Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534145 nr. 3

34 145 Wijziging van de Advocatenwet, de Gerechtsdeurwaarderswet en de Wet op het notarisambt in verband met het doorberekenen van de kosten van toezicht en tuchtrechtspraak aan de beroepsgroepen (Wet doorberekening kosten toezicht en tuchtrecht juridische beroepen)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Doel en strekking van het wetsvoorstel

Dit wetsvoorstel strekt ertoe de kosten van het toezicht op notarissen en gerechtsdeurwaarders en de kosten van tuchtrechtspraak van advocaten, notarissen en gerechtsdeurwaarders door te berekenen aan de beroepsgroepen. De verantwoordelijkheid voor de handhaving van en het bevorderen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening door deze beroepsgroepen ligt immers primair bij deze beroepsgroepen. Concreet komt dit erop neer dat de kosten ten laste worden gebracht van, in het geval van notarissen, de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (hierna: KNB), in het geval van advocaten, de Nederlandse orde van advocaten (hierna: NOvA) en in geval van gerechtsdeurwaarders, de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (hierna: KBvG).

De ratio voor het doorbelasten van de kosten van toezicht en tuchtrechtspraak is tweeledig. Ten eerste hebben de beroepsbeoefenaren zelf primair voordeel van het wettelijke toezicht en de tuchtrechtspraak. Beide instrumenten versterken immers de kwaliteit en de integriteit van de beroepsgroepen en vormen een belangrijke waarborg voor het maatschappelijk draagvlak voor de bijzondere positie die deze beroepsgroepen innemen. Door deze bijzondere positie profiteren de betreffende beroepsgroepen van verschillende privileges, zoals een domeinmonopolie. Anders gezegd: de beroepsregulering stelt hen in staat om een inkomen te verwerven vanuit werkzaamheden die zij met uitsluiting van anderen mogen verrichten. De bijzondere positie en de daaraan verbonden privileges brengt de noodzaak van toezicht mee, waarbij er onder meer op wordt toegezien dat de bevoegdheden uitsluitend worden gebruikt waarvoor zij zijn toegekend. Het aan de beroepsbeoefening verbonden tuchtrecht dient evenzeer om het vertrouwen in de beroepsgroep hoog te houden. Het tuchtrecht draagt enerzijds bij aan het zuiver houden van de beroepsgroep en het voorkomen van ongewenste uitwassen. Anderzijds draagt het tuchtrecht bij aan het vertrouwen van de samenleving in de kwaliteit en integriteit van de beroepsbeoefenaren. Het is dan ook passend dat de beroepsbeoefenaren die van deze bijzondere positie profiteren, ook de kosten van het toezicht en het tuchtrecht dragen.

Het instrument waarmee een afweging kan worden gemaakt of in een bepaald domein doorberekening van kosten van handhaving mogelijk en opportuun is, is het rapport Maat houden1.

Dit instrument heeft mede ten grondslag gelegen aan het wetsvoorstel doorberekenen van de kosten van toezicht en tuchtrecht aan de juridische beroepsgroepen.

Ten tweede zorgt doorbelasting van de kosten voor een financiële prikkel om te zorgen voor een efficiënte wijze van inrichting van de kwaliteits- en integriteitsbewaking binnen de beroepsgroepen zelf. Het stimuleert zowel de beroepsorganisaties als de individuele beroepsbeoefenaren om de beroepsuitoefening zodanig in te richten dat er zo min mogelijk kosten worden gemaakt aan toezicht en tuchtrecht. Zo stimuleert de doorberekening van de kosten van het tuchtrecht de beroepsorganisaties om te werken aan een efficiënte, laagdrempelige afhandeling van klachten, zodat uitsluitend klachten bij de tuchtrechter belanden die daar daadwerkelijk thuis horen. Door actief te werken aan kwaliteitsaudits, intervisie en peer reviews kunnen de beroepsgroepen zelf de kwaliteit van de beroepsuitoefening versterken en daarmee klachten daarover voorkomen. Een en ander klemt temeer nu er een ontwikkeling te zien valt waarbij het aantal tuchtklachten toeneemt. Uit de gezamenlijke jaarverslagen van het hof van discipline en de raden van discipline over de jaren 2010 en 2011 blijkt bijvoorbeeld dat in 2010 de raden bijna een kwart meer zaken kregen aangeboden dan in het voorgaand jaar. Het aantal zaken bij de raden steeg van 1.020 in 2009 tot 1.240 in 2010. Uit de cijfers over het jaar 2011 (1.200) blijkt dat het aantal zich op dit – hoge – niveau lijkt te stabiliseren. In 2012 is een forse stijging van het aantal door de raden ontvangen klachten te zien. Er werden 1400 klachten ontvangen, hetgeen een stijging van 17% is ten opzichte van 2011. Als gevolg hiervan nemen de kosten van een en ander eveneens toe, hetgeen vraagt om een meer kostenefficiënte benadering.

In het licht van het voorgaande is het redelijk om de kosten die verbonden zijn aan het wettelijke toezicht en tuchtrecht ten laste van de beroepsgroepen te brengen. Voor wat betreft het doorberekenen van de kosten van tuchtrecht gaat dit verder dan het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het rapport «Beleidsuitgangspunten wettelijk geregeld tuchtrecht» uit 20062. In dat kabinetsstandpunt was opgenomen dat de beroepsgroepen zelf zorg moesten dragen voor de kosten van klachtbehandeling bij de tuchtrechter in eerste aanleg en de staat de kosten voor hoger beroep zou bedragen. Daarbij werd destijds al aangegeven dat het kabinet het principieel gewenst achtte dat de beroepsgroep een bijdrage levert aan de kosten van de eigen tuchtrechtspraak. Het tuchtrecht dient immers ter bewaking van het goed functioneren van de beroepsgroepen. Hierdoor hebben de beroepsgroepen een direct belang bij een eigen tuchtrecht als sluitstuk van het kwaliteitsbewakingssysteem van de beroepsgroep. Het door de beroepsgroepen doen dragen van de kosten van tuchtrechtspraak is bovendien een duidelijke prikkel voor hen om door (preventief) kwaliteitsbeleid, een goede klachtenregeling en effectief toezicht het aantal te behandelen tuchtzaken te beperken. Hierdoor hoeven uiteindelijk alleen die zaken die zich daadwerkelijk daartoe lenen bij de tuchtrechter te belanden, en wordt deze zo effectief mogelijk ingezet. Het kabinet heeft in 2007 weliswaar het voorstel gedaan om in beginsel alleen de kosten van de eerste aanleg in rekening te brengen bij de beroepsgroep, maar niet uitgesloten dat voor een andere verdeling van de financiële verantwoordelijkheid gekozen kan worden. Met onderhavig wetsvoorstel wordt van die ruimte gebruik gemaakt op grond van de hierboven genoemde nadere inzichten. Daarmee wordt tevens uitvoering gegeven aan de bijlage bij het regeerakkoord van oktober 2010 en de bijlage II uit het gedoogakkoord van 2010, waaruit voortvloeit dat de kosten van het toezicht op onder andere notarissen doorberekend worden aan de beroepsgroep zelf, evenals de kosten van de tuchtrechtspraak. De doorberekening van de kosten van toezicht en tuchtrecht wordt onderschreven door het huidige kabinet. Voor wat betreft het beleidsdomein van Veiligheid en Justitie wordt met deze wetswijziging ten aanzien van notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders invulling gegeven aan de genoemde maatregelen.

Systematiek

Advocaten, gerechtsdeurwaarders en notarissen zijn van rechtswege lid van de publiekrechtelijke beroepsorganisatie (Pbo’s) NOvA, KBvG en KNB (zie de artikelen 134 Grondwet, 17, eerste lid, Advocatenwet, 56 Gerechtsdeurwaarderswet en 60 Wet op het notarisambt). De beroepsorganisaties kunnen hun leden binden op grond van hun verordende bevoegdheid. De beroepsorganisaties kunnen op grond daarvan zelf bepalen op welke wijze zij kosten, die gemoeid zijn met de beroepsorganisatie, in rekening brengen bij de leden. De leden betalen in elk geval op grond van de verordeningen een jaarlijkse bijdrage aan hun Pbo (zie artikelen 32, tweede lid, van de Advocatenwet, 78 van de Gerechtsdeurwaarderswet en 87 van de Wet op het Notarisambt). Met dit wetsvoorstel wordt ervoor gekozen de kosten die vanuit de rijksoverheid worden gemaakt voor het toezicht op de gerechtsdeurwaarders en notarissen en het tuchtrecht voor deze beroepen en de advocatuur in rekening te brengen bij de betreffende Pbo’s. Vanuit het oogpunt van een efficiënte omslag en inning van kosten is dit de meest voor de hand liggende methode. De Pbo’s kunnen deze kosten vervolgens bij de individuele beroepsbeoefenaren in rekening brengen via de jaarlijkse bijdrage aan de Pbo.

2. Toezicht en tuchtrecht

Onder toezicht wordt in casu verstaan de controle op naleving van wettelijke voorschriften zoals wetgeving in formele zin en in verordeningen vastgelegde beroeps- en gedragsregels, etc. Toezicht voorziet erin vroegtijdig en stelselmatig normovertredingen te signaleren en waar mogelijk te voorkomen. Het toezicht bestaat uit het verwerven van informatie, het bepalen van een oordeel over het handelen en nalaten van beroepsbeoefenaren en, bij gebleken noodzaak, uit het nemen van maatregelen om het gedrag van beroepsbeoefenaren te beïnvloeden. Het heeft tot doel de kwaliteit en integriteit van de beroepsuitoefening te bewaken en te bevorderen. Ook draagt toezicht eraan bij dat maatschappelijke risico’s die samenhangen met de bijzondere positie van de beroepsgroepen – zoals het mogelijk misbruik van het verschoningsrecht in het geval van advocaten en notarissen – vroegtijdig kunnen worden opgespoord. Van de uitvoering van controles op de naleving van wettelijke voorschriften, zonder dat van een overtreding hoeft te zijn gebleken, gaat een belangrijke preventieve werking uit. Zo kunnen in een vroegtijdig stadium gedragingen, die strijdig zijn met een wettelijk voorschrift, worden voorkomen of kan door bijvoorbeeld aansporingen na constatering van een overtreding worden bereikt dat voorschriften alsnog worden nageleefd.

Hoewel toezicht niet het enige instrument is om de integriteit en kwaliteit van een beroepsgroep te bevorderen en te bewaken, heeft toezicht wel een duidelijk andere functie dan bijvoorbeeld tuchtrechtspraak of kwaliteitsbevordering door de beroepsgroep zelf. Voor het waarborgen van het publieke vertrouwen in de kwaliteit en de integriteit van beroepsbeoefenaren die een bijzondere positie bekleden kan goed geregeld toezicht niet worden gemist. Hiermee kan zoveel mogelijk worden voorkomen dat schade wordt toegebracht aan het vertrouwen van de burgers in de beroepsgroep. Belangrijk verschil tussen tuchtrechtspraak en toezicht is dat toezicht plaatsvindt zonder dat van een overtreding hoeft te zijn gebleken. Toezicht heeft daarmee veel meer een preventief karakter. Tuchtrechtspraak is reactief van aard en komt pas aan de orde als geklaagd wordt over een mogelijke overtreding. Wel kan de aanleiding voor de tuchtrechtelijke behandeling van een gedraging van een beroepsbeoefenaar gelegen zijn in een klacht van de toezichthouder, die tot deze klacht komt naar aanleiding van toezichthoudende werkzaamheden3. Ook het tuchtrecht draagt bij aan de bewaking en bevordering van de kwaliteit en integriteit van de beroepsgroepen. Niet alleen heeft het een corrigerend effect in geval van gebleken normschendingen, ook bevordert het de waakzaamheid van beroepsbeoefenaren bij het voorkomen van norm schendend gedrag.

Regeling in de Wet op het notarisambt

Met de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet op het notarisambt naar aanleiding van de evaluatie van die wet, alsmede regeling van enkele andere onderwerpen in die wet en wijziging van de Wet op het centraal testamentenregister en van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme heeft het Bureau Financieel Toezicht (hierna: Bureau) er in het kader van toezicht op notarissen een taak bij gekregen. Het Bureau, dat voor de inwerkingtreding van die wet al belast was met het financieel toezicht op notarissen, is sindsdien ook belast met het toezicht op de kwaliteit en integriteit van notarissen4. Het toezicht door het Bureau, dat is geregeld in de artikelen 110 en verder van de Wet op het notarisambt, is extern toezicht en ziet op de volle omvang van het ambt (integraal toezicht). Op grond van artikel 111 van de Wet op het notarisambt worden de kosten van het Bureau op dit moment geheel door de rijksoverheid gedragen.

De tuchtrechtspraak over de notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen wordt in eerste aanleg uitgeoefend door de kamers voor het notariaat en in hoger beroep door het gerechtshof Amsterdam. Tegen de beslissingen van het gerechtshof is geen hogere voorziening toegelaten (zie de artikelen 94 e.v. van de Wet op het notarisambt). Voor de inwerkingtreding van deze wijzigingswet bepaalde de Wet op het notarisambt (artikel 94, derde lid,) dat de kosten van de tuchtrechtspraak in eerste aanleg ten laste van de Staat komen. Aangezien het hoger beroep tegen beslissingen van de tuchtrechter in eerste aanleg worden behandeld door het gerechtshof Amsterdam, werden de kosten van het hoger beroep, voor de inwerkingtreding van deze wijzigingswet, eveneens geheel gedragen door de rijksoverheid.

Regeling in de Advocatenwet

Vóór de inwerkingtreding van de Wet positie en toezicht advocatuur5 werd het toezicht op de naleving door advocaten van het bepaalde bij of krachtens de Advocatenwet (met inbegrip van verordeningen van de NOvA) in de praktijk uitgeoefend door de lokale dekens. In dat kader kon de deken een advocaat reeds om inlichtingen vragen en nader onderzoek verrichten. Om deze controles plaats te kunnen laten vinden, voorzien de Gedragsregels 1992 in de mogelijkheid om de geheimhoudingsplicht van advocaten te doorbreken (regel 37).

De kosten van het toezicht door de dekens werden voor inwerkingtreding van de Wet positie en toezicht advocatuur al gedragen door de advocatuur, aangezien dekens onderdeel vormen van de NOvA en voor hun werk een vergoeding ontvingen vanuit de advocatuur. De dekens worden bij hun taakuitoefening ondersteund door medewerkers, die eveneens een vergoeding van de advocatuur ontvangen. Het toezicht op advocaten door de dekens was op dat moment formeel nog niet integraal van karakter. Voor zover het betreft het toezicht op de naleving door advocaten van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) werd het toezicht formeel nog uitgeoefend door het Bureau. Dat deel van de kosten van het toezicht op advocaten werd op dat moment derhalve betaald vanuit de rijksoverheid.

Met de inwerkingtreding van de Wet positie en toezicht advocatuur op 1 januari 2015 wordt het toezicht op de advocatuur herzien. De Wet positie en toezicht advocatuur voorziet in de invoering van integraal toezicht op alle advocaten, zodat het Bureau hierin geen rol meer vervult. Het feitelijke toezicht wordt op grond van deze wet in de praktijk nog altijd uitgeoefend door de lokale dekens, die hiertoe worden aangemerkt als toezichthouder in de zin van artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de beschikking krijgen over bestuursrechtelijke toezichtinstrumenten. De kosten van het integrale toezicht op advocaten komen geheel ten laste van de advocatuur.

De tuchtrechtspraak voor advocaten wordt in eerste aanleg uitgeoefend door de raden van discipline en in hoger beroep, tevens in hoogste ressort, door het hof van discipline (zie de artikelen 46 e.v. van de Advocatenwet). De tuchtcolleges in eerste aanleg bestaan uit een voorzitter, plaatsvervangende voorzitters, leden-advocaten en plaatsvervangende leden-advocaten. De voorzitter en plaatsvervangende voorzitters worden benoemd uit leden van de rechterlijke macht, met rechtspraak belast (art. 46b Advocatenwet). Artikel 50a, eerste lid, van de Advocatenwet bepaalt dat de kosten die verbonden zijn aan het voorzitterschap en het plaatsvervangend voorzitterschap ten laste komen van de staat. De reis- en verblijfkosten van de leden-advocaten en de plaatsvervangende leden-advocaten alsmede van de griffier komen op grond van artikel 50a, tweede lid, van de Advocatenwet nu al ten laste van de NOvA. Het hof van discipline wordt gevormd door een voorzitter, plaatsvervangende voorzitters, leden-advocaten, plaatsvervangende leden en plaatsvervangende leden-advocaten (artikel 51 Advocatenwet). De voorzitter, plaatsvervangende voorzitters, en plaatsvervangende leden worden benoemd uit leden van de rechterlijke macht, met rechtspraak belast. Artikel 60 van de Advocatenwet geeft vervolgens regels over de bekostiging van het hof van discipline. De kosten van het lidmaatschap van door de Kroon benoemde leden en plaatsvervangende leden komen thans ten laste van de staat (eerste lid). De leden-advocaten en plaatsvervangende leden-advocaten alsmede de griffier ontvangen vergoeding van reis- en verblijfkosten en verdere verschotten van de NOvA. De griffier ontvangt op grond van het tweede lid bovendien een vergoeding van de NOvA (zie ook onder 3. Financiële gevolgen). De overige kosten van het hof komen – een specifieke uitzondering daargelaten – ten laste van de NOvA (derde lid). Dit wetsvoorstel gaat uit van de tekst van de Advocatenwet zoals deze met ingang van 1 januari 2015 luidt.

Regeling in de Gerechtsdeurwaarderswet

Toezicht op gerechtsdeurwaarders is in de Gerechtsdeurwaarderswet thans alleen geregeld met betrekking tot de naleving van enkele in de wet neergelegde specifieke verplichtingen van administratieve en financiële aard (zie de artikelen 30 e.v.). Het gaat hier met name om verplichtingen betreffende het voeren van de kantoor- en privéadministratie en het aanhouden van een rekening ten behoeve van derdengelden. Dit externe toezicht geschiedt door het Bureau. De kosten daarvan komen op grond van artikel 111 van de Wet op het notarisambt ten laste van de rijksoverheid.

Een regeling van niet-financieel toezicht op gerechtsdeurwaarders ontbreekt thans in de Gerechtsdeurwaarderswet. In het kabinetstandpunt inzake het rapport Van der Winkel is onderschreven dat het wenselijk is om integraal toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalde wettelijk te regelen6. Een en ander is betrokken bij de herziening van de Gerechtsdeurwaarderswet ter implementatie van het kabinetsstandpunt. Het wetsvoorstel tot wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet in verband met de evaluatie van het functioneren van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, alsmede de regeling van enkele andere onderwerpen in die wet, is op 1 oktober 2014 aan de Tweede Kamer aangeboden7. Voor een wettelijke regeling van het integraal toezicht op gerechtsdeurwaarders is aangesloten bij de wijze waarop dit is geregeld voor het notariaat. Ten aanzien van het toezicht wordt voorgesteld om integraal toezicht in te voeren dat preventief van aard is, dat ook op de integriteit van de gerechtsdeurwaarder ziet en dat wordt uitgevoerd door een onafhankelijke toezichthouder. Deze taak wordt in het wetsvoorstel opgedragen aan het Bureau. In de samenloopbepalingen van onderhavig wetsvoorstel is opgenomen dat ook de met het integrale toezicht gemoeide kosten geheel ten laste van de beroepsgroep worden gebracht.

De met tuchtrechtspraak belaste instantie in eerste aanleg is de kamer voor gerechtsdeurwaarders. De tuchtrechtspraak in hoger beroep wordt uitgeoefend door het gerechtshof Amsterdam. Tegen de beslissingen van het gerechtshof is geen hogere voorziening toegelaten, behoudens cassatie in het belang der wet (zie artikel 34 e.v. van de Gerechtsdeurwaarderswet). Ook de kamer voor gerechtsdeurwaarders kent een gemengde samenstelling. De Minister van Veiligheid en Justitie benoemt de leden (waaronder de voorzitter) en plaatsvervangende leden (waaronder plaatsvervangende voorzitters) vanuit voor het leven benoemde leden van de rechterlijke macht (artikel 35, tweede lid, Gerechtsdeurwaarderswet). Daarnaast benoemt de Minister vanuit de gerechtsdeurwaarders leden en plaatsvervangende leden (derde lid). De reis- en verblijfkosten van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden alsmede de secretaris komen ten laste van de rijksoverheid (zevende lid). Omdat in artikel 45, derde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet is bepaald dat het hoger beroep wordt behandeld door een kamer van het gerechtshof Amsterdam, komen de kosten van de behandeling van het hoger beroep thans geheel ten laste van de rijksoverheid.

3. Financiële gevolgen

Uit het voorgaande volgt dat de kosten van het toezicht en tuchtrecht thans gedeeltelijk worden gedragen door de rijksoverheid, afhankelijk van de beroepsgroep die het betreft. Dit wetsvoorstel strekt ertoe de kosten die nu nog worden gedragen door de rijksoverheid geheel ten laste van de verschillende beroepsgroepen te doen komen. Hieronder wordt geschetst welke kosten het betreft.

Het Bureau is thans belast met het integrale toezicht op het notariaat en het financieel toezicht op de gerechtsdeurwaarderij. De totale kosten van het toezicht door het Bureau bedroegen in 2011 € 6 miljoen. Hiervan werd een bedrag van € 3.9 miljoen uitgegeven aan het toezicht op het notariaat en de gerechtsdeurwaarders. De kosten van het toezicht op het notariaat bedroegen in 2011 € 3 miljoen en de kosten van het toezicht op de gerechtsdeurwaarders bedroegen € 0,9 miljoen.

De kosten voor dit toezicht door het Bureau worden via de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie bekostigd vanuit de algemene middelen. De kosten van het toezicht op de advocatuur worden nu al door de beroepsgroep gedragen8.

Voor wat betreft de bekostiging van de tuchtrechtspraak geldt het volgende. De tuchtkamers in eerste aanleg voor het notariaat en de gerechtsdeurwaarderij worden bekostigd uit de algemene middelen, voor zover het betreft de kosten van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter (die leden van de rechterlijke macht zijn), de secretarissen (die als gerechtssecretaris werkzaam zijn bij de rechtbanken) en de kosten van huisvesting (feitelijk in de rechtbank). In het geval van de advocatuur worden de kosten van de voorzitter en plaatsvervangende voorzitters van de tuchtcolleges en nog enkele materiële kosten gedragen door de rijksoverheid. De notarisleden en gerechtsdeurwaardersleden van de tuchtcolleges ontvangen geen vergoeding voor hun werk. De advocaatleden en de griffiers van de raden van discipline ontvangen wel een vergoeding, welke reeds naar de huidige tekst van de wet al ten laste van de NOvA komen. Dit wetsvoorstel brengt daar geen verandering in. Deze vergoedingen worden (deels) bekostigd door een subsidie die het Ministerie van Veiligheid en Justitie in het verleden aan de NOvA heeft verstrekt. Deze subsidie wordt over een verloop van enkele jaren afgebouwd, opdat ook deze kosten op den duur geheel ten laste van de beroepsgroep komen. Het subsidiebedrag bedroeg in 2011 € 0,6 miljoen. Dit bedrag wordt als volgt afgebouwd. In 2012 ontving de NOvA 50% van dit bedrag en in 2013 25%. Vanaf 2014 wordt deze subsidie niet meer verstrekt.

De kosten van de tuchtrechtspraak die in 2011 door de rijksoverheid werden gedragen, bedragen voor het notariaat ca. € 1,7 miljoen per jaar, voor de gerechtsdeurwaarders ca. € 0,5 miljoen per jaar en de advocatuur ca. € 1,2 miljoen per jaar.

Een en ander brengt mee dat de totale kosten van toezicht en tuchtrecht die nu nog door de rijksoverheid worden gedragen jaarlijks ca. € 7 miljoen bedragen.

De voorliggende wijzigingen brengen financiële verzwaringen mee voor de verschillende beroepsgroepen. Vanuit de beroepsgroepen is er dan ook aandacht gevraagd voor het treffen van aanvullende voorzieningen die ertoe strekken of kunnen strekken dat de kosten als gevolg van met name de tuchtrechtspraak beheersbaar zijn en zoveel mogelijk worden neergelegd bij degenen die uiteindelijk verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het feit dat een tuchtprocedure is geïnitieerd (derhalve de tuchtrechtelijk veroordeelde beroepsbeoefenaar). Hierbij passen ook maatregelen die zoveel mogelijk bevorderen dat klachten over beroepsbeoefenaren op een zo laagdrempelige (en doorgaans goedkopere) wijze worden opgelost, zodat de tuchtrechter zich alleen hoeft te buigen over zaken die daar ook daadwerkelijk thuis horen. Met dit wetsvoorstel wordt tevens in dergelijke regelingen voorzien. Zo wordt voorzien in de invoering van de heffing van een griffierecht, waarmee een drempel wordt opgeworpen voor bagatelklachten. De geïnde griffierechten komen ten gunste van de beroepsgroep. De beroepsgroepen kunnen daarnaast initiatieven ontplooien om de weg naar een laagdrempelige alternatieve geschillenafdoening, zoals mediation of een (interne) klachten- en geschillenregeling, te stimuleren. Voorts wordt met dit wetsvoorstel ingevoerd dat in geval de beklaagde beroepsbeoefenaar tuchtrechtelijk wordt veroordeeld en hem een maatregel wordt opgelegd, de tuchtrechter tevens een uitspraak doet over de doorberekening van kosten die in het kader van het tuchtgeding zijn gemaakt aan de betrokken beroepsbeoefenaar. Met dergelijke maatregelen kunnen de kosten als gevolg van dit wetsvoorstel voor de beroepsgroepen als geheel worden beperkt.

Administratieve lasten en bedrijfseffecten

Deze wet brengt geen administratieve lasten voor burgers of bedrijven met zich. De door de beroepsgroepen in de toekomst te dragen extra kosten kunnen via de jaarlijks verplichte afdracht worden geïnd door de Pbo’s. Dit vergt in principe geen aanvullende administratieve handeling voor de individuele beroepsbeoefenaar.

4. Consultatie

Een ontwerp van deze wet is ter consultatie voorgelegd aan de KNB, de NOvA, de KBvG, het Bureau, de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), de raden en het hof van discipline, de kamer voor gerechtsdeurwaarders, de kamers voor het notariaat, het gerechtshof Amsterdam en de raad voor rechtsbijstand. Een reactie is ontvangen van de KNB, de KBvG, de NOvA, het Bureau, de raad voor rechtsbijstand, het hof en de raden van discipline, de NVvR en de Raad voor de rechtspraak9.

In deze paragraaf wordt ingegaan op de reacties die zien op het algemeen deel van de memorie van toelichting, het toezicht en het tuchtrecht in zijn algemeenheid en de financiële gevolgen van deze wet. Voor zover de reacties betrekking hebben op de artikelen en de toelichting daarop, zijn deze zoveel mogelijk verwerkt in paragraaf 5. Op de artikelsgewijze opmerkingen van overwegend technische en redactionele aard wordt niet afzonderlijk ingegaan.

De beroepsorganisaties, de NVVR en de Raad voor de rechtspraak gaan in hun reactie uitgebreid in op de in het algemeen deel van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel uiteengezette ratio voor het doorberekenen van de kosten van toezicht en tuchtrecht.

De Raad voor de rechtspraak merkt in dit kader terecht op dat de keuze om de kosten van toezicht en tuchtrechtspraak aan de beroepsgroepen door te berekenen een politieke keuze is. In het kader van de brede heroverwegingen van het kabinet Balkenende IV is verkend hoe onder meer door toepassing van het profijtbeginsel besparingen zouden kunnen worden gerealiseerd. Daaruit kwam voort dat de kosten van het toezicht op onder andere notarissen kunnen worden doorberekend aan de beroepsgroep zelf, evenals de kosten van de tuchtrechtspraak10. In de financiële bijlage bij het regeerakkoord Rutte I is – vanwege de noodzaak de overheidsfinanciën op orde te brengen – dit voorstel uit de brede heroverwegingen overgenomen.

In het domein van Veiligheid en Justitie, komen de beroepsgroepen van de notarissen, van de gerechtsdeurwaarders en van de advocaten voor doorberekening van de kosten van het toezicht en de tuchtrechtspraak in aanmerking.

De NOvA en de Raad voor de rechtspraak wijzen er op dat de doorberekening van de kosten van toezicht en tuchtrecht is beperkt tot de juridische beroepen. Op grond van het regeerakkoord 2010 is ervoor gekozen om met onderhavig wetsvoorstel de bezuiniging op de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie te realiseren. Wel is bezien of het mogelijk en wenselijk was de doorberekening van kosten van toezicht en tuchtrechtspraak uit te strekken over de andere beroepen die een wettelijk geregeld tuchtrecht kennen, zoals de veterinairen, de loodsen, de BIG-geregistreerden, de zeevaartbemanningsleden, de octrooigemachtigden en de accountants. Uit een inventarisatie van deze beroepen is gebleken dat er grote verschillen bestaan in bijvoorbeeld de omvang en de wijze waarop de beroepsbeoefenaren georganiseerd zijn, de kosten van en de wijze waarop het toezicht en tuchtrecht geregeld is en het aantal tuchtzaken. Daarom is gekozen om de doorberekening van de kosten voor toezicht en tuchtrecht vooralsnog te beperken tot de juridische beroepen.

In de reactie van de NOvA wordt in dit verband nog verwezen naar het bij de Tweede Kamer ingediende voorstel Wet registermediator11. Nu met dit wetsvoorstel wordt beoogd registermediators aan tuchtrechtspraak te onderwerpen en ook op meerdere fronten een vergelijk te trekken is met de positie van advocaten, vindt de NOvA het opmerkelijk dat genoemd wetsvoorstel bepaalt dat de kosten van het tuchtcollege registermediators volledig door de Minister van Veiligheid en Justitie worden gedragen. Opgemerkt wordt dat in de memorie van toelichting van het door de NOvA genoemde initiatiefwetsvoorstel is opgenomen dat te zijner tijd bij indiening van een wetsvoorstel dat ziet op de invulling van het genoemde onderdeel van dat regeerakkoord, de afstemming op het bepaalde in artikel 34, eerste lid, gezocht zal moeten worden. Aan deze toezegging is tegemoetgekomen door de opname van samenloopbepalingen in onderhavig wetsvoorstel (zie artikel VII).

In verschillende consultatie- reacties is naar voren gebracht dat het tuchtrecht een vorm van rechtspraak is, die in meerdere opzichten het algemeen belang dient (dat geldt ook voor het toezicht) en onmiskenbaar een publiekrechtelijk karakter heeft. Dat het tuchtrecht (tevens) een algemeen belang dient en een publiekrechtelijk karakter heeft wordt als zodanig ook niet ontkend. De rationele keuze om de financiering hiervan op grond van het profijtbeginsel bij de beroepsgroepen (als primair belanghebbenden) in plaats van bij de overheid neer te leggen, staat hierbij echter niet in de weg. Terecht wordt naar voren gebracht dat de beroepsgroepen zelf al veel doen aan de bevordering van kwaliteit en integriteit. Dat doet echter niet af aan het gegeven dat het toezicht en tuchtrecht de kwaliteit en integriteit van de beroepsgroepen – de KBvG onderschrijft dat ook in haar reactie – nog eens versterken. Dat is uiteraard ook in het algemeen belang, maar primair wordt hiervan geprofiteerd door de beroepsgroep en diegenen die de bijstand van een advocaat, notaris of gerechtsdeurwaarder inroepen. Hoewel de andere met name door de beroepsgroepen voorgestane keuze eveneens verdedigbaar zou zijn, is het – mede in het licht van tekort schietende overheidsfinanciën en de lastige keuzes die in dat verband gemaakt moeten worden – dan ook niet onredelijk om de kosten van toezicht en tuchtrecht aan de beroepsgroepen door te berekenen. Het ligt in de rede dat de individuele beroepsbeoefenaar vervolgens deze kosten in rekening zal brengen bij zijn opdrachtgever. Op dossierniveau zal zulks naar verwachting leiden tot een zeer geringe verhoging van de kosten voor de opdrachtgever.

De vrees dat getoornd wordt aan de onafhankelijkheid van de tuchtrechtspraak – de NOVA wijst daarop – is niet gegrond omdat dit wetsvoorstel geen directe (financiële) banden tussen de tuchtcolleges en de beroepsgroepen doet ontstaan. De beroepsgroepen worden in de begrotingscyclus gehoord, maar het is de Minister van Veiligheid en Justitie die de begroting van de onderscheiden colleges goedkeurt en aan wie de colleges verantwoording moeten afleggen. Het is ook de Minister die de budgetten aan de onderscheiden colleges beschikbaar stelt. De kosten van een en ander worden vervolgens door de Minister op de onderscheiden beroepsgroepen verhaald. Hetzelfde geldt voor de bekostiging van het (integrale) toezicht van het Bureau op de notarissen en gerechtsdeurwaarders. Door deze systematiek van doorberekening van kosten zullen de beroepsgroepen (en/of de klanten) uiteindelijk de kosten van het tuchtrecht (en toezicht) dragen zonder af te doen aan de onafhankelijkheid van de tuchtcolleges, maar ook zonder af te doen aan de verantwoordelijkheid van de overheid voor een goed functionerend tuchtrecht en toezicht.

Met name de KBvG en de KNB wijzen erop dat het domeinmonopolie van de beroepsgroepen is ingegeven door de wens om de uitvoering van bepaalde (ambts)handelingen exclusief toe te kennen aan personen die daarvoor voldoende zijn toegerust. Dat is juist, maar het is evident dat beroepsbeoefenaren met deze exclusief aan hen toebedeelde werkzaamheden een inkomen kunnen verdienen. Het zijn de beroepsbeoefenaren zelf en de gebruikers van hun dienstverlening die het meeste van het toezicht en tuchtrecht profiteren. Dat laatste rechtvaardigt doorberekening van kosten aan de beroepsgroepen. Het ligt voor de hand dat uiteindelijk de rekening (of een deel daarvan) komt te liggen bij diegenen die gebruik maken van de dienstverlening. Zoals hiervoor al is aangegeven bestaat de verwachting dat de doorberekening van de kosten van toezicht en tuchtrecht op dossierniveau zal leiden tot een zeer geringe verhoging van de kosten voor de opdrachtgever.

De beroepsgroepen stellen terecht dat al veel gedaan wordt aan een efficiënte kwaliteits- en integriteitsbewaking. De KNB wijst in dit verband op de effectieve klachtenbemiddeling en het sinds 2007 ingevoerde systeem van peerreviews waarbij notarieel deskundigen eens per drie jaar elk kantoor met de daaraan verbonden notarissen beoordelen op kwaliteit en integriteit. De KNB vreest dat de notarissen, als gevolg van de doorbelasting van de kosten van toezicht en tuchtrecht, onder de huidige moeilijke economische omstandigheden ter besparing van kosten mogelijk de bijdrage voor het goed functionerende kwaliteitssysteem wensen te verlagen. Dat zou – aldus de KNB – betekenen dat de prikkel die van deze wet uitgaat niet een gunstige zou zijn. Ik onderken dat de economische omstandigheden voor het notariaat momenteel niet gunstig zijn. In die omstandigheden is het leveren en borgen van kwaliteit – ook voor het notariaat zelf – misschien nog wel belangrijker. De KNB heeft – evenals de andere beroepsorganisaties – als primaire wettelijke taak de bevordering van een goede beroepsuitoefening door haar leden en in dat verband is zij verantwoordelijk voor het uitvoeren van kwaliteitstoetsen. Gezien deze wettelijk taakopdracht mag er op vertrouwd worden dat de beroepsorganisaties en hun leden aan de bevordering van de kwaliteit en de integriteit geen concessies zullen doen.

Naar aanleiding van een ontwerp van deze wet hebben de NOvA, de raden en het hof van discipline zich in hun adviezen uitgesproken over de financiering en wijze van de ondersteuning van de tuchtcolleges, als ook over de positionering van de tuchtcolleges. Over genoemde onderwerpen vindt nog gedachtevorming plaats. Als hierna blijkt dat de regelgeving moet worden aangepast, zal dit in een ander wetsvoorstel dan het onderhavige worden meegenomen.

Kosten toezicht en tuchtrecht

In de reactie op een ontwerp van deze wet stelt de KNB dat € 4,7 miljoen gedragen moet worden door 1360 notarissen. Volgens de KNB zou dit een verzwaring van de lasten voor notarissen betekenen van circa € 3.455 per notaris per jaar. Op basis van de ook door de KNB gebruikte cijfers van 2011 worden de aan de KNB door te berekenen kosten (integraal) toezicht begroot op € 3 miljoen en tuchtrecht op € 1,7 miljoen, samen € 4,7 miljoen. In 2011 had de KNB 3.320 leden. Per KNB-lid, dus notarissen en kandidaat-notarissen komt dat neer op € 1.415. De reden dat de KNB op een hoger bedrag per notaris uitkomt is gelegen in het feit dat in de berekening van de KNB de kandidaat-notarissen buiten beschouwing zijn gelaten en het bedrag gedeeld is door slechts het aantal notarissen.

Voor de advocatuur zijn de financiële gevolgen van deze wetgeving beperkt. Het toezicht op de advocatuur wordt immers al helemaal bekostigd door de beroepsgroep en de kosten van tuchtrechtspraak voor een behoorlijk deel. Zoals in paragraaf 3 al is aangegeven brengt dit wetsvoorstel hier geen verandering in. De door te berekenen kosten worden begroot op € 66 per advocaat.

Voor de gerechtsdeurwaarders – de kleinste juridische beroepsgroep – zullen de financiële gevolgen van deze wet het grootst zijn. Ten tijde van de totstandkoming van deze wet is het Bureau belast met het financiële toezicht op de gerechtsdeurwaarderij (zie ook paragraaf 3, Financiële gevolgen). Het integraal toezicht op de gerechtsdeurwaarderij wordt een feit met de inwerkingtreding van de wet tot herziening van de Gerechtsdeurwaarderswet (zie paragraaf 2 Toezicht en tuchtrecht). De kosten van het integrale toezicht worden begroot op ca. € 1,5 miljoen en de kosten van het tuchtrecht op € 0,5 miljoen. Hiermee komt het totaal bedrag aan door te berekenen kosten op ca. € 2 miljoen. Omgeslagen over alle leden van de KBvG (955) komt dat op € 2.094 per lid, alleen over de gerechtsdeurwaarders (385) zou dat op € 5.194 per gerechtsdeurwaarder komen. In deze berekening is geen rekening gehouden met de in dit wetsvoorstel opgenomen maatregelen, zoals invoering van griffierecht en de beperking in de bemensing van de tuchtkamers, om de kosten van het tuchtrecht in de hand te houden.

De verwachting van de KNB dat de kosten van het Bureau alleen maar zullen stijgen is prematuur. Vooruitlopend op de nieuwe integrale toezichtstaak heeft het Bureau extra middelen ontvangen om deze taak te kunnen uitvoeren. De interne situatie bij het Bureau als zodanig kan geen grondslag zijn voor extra uitgaven. Bij het Bureau is voortdurend aandacht voor de wijze waarop het Bureau alsmede het door het Bureau uit te oefenen toezicht zo efficiënt mogelijk kan worden ingericht. Zo is in het voorjaar van 2013 de directie teruggebracht van twee directeuren naar een. Ook de meerjarenbegroting van het Bureau geeft geen aanleiding voor deze veronderstelling. De begrotingen van het Bureau en de tuchtcolleges worden door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgesteld. Deze wet voorziet er in dat voorafgaand aan de vaststelling van deze begrotingen de betrokken beroepsorganisaties worden gehoord. Achteraf vindt verantwoording plaats door middel van het jaarverslag. Oncontroleerbare en onbeheersbare groei van uitgaven van met het toezicht en tuchtrecht gemoeide kosten is daarom niet aan de orde.

5. Artikelsgewijs

Artikel I (Advocatenwet)

Onderdeel A (artikel 46a)

Artikel I ziet op noodzakelijke wijzigingen in de Advocatenwet in het kader van de doorberekening van kosten van toezicht op en tuchtrecht voor advocaten aan de NOvA. Voor zover het betreft de kosten van het toezicht is van belang dat, zoals in het algemeen deel van deze memorie van toelichting al is aangegeven, deze nu reeds worden bekostigd door de NOvA. Hiervoor hoeven derhalve geen aanvullende bepalingen in de Advocatenwet te worden opgenomen.

Het tuchtrecht voor de advocatuur wordt op dit moment voor een deel wel bekostigd vanuit de rijksoverheid. Door invoering van artikel 46a in de Advocatenwet (artikel I, onderdeel A) wordt daarom de grondslag gecreëerd voor het doorberekenen van die kosten aan de NOvA. Hiertoe wordt bepaald dat de kosten die ingevolge bepalingen bij of krachtens deze wet door de staat worden gemaakt ten behoeve van de uitoefening van het tuchtrecht door de NOvA aan de staat moeten worden vergoed. De betreffende kosten kunnen vervolgens door de NOvA worden doorberekend in de jaarlijkse bijdrage van de leden (zie artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet). Als gevolg van deze wijziging worden in de toekomst de kosten van het toezicht en tuchtrecht geheel door de beroepsgroep zelf gedragen.

Daarnaast voorziet artikel I, onderdeel A, in de toevoeging van verschillende bepalingen die waarborgen bieden voor een goede financiële verantwoording van de tuchtrechtspraak. Vanuit de stelselverantwoordelijkheid die de Minister van Veiligheid en Justitie heeft voor het goede functioneren van (het tuchtrecht voor) de advocatuur, alsmede de goede werking van de rechtspleging en de rechtshandhaving, is hierbij een rol voor hem aangewezen. Daarbij komt dat de bekostiging van de tuchtrechtspraak in de praktijk ook via de Minister verloopt. Dit heeft als achtergrond dat bij de uitoefening van de tuchtrechtspraak voor advocaten ook leden van rechterlijke macht qualitate qua betrokken zijn, namelijk als voorzitter of plaatsvervangend voorzitter van de tuchtcolleges. Ook maken deze tuchtcolleges in de praktijk gebruik van werkruimtes en zittingszalen in gebouwen van de rechterlijke macht. De genoemde bepalingen sluiten aan bij hetgeen geregeld is omtrent de begroting en het jaarverslag van de accountantskamer (zie artikelen 21 tot en met 21c van de Wet tuchtrechtspraak accountants) en de in dit wetsvoorstel voorgestelde regeling voor de kamers voor het notariaat en de kamer voor gerechtsdeurwaarders. Het tweede lid verplicht de raden van discipline en het hof van discipline jaarlijks tot het opstellen van een begroting en een jaarverslag. Ten overvloede wordt hier opgemerkt dat de in deze bepaling geregelde verantwoordingsplicht ziet op de inkomsten en uitgaven van de raden van discipline en het hof van discipline en daarmee vallen de kosten van tuchtrechtspraak die op grond van de artikelen 50a, tweede lid, en 60, tweede lid, Advocatenwet ten laste komen van de NOvA hier buiten. Op grond van het vierde lid moet de begroting ter instemming worden voorgelegd aan de Minister van Veiligheid en Justitie. Deze instemming strekt er toe dat de Minister de verantwoordelijkheid neemt dat de uitoefening van de wettelijke taken door de raden van discipline en het hof van discipline langs de in de begroting vastgestelde lijnen zal verlopen tegen de daarin begrote kosten. Nu op grond van het eerste lid de tuchtrechtspraak voor advocaten doorberekend wordt aan de NOvA, ligt het voor de hand dat de instemming door de Minister pas wordt verleend nadat de NOvA zich heeft kunnen uitspreken over de inhoud van de begroting (zie vijfde lid). Dit betekent niet dat de NOvA kan bepalen op welke wijze en tegen welke prijs de raden van discipline en het hof van discipline de wettelijke tuchtrechtelijke taken uitoefenen. Wel zal er rekening gehouden moeten worden met de zienswijze van de NOvA. Hierbij kan gedacht worden aan inzichten over een efficiëntere wijze van taakvervulling door de raden van discipline en het hof van discipline.

De raden van discipline en het hof van discipline dienen jaarlijks verantwoording af te leggen over het voorafgaande jaar. De verantwoording vindt haar beslag in een jaarverslag dat voor een door de Minister te bepalen tijdstip bij hem moet worden ingediend (zie de leden twee en acht).

Op grond van het negende lid kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de inrichting van de begroting en de inhoud van het jaarverslag. Sinds het begrotingsjaar 2002 geldt er binnen de overheid en daaraan gerelateerde instellingen een nieuwe begrotingssystematiek: Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording (VBTB). De uitgangspunten van deze systematiek zullen via de door de Minister te stellen regels voortaan ook ten grondslag kunnen worden gelegd aan de begroting van de raden van discipline en het hof van discipline. Ook kunnen op grond van het negende lid regels worden gesteld over de inhoud van het jaarverslag. Op deze wijze kan worden gewaarborgd dat de Minister volledig wordt geïnformeerd over de verrichtingen van de raden van discipline en het hof van discipline.

In de reactie van de raden en het hof van discipline op een ontwerp van deze wet is verzocht de bepalingen over de bekostiging en begrotingssystematiek van de tuchtrechtspraak niet op te nemen in het centrale artikel dat de inhoudelijke tuchtnorm bevat (artikel 46 Advocatenwet). Aan dit verzoek is voldaan door vernummering van artikel 46a in 46aa en de invoeging van een nieuw artikel 46a in de Advocatenwet. In verband met de vernummering van artikel 46a in 46aa zijn technische aanpassingen nodig in de artikelen 50, 58 en 60aa van de Advocatenwet (zie ook de wijzigingsonderdelen G (artikelen 50 en 58) en L (artikel 60aa).

De NOvA heeft gewezen op het feit dat de tuchtcolleges nog taken vervullen die buiten het domein van het tuchtrecht vallen, zoals de beslissingen over toelating tot de cassatiebalie en het beklag op verzet tegen een verzoek tot inschrijving als advocaat. De NOvA vraagt of deze zaken buiten deze wet vallen. Nu deze wet ziet op het doorberekenen van de kosten van toezicht en tuchtrecht en genoemde taken buiten dit bestek vallen, kan de vraag bevestigend beantwoord worden. Deze opmerking van de NOvA heeft geleid tot een verduidelijking in wijzigingsonderdeel A. Artikel 46a, tweede lid, beperkt zich thans evenals artikel 46a, eerste lid, expliciet tot het domein van het tuchtrecht.

Ervan uitgaande dat de kosten van de tuchtrechtspraak worden gefinancierd naar rato van het werkelijk aantal zaken, vragen de raden en het hof van discipline zich af wat er gebeurt als de zaakinstroom groter of kleiner wordt dan begroot. Dit mede met het oog op de bepaling in artikel 46a, zevende lid, op grond waarvan dreigende budgetoverschrijdingen onverwijld aan de Minister gemeld moeten worden. Onderschreven wordt dat de financieringsstructuur eenvoudig moet zijn. Ongeacht de oorzaken die aan een verrekening ten grondslag liggen, is het niet de bedoeling dat jaarlijks achteraf verrekend wordt. Dat maakt de financieringsstructuur te complex. Ontwikkelingen in het lopende jaar worden meegenomen bij het beoordelen van de begroting van het daarop volgende jaar.

In reactie op de vraag van de raden en het hof van discipline naar de ruimte die de wet biedt op het punt van het al dan niet indienen van een gezamenlijke begroting en jaarverslag, wordt het volgende opgemerkt. De verplichting tot het opstellen van een jaarverslag en een begroting geldt zowel voor het hof van discipline als voor de raden van discipline. Hoewel de norm zich niet richt tot het hof en de raden gezamenlijk, biedt de tekst van artikel 46a de ruimte en laat de keuze daarbij aan de raden en het hof van discipline, om al dan niet gezamenlijk een begroting en of jaarverslag op te stellen. Een gezamenlijk financiële verantwoording ligt in de rede als er kosten worden gedeeld. Nu dit niet het geval is bestaat er geen enkel bezwaar om conform de huidige werkwijze separaat een begroting in te dienen. Voorts vragen het hof en de raden naar de inhoud van de ministeriële regeling waarin regels kunnen worden gesteld over de inrichting van de begroting en de inhoud van het jaarverslag. Van de mogelijkheid om nadere regels te stellen zal gebruik worden gemaakt om vooral praktische zaken te regelen als de indieningstermijn. Met de raden en het hof van discipline bestaat de wens om het begrotings-en verantwoordingsproces eenvoudig in te richten. Conform hun wens zullen de raden en het hof van discipline worden geconsulteerd in een op te stellen ministeriële regeling. Zie ook de toelichting op vergelijkbare bepalingen in de Gerechtsdeurwaarderswet en de Wet op het notarisambt (artikel II, onderdeel A (artikel 34a) en artikel III, onderdeel C (artikel 94a)).

Onderdeel B (artikel 46ba)

De raden en het hof van discipline hebben in hun advies op een ontwerp van deze wet geadviseerd om een wettelijke verankering van de onafhankelijkheid, zoals bijvoorbeeld ook voor de secretaris en de leden van de accountantskamer in artikel 14 van de Wet tuchtrechtspraak accountants is geregeld, op te nemen. Met dit wijzigingsonderdeel wordt aan deze wens tegemoet gekomen.

Onderdeel C (artikel 46e)

De Wet positie en toezicht advocatuur voert met de wijziging van artikel 46e een griffierecht in het tuchtrecht voor de advocatuur in. De indiener van een klacht tegen een advocaat is een – relatief laag – griffierecht verschuldigd van € 50 (artikel 46e, eerste lid). Het griffierecht komt ten bate van de raad van discipline. Geen griffierecht is verschuldigd indien de klacht is ingediend door de deken (vijfde lid). Artikel 46e is grotendeels ontleend aan artikel 8:41 Awb en artikel 23 van de Wet tuchtrechtspraak accountants. Zoals in het advies van de Werkgroep wettelijk geregeld tuchtrecht (de Werkgroep Huls)12 al is aangegeven, is tuchtrechtspraak, evenals de reguliere rechtspraak, een kostbaar bezit. Om te voorkomen dat de tuchtrechter onnodig wordt belast, is het van belang dat niet alle klachten over beroepsbeoefenaren direct aan hem worden voorgelegd. Lang niet in alle gevallen staat het afwegingsmechanisme in verhouding tot het belang dat in een tuchtzaak aan de orde is. De invoering van een griffierecht kan in het geval van het tuchtrecht dienen als instrument om potentiële klagers te stimuleren de afweging te maken of de zaak zich in redelijkheid wel leent voor een tuchtrechtelijke procedure. Daar staat tegenover dat door tegenstanders van de introductie van een griffierecht in het tuchtrecht wordt betoogd dat dit een obstakel kan vormen voor het indienen van klachten. In de wetenschap dat een griffierecht verschuldigd is, zouden klagers kunnen afzien van het indienen van een klacht. De Werkgroep Huls heeft aangegeven dat het heffen van een griffierecht bij de tuchtrechter een stimulans vormt voor de klager om serieus met de beroepsbeoefenaar rond de tafel te gaan zitten om tot elkaar te komen. Ook zal het een klager er eerder toe bewegen om de alternatieve route van een geschillencommissie te beproeven, alvorens een klacht in te dienen bij de tuchtrechter. Onder de voorwaarde dat een klager die gelijk krijgt het griffierecht terug ontvangt, is het griffierecht volgens de Werkgroep Huls te zien als een nuttig instrument.

In het kabinetsstandpunt bij het advies van de Werkgroep Huls is nog aangekondigd dat zou worden afgezien van de invoering van een griffierecht in het tuchtrecht. Daarbij is aangegeven dat het (toenmalige) kabinet heeft besloten de bovengenoemde argumenten tegen invoering zwaarder te laten wegen. Uitgaande van het uitgangspunt dat tuchtrecht er primair is om de beroepsstandaard, zoals vastgelegd in de binnen de beroepsgroep levende gedragsregels, te handhaven, zou het niet goed passen om klagers daarvoor te laten betalen13. Nadere gedachtevorming hierover, mede naar aanleiding van de reacties op het consultatiedocument van de Wet positie en toezicht advocatuur, heeft geleid tot bijstelling van dit eerdere standpunt. Daarbij geldt als belangrijkste overweging de mogelijkheid die de invoering van het griffierecht biedt om potentiële klagers ertoe te bewegen een afweging te maken tussen de kosten van de indiening van een klacht en de waarde die de zaak voor betrokkene heeft. Hiermee wordt de kans vergroot dat klachten die naar hun aard niet thuis horen bij de tuchtrechter, doch eerder bij een geschilleninstantie, de tuchtrechter ook niet bereiken. Om het griffierecht anderzijds niet te laten uitwerken als een te hoge drempel voor het daadwerkelijk indienen van klachten, is het verschuldigde bedrag relatief laag gesteld. Hiermee wordt recht gedaan aan het uitgangspunt dat het tuchtrecht naar zijn aard niet primair dient ter persoonlijke genoegdoening van klagers (ondanks dat vele klagers een veroordelende tuchtuitspraak wel als zodanig zullen ervaren), maar om de beroepsstandaard te handhaven. Bovendien wordt er tevens in voorzien dat het betaalde griffierecht door de beklaagde advocaat aan de klager dient te worden vergoed, als de behandeling van de tuchtklacht eindigt in een gehele of gedeeltelijke gegrondverklaring (artikel 46e, vierde lid).

Zowel de algemene raad als het college van afgevaardigden van de NOvA hebben zich expliciet uitgesproken voor de invoering van een griffierecht van € 50 in tuchtzaken.

Indien een potentiële klager, om welke reden dan ook, het tuchtrecht niet kan of wil betalen, dan bestaat voor hem nog altijd de mogelijkheid om zijn beklag onder de aandacht te brengen van bijvoorbeeld de lokale deken. De deken zal vervolgens de klacht onderzoeken en deze zo nodig onder de aandacht van de tuchtrechter brengen. In dat geval wordt de klacht formeel ingediend door de deken, en is op grond van artikel 46e, vijfde lid, geen griffierecht verschuldigd. Langs deze weg kan betrokkene, ook zonder het betalen van een griffierecht, feitelijk bereiken dat zijn klacht in behandeling wordt genomen door de tuchtrechter.

Naar aanleiding van de reactie van de NOvA op een ontwerp van dit wetsvoorstel is thans expliciet in het derde lid van artikel 46e opgenomen dat de deken de klacht niet ter kennis van de raad van discipline brengt als het griffierecht niet binnen de termijn van vier weken is voldaan. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in artikel 37, vijfde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet en artikel 99, negende lid, van de Wet op het notarisambt.

Het Bureau geeft in haar reactie op de artikelen II, onderdeel B (artikel 37), en III, onderdeel D (artikel 99), aan dat het met enige regelmaat voorkomt dat een klacht tegen een kantoor wordt ingediend. In het geval een klacht wordt ingediend tegen een advocatenkantoor onderzoekt de deken tegen welke advocaat de klacht zich richt. Als de klacht zich richt tegen meer dan één advocaat, wordt voor de klacht eenmaal griffierecht geheven. Ingeval het door de klager betaalde griffierecht dient te worden vergoed zijn de advocaten tegen wie de klacht zich richt hoofdelijk aansprakelijk. Als een van de advocaten tegen wie de klacht zich richtte betaalt, zijn de andere advocaten gekweten. Zie ook de toelichting op de artikelen II, onderdeel B (artikel 37) en III, onderdeel D (artikel 99).

Hiervoor is verwezen naar het kabinetsstandpunt inzake het advies van de Werkgroep Huls (Kamerstukken II 2007/08, 29 279, nr. 61). In dit kabinetsstandpunt is het wetsvoorstel Kaderwet tuchtprocesrecht aangekondigd. Dit wetsvoorstel had tot doel het tuchtprocesrecht voor niet-hiërarchische wettelijk gereglementeerde vrije beroepen te regelen. In verband met herprioritering en het feit dat ten gevolge daarvan de voor het tuchtprocesrecht noodzakelijke wijzigingen veelal al in de diverse betreffende beroepswetten zijn of nog worden doorgevoerd, wordt afgezien van invoering van een dergelijke Kaderwet.

Onderdelen D, E, F H en M (artikelen 48, 48aa, 48ac, 56 en 60b)

Tijdens de behandeling van de Wet positie en toezicht advocatuur in de Tweede Kamer, heeft het lid Van der Steur een amendement ingediend over de mogelijkheid van een kostenveroordeling in het tuchtrecht14. Dit amendement is aangenomen en heeft geresulteerd in de toevoeging van een zesde lid aan artikel 48 van de Advocatenwet. De regeling maakt het voor de tuchtrechter mogelijk te bepalen dat de kosten die door de klager en de NOvA in het kader van de tuchtzaak zijn gemaakt, moeten worden vergoed door de tuchtrechtelijk veroordeelde advocaat.

De huidige regeling in de Advocatenwet biedt niet de mogelijkheid om de advocaat te veroordelen in de proceskosten die de staat maakt. Een ontwerp van onderhavig wetsvoorstel voorzag wel in die mogelijkheid. Hierbij werd eveneens voorgesteld dat de vergoeding die de staat op deze wijze zou ontvangen in mindering zou worden gebracht op de kosten van de tuchtrechtspraak die op grond van artikel 46a, eerste lid, in rekening zouden worden gebracht bij de NOvA. Met een dergelijke maatregel worden de kosten als gevolg van dit wetsvoorstel voor de beroepsgroep als geheel beperkt.

Met de wijzigingsonderdelen D, E en F worden de regeling van artikel 48, zesde lid, Advocatenwet en de regeling zoals eerder opgenomen in een ontwerp van deze wet, samengevoegd.

Ten gevolge hiervan zijn ook twee technische aanpassingen verricht in de artikelen 56, eerste lid, en 60b van de Advocatenwet (zie wijzigingsonderdelen H en M).

Met het nieuwe artikel 48ac wordt voorzien in de mogelijkheid van een kostenveroordeling van de tuchtrechtelijk veroordeelde advocaat, waarbij er tevens in wordt voorzien dat deze advocaat kan worden veroordeeld in de kosten van de tuchtprocedure die ten laste komen van de Staat.

Met deze bepaling wordt invulling gegeven aan het principe dat de kosten van het tuchtgeding zoveel mogelijk worden gedragen door degene die ertoe aanleiding heeft gegeven dat de procedure noodzakelijk was. Het voorkomt bovendien zoveel mogelijk dat beroepsbeoefenaren die zich wel aan de gedragsnormen houden via de jaarlijkse afdracht financieel moeten bijdragen aan normschendingen door beroepsgenoten. Naar aanleiding van de reacties van de raden en het hof van discipline en van de Raad voor de rechtspraak op een ontwerp van deze wet, is de bevoegdheid tot de beslissing om tot een proceskostenveroordeling over te gaan niet afhankelijk gesteld van de op te leggen maatregel, maar geheel bij de tuchtrechter neergelegd. Dit biedt de mogelijkheid tot maatwerk. Het is evident dat als de maatregel van schorsing of schrapping van het tableau is opgelegd er sprake is van een ernstige overtreding van de beroepsnormen en de tuchtnorm, als gevolg waarvan het maatschappelijk beeld van en het vertrouwen in advocaten (ernstig) schade heeft geleden. Ook als er niet een dergelijke zware sanctie wordt opgelegd, kan er sprake zijn van een welbewuste overtreding van de beroepsnormen en de tuchtnorm voor advocaten die, de ernst van het feit en alle overige omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, een kostenveroordeling rechtvaardigt. De tuchtrechter is degene die dit aan de hand van de omstandigheden van het geval het beste kan beoordelen. De bepaling is zodanig geformuleerd dat zij de ruimte laat aan de tuchtrechter om in de praktijk bij het bepalen van de hoogte van het aan de veroordeelde beroepsbeoefenaar op te leggen bedrag, rekening te houden met de individuele omstandigheden van het geval. De raden en het hof van discipline hebben voorts verzocht om in de wettekst te verduidelijken dat betrokken advocaat de proceskosten van de klager aan de klager moet uit betalen. Aan dit verzoek is tegemoet gekomen door het derde lid van artikel 48ac aan te vullen. In geval ten behoeve van de klager geen toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand is verleend, wordt expliciet bepaald dat de kosten worden betaald aan de klager. Zie ook de toelichting op artikel II, onderdeel D (artikelen 43a en 43b) en artikel III, onderdeel F (artikel 103b) van dit wetsvoorstel.

Daarnaast bevat wijzigingsonderdeel E een aanpassing van artikel 48aa, vierde lid, van de Advocatenwet. Deze bepaling biedt een voorziening voor het geval de veroordeelde advocaat de boete niet, niet tijdig of onvolledig betaalt. In dat geval kunnen tegen hem bepaalde nadere tuchtrechtelijke voorzieningen worden getroffen. De raad van discipline kan in dat geval ambtshalve bijvoorbeeld een aanvullende geldboete opleggen of de schorsing uitspreken, zonder dat daaraan voorafgaand een afzonderlijke (reguliere) tuchtrechtelijke procedure hoeft te worden doorlopen. De raad kan op grond van de wettelijke regeling geen waarschuwing of berisping opleggen. Op verzoek van de raden en het hof van discipline vindt aanpassing van artikel 48aa, vierde lid, plaats en wordt het aan het oordeel van de tuchtrechter gelaten om te bepalen welke maatregel in deze gevallen wordt opgelegd. Overschrijding van de betalingstermijn kan onder omstandigheden ook een licht vergrijp opleveren, waarvoor met het opleggen van een waarschuwing of berisping zou kunnen worden volstaan.

In de reactie op een ontwerp van deze wet heeft de NOvA aangegeven de sanctie (schorsing of schrapping) op het niet betalen van een tuchtrechtelijke geldboete zonder adequate rechtsbescherming niet acceptabel te vinden. Deze opmerking kan niet gevolgd worden nu ten eerste artikel 48aa, tweede lid, de mogelijkheid biedt aan betrokken advocaat de voorzitter van de raad van discipline te verzoeken de betalingstermijn te verlengen. Ten tweede dient de betrokken advocaat, op grond van artikel 48aa,vierde lid, in de gelegenheid gesteld te worden gehoord alvorens ambtshalve een maatregel als bedoeld in het vierde lid opgelegd kan worden. De tuchtrechter kan vervolgens bij de oplegging van bedoelde maatregel rekening houden met de omstandigheden van het geval.

Zie ook de toelichting op de vergelijkbare artikelen in de Gerechtsdeurwaarderswet en de Wet op het notarisambt (artikel II, onderdeel C (artikel 43) en artikel III onderdeel E (artikel 103a).

Voorts is in wijzigingsonderdeel H ten aanzien van artikel 56, derde lid, Advocatenwet bepaald, dat de laatste twee volzinnen vervallen. Ook dit is een gevolg van de Wet positie en toezicht advocatuur. Ingevolge artikel 8a van de Advocatenwet heeft het hof van discipline kosteloos inzage in de op grond van artikel 8 op het tableau verwerkte gegevens, waaronder (eerdere) tuchtrechtelijke veroordelingen. Hierdoor is het overbodig geworden om de deken op verzoek van het hof van discipline een verklaring te laten overleggen waaruit eventuele eerdere tuchtrechtelijke veroordelingen blijken.

Onderdelen G en L (artikelen 50, 58 en 60aa)

Deze wijzigingsonderdelen zien op een technische aanpassing in verband met de hernummering van artikel 46a (oud) in artikel 46aa en invoeging van een nieuw artikel 46a (zie ook wijzigingsonderdeel A).

Onderdeel I

Dit wijzigingsonderdeel ziet op de overeenkomstige toepassing verklaring in hoger beroep van de artikelen 46 ba,46e, 47a, 48 tot en met 48f en 49 van de Advocatenwet. De reacties van de NOvA en het hof van discipline op een ontwerp van deze wet hebben geleid tot het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 46e. Hierdoor wordt ook in geval van hoger beroep in advocatuurlijke tuchtzaken een griffierecht geheven. In het ontwerp waren al wel vergelijkbare bepalingen opgenomen voor het hoger beroep in tuchtzaken van gerechtsdeurwaarders en notarissen bij de gerechtshof Amsterdam (zie artikel II, onderdeel F (artikel 47) en artikel III, onderdeel G (artikel 107)), maar abusievelijk niet voor het hof van discipline.

Voorts worden de artikelen 48a tot en met 48f van de Advocatenwet van overeenkomstige toepassing verklaard. Deze artikelen zien op de uitwerking van de maatregelen die zijn neergelegd in artikel 48 van de Advocatenwet, welk artikel al van overeenkomstige toepassing is in hoger beroep. Voor een nadere toelichting op de artikelen 46ba en 48ac, wordt verwezen naar de wijzigingsonderdelen B en F. Daarnaast bevat dit wijzigingsonderdeel een technische aanpassing, waardoor de artikelleden van artikel 57 weer in een opvolgende nummering gerangschikt staan.

Onderdeel K (artikel 60)

Het derde lid van artikel 60 van de Advocatenwet bepaalt dat de overige kosten van het hof van discipline ten laste komen van de NOvA, met dien verstande dat de kosten die voortvloeien uit de beroepen bedoeld in artikel 56, eerste lid, onderdeel a, en ten laste komen van de NOvA, door de staat aan de NOvA worden vergoed. Artikel 56, eerste lid, onderdeel a, ziet op beroepszaken van klagers waarbij de in eerste aanleg door een klager ingediende klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard, of gegrond verklaard is maar waarbij het verzoek om uitspraak te doen over de door de advocaat betrachte zorgvuldigheid die bij een behoorlijke rechtshulpverlening betaamt, is afgewezen.

Nu de kosten van de tuchtrechtspraak volledig worden doorberekend aan ofwel ten laste komen van de NOvA, omvat dit ook de kosten die voortvloeien uit de beroepen in artikel 56, eerste lid, onderdeel a, en dient het derde lid van artikel 60 te worden aangepast.

Artikel II (Gerechtsdeurwaarderswet)

Onderdeel A (artikel 34a)

De toevoeging van een nieuw artikel 34a waarborgt de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie voor de rechtspleging en rechtshandhaving. Zie voorts de toelichting op artikel I, onderdeel A (artikel 46a), en artikel III, onderdeel C (artikel 94a) waarmee voor de tuchtcolleges voor de advocatuur en het notariaat vergelijkbare bepalingen worden ingevoerd.

Onderdeel B (artikel 37)

Dit wijzigingsonderdeel brengt mee dat de secretaris, voordat een klacht in behandeling wordt genomen door de kamer voor gerechtsdeurwaarders, van de klager een griffierecht int. Indien een potentiële klager, om welke reden dan ook, het tuchtrecht niet kan of wil betalen, dan bestaat voor hem nog altijd de mogelijkheid om zijn beklag onder de aandacht te brengen van bijvoorbeeld de beroepsgroep of de toezichthouder. Deze kan vervolgens de klacht onderzoeken en deze zo nodig onder de aandacht van de tuchtrechter brengen.

In de praktijk ontvangt de secretaris als eerste een klacht en als de klager daarom verzoekt zal de secretaris de klager behulpzaam zijn met het formuleren van de klacht. Gezien dit stadium van het proces ligt het voor de hand de secretaris met het innen van de griffierechten te belasten voordat de klacht daadwerkelijk de voorzitter bereikt en door de kamer in behandeling wordt genomen.

Het geïnde griffierecht komt ten bate van de kamer voor gerechtsdeurwaarders en wordt in mindering gebracht op de totale kosten van de kamer die uiteindelijk worden doorberekend aan de KBvG. De invoering van het griffierecht voor gerechtsdeurwaarders is niet uniek. In het tuchtrecht voor accountants geldt al sinds enige jaren een griffierecht, bij het tuchtrecht voor de advocatuur geldt met ingang van 1 januari 2015 een griffierecht (artikel 46e Advocatenwet). Ook bij het tuchtrecht voor andere beroepen wordt de invoering ervan overwogen. Met de heffing van een griffierecht wordt beoogd een natuurlijke drempel in te bouwen voor bagatelklachten. In de praktijk blijkt een groot aantal klachten de tuchtrechter te bereiken die daar eigenlijk niet thuishoren, zoals klachten over het enkele feit dat een gerechtsdeurwaarder een dagvaarding betekent. Een tuchtklacht over dat feit hoort niet bij de tuchtrechter thuis, nu de wetgever de gerechtsdeurwaarder in het bijzonder met deze taak belast heeft (zie artikel 2, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet).

Een financiële drempel als het griffierecht kan eraan bijdragen dat klagers zoveel mogelijk een weg bewandelen die leidt tot een laagdrempelige oplossing van het daadwerkelijke geschil en de tuchtrechter alleen wordt belast als er daadwerkelijk sprake is van tuchtwaardig gedrag. Daarbij levert het griffierecht een financiële bijdrage aan de kosten van een tuchtzaak. Gelet op de kosten die gemoeid kunnen zijn met een tuchtgeding, vormt het griffierecht een relatief klein aandeel in de bekostiging ervan. Overigens moet bedacht worden dat indien een griffierecht geheven is, en de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, de betrokken gerechtsdeurwaarder de griffierechten dient te vergoeden aan de klager. In geval van klachten die in der minne worden geschikt als bedoeld in artikel 37, tiende lid, geldt dat partijen overeen kunnen komen dat het griffierecht voor rekening van de gerechtsdeurwaarder komt of voor rekening van de klager blijft. Met de mogelijkheid om in de minnelijke schikking te bepalen voor wiens rekening het griffierecht komt, wordt tegemoet gekomen aan de KBvG die in haar reactie op een ontwerp van de wet aangeeft dat het niet duidelijk is dat het griffierecht moet worden voldaan door de gerechtsdeurwaarder als een klacht niet ter kennis van de kamer wordt gebracht maar voordien in der minne wordt geschikt.

De KBvG stelt voorts dat het tuchtrecht werkt als afleider van de op de gerechtsdeurwaarder gerichte negatieve energie. De KBvG verzoekt derhalve af te zien van het heffen van een griffierecht omdat het beter is dat de klager zijn klacht bij de tuchtrechter deponeert dan dat diens negatieve energie op de gerechtsdeurwaarder of diens medewerker wordt gericht.

Afgezien van het feit dat het tuchtrecht niet bedoeld is als afleider van op een persoon gerichte energie (zie paragraaf 2 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting) is het in geval van klachten per definitie zo dat de ene partij het niet eens is met de andere partij en er negatieve energie vrij kan komen. Het niet heffen van griffierecht biedt hier geen oplossing voor. Wat wellicht eerder soelaas biedt is in eerste instantie de mogelijkheid te beproeven om onderling tot overeenstemming te komen. Een klachtregeling, waardoor beide partijen de mogelijkheid krijgen om de ontstane situatie van beide kanten te belichten, zou bijvoorbeeld al uitkomst kunnen bieden om een procedure en daarmee het te betalen griffierecht te voorkomen. Het staat de KBvG geheel vrij – en het zou zelfs de voorkeur verdienen – om de aansluiting van gerechtsdeurwaarders bij een klachten- en geschillenregeling te bevorderen.

Naar aanleiding van de reactie van de NOvA op een ontwerp van deze wet is thans expliciet in het vijfde lid van artikel 37 opgenomen dat de klacht niet- ontvankelijk wordt verklaard als het griffierecht niet binnen de termijn van vier weken is voldaan. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 46e, derde lid, van de Advocatenwet en artikel 99, negende lid, van de Wet op het notarisambt.

Het Bureau geeft in haar reactie aan dat het met enige regelmaat voorkomt dat een klacht tegen een kantoor wordt ingediend. De kamer voor gerechtsdeurwaarders onderzoekt dan tegen welke gerechtsdeurwaarder(s) de klacht zich richt. Een klacht dient op grond van artikel 37 immers tegen een deurwaarder gericht te zijn. Als de klacht zich richt tegen meer dan één gerechtsdeurwaarder wordt voor de klacht eenmaal griffierecht geheven en ingeval het door de klager betaalde griffierecht dient te worden vergoed, zijn de gerechtsdeurwaarders tegen wie de klacht zich richt hoofdelijk aansprakelijk. Als een van de gerechtsdeurwaarders tegen wie de klacht zich richtte betaalt, zijn de andere gerechtsdeurwaarders gekweten.

Zie in dit verband ook de toelichting op artikel I, onderdeel C (artikel 46e) en artikel III, onderdeel D (artikel 99).

Onderdeel C (artikel 43)

Artikel 43, vijfde lid (oud) bood een voorziening voor het geval de veroordeelde gerechtsdeurwaarder de boete niet, niet tijdig of onvolledig betaalde. In dat geval kon hij ontzet worden uit het ambt.

Op verzoek van de raden en het hof van discipline is een soortgelijke bepaling in de Advocatenwet opgenomen (zie artikel 48aa en artikel I, onderdeel E (artikel 48aa)). Uitgangspunt hierbij is dat de tuchtrechter op grond van de individuele omstandigheden bepaalt welke maatregel passend is. Overschrijding van de betalingstermijn kan onder omstandigheden ook een licht vergrijp opleveren, waarvoor met het opleggen van een berisping of geldboete zou kunnen worden volstaan. Omdat er geen reden is om dit in het tuchtrecht voor gerechtsdeurwaarders op een andere wijze te regelen, is wijzigingsonderdeel C, onder 1, opgenomen (zie ook de toelichting op artikel I, onderdeel E en artikel III, onderdeel E).

De tweede wijziging in het vijfde lid van artikel 43 regelt dat de opbrengst van de opgelegde boete die ten gunste van de Staat komt in mindering wordt gebracht op de kosten aan tuchtrechtspraak die vergoed worden door de KBvG. Met deze maatregel worden de kosten als gevolg van dit wetsvoorstel voor de beroepsgroep als geheel beperkt.

De Nederlandse Vereniging van Rechtspraak verzoekt om in de Gerechtsdeurwaarderswet de mogelijkheid op te nemen dat de tuchtrechter, ondanks de gegrondverklaring van de klacht, kan besluiten geen maatregel op te nemen. In verband met de harmonisatie van de maatregelen die de tuchtrechter kan opleggen ingeval het één van de juridische beroepen betreft, is dit verzoek begrijpelijk. Aan dit verzoek wordt tegemoet gekomen in het wetsvoorstel tot wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet in verband met de evaluatie van het functioneren van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, alsmede de regeling van enkele andere onderwerpen in die wet15 (zie ook paragraaf 2 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting).

Onderdeel D (artikelen 43a en 43b)

Met de toevoeging van het nieuwe artikel 43a wordt invulling gegeven aan het principe dat de kosten van het tuchtgeding zoveel mogelijk worden gedragen door degene die ertoe aanleiding heeft gegeven dat de procedure noodzakelijk was. Het nieuwe artikel 43b bepaalt dat de beslissing tot het opleggen van een geldboete of proceskostenveroordeling een executoriale titel oplevert.

De KBvG stelt in commentaar op artikel 43b, tweede lid, dat verwacht mag worden dat uit de beslissing van de tuchtrechter zal blijken wie wat aan wie moet betalen, zodat de titel aanstonds compleet is. Door het toevoegen van een vierde lid aan artikel 43a, waarin artikel 43, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, wordt duidelijk dat de tuchtrechter de hoogte van de kostenveroordeling en de termijn waarbinnen deze moet worden voldaan vaststelt.

De KBvG vraagt voorts waar de nadere regels, bedoeld in artikel 43b, tweede lid, op zullen slaan. Het tweede lid biedt een grondslag voor het bij algemene maatregel van bestuur stellen van nadere regels omtrent de invordering van een geldboete. Hierin zullen regels worden opgenomen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de tuchtrechtelijke beslissingen waarbij een geldboete is opgelegd. Daarbij zal worden aangesloten bij de regeling met betrekking tot strafrechtelijke boetevonnissen in het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten en de daarop gebaseerde Regeling vaststelling invorderingskosten.

Zie ook de toelichting op artikel I, onderdeel F (artikel 48ac) en artikel III, onderdeel F (artikelen 103b en 103c) van deze wet, waarmee vergelijkbare bepalingen in de Advocatenwet en de Wet op het notarisambt worden ingevoerd.

Onderdelen E en F (artikelen 44 en 47)

Deze onderdelen betreffen technische aanpassingen die noodzakelijk zijn in verband met de invoering van het griffierecht van artikel 37, derde tot en met negende lid in hoger beroep en invoeging van de artikelen 43a en 43b in de Gerechtsdeurwaarderswet. Zie voor een nadere inhoudelijke toelichting de wijzigingsonderdelen B en D.

Onderdeel G (artikel 78)

In haar reactie op een ontwerp van deze wet vraagt het Bureau naar de reden waarom de doorbelasting van de kosten van het toezicht en de tuchtrechtspraak in de Wet op het notarisambt worden geregeld in artikel 87, terwijl dit in de Gerechtsdeurwaarderswet wordt ondergebracht in de artikelen 30, tweede lid, en 34, zevende lid. Het is het Bureau niet duidelijk waarom de uniformiteit, die voor de overige artikelen zo veel als mogelijk is gebruikt, op dit punt niet is gehandhaafd.

Naar aanleiding van deze opmerking is in het kader van de uniformiteit de grondslag voor de doorberekening van de kosten die het Bureau maakt in het kader van het toezicht op gerechtsdeurwaarders aan de KBvG tezamen met de grondslag voor de doorberekening aan de KBvG van de kosten van tuchtrechtspraak voor gerechtsdeurwaarders in eerste aanleg en hoger beroep neergelegd in artikel 78 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

De opname van een grondslag voor de doorberekening van kosten van toezicht en tuchtrecht heeft tot gevolg dat bijvoorbeeld de schadeloosstellingskosten van getuigen en deskundigen, als bedoeld in artikel 42, zesde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet voortaan worden doorberekend aan de KBvG. Ook de in artikel 35, zevende lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet genoemde reis-en verblijfskosten van de voorzitter en de leden en hun plaatsvervangers, alsmede de secretaris, die ten laste komen van de Staat, worden voortaan doorberekend aan de KBvG.

Door van haar leden jaarlijks een bijdrage te heffen is het voor de KBvG mogelijk de bij de wet opgedragen taken uit te voeren. Dit wijzigingsonderdeel stelt buiten twijfel dat de KBvG de kosten die samenhangen met het toezicht en de tuchtrechtrechtspraak kan doorberekenen aan haar leden.

Artikel III (Wet op het notarisambt)

Onderdeel A (artikel 87)

Artikel 87 bepaalt dat de KNB alle kosten draagt die uit de uitvoering van de aan haar door de wet opgedragen taken voortvloeien en dat zij voor de dekking van deze kosten van haar leden jaarlijks bijdragen kan heffen. Dit wijzigingsonderdeel regelt dat de kosten die voortvloeien uit het wettelijk geregelde toezicht en tuchtrecht worden doorberekend aan de KNB en dat zij ter dekking van deze kosten jaarlijks bijdragen kan heffen van haar leden. Zo zullen bijvoorbeeld de in artikel 94, elfde lid, genoemde reis- en verblijfkosten van de leden en andere vergoedingen, die ten laste komen van de Staat, worden doorberekend aan de KNB.

Onderdeel B (artikel 94)

Dit wijzigingsonderdeel voorziet er in dat de kamers voor het notariaat in kleinere samenstelling zaken behandelen en beslissen. Deze regeling sluit aan bij de regeling voor de kamer voor gerechtsdeurwaarders (artikel 37 van de Gerechtsdeurwaarderswet) en de in de Advocatenwet opgenomen regeling voor de raden en het hof van discipline (artikelen 47 en 56).

Artikel 94, achtste lid, maakt het mogelijk dat de kamers voor het notariaat voortaan de zaken afdoen in een kamer van drie leden in plaats van een kamer bestaande uit vijf leden. Indien een van de leden van mening is dat de zaak zich niet leent voor de behandeling in een kamer van drie leden, wordt de zaak afgedaan door een kamer van vijf leden. De hoofdregel van een kamer van drie leden biedt de uitvoeringspraktijk mogelijkheden om te komen tot kostenbesparingen en het efficiënter afdoen van tuchtzaken.

In een reactie op een ontwerp van deze wet heeft de KNB voorgesteld om in aanvulling op deze maatregel ter verdere verkorting van de doorlooptijden van tuchtklachten nog te voorzien in de mogelijkheid om meer (plaatsvervangende) notarisleden te benoemen voor de kamers van het notariaat. Een aanpassing op dit punt is niet noodzakelijk. Artikel 94 (oud) van de Wet op het notarisambt bepaalt dat elke kamer voor het notariaat uit een voorzitter en vier leden bestaat. In het zesde en zeven lid van dit artikel is aangegeven dat de twee leden van de kamer worden benoemd door de Minister van Veiligheid en Justitie en twee door de leden van de KNB en dat in beide gevallen voor deze leden voor «elk hunner een of meer plaatsvervangers» kunnen worden aangewezen. In een eventueel tekort aan in het aantal plaatsvervangende leden van de kamers voor het notariaat kan reeds worden voorzien.

De suggestie van de KNB om ter verdere verkorting van de doorlooptijden van tuchtklachten te voorzien in de mogelijkheid om bagatelklachten af te doen met een verkorte of zonder motivering, is niet overgenomen. De introductie per 1 januari 2013 van een verplichte geschillencommissie voor de beslechting van geschillen tussen cliënt en notaris, zal naar verwachting een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan een andere wijze van afdoening van klachten over bijvoorbeeld declaraties. Verwacht mag worden dat hiermee de druk op de tuchtrechter voor het notariaat zal afnemen.

De Raad voor de rechtspraak is van mening dat de voorzitter dient te bepalen door welk gremium (voorzitter of kleine dan wel grote kamer) een klacht behandeld wordt en dat rechtstreekse verwijzing door de kleine kamer naar de grote kamer niet gewenst zou zijn. Daarnaast verzoekt de Raad voor de rechtspraak in de wettekst te expliciteren dat in geval de voorgezette behandeling plaatsvindt door de grote in plaats van de kleine kamer, twee leden worden toegevoegd aan de drie-mansbezetting omdat dat het meest voor de hand ligt. Op grond van de reeds bestaande regeling in de Gerechtsdeurwaarderswet laat de wetgever het aan de tuchtkamer zelf om te bepalen of een zaak behandeld wordt door een kleine of grote kamer en of in geval van voortgezette behandeling door een grote kamer twee leden worden toegevoegd aan een kleine kamer. De tuchtkamer kan aan de hand van de omstandigheden van het geval zelf bepalen hoe het tuchtproces vormgegeven wordt. Nu dit in de praktijk niet tot problemen leidt bestaat op dit punt geen noodzaak tot een gedetailleerdere regeling.

Onderdeel C (artikel 94a)

De toevoeging van een nieuw artikel 94a, waarborgt de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie voor de rechtspleging en rechtshandhaving. Zie voorts de toelichting op artikel I, onderdeel A (artikel 46a) en artikel II, onderdeel A (artikel 34a), waarmee voor de tuchtcolleges voor de advocatuur en de gerechtsdeurwaarders vergelijkbare bepalingen worden ingevoerd.

Ten aanzien van het recht om te worden gehoord voordat de begroting wordt vastgesteld heeft de KNB in haar reactie op een ontwerp van deze wet aangegeven dat zij van mening is dat het recht te worden gehoord geen enkele zekerheid biedt dat met eventuele bezwaren of opmerkingen van de KNB rekening wordt gehouden. In dit kader heeft de NOvA een vergelijkbare opmerking geplaatst.

De overeenkomst tussen het recht te worden gehoord en het instemmingsrecht is dat de begroting niet kan worden vastgesteld zolang er al dan niet instemming is gegeven of de beroepsgroep niet is gehoord. Tevens geldt in beide gevallen dat de beroepsgroep zich uit kan spreken over de inhoud van de begroting. Voorts zal in beide gevallen rekening gehouden worden met de inbreng van de beroepsgroep. Het is echter niet wenselijk dat de beroepsgroep door middel van een instemmingsrecht kan bepalen op welke wijze en tegen welke prijs de kamers voor het notariaat en het gerechtshof Amsterdam de wettelijke tuchtrechtelijke taken uitoefenen. Derhalve is het instemmingsrecht voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie. In dit verband wordt eveneens verwezen naar paragraaf 4 van het algemeen deel van de memorie van toelichting, waar reeds in zijn algemeenheid op de rol van de beroepsgroepen en de Minister van Veiligheid en Justitie in de begrotingscyclus is ingegaan.

Onderdeel D (artikel 99)

De wijziging van artikel 99 ziet op de invoering van het griffierecht. De klager is een relatief laag griffierecht van € 50 verschuldigd, welk bedrag door beklaagde wordt vergoed indien de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. Indien een potentiële klager, om welke reden dan ook, het tuchtrecht niet kan of wil betalen, bestaat voor hem nog altijd de mogelijkheid om zijn klacht onder de aandacht te brengen van bijvoorbeeld de beroepsgroep of de toezichthouder. Deze kan vervolgens de klacht onderzoeken en deze zo nodig onder de aandacht van de tuchtrechter brengen.

Voor de raden van discipline zijn en voor het hof van discipline en de kamer voor gerechtsdeurwaarders worden vergelijkbare bepalingen ingevoerd. Zie de toelichting op artikel I, onderdeel C en I (artikelen 46e en 57) en artikel II, onderdeel B (artikel 37).

De reacties van de KNB en KBvG op een ontwerp van deze wet hebben geleid tot aanpassing van artikel 99, vierde lid, Wet op het notarisambt (nieuw) en artikel 37, zesde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet (nieuw) welke thans beter aansluiten bij artikel 46e van de Advocatenwet. Deze aanpassing heeft tot gevolg dat partijen in geval van een minnelijke schikking kunnen bepalen dat de kosten van het griffierecht door de betrokken notaris, toegevoegd notaris of kandidaat- notaris worden vergoed of voor rekening van de klager blijven. De suggestie van de Raad voor de rechtspraak om het griffierecht, dat in geval van een gegronde uitspraak, wordt vergoed door de notaris onderdeel te laten uitmaken van de proceskostenveroordeling is niet overgenomen. De vergoeding van het griffierecht in geval van een gegrondverklaring is immers een imperatieve bepaling, terwijl de proceskostenveroordeling een facultatieve bepaling betreft.

Het voorstel van de KNB om het griffierecht op een hoger bedrag dan € 50,– vast te stellen is niet overgenomen. Het door de KNB getrokken vergelijk met het klachtengeld voor de indiening van een klacht bij de geschillencommissie notariaat gaat niet op, nu de hoogte van het klachtgeld afhankelijk is van het financiële belang dat met de zaak gemoeid is. In een tuchtzaak is het financiële belang van geen belang. In een tuchtzaak staat immers de gedraging van de beroepsbeoefenaar centraal. Ook de Raad voor de rechtspraak acht het een goede zaak dat met de invoering van de verplichting griffierecht te betalen een beperkte barrière wordt opgeworpen tegen bagatelzaken. Deze Raad vraagt zich wel af waarom geen aansluiting wordt gezocht bij de Wet griffierechten in burgerlijke zaken (Wgbz), voor wat betreft de hoogte van het griffierecht en de wijze waarop het griffierecht geheven wordt. De reden waarom geen aansluiting wordt gezocht bij de Wgbz is gelegen in het feit dat het tuchtrecht primair beoogt de kwaliteit en integriteit van de beroepsgroep te handhaven. Hoewel de klager het vaak wel als zodanig zal voelen, is het doel van het tuchtrecht niet de persoonlijke genoegdoening van de klager. Daarmee verschilt het tuchtrecht van het privaatrecht, waarin het nastreven van persoonlijke belangen, doorgaans wel het uitgangspunt vormt voor procespartijen. Het invoeren van het griffierecht in het tuchtrecht ziet op het opwerpen van een drempel om bagatelzaken tegen te gaan, terwijl het onwenselijk is dat een dergelijke drempel tot gevolg zou hebben dat zaken die er toe doen niet bij de tuchtrechter terecht komen. Daarom is gekozen voor een griffierecht van € 50,–.

Naar aanleiding van de reactie van de NOvA op artikel I, onderdeel D, van een ontwerp van deze wet is thans eveneens expliciet in het negende lid van artikel 99 opgenomen dat de klacht niet- ontvankelijk wordt verklaard als het griffierecht niet binnen de termijn van vier weken is voldaan. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 46e, derde lid, van de Advocatenwet en artikel 37, vijfde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet.

Het Bureau geeft in haar reactie aan dat het met enige regelmaat voorkomt dat een klacht tegen een kantoor wordt ingediend. De kamer voor het notariaat onderzoekt dan tegen welke notaris(sen) en of toegevoegd notaris(sen) dan wel kandidaat-notaris(sen) de klacht zich richt. Als de klacht zich richt tegen meer dan één notaris(sen) en of toegevoegd notaris(sen) dan wel kandidaat-notaris(sen), wordt voor de klacht eenmaal griffierecht geheven. Ingeval het door de klager betaalde griffierecht dient te worden vergoed zijn de notaris(sen) en of toegevoegd notarissen dan wel kandidaat-notarissen tegen wie de klacht zich richt hoofdelijk aansprakelijk. Als een van de notaris(sen) en of toegevoegd notarissen dan wel kandidaat-notarissen tegen wie de klacht zich richtte betaalt, zijn de andere notaris(sen) en of toegevoegd notarissen dan wel kandidaat-notarissen gekweten (zie ook de toelichting op de artikel I, onderdeel C (artikel 46e) en artikel II, onderdeel B (artikel 37)).

Onderdeel E (artikel 103a)

De wijziging van het derde lid van artikel 103a bewerkstelligt dat de opbrengsten van de geldboete ten gunste komen van de Staat maar in mindering worden gebracht op de kosten van de tuchtrechtspraak die op grond van artikel 87 Wet op het notarisambt worden doorberekend aan de KNB. Met deze maatregel worden de kosten als gevolg van dit wetsvoorstel voor de beroepsgroep als geheel beperkt.

Het vierde lid van artikel 103a biedt een voorziening voor het geval de veroordeelde notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris de boete niet, niet tijdig of onvolledig betaalt. In dat geval kunnen tegen hem nadere tuchtrechtelijke voorzieningen worden getroffen. De kamer voor het notariaat kan in dat geval ambtshalve bijvoorbeeld een aanvullende geldboete opleggen of de schorsing uitspreken, zonder dat daaraan voorafgaand een afzonderlijke (reguliere) tuchtrechtelijke procedure hoeft te worden doorlopen. Wel is vereist dat de betrokken notaris tevoren in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord. Hij kan daarbij aangeven wat de redenen zijn waarom de geldboete niet is voldaan. Op verzoek van de raden en het hof van discipline is een vergelijkbare bepaling in de Advocatenwet opgenomen (zie artikel 48aa en artikel I, onderdeel E (artikel 48aa)). Uitgangspunt hierbij is dat de tuchtrechter op grond van de individuele omstandigheden bepaalt welke maatregel passend is. Overschrijding van de betalingstermijn kan onder omstandigheden ook een licht vergrijp opleveren, waarvoor met het opleggen van een waarschuwing of berisping zou kunnen worden volstaan. Omdat er geen reden is om dit in het tuchtrecht voor het notariaat op een andere wijze te regelen, is wijzigingsonderdeel E, onder 2., opgenomen (zie ook de toelichting op artikel I, onderdeel E (artikel 48aa) en artikel II, onderdeel C (artikel 43).

Onderdeel F (artikelen 103b en 103c)

Met de toevoeging van het nieuwe artikel 103b wordt invulling gegeven aan het principe dat de kosten van het tuchtgeding zoveel mogelijk worden gedragen door degene die ertoe aanleiding heeft gegeven dat de procedure noodzakelijk was. Het nieuwe artikel 103c bepaalt dat de beslissing tot het opleggen van een geldboete of proceskostenveroordeling een executoriale titel oplevert.

Zie voorts de toelichting op artikel I, onderdeel F (artikel 48ac), waarmee vergelijkbare bepalingen in de Advocatenwet worden ingevoerd en artikel II, onderdeel D (artikelen 43a en 43b) voor wat betreft de Gerechtsdeurwaarderswet.

In de reactie op een ontwerp van deze wet geeft de KNB aan zich te kunnen vinden in het voorstel om de kosten die in verband met de behandeling van een zaak zijn gemaakt, te verhalen op degene tegen wie een maatregel wordt uitgesproken. De KNB vraagt zich af welke kosten hieronder moeten worden verstaan. Ook de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de Raad voor de rechtspraak hebben verzocht om in de memorie van toelichting te verduidelijken wat onder «de overige kosten die in verband met de behandeling van de zaak zijn gemaakt» verstaan moet worden. Artikel 103 b ziet op de klassieke proceskosten. De kosten bedoeld in artikel 103b, eerste lid, onder a, zien onder meer op:

  • de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand;

  • de kosten van een getuige, deskundige of tolk die door de klager is meegebracht of opgeroepen, dan wel een deskundige die aan een klager verslag heeft uitgebracht;

  • de reis- en verblijfskosten van een klager; en

  • de verletkosten van een klager.

Zie hiervoor bijvoorbeeld ook artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De overige kosten bedoeld in artikel 103b, eerste lid, onderdeel b, zien op de kosten die het tuchtcollege heeft moeten maken. Deze kosten zien op onder andere de kosten van het gebruik van de zittingszaal en werkruimtes door het tuchtcollege, maar ook op de kosten van de leden van het tuchtcollege en de ondersteuning van het tuchtcollege.

Het ligt voor de hand dat tuchtrechters net als in het burgerlijk procesrecht en het bestuursprocesrecht is gebeurd, tot een systeem zullen komen op grond waarvan per geval de kostenveroordeling wordt vastgesteld. In het advies van de raden en het hof van discipline wordt reeds aangegeven dat deze tuchtcolleges voornemens zijn hiervoor, in navolging van de civiele rechter, een vast en eenvoudig tarief te ontwikkelen en dat zij dit tarief zullen publiceren op hun websites. Daarin kan ook inzichtelijk worden gemaakt wat de behandeling van een zaak overigens kost. Hierdoor wordt voor klagers en de beroepsbeoefenaren voorspelbaar op welke wijze de tuchtrechter bij een kostenveroordeling zal oordelen.

De Raad voor de rechtspraak heeft gevraagd naar de noodzaak om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen over de tenuitvoerlegging van de beslissing tot een proceskostenveroordeling. Deze nadere regels zien op de invordering van de geldboete. Hierin zullen regels worden opgenomen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de tuchtrechtelijke beslissingen waarbij een geldboete is opgelegd. Daarbij zal worden aangesloten bij de regeling met betrekking tot strafrechtelijke boetevonnissen in het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten en de daarop gebaseerde Regeling vaststelling invorderingskosten.

Onderdeel G (artikel 107)

Dit onderdeel ziet op een technische aanpassing die noodzakelijk is in verband met de invoering van het griffierecht in artikel 99, tweede tot en met zevende, en de tweede volzin van het negende lid.

Onderdeel H (artikel 111)

Dit wijzigingsonderdeel is toegevoegd naar aanleiding van de reactie van de KNB op een ontwerp van deze wet en bevat de verplichting de KNB te horen voordat de subsidie aan het Bureau wordt verstrekt. Het Bureau is met ingang van 1 januari 2013 belast met het integrale toezicht op het notariaat. In verband met het doorberekenen van de kosten van toezicht aan de beroepsgroep zijn de kosten van het Bureau die samenhangen met het uitoefenen van het op grond van de Wet op het notarisambt uitgeoefende toezicht van belang voor de beroepsgroep. Met het bepaalde in dit wijzigingsonderdeel zal door de Minister van Veiligheid en Justitie bij de vaststelling van de subsidie, die gebaseerd is op de begroting en het jaarverslag, rekening gehouden moeten worden met de zienswijze van de KNB.

Onderdeel I (artikel 111b)

Dit wijzigingsonderdeel ziet op de verrekening van de baten en lasten. De bedragen van opgelegde bestuurlijke boetes en verbeurde lasten onder dwangsom worden in mindering gebracht op de kosten voor toezicht die worden doorberekend aan de KNB.

Artikel IV

Voor zover het begrotingsvoorstel en de meerjarenbegroting van de Raad voor de rechtspraak, en het jaarplan en het jaarverslag van genoemde Raad zien op de behandeling van tuchtzaken in hoger beroep van gerechtsdeurwaarders en notarissen, zijn deze voorstellen en verslag in verband met de doorberekening van de kosten van tuchtrechtspraak ook van belang voor de desbetreffende beroepsorganisaties. De wijzigingsonderdelen A, B en C voorzien in de mogelijkheid dat de KNB en KBvG over genoemde voorstellen worden gehoord.

Dit betekent niet dat de KNB en KBvG bepalen op welke wijze en tegen welke prijs het gerechtshof Amsterdam de wettelijke tuchtrechtelijke taken uitoefenen. Wel zal rekening gehouden moeten worden met de zienswijze van de KNB en KBvG. Hierbij kan gedacht worden aan inzichten over een efficiëntere wijze van taakvervulling door genoemd hoger beroepscollege.

Artikelen V tot en met VII

Deze bepalingen regelen de samenloop met het gelijktijdig aanhangige wetsvoorstel tot wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet in verband met de evaluatie van het functioneren van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, alsmede de regeling van enkele andere onderwerpen in die wet (34 047) en het voorstel van wet van het lid Van der Steur tot het stellen van regels omtrent de registratie en de bevordering van de kwaliteit van mediators (Wet registermediator (33 722)).

Artikel VIII

Hoewel het in de bedoeling ligt deze wet als één geheel in werking te laten treden, is de mogelijkheid van gedifferentieerde inwerkingtreding opengehouden. Deze mogelijkheid wordt opengehouden in verband met het aanhangige wetsvoorstel tot wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet in verband met de evaluatie van het functioneren van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, alsmede de regeling van enkele andere onderwerpen in die wet (34 047) en het voorstel van wet van het lid van der Steur tot het stellen van regels omtrent de registratie en de bevordering van de kwaliteit van mediators (Wet registermediator) (33 722). De ervaring met verschillende min of meer gelijktijdig lopende en of omvangrijke aanpassingsoperaties leert dat het daarbij nuttig is om de mogelijkheid achter de hand te houden om een enkele aanpassing van inwerkingtreding uit te zonderen.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven


X Noot
1

Maat houden. Bekendmaking van het kader voor de doorberekening van toelatings-en handhavingskosten, Stcrt 10 mei 2000, nr. 90, en Maat houden 2014, Stcrt 18 juni 2014, nr. 16734.

X Noot
2

Rapport van de werkgroep tuchtrecht onder voorzitterschap van prof. Mr. N.J,H. Huls, Den Haag, 7 december 2006, par 2.3, Kamerstukken II 2006/07, 29 279, nr.48 en Kamerstukken II, 2007/08, 29 279, nr. 61.

X Noot
3

Zie verder Kamerstukken II 2009/10, 32 123 VI, nr. 87, II 2010/11, 32 500 VI, nr. 74, II 2010/11, 32 500 VI, nr. 81

X Noot
4

Zie onder andere Kamerstukken II 2009/2010, 32 250, nr. 3.

X Noot
5

De wet tot aanpassing van de Advocatenwet en enige andere wetten in verband met de positie van de advocatuur in de rechtsorde en herziening van het toezicht op advocaten (Wet positie en toezicht advocatuur), Stb. 2014, 354. Met uitzondering van artikel I, onderdeel R, treedt de Wet positie en toezicht advocatuur op 1 januari 2015 in werking, Stb. 2014, 429.

X Noot
6

Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 700 VI, nr. 113, II 2009/10, 32 123 VI, nr. 64.

X Noot
7

Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 047, nrs. 1 t/m 3.

X Noot
8

Zoals bij brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 7 februari 2011 is gemeld aan de Tweede Kamer verandert dit niet door de komst van een zelfstandig toezichthoudend orgaan binnen de Nederlandse orde van advocaten (Kamerstukken II 2010/11, 32 500 VI, nr. 81).

X Noot
9

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
10

Rapport Brede heroverwegingen, april 2010, deel 15, pagina 34.

X Noot
11

Voorstel van wet van het lid van der Steur tot het stellen van regels omtrent de registratie en de bevordering van de kwaliteit van mediators (Wet registermediator) Kamerstukken II 2013/14, 33 722.

X Noot
12

Kamerstukken II 2006/07, 29 279, nr. 48.

X Noot
13

Kamerstukken II 2007/08, 29 279, nr. 61, pag. 5.

X Noot
14

Kamerstukken II, 2013/14, 22 382, amendement nr. 29 en Stb. 2014, 354.

X Noot
15

Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 047.