Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2018-201934287 nr. J

34 287 Wijziging van de Wet milieubeheer en de Crisis- en herstelwet in verband met de uitvoering van Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEU 2014, L 124) (implementatie herziening mer-richtlijn)

29 383 Meerjarenprogramma herijking van de VROM-regelgeving

J1 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 31 mei 2019

De leden van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving2 hebben kennisgenomen van de brief3 van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, d.d. 27 maart 2019, waarbij zij de Kamer de reactie op het rappel toezeggingen van januari 2019 aanbiedt.

Naar aanleiding hiervan hebben zij de Minister op 12 april 2019 een brief gestuurd.

De Minister heeft op 29 mei 2019 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving, De Boer

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR INFRASTRUCTUUR, WATERSTAAT EN OMGEVING

Aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat

Den Haag, 12 april 2019

De leden van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief4, d.d. 27 maart 2019, waarbij u de Kamer de reactie op het rappel toezeggingen van januari 2019 aanbiedt.

In uw brief reageerde u onder meer op de nog openstaande toezegging T02446 over de onafhankelijke toetsing van milieueffectrapportages (hierna: m.e.r.). De beknopte beantwoording heeft weliswaar betrekking op de toetsing van MER’en5, maar lijkt met name een vervolg op een eerder schriftelijk overleg met de PvdA- en GroenLinks-fractieleden over de evaluatie van de Tarievenwet Commissie m.e.r.6 De toezegging verwijst echter (mede) naar het debat over het wetsvoorstel Implementatie mer-richtlijn7 en de motie-Vos c.s.8 Naar aanleiding van uw brief willen de fractieleden van PvdA en GroenLinks u daarom gezamenlijk de volgende vragen stellen.

In het debat van 17 januari 2017 over het wetsvoorstel Implementatie mer-richtlijn heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu toegezegd bij de jaarlijkse evaluaties (eigenlijk: voortgangsrapportages) van zowel de Crisis- en herstelwet als de Commissie voor de m.e.r. te betrekken hoe vaak en in welke gevallen een onafhankelijke toets door de Commissie voor de m.e.r. plaatsvindt. De aanleiding hiervoor was het vervallen van de verplichting, maar wel het blijvende belang van een dergelijke toets op kwaliteit bij met name complexe projecten. Wilt u aangeven waar in de betreffende rapportages aan dit aspect aandacht is besteed of aandacht zal worden besteed, dan wel dat op een andere manier aan de toezegging invulling is geven?

De tweede toezegging9 in dit debat betrof het na twee jaar evalueren van de effecten van het niet langer verplicht stellen van een onafhankelijke kwaliteitstoets in het geval van complexe projecten. De Minister van Infrastructuur en Milieu gaf aan de eigen evaluaties hierop aan te passen en het aan de Commissie voor de m.e.r. over te laten hoe hieraan het beste invulling kon worden gegeven. Kunt u aangeven hoe aan deze toezegging invulling is gegeven of op korte termijn zal worden gedaan, en zo nee, waarom niet? Welke afstemming heeft hierover met de Commissie voor de m.e.r. plaatsgevonden?

In uw brief geeft u aan onderzoek te laten doen naar de kwaliteit van milieueffectrapportages en de mogelijkheden om die kwaliteit positief te beïnvloeden. Dit onderzoek is naar verwachting in het derde kwartaal van dit jaar gereed. Dit lijkt met name een vervolg op de evaluatie van de Tarievenwet Commissie m.e.r., waarbij door fractieleden van de PvdA en van GroenLinks vragen gesteld zijn over de groei van het aantal tekortkomingen bij toetsingsadviezen en de relatie met de kosten die met name kleine gemeenten maken bij een beroep op de Commissie voor de m.e.r. Deze leden wezen toen ook op de relatie met de doelen van de Omgevingswet. Hoe kijkt u daar nu tegenaan? Kunt u bevestigen dat de aspecten die de PvdA- en GroenLinks-fractieleden hebben benoemd bij de evaluatie van de Tarievenwet Commissie m.e.r. in het aangekondigde onderzoek worden meegenomen?

In de evaluatie van de Tarievenwet Commissie m.e.r. werd gesignaleerd dat met name bij kleinere gemeenten de expertise afnam en dat in 60% van de toetsingen van MER’en de kwaliteit tekortschoot. In de brief van 13 april 2018 gaf u aan dat er weliswaar sprake was van een negatieve trend bij de toetsingsadviezen en een aantal MER’en voor verbetering vatbaar was, maar dat de MER’en wel van voldoende kwaliteit waren om bevoegde gezagen goed onderbouwde besluiten te laten nemen.10 Hoe kijkt u hier nu tegenaan en is ook dit onderwerp van het aangekondigde onderzoek?

Onlangs heeft de Europese Commissie Bulgarije, Kroatië, Nederland, Frankrijk en Polen opgeroepen hun wetgeving rond milieueffectrapportages in lijn te brengen met de Europese wetgeving. De Commissie geeft aan dat de geactualiseerde richtlijn op twee punten nog onvoldoende is doorgevoerd in de Nederlandse wetgeving. Ten eerste ontbreekt de kwaliteitsborging en ten tweede is deze wetgeving alleen gericht op projecten met aanzienlijke negatieve gevolgen, terwijl alle significante effecten van een project in beeld moeten komen. Heeft u kennisgenomen van de inbreukprocedure die de Europese Commissie is gestart?

Kunt u toelichten welke consequenties het heeft voor lopende procedures indien significante effecten van een project niet in beeld worden gebracht en bezwaarmakers hiervoor naar de rechtbank zouden stappen om te wijzen op dit verzuim? Wilt u de Kamer zo snel mogelijk informeren over de ter zake zijnde reparatie die u van plan bent te treffen binnen de door de Commissie aangegeven termijn van twee maanden?

De leden van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 10 mei 2019.

Voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving J.E.A.M. Nooren

BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 mei 2019

Bij deze beantwoord ik de vragen van de leden van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving, over onafhankelijke toetsing van milieueffectrapportages zoals geformuleerd in de brief met kenmerk 164573.11.1u van 12 april 2019. Omdat ik het antwoord van de Europese Commissie op het al dan niet beschikbaar kunnen stellen van de informatie over de ingebrekestelling wilde afwachten, heeft de beantwoording van uw vragen iets langer op zich laten wachten, waarvoor excuses.

Ten aanzien van de stand van zaken rondom de milieueffectrapportage verwijs ik u naar de jaarrapportages van de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.). Het meest recente overzicht van adviezen op het gebied van milieueffectrapportage vindt u in het Overzicht uitgebrachte adviezen in 2017 – Nederland11.

Met betrekking tot uw vraag hoe vaak en in welke gevallen een onafhankelijke toets door de Commissie m.e.r. plaatsvindt, geeft de Commissie m.e.r. voor het jaar 2017 aan dat zij in totaal 84 verplichte en 84 vrijwillige adviezen uitbracht op m.e.r.-gebied. In 70 procent van de getoetste milieueffectrapporten constateerde zij belangrijke tekorten. Het bevoegd gezag liet in de helft van de gevallen de rapporten later nogmaals door de Commissie toetsen. Daarna was 80 procent van de rapporten compleet. Het overgrote deel van de rapporten voldeed daarmee naar het oordeel van de Commissie m.e.r.

Voor wat betreft het evalueren van het niet langer verplicht stellen van een onafhankelijke kwaliteitstoets en het onderzoek naar de kwaliteit van milieueffectrapportages heb ik recent opdracht gegeven tot een onderzoek naar milieueffectrapportage. Dit onderzoek zal dienen als basis voor het monitoren van de effecten van het niet langer verplicht stellen van een onafhankelijke kwaliteitstoets als de omgevingswet wordt ingevoerd. In dat verband wordt ook nagegaan of en hoe op doelmatige wijze inzicht kan worden verkregen in de uitgevoerde milieueffectbeoordelingen en de hieruit resulterende milieueffectrapporten (MER-en). Daarbij wordt op basis van een steekproef nagegaan wat naar het oordeel van deskundigen de mogelijkheden zijn om ook in de toekomst overzicht te houden op het gebied van m.e.r. Vragen over kwaliteit maken deel uit van het onderzoek. De Commissie m.e.r. is betrokken bij dit onderzoek en levert belangrijke basisinformatie. Ik verwacht u in het derde kwartaal van dit jaar nader te kunnen informeren over de uitkomsten van het onderzoek.

Uw Kamer heeft mij gevraagd naar de consequenties van een aspect van de inbreukprocedure die de Europese Commissie is gestart ten aanzien van de implementatie van de Europese mer-richtlijn, alsmede naar de reparatie die ik op dat punt van plan ben te treffen.

De Europese Commissie heeft bij brief van 7 maart 2019 een ingebrekestelling gestuurd met betrekking tot de Nederlandse omzetting van de mer-richtlijn. De reactie van de Nederlandse regering is tijdig op 7 mei 2019 naar de Europese Commissie gestuurd. In algemene zin is de Nederlandse regering van mening dat de implementatie van de mer-richtlijn juist is.

Verder is het in deze fase van de inbreukprocedure te vroeg om te spreken over consequenties voor lopende procedures. Op basis van de Nederlandse reactie op de ingebrekestelling beslist de Europese Commissie of zij de zaak doorzet en zo ja, op welke punten. Indien zij dit doet, brengt zij een met redenen omkleed advies uit. Nederland heeft dan twee maanden de tijd om daarop te reageren. Daarna besluit de Europese Commissie of zij een procedure bij het Hof van Justitie start.

Op de genoemde specifieke punten van de ingebrekestelling kan ik vanwege het vertrouwelijke karakter ervan inhoudelijk niet ingaan. Daarvoor verwijs ik naar mijn brief met kenmerk IENW/BSK-2019/87029 van 24 april 2019 aan de Tweede Kamer. Uit het antwoord van de Europese Commissie op mijn verzoek om raadpleging over openbaarmaking van de stukken, blijkt dat zij er niet mee kan instemmen dat de stukken met betrekking tot de ingebrekestelling openbaar worden gemaakt.

Om u toch zoveel als mogelijk te informeren zal ik een afschrift van de ingebrekestelling en het antwoord dat ik aan de Europese Commissie heb gestuurd vertrouwelijk ter inzage aan uw Kamer aanbieden.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 mei 2019

De vaste Kamercommissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft mij op 14 maart 2019 (kenmerk 2019Z05088/2019D10609) verzocht om een schriftelijke reactie inclusief toelichting op de berichtgeving dat de Nederlandse milieueffectbeoordelingswetgeving niet zou voldoen aan de Europese eisen hierover, alsmede de stukken van de Europese Commissie waarin zij haar bezwaren in dezen uit.

Bij brief van 24 april 2019 (IENW/BSK-2019/87029) heb ik u meegedeeld dat ik de procedure in gang heb gezet om de Europese Commissie te raadplegen over het toesturen van de ingebrekestelling aan de Tweede Kamer. Daarnaast heb ik uw Kamer op een vraag van het lid Bruins op 30 april 2019 (TK 2018 – 2019, aanhangsel, 2394) geantwoord dat de Europese Commissie Nederland enkele vragen heeft gesteld over de toepassing van artikel 11 van de mer-richtlijn en dat ik de Europese Commissie ook zal raadplegen over het toesturen van deze correspondentie aan de Tweede Kamer.

De ingebrekestelling, het voorgenomen antwoord daarop en bovengenoemde correspondentie zijn vervolgens voor vertrouwelijke inzage aan uw Kamer aangeboden.

Het antwoord van de Europese Commissie op het verzoek om raadpleging heb ik 9 mei 2019 ontvangen. Met deze brief geef ik gevolg aan mijn toezegging in de brief van 24 april 2019 om u te informeren over het antwoord van de Europese Commissie.

Uit het antwoord blijkt dat de Europese Commissie er niet mee kan instemmen dat de stukken met betrekking tot de ingebrekestelling en bovengenoemde correspondentie openbaar worden gemaakt.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga


X Noot
1

Letter J heeft alleen betrekking op wetsvoorstel 34 287.

X Noot
2

Samenstelling:

Ten Hoeve (OSF), Huijbregts-Schiedon (VVD), Kuiper (CU), Schaap (VVD), Flierman (CDA), P. van Dijk (PVV), Atsma (CDA), D.J.H. van Dijk (SGP), Don (SP), Jorritsma-Lebbink (VVD) (vicevoorzitter),N.J.J. van Kesteren (CDA), Köhler (SP), Meijer (SP), Nooren (PvdA) (voorzitter), Pijlman (D66), vac. (D66), Stienen (D66), Verheijen (PvdA), Klip-Martin (VVD), Baay-Timmerman (50PLUS), A.J.M. van Kesteren (PVV),Van der Sluijs (PVV), Van Zandbrink (PvdA), Fiers (PvdA), Teunissen (PvdD), Binnema (GL)

X Noot
3

Kamerstukken I 2018/19, 35 000 XII, F.

X Noot
4

Kamerstukken I 2018/19, 35 000 XII, F.

X Noot
5

Milieueffectrapporten.

X Noot
6

Kamerstukken I 2017/18, 29 383, N.

X Noot
7

Kamerstukken 34 287.

X Noot
8

Kamerstukken I 2016/17, 34 287, G.

X Noot
9

Dit betreft eveneens toezegging T02446.

X Noot
10

Kamerstukken I 2017/18, 29 383, N, p. 5.+