programmes worden samen met Europese instellingen verzorgd. Het beleid ten aanzien van collegegeld wisselt sterk per land. Angelsaksische landen vragen doorgaans een hoog collegegeld. Uit het Bologna Implementation Report 20152 blijkt dat collegegeldverplichtingen (en ook administratieve bijdragen) gebruikelijk zijn. Er is echter een grote variatie tussen hoger onderwijssystemen in zowel de categorieën studenten die collegegeld moeten betalen (variërend van bijna niemand tot iedereen), als het bedrag dat aan collegegeld (en administratieve bijdragen) betaald moet worden. Twee voorbeelden: het collegegeld in het Verenigd Koninkrijk bedraagt 9.000 pond en in België € 950.

De regering zijn geen joint programmes bekend waarbij buitenlandse instellingen van Nederlandse studenten collegegeld vragen, terwijl deze studenten dat jaar niet aan de buitenlandse instelling studeren.

De leden van de VVD-fractie vragen of het de inzet is van de regering om, in navolging van dit voorstel, andere (Europese) landen te overtuigen om vergelijkbare keuzes te maken.

Tenslotte vragen de voornoemde leden welke gevolgen het voorstel van de regering heeft voor de toegang tot de studiefinanciering

Centraal voor het regeringsbeleid staat de betekenis van de Bologna-afspraken. Het gezamenlijke doel van de landen die de Bologna-verklaring hebben onderschreven is een Europese Hoger Onderwijs Ruimte te vormen door onder andere de hoger onderwijssystemen in die landen te harmoniseren en daarmee de kwaliteit van het onderwijs te verhogen en de concurrentiepositie van het Europees hoger onderwijs te vergroten. Dat heeft de weg gebaand voor verdergaande samenwerking tussen hoger onderwijsinstellingen in Europa en daarbuiten (in het bijzonder via grensoverschrijdende studieprogramma’s als joint programmes) en meer studenten- en stafmobiliteit. De Europese Unie onderschrijft deze doelen en ook de inzet van de Nederlandse regering is daarop gericht. Goede afspraken over het betalen van collegegeld dragen bij tot meer studentenmobiliteit. De regering wil dat door middel van dit wetsvoorstel faciliteren.

Dit voorstel heeft geen gevolgen voor de toegang tot de studiefinanciering, omdat er met betrekking tot de studiefinanciering niets wijzigt.

4. Wijziging van de regeling voor studiekeuzeactiviteiten

De leden van de VVD-fractie merken op dat de regering in het wetsvoorstel schrijft dat zowel aspirant-studenten met een buitenlandse als een Nederlandse vooropleiding onder het zelfde regime gaan vallen wat betreft het recht op en de verplichting van studiekeuzeactiviteiten.

De leden van de VVD-fractie vragen wat de te verwachten effecten zijn van de wijziging van de regeling voor studiekeuzeactiviteiten voor de aspirant-studenten met een Nederlandse vooropleiding. Zij willen weten of instellingen meer ruimte krijgen om hen een studiekeuzeactiviteit op afstand aan te bieden. De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering ervoor zorgt dat de studiekeuzeactiviteiten van een behoorlijke omvang blijven.

Als gevolg van dit wetsvoorstel moeten aan alle studenten, dus zowel de studenten met een Nederlandse als de studenten met een buitenlandse vooropleiding, studiekeuzeactiviteiten worden aangeboden. Instellingen hebben nu al de ruimte om aspirant-studenten met een Nederlandse vooropleiding een studiekeuzeactiviteit op afstand aan te bieden. Dat verandert niet. Wat wel verandert is dat instellingen onder bepaalde omstandigheden verplicht zijn studiekeuzeactiviteiten op afstand aan te bieden, zoals ze dat ook al moesten doen voor studenten die afkomstig zijn uit de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Als gevolg van dit wetsvoorstel gaat in algemene zin gelden dat als het overbruggen van de afstand tussen woon- of verblijfplaats en de plaats waar de studieactiviteiten plaatsvinden voor een aspirant-student tot overwegende bezwaren leidt, hen de mogelijkheid moet worden geboden om aan de studieactiviteiten deel te nemen zonder dat hun fysieke aanwezigheid is vereist. Het te verwachten effect daarvan is dat meer studenten kunnen deelnemen aan studiekeuzeactiviteiten. De afstand hoeft immers geen belemmering te zijn.

De wet stelt geen eisen aan de omvang van de studiekeuzeactiviteiten. Het is aan de instelling zelf om de studiekeuzeactiviteiten vorm te geven en vast te leggen in een regeling waar de medezeggenschap over adviseert. Ook instellingen hebben er belang bij dat de studiekeuzeactiviteiten studenten helpen met een betere studiekeuze en dat deze bijdragen aan het studiesucces van deze studenten. Dat is een prikkel voor de instellingen om er voor te zorgen dat de studiekeuzeactiviteiten van een behoorlijke omvang en effectief zijn. Ook voor studiekeuzeactiviteiten op afstand geldt dat instellingen er belang bij hebben dat deze bijdragen aan het studiesucces van studenten. Ook in dat geval hebben zij er belang bij dat ook deze studiekeuzeactiviteiten effectief zijn.

Voorts lezen de eerdergenoemde leden dat instellingen de ruimte krijgen om differentiatie aan te brengen naar de aard van groepen studenten. Zij ontvangen graag een toelichting op de vraag of de instellingen de ruimte krijgen om alle groepen te definiëren of dat hier grenzen aan zijn. De leden van de VVD-fractie willen weten of instellingen ook de ruimte krijgen om hele groepen uit te sluiten van de gehele verplichting van studiekeuzeactiviteiten of de 1-mei-aanmelding.

Instellingen mogen zelf bepalen of en in hoeverre studenten verplicht zijn deel te nemen aan studiekeuzeactiviteiten. Dat is nu al zo. Het wetsvoorstel wijzigt dat niet. De keuzes die instellingen daarbij maken moeten vanzelfsprekend zinvol, proportioneel en niet discriminatoir zijn. Binnen die grenzen mag een instellingsbestuur differentiëren naar de aard van groepen studenten. Wel hebben alle studenten die zich tijdig hebben aangemeld, recht op studiekeuzeactiviteiten. Het arrangement kan wel per groep verschillen, bijvoorbeeld omdat een groep studenten in het buitenland woont, of omdat een groep studiekiezers een hogere kans op uitval heeft. In het laatste geval kan bijvoorbeeld een extra gesprek worden aangeboden. Uitsluiting van groepen studenten van de 1-mei-aanmelding en studiekeuzeactiviteiten zou echter in strijd met de wet zijn.

Deze leden vragen wat het gevolg is voor het recht op studiekeuzeactiviteiten voor aspirant-studenten die niet verplicht worden om deel te nemen aan studiekeuzeactiviteiten door de instelling.

Het recht op studiekeuzeactiviteiten vervalt in die situatie niet. Dat geldt nu al op grond van de geldende wet. Met dit wetsvoorstel wordt daarin geen verandering gebracht.

5. Wijziging van de regeling van het profileringsfonds in verband met het verstrekken van beurzen

De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader te duiden welk probleem wordt opgelost en welke verwachtingen de regering heeft van dit voorstel. Verder vragen deze leden of na deze wijziging onderwijsinstellingen geen enkele relatie hoeven te hebben met de student die de beurs ontvangt.

Op grond van de wet mogen instellingen studenten in beginsel niet financieel tegemoet komen. Dat is «ondoelmatig». Op dat uitgangspunt bestaat een aantal wettelijk geregelde uitzonderingen waarbij het onder meer gaat om financiële ondersteuning via het profileringsfonds. Bijzondere belangen, zoals het bevorderen van een medezeggenschapscultuur of het ondersteunen van studenten met een lichamelijke beperking, rechtvaardigen uitzonderingen op de hoofdregel. Internationalisering, waaronder internationale uitwisseling van studenten, beschouwt de regering als een dergelijk bijzonder belang. Het wetsvoorstel beoogt te voorkomen dat het verstrekken van beurzen aan studenten ten behoeve van studie in het buitenland als »ondoelmatige besteding» moet worden gekwalificeerd. Het is juist de bedoeling dat deze vorm van internationalisering – op initiatief van studenten en instellingen – in combinatie met de extra middelen die eerder met het Holland Scholarship programma beschikbaar zijn gesteld – tot ontwikkeling kan komen.

De onderwijsinstellingen hebben inderdaad de nodige beleidsvrijheid bij het verstrekken van dergelijke beurzen. Omdat de instelling zelf de financiële gevolgen van zijn profileringsbeleid draagt, is het niet aannemelijk dat instellingen studenten zullen ondersteunen die geen enkele band hebben met de desbetreffende instelling. Op het beleid betreffende het profileringsfonds bestaat instemmingsrecht voor de medezeggenschapsorganen.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom het mogelijk moet worden voor instellingen om vanuit hun profileringsfonds beurzen te verstrekken aan studenten in het verband met het volgen van hoger onderwijs buiten Nederland. Zij ontvangen graag een toelichting op de vraag of het profileringsfonds hiervoor wel het juiste fonds is. Deze leden wijzen erop dat er allerhande beurzen zijn (Erasmusbeurs, Nuffic et cetera) die hierin voorzien. Zij ontvangen graag een toelichting op de vraag of het profileringsfonds niet veeleer studenten moet ondersteunen met een beperking of chronische ziekte, topsporters et cetera, kortom voor onderwijs dat gevolgd wordt aan de desbetreffende instelling.

De voorgestelde wettelijke regeling komt niet in de plaats van de al bestaande beurzenregelingen. Het is een aanvulling daarop. De instelling kan nu al – naast de in de WHW opgenomen bijzondere omstandigheden – naar eigen inzicht andere bijzondere omstandigheden vaststellen die een student aanspraak geven op een financiële ondersteuning uit het profileringsfonds. Dat is geregeld in artikel 7.51, tweede lid, onderdeel g, van de WHW. Voorwaarden voor die ondersteuning zijn dat de student voor zijn opleiding wettelijk collegegeld is verschuldigd en dat hij aanspraak heeft of aanspraak heeft gehad op de prestatiebeurs hoger onderwijs als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 (artikel 7.51c). De regering heeft met dit wetsvoorstel meer willen doen. De regering wil namelijk ondubbelzinnig vastleggen dat het profileringsfonds ook mag worden ingezet voor studenten die buiten Nederland, dus aan een andere instelling dan de Nederlandse instelling, hoger onderwijs wensen te volgen. De eerdervermelde voorwaarden gelden daarbij niet.

6. Gelijkstelling van de graad Doctor aan de graad Doctor of Philosophy

De leden van de SGP-fractie vragen of het de bedoeling van de regering is de graad Doctor of Philosophy enkel aan buitenlandse onderzoekers in Nederland te verlenen dan wel dat dit ook als reguliere optie voor alle onderzoekers gehanteerd kan worden.

Deze graad kan als reguliere optie voor alle onderzoekers gehanteerd worden.

Tevens vragen de leden van de SGP-fractie of de regering kan toelichten wie bevoegd is om, vergelijkbaar met de graden voor opleidingen, te bepalen of de benaming Doctor dan wel Doctor of Philosophy gehanteerd wordt. Deze leden constateren dat volgens het wetsvoorstel het college voor promoties bepaalt welke graad wordt verleend en dat de bovengenoemde graden gelijkwaardig zijn. Zij vragen of het onderzoekers vrij staat zelf te bepalen welke benaming zij kiezen.

De veronderstelling van deze leden dat het college voor promoties bepaalt welke graad wordt verleend, is juist. Het is de uitsluitende bevoegdheid van dit college om graden te verlenen. Dat verandert niet. Dat neemt niet weg dat de aanpassing van artikel 7.18 ook is bedoeld om promovendi tegemoet te komen. Aangenomen mag daarom worden dat met de wensen en belangen van promovendi rekening zal worden gehouden. In het promotiereglement kan daarvoor een evenwichtige regeling worden vastgesteld.

7. Uitbreiding ius promovendi

De leden van de VVD-fractie vragen de regering nog nader te duiden welk probleem precies opgelost wordt met de uitbreiding van het ius promovendi. Volgens deze leden heeft de hoogleraar juist vanuit de functie van promotor de unieke ervaring om meerdere promoties te hebben begeleid. Volgens deze leden hebben de andere universitaire (hoofd)docenten deze kennis niet. Zij vragen hoe dit volgens de regering zal worden ondervangen.

Het wetsvoorstel komt tegemoet aan het vraagstuk dat in de Nederlandse situatie een «international level playing field» voor wetenschappelijk onderzoekers ontbreekt. De universitaire (hoofd)docenten die het promotieproject geïnitieerd hebben, de financiering ervoor hebben geregeld en een promovendus hebben gezocht, dienen hiervoor ook de erkenning te kunnen krijgen die ze in het buitenland wel zouden krijgen door middel van het promotierecht. Overigens kunnen ook universitaire (hoofd)docenten in de huidige situatie diverse promoties begeleiden waardoor zij brede ervaring kunnen opdoen. Er hoeft dus geen sprake te zijn van een gebrek aan kennis of ervaring.

De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast of de regering helder kan schetsen wat het beoogde doel is, naast de gelijktrekking met de situatie in het buitenland en het recht doen aan de docenten. Als dat ook is het aantal promoties te vergroten, dan vragen de voornoemde leden waarop de regering zich baseert dat dit voorstel daartoe zal leiden.

Een belangrijk doel van dit wetsvoorstel is een «international level playing field» te bereiken om in de internationale competitie gelijke kansen te bieden voor wetenschappelijk onderzoekers. Het doel is dus niet het aantal promoties te vergroten.

De leden van de VVD-fractie vragen tenslotte waarom de regering niet heeft voorgesteld om, naast een positief oordeel van het college voor promoties, bijvoorbeeld te stellen dat het minimaal om een universitaire hoofddocent moet gaan die ook al ervaring heeft met promoties.

De regering kiest er nadrukkelijk voor om de beoordeling van de geschiktheid van promotores over te laten aan het orgaan dat daarvoor de meeste deskundigheid in huis heeft: het college voor promoties. Formele eisen bieden in de visie van de regering in dit geval geen extra waarborgen. Formele eisen kunnen er zelfs toe leiden dat juist niet de meest geschikte man of vrouw wordt ingezet bij het begeleiden van een promotietraject. Het toekennen van het ius promovendi impliceert dat het college voor promoties zich in voorkomende gevallen ervan vergewist of het personeelslid over voldoende bekwaamheid beschikt om als promotor op te treden en dus als promotor kan worden aangewezen.

De leden van de CDA-fractie vraagt de regering nader te specificeren waarom het noodzakelijk is om het ius promovendi uit te breiden.

In aanvulling op het antwoord naar aanleiding van de vragen van de VVD-fractie speelt internationaal, meer dan in Nederland, bij sollicitaties en onderzoeksaanvragen door onderzoekers de vraag een rol of er sprake is van aantoonbare zelfstandigheid en eindverantwoordelijkheid bij de begeleiding van promovendi. De achterstand die Nederlandse onderzoekers bij de beantwoording van die vraag kunnen hebben op buitenlandse onderzoekers, wordt met dit wetsvoorstel weggenomen. Het is evident dat onderzoekers met aantoonbare zelfstandigheid en eindverantwoordelijkheid in de begeleiding van promovendi over een belangrijk pluspunt beschikken voor hun loopbaan in internationaal perspectief.

Tevens vragen de leden van de CDA-fractie hoe vaak het voorkomt dat de voorgestelde maatregelen ten aanzien van de uitbreiding noodzakelijk zijn, gezien het feit dat het nu ook al voor universitair hoofddocenten mogelijk is om als copromotor op te treden.

Het is inderdaad nu al mogelijk dat universitair hoofddocenten als copromotors optreden. Toch kan er sprake zijn van achterstelling. In het nader rapport is de regering ingegaan op de diverse oorzaken daarvan. De regering is dan ook van oordeel dat de huidige mogelijkheden (co-promotorschap) geen afdoende oplossing bieden om die achterstelling te ondervangen. Het is niet mogelijk om nu al – op voorhand – aan te geven hoe vaak het voor zal komen dat het promotierecht wordt uitgebreid naar andere personeelsleden dan hoogleraren.

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering onderzocht heeft, of de Nederlandse systematiek van een exclusieve rol voor de hoogleraar in kwalitatief opzicht juist meerwaarde kan hebben. Deze leden menen dat het perspectief van doorstroom en loopbaanmogelijkheden niet de enige factor kan zijn.

Met deze leden is de regering van oordeel dat het perspectief van doorstroom en loopbaanmogelijkheden niet de enige factor mag zijn als het gaat om wijziging van de regeling van het ius promovendi. De regering meent echter dat de meerwaarde van de Nederlandse systematiek niet wordt bepaald door de exclusieve rol voor hoogleraren bij het ius promovendi. De kwaliteit van het Nederlandse stelsel wordt naar het oordeel van de regering vooral gediend door een regeling waarbij de kandidaat die naar het oordeel van het college voor promoties de meest geschikte begeleider is, daadwerkelijk als promotor kan worden aangewezen. Dit wetsvoorstel maakt dat mogelijk. Het is verder aan het college voor promoties van iedere individuele universiteit om invulling te geven aan die oordeelsvorming.

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering er niet voor gekozen heeft in de wet minimumvoorwaarden op te nemen met betrekking tot ander personeel dan hoogleraren dat als promotor kan optreden, bijvoorbeeld de voorwaarde dat een promotor zelf de graad van Doctor dient te bezitten.

Zoals de regering hiervoor heeft aangegeven naar aanleiding van een vergelijkbare vraag van de leden van de VVD-fractie: de regering kiest er nadrukkelijk voor om de beoordeling van de geschiktheid van promotores over te laten aan het universiteitsorgaan dat daarvoor de meeste deskundigheid in huis heeft: het college voor promoties.

8. Overleg, administratieve lasten en uitvoerbaarheid

De leden van de VVD-fractie vragen welke hindernissen de regering verder gaat wegnemen op het vlak van blended learning en online onderwijs.

In de Strategische Agenda «De waarde(n) van weten» (Kamerstukken II 2014/15, 31 288, nr. 481) heb ik aangegeven dat ik bereid blijf kritisch te kijken naar eventuele juridische belemmeringen die het gebruik van blended learning en open en online onderwijs mogelijk remmen. Op dit moment is mijn beeld dat de huidige wet- en regelgeving volstaat. Ik zie dat de hoger onderwijsinstellingen volop experimenteren met open en online onderwijs, passend bij hun eigen profiel, onder meer met gebruikmaking van de stimuleringsregeling (Regeling open en online hoger onderwijs, Staatscourant 2014, Nr. 32675). Ik volg deze ontwikkelingen op de voet en blijf met instellingen in gesprek over mogelijke (juridische) belemmeringen. Daarnaast is open en online onderwijs een belangrijk thema tijdens de conferentie «Hoger onderwijs voor de toekomst» op 9 maart 2016. Tijdens deze conferentie worden de belangrijkste uitdagingen en kansen voor het hoger onderwijs in Europa besproken.

De voornoemde leden vragen de regering ten slotte wanneer in 2016 de algemene maatregel van bestuur voorgesteld zal worden.

De regering neemt aan dat de leden van de VVD-fractie doelen op de algemene maatregel van bestuur die een regeling zal bieden voor het verzorgen van hoger onderwijs in het buitenland door Nederlandse onderwijsinstellingen. Die algemene maatregel van bestuur zal naar verwachting in de tweede helft van dit jaar aan de Afdeling advisering van de Raad van State ter advisering worden voorgelegd.

II ARTIKELSGEWIJS

Artikel I, onderdeel H

De leden van de SGP-fractie constateren dat het voorstel als uitgangspunt kiest dat het college voor promoties de graad Doctor of Philosophy kan verlenen en dat deze graad vergelijkbaar is met Doctor, terwijl de huidige wet als uitgangspunt de graad Doctor kiest. Deze leden vragen waarom de regering het uitgangspunt heeft gewijzigd en waarom er niet voor gekozen is als aanvulling op te nemen dat de graad vergelijkbaar is met Doctor of Philosophy.

Om Nederland aantrekkelijk te maken voor hoogopgeleiden is in het wetsvoorstel geregeld dat (buitenlandse) onderzoekers die in Nederland promoveren, de graad Doctor of Philosophy (met afkorting PhD) kunnen krijgen. Daarnaast is geregeld dat die graad gelijkwaardig is aan de graad Doctor. Hiermee biedt het wetsvoorstel ook een oplossing voor de door de VSNU in haar eindrapportage Stimuleringsfonds Joint Degrees gesignaleerde problematiek met betrekking tot joint doctorates. De VSNU meldt in de betreffende eindrapportage daarover het volgende: «De erkenning van graden blijkt op het gebied van onder andere doctorate programmes niet altijd even gemakkelijk. De Nederlandse wet erkent alleen de graad doctor, waar in het buitenland soms PhD wordt gebruikt. Nederlandse universiteiten kunnen geen joint doctorate degree uitreiken met de titel PhD. Hierdoor wordt in bepaalde samenwerkingen afgezien van een joint doctorate degree en uitgeweken naar een double doctorate degree of het programma kan geen doorgang vinden.» Om deze belemmering weg te nemen, is de wet in die zin aangevuld dat in geval van de graad Doctor (D) ook de graad Doctor of Philosophy (met afkorting PhD) door de universiteiten in Nederland kan worden verleend en in de naamsvermelding tot uitdrukking gebracht mag worden. Bij de eerder vermelde nota van wijziging is volledigheidshalve ook een verbeterde regeling gegeven voor de titel «PhD». Het gaat om een technische verbetering waardoor ondubbelzinnig wordt vastgesteld dat als gevolg van dit wetsvoorstel niet alleen een nieuwe graad («Doctor of Philosophy»), maar ook een nieuwe titel (PhD) wordt geïntroduceerd.

Deze nota naar aanleiding van het verslag wordt gegeven in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

Kamerstukken II 2013/14, 22 452, nr. 41

X Noot
2

Bron: «The European Higher Education in 2015: Bologna Process Implementation Report»