Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834352 nr. 100

34 352 Uitvoering en evaluatie Participatiewet

Nr. 100 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 april 2018

Tijdens de regeling van werkzaamheden van 17 april jl. (Handelingen II 2017/18, nr. 74, Regeling van Werkzaamheden) heeft het lid Van Brenk (50plus) gevraagd om een reactie van het kabinet op de brief van het College voor de Rechten van de Mens over het voorstel loondispensatie, dit vooruitlopend op het debat over de hoofdlijnennotitie loondispensatie.

Tijdens de regeling van werkzaamheden van 18 april jl. (Handelingen II 2017/18, nr. 75, Regeling van Werkzaamheden) heeft het lid Voortman (GroenLinks) gevraagd om een reactie van het kabinet op het position paper van het Centraal Planbureau over de hoofdlijnennotitie loondispensatie.

Met deze brief voldoe ik aan beide verzoeken.

Met de hoofdlijnennotitie die ik op 27 maart naar de Kamer heb gestuurd (bijlage bij Kamerstuk 34 352, nr. 98), heb ik de hoofdlijnen geschetst van de uitwerking van het voorstel om loondispensatie in de Participatiewet op te nemen.

Ik ben het College voor de Rechten van de Mens, het Centraal Planbureau en alle andere organisaties die hun opvattingen kenbaar hebben gemaakt zeer erkentelijk dat zij dit voorstel hebben bekeken en van commentaar hebben voorzien. Dit draagt bij aan een goed debat over dit belangrijke onderwerp.

Het College steunt de ambitie van het kabinet om mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen, maar noemt ook een aantal nadelen van het voorstel, ook in het licht van Verdragen, met name het VN-Verdrag voor mensen met een handicap. Het College noemt de opbouw van aanvullende pensioenen en van werknemersverzekeringen, de mogelijkheid te werken tegen cao-loon en de positie van niet-uitkeringsgerechtigden. Ook stelt het College vragen bij de onderbouwing van het voorstel en of sprake is van het gelijk behandelen in gelijke gevallen.

Net als het College wil ik dat mensen met een arbeidsbeperking op gelijke voet met anderen mee kunnen doen in de maatschappij, ook als het gaat om werk.

Ik heb in de Hoofdlijnennotitie transparant aangegeven wat de plussen van het voorstel zijn, welke minnen er zijn en wat de uiteindelijke afweging daarbij is die ik heb gemaakt. Ook ben ik op bladzijde 13 en volgende van de Hoofdlijnennotitie ingegaan op de vraag hoe het voorstel zich verhoudt tot het VN-Verdrag voor mensen met een handicap. Ik heb gesproken met veel organisaties, ook cliëntenorganisaties. Mede naar aanleiding van het commentaar van cliëntenorganisaties ben ik in gegaan op de vraag of het voorstel per saldo een verbetering is voor mensen met een arbeidsbeperking. Het doel van het voorstel is om mensen die nu nog moeilijk aan werk komen, meer kansen op werk te bieden. Dit voorstel draagt daartoe bij omdat het instrumentarium voor werkgevers eenvoudiger wordt zodat meer werkgevers mensen met een beperking eerder zullen aannemen; omdat werken vaker loont en omdat we het geld dat we vrijspelen gebruiken om meer mensen te ondersteunen richting werk. Het kabinet is alles afwegende ervan overtuigd dat de invoering van loondispensatie een verbetering is ten opzichte van het instrument loonkostensubsidie.

Het Centraal Planbureau (CPB) is in zijn position paper op verzoek van de vaste commissie SZW ingegaan op de mogelijke effecten van loondispensatie en eventuele alternatieven. Met nadruk wijst het CPB erop dat het CPB de effecten van (voorgenomen) beleid analyseert geen positie inneemt. Verder merkt het CPB op dat de weging van alternatieven een politieke keuze is. Het position paper beperkt zich verder tot een verkenning van de werkgelegenheids-, inkomens- en budgettaire effecten van loondispensatie. Het CPB is dus in dit position paper niet ingegaan op de effecten van het voorstel om de besparingen van het voorstel-loondispensatie in te zetten voor dienstverlening aan mensen met een beperking, onder meer voor extra beschut werkplekken. In de hoofdlijnennotitie en de bijlage daarbij ben ik uitgebreid ingegaan op de budgettaire en -inkomenseffecten van het voorstel. Verder heb ik het belang van een eenduidig instrumentarium voor werkgevers onderstreept en benoemd dat werkgeversorganisaties aangeven dat loondispensatie het voor werkgevers gemakkelijker maakt om mensen met een beperking in dienst te nemen.

Ik heb al aangegeven te hechten aan een zorgvuldig proces. Ik heb met veel mensen gesproken en een op basis van het regeerakkoord (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34) uitgewerkt hoofdlijnenvoorstel naar de Kamer gestuurd (bijlage bij Kamerstuk 34 352, nr. 98). Ook de Kamer heeft veel mensen gesproken, onder meer tijdens de hoorzitting van 18 april. Het is goed om met elkaar nu eerst het debat over de hoofdlijnennotitie te voeren. Daarna volgt de uitwerking van het voorstel in een wetsvoorstel. Graag betrek ik de inbreng van uw Kamer en de expertise van alle betrokken partijen bij de uitwerking van het wetsvoorstel.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark