Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634157 nr. 20

34 157 Implementatie van richtlijn nr. 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU L294)

34 159 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met aanvulling van bepalingen over de verdachte, de raadsman en enkele dwangmiddelen

Nr. 20 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 mei 2016

Tijdens de plenaire behandeling van de wetsvoorstellen met Kamerstuk 34 157 en met Kamerstuk 34 159 op 25 mei jongstleden (Handelingen II 2015/16, nr. 87, debat over recht op toegang tot advocaat in strafprocedures) jongstleden heb ik toegezegd om in een brief nader te reageren op het bij wetsvoorstel met Kamerstuk 34 157 ingediende amendement met Kamerstuk 34 157, nr. 10 van het lid Swinkels (D66). In dat amendement wordt voorgesteld om in de wet een definitie op te nemen van kwetsbare verdachten (voor wie op grond van het wetsvoorstel standaard een raadsman wordt opgeroepen).

Tijdens de plenaire behandeling heb ik het amendement ontraden. De definitie in het amendement breidt het begrip kwetsbare verdachte te zeer uit, zeker in het licht van de mededeling van het lid Swinkels tijdens de plenaire behandeling dat de definitie niet limitatief bedoeld is. De uitbreiding met verdachten «die gelet op hun psychische gesteldheid op het moment van aanhouding niet in staat zijn de gevolgen van hun beslissing te overzien» is in mijn ogen te ruim. Ik gaf tijdens de plenaire behandeling al het voorbeeld van verdachten die alcohol of verdovende middelen hebben gebruikt, maar die prima in staat zijn zich een oordeel te vormen over de vraag of zij rechtsbijstand wensen. Ik zie niet in waarom voor deze verdachten andere regels over rechtsbijstand zouden moeten gelden dan voor volwassen verdachten in het algemeen. Als zij door middelengebruik in het geheel niet aanspreekbaar zijn, geldt dat zij ook nu niet kunnen worden verhoord. Voor zover het amendement is ingegeven door afdoening zonder rechtsbijstand van zaken via de ZSM-werkwijze bij evenementen en festivals, merk ik op dat het openbaar ministerie daarbij als uitvoeringsmaatregel hanteert dat in gevallen waarin er geen rechtsbijstand kan worden verleend, er geen strafbeschikking wordt uitgevaardigd zonder mogelijkheid van verzet, zoals bij direct betalen. Ik meen dat de rechtsbescherming van kwetsbare verdachten op evenwichtige wijze is vormgegeven in het wetsvoorstel. Voor de uitleg van kwetsbare verdachten moet in mijn ogen worden aangesloten bij wat daarover in de memorie van toelichting is gezegd.

Het lid Van Toorenburg (CDA) vroeg mij nog eens te reflecteren op de vraag of rechtsbijstand voor jeugdige verdachten in bepaalde gevallen niet wat zwaar aangezet is en hoe zich dit verdraagt met een in bepaalde gevallen wenselijke, meer opvoedkundige aanpak. De wetsvoorstellen staan niet in de weg aan alternatieve afdoeningswijzen ten aanzien van jeugdige verdachten. In geval van vrijheidsbeneming van een jeugdige verdachte voorzien de wetsvoorstellen in verplichte consultatiebijstand. Zoals ik tijdens de plenaire behandeling aangaf is verplichte consultatiebijstand bedoeld om aangehouden jeugdige verdachten te beschermen. De inmiddels tot stand gekomen EU-richtlijn over de procedurele rechten van minderjarige verdachten laat in geval van vrijheidsbeneming geen afstand van rechtsbijstand toe (richtlijn 2016/800, PbEU 2016 L132). Het heeft in mijn ogen geen zin om nu in de wetsvoorstellen ten aanzien van aangehouden jeugdige verdachten een uitzondering te scheppen die later, bij de implementatie van de genoemde richtlijn, weer zou moeten worden teruggedraaid. Daar is ook overigens geen reden toe. Aangehouden jeugdige verdachten krijgen consultatiebijstand van een advocaat die in het jeugdstrafrecht gespecialiseerd is. De raadsman kan met de verdachte en de verhoorders ook de mogelijkheid bespreken voor een alternatieve afdoeningswijze met een meer opvoedkundig karakter zoals een Halt-afdoening of een vermaning. Het is dus zeker niet zo dat verplichte consultatiebijstand in de weg behoeft te staan aan een dergelijke afdoeningswijze.

Binnen de politie is aandacht voor de omgang met kwetsbare personen. In het initiële politieonderwijs zijn in 2014 alle sociale vaardigheidsdocenten bijgeschoold door de inhoudsdeskundigen van de Politieacademie op het horen van kwetsbare personen. Hiermee wordt aan alle aspiranten de basiskennis over kwetsbare personen meegegeven. Voor reeds opgeleide medewerkers van de politie heeft de Politieacademie een samenhangend opleidingspakket ontwikkeld. Daarnaast hanteert de politie in de dagelijkse politiepraktijk nauwkeurige protocollen die instructies geven voor de omgang met kwetsbare personen.

De conclusie is dat mijn nadere reflectie op de opmerkingen van het lid Van Toorenburg mij geen aanleiding geeft om terug te komen van mijn opvatting op dit punt.

Van de gelegenheid maak ik gebruik om nader in te gaan op het bij wetsvoorstel met Kamerstuk 34 159 ingediende amendement van het lid Van Oosten (VVD) met Kamerstuk 34 159, nr. 9. Op dat amendement ben ik tijdens de plenaire behandeling gelet op het late tijdstip van de behandeling slechts summier ingegaan en heb het ontraden. Het amendement regelt dat bij het verhaal van de kosten van rechtsbijstand de financiële draagkracht van de veroordeelde wordt gerelateerd aan het minimumloon (ruim € 18.000). Voor de inkomensgrens waarboven kostenverhaal mogelijk is, is in het wetsvoorstel aangesloten bij de inkomensgrens van de Wet op de rechtsbijstand (€ 26.000 volgens artikel 34). Bij verlaging van de grens bij het kostenverhaal zoals voorgesteld in het amendement, ontstaat ongelijke behandeling tussen enerzijds veroordeelden die zijn bijgestaan op basis van een door hen zelf aangevraagde toevoeging en anderzijds veroordeelden die zijn bijgestaan via een ambtshalve last, voor wie de regeling inzake kostenverhaal geldt. Voor deze ongelijke behandeling bestaat geen rechtvaardiging. Het kan meebrengen dat een verdachte met een lager inkomen, ten behoeve van wie een ambtshalve last is afgegeven, na veroordeling de volledige kosten van verleende rechtsbijstand moet vergoeden, terwijl de verdachte met een hoger inkomen die op basis van een zelf aangevraagde toevoeging heeft geprocedeerd, dat niet hoeft. Dit amendement zou het bestaande systeem van rechtsbijstand in strafzaken doorkruisen en ik acht dat onwenselijk.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur