Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734352 nr. 66

34 352 Uitvoering en evaluatie Participatiewet

Nr. 66 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 september 2017

Zoals ik u in mijn brief van 30 juni 20171 heb gemeld heeft TNO – in lijn met aangenomen moties2 – een pilot uitgevoerd om uit te zoeken of en zo ja, hoe binnen een aantal gestelde randvoorwaarden quotumoverdracht naar inkopende werkgevers kan plaats vinden. De pilot is begeleid door een klankbordgroep met de betrokken stakeholders3, waaronder de partijen van de Werkkamer, en is inmiddels afgerond. Het onderzoeksrapport is als bijlage bij deze brief opgenomen4.

Bij de banenafspraak en de quotumheffing tellen de uren van de mensen mee die zijn gedetacheerd of ingeleend bij de inlenende werkgever. Anders ligt dat voor de banen die via inkoop van diensten tot stand zijn gekomen. De uren die gewerkt zijn door mensen uit de doelgroep tellen, conform de hoofdregel van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten, mee bij de formele werkgever (de verkoper), bij wie ze in dienst zijn, en niet bij de inkopende werkgever. De inkoop van producten is een vorm van inkoop van diensten. TNO heeft in de pilot Inkoop van producten een aantal varianten op de inkoopconstructie verkend en is tot de conclusie gekomen dat binnen de huidige kaders de kwantitatieve effecten van het meetellen van uren bij de inkopende werkgever klein zullen zijn, en de inhoudelijke en uitvoeringstechnische vraagstukken groot. De conclusie van TNO is dan ook dat het niet in de rede ligt om de onderzochte methodieken voor de overdracht van uren door inkoop verder te ontwikkelen, maar de inspanningen te richten op andere (beleids)instrumenten die kunnen bijdragen aan de werkgelegenheid van de doelgroep.

De pilot laat zien dat aan een aantal uitvoeringstechnische randvoorwaarden moeilijk kan worden voldaan en er op meerdere punten een verdere invulling van het wettelijk kader nodig is om een juridisch houdbare constructie op te zetten. Het gaat om de volgende randvoorwaarden.

Het is essentieel dat er duidelijke criteria worden opgesteld voor bedrijven die verloonde uren van arbeidsbeperkten aan een ander bedrijf kunnen overdragen. Uitvoeringstechnisch is het voor UWV en de Belastingdienst van belang dat de criteria die worden gesteld aan overdragende bedrijven eenduidig toetsbaar en helder geformuleerd zijn. Dit sluit aan bij de breed gedeelde mening van bedrijven en de leden van de klankbordgroep dat alleen gecertificeerde sociale ondernemingen mogen overdragen. Uit de juridische consultatie blijkt echter dat er geen rechtvaardiging is voor een beperking tot de Prestatieladder Socialer Ondernemen (PSO) 30+bedrijven. Een onderneming die materieel voldoet aan de eisen die gesteld worden aan PSO 30+ ondernemingen, maar zelf niet over het benodigde certificaat beschikt, moet namelijk op gelijke wijze toegang hebben tot de overdracht van verloonde uren.

UWV gaat bij de berekening van het quotumtekort en de quotumheffing uit van beschikbare gegevens over de verloonde uren in de polisadministratie. Overdracht van verloonde uren dient bij inkoop, net als bij inleenverbanden, plaats te vinden op basis van het BSN-nummer van de werknemer. Dankzij de koppeling van verloonde uren aan een BSN-nummer, kunnen verloonde uren niet dubbel geteld worden. Dit systeem van urenoverdracht houdt in dat afnemers inzage krijgen in het BSN-nummer van de arbeidsbeperkte werknemer, terwijl ze geen arbeidsrelatie met de werknemer hebben. Dit is om privacytechnische redenen niet wenselijk.

Tenslotte blijkt dat bij de PSO 30+ bedrijven in de pilot de werknemers deels gedetacheerd zijn vanuit Sw-bedrijven. Bij een eventuele quotumheffing worden de verloonde uren van de gedetacheerde werknemers al overgedragen aan de inlenende werkgever (het PSO 30+ bedrijf). Doordat de verloonde uren van de gedetacheerde werknemers al een keer zijn overgedragen, is het niet mogelijk om deze nog een keer over te dragen in het kader van inkoop. In de AMvB inleenverbanden5 is er namelijk, om dubbeltelling te voorkomen, voor gekozen om slechts één overdrachtsmoment toe te staan. Voor de PSO 30+ bedrijven in de pilot betekent dit dat slechts 10 procent van alle verloonde uren van mensen met een arbeidsbeperking overdraagbaar is.

Werkgevers hebben vaak aangegeven dat zij het belangrijk vinden dat de inkoop van diensten mee zou kunnen tellen voor de realisering van de banenafspraak en de quotumheffing. Ik heb in de afgelopen jaren verschillende onderzoeken en verkenningen laten uitvoeren en uw Kamer daarvan op de hoogte gebracht6. Uit alle onderzoeken en verkenningen is gebleken dat het zeer gecompliceerd is dit te regelen. Ook deze laatste pilot heeft aangetoond dat een oplossing daarvoor nog niet is gevonden.

Het vraagstuk rondom inkoop zal verder worden verkend in een overheidsbreed onderzoek waarin onder andere arrangementen rond inhuur en inkoop worden uitgewerkt. Dit onderzoek kondig ik aan in de brief over de activering van de quotumregeling voor de sector overheid die ik heden aan uw Kamer heb gestuurd.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Kamerstuk 34 352, nr. 58.

X Noot
2

Kamerstuk 34 352, nrs. 22 en 31.

X Noot
3

In de klankbordgroep zaten vertegenwoordigers van AWVN, Cedris, CNV, FNV, gemeente Eindhoven, LCR, UWV en VNO-NCW MKB NL.

X Noot
4

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
5

Besluit van 28 maart 2017 tot wijziging van het Besluit Wfsv en het Besluit SUWI in verband met het Besluit aanwijzing categorieën arbeidsbeperkten en werknemers voor berekening quotumtekort (Stb. 2017, nr. 163).

X Noot
6

Kamerstuk 34 352, nrs. 50, 41, 16.