34 340 Instellen van een commissie van onderzoek

Nr. 14 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 juli 2017

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie van uw Kamer heeft mij bij brief van 1 juni jl. gevraagd een reactie te geven op de berichtgeving van Nieuwsuur met als titel: «Minister Kamp niet vervolgd, ambtenaren wel». Daarnaast heeft de commissie mij verzocht in te gaan op de vraag of de Wet ministeriële verantwoordelijkheid aan eventueel nader strafrechtelijk onderzoek door het Openbaar Ministerie (OM) in de weg zou staan en in hoeverre de aangekondigde wijziging van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid (Wmv) hiervoor een oplossing zou bieden. Ten slotte heeft de commissie gevraagd te worden geïnformeerd over de voortgang van dit wetsvoorstel, zoals eerder verzocht per brief d.d. 18 mei 2017.

In reactie op uw vraag over de uitzending van Nieuwsuur verwijs ik naar de reactie die het OM aan Nieuwsuur heeft gegeven. Het OM heeft in die reactie, die op de website van Nieuwsuur is geplaatst, toegelicht dat er jegens Minister Kamp geen sprake van een verdenking is terwijl dat voor wat betreft de andere door Nieuwsuur genoemde zaak wel het geval is. Zoals uit de reactie van het OM kan worden opgemaakt is sprake geweest van een inhoudelijke beoordeling door het OM.

Naar aanleiding van uw vragen merk ik voorts in zijn algemeenheid het volgende op. Bewindspersonen en Kamerleden staan, ter vervolging wegens ambtsdelicten in hun betrekkingen gepleegd, terecht voor de Hoge Raad. De procureur-generaal bij de Hoge Raad is belast met de vervolging. De opdracht tot vervolging kan alleen worden gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Wanneer in een lopende zaak bij het OM of bijvoorbeeld naar aanleiding van een aangifte een vermoeden rijst van een ambtsdelict door een bewindspersoon of Kamerlid is deze bijzondere procedure aan de orde en is het OM niet bevoegd om (verdere) stappen te ondernemen. Het OM zal de zaak in een dergelijk geval aan de Minister van Veiligheid en Justitie overdragen.

Ten aanzien van de aangekondigde wijziging van de Wmv bericht ik u, mede namens mijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als volgt. Zoals vermeld in de brief van 27 juni 2016 van het presidium van de Tweede Kamer aan de leden van de Tweede Kamer1 is een voorbereidingstraject gestart om te komen tot modernisering van de wetgeving inzake vervolging van Kamerleden en bewindspersonen wegens ambtsdelicten.

Voor de korte termijn is daartoe een beperkte modernisering van de Wmv in gang gezet. De uitgangspunten van de te volgen procedure bij een vermoeden van een ambtsdelict van een bewindspersoon of Kamerlid in hun betrekking gepleegd, zoals in de voorgaande alinea kort geschetst, blijven daarbij in stand. De voorbereiding van een meer fundamentele herziening wordt in handen gelegd van een onafhankelijke commissie van deskundigen, zoals toegelicht in de brief van 23 december jl. aan uw Kamer2. Het aangekondigde wetsvoorstel staat dus in het perspectief van de werkzaamheden van die commissie.

Ten aanzien van de voortgang van het wetsvoorstel kan ik u berichten dat (internet)consultatie heeft plaats gevonden en dat het wetsvoorstel is toegezonden aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok


X Noot
1

Kamerstuk 34 340, nr. 12

X Noot
2

Kamerstuk 34 340, nr. 13

Naar boven