Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534058 nr. 9

34 058 Regels omtrent windenergie op zee (Wet windenergie op zee)

Nr. 9 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET NADER VERSLAG

Ontvangen 19 februari 2015

I. ALGEMEEN

Met belangstelling heb ik kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de verschillende fracties over het wetsvoorstel windenergie op zee. Ik dank deze leden van de commissie voor hun inbreng. Graag ga ik hieronder, mede namens de Minister van Infrastructuur en Milieu, in op de gestelde vragen. Ik spreek de hoop uit dat het wetsvoorstel met deze beantwoording van de gestelde vragen op korte termijn kan worden geagendeerd voor plenaire behandeling. Om de afspraken uit het Energieakkoord na te kunnen komen, streef ik naar inwerkingtreding van dit wetsvoorstel op 1 juli 2015.

1 Inleiding

De leden van de PVV-fractie verzochten om uiteen te zetten wat de totale kosten van de plannen voor de windenergie op zee in de oude situatie (dus met individuele aansluitingen en zonder net op zee) zijn en in de beoogde nieuwe structuur (dus met TenneT als netbeheerder van het net op zee) en welk effect een daling van de energieprijzen op de totale kosten heeft. In het Energieakkoord is afgesproken dat in het kader van de 40% kostenreductie in de periode 2014–2023, de kosten van windenergie op zee dalen met € 0,005 / kWh per jaar. Het startniveau van de kosten is ook vastgelegd in het Energieakkoord en is voor een gemiddeld windpark gelijk aan € 0,150 / kWh in 2014, inclusief een radiale aansluiting naar land. In onderstaande tabel is de kostenontwikkeling, volgens de afspraken in het Energieakkoord, van een gemiddeld windpark weergegeven voor de periode waarin de tenders voor windenergie op zee in de SDE+ plaats zullen vinden.

Tabel 1: Kostenontwikkeling gemiddeld windpark op zee zoals vastgelegd in het Energieakkoord

Jaar

Kosten gemiddeld park (inclusief radiale aansluiting naar land)

2015

€ 0,145 / kWh

2016

€ 0,140 /kWh

2017

€ 0,135 / kWh

2018

€ 0,130 / kWh

2019

€ 0,125 / kWh

In de SDE+ wordt het verschil tussen de kosten – het basisbedrag in SDE+ termen – en de werkelijke jaarlijkse elektriciteitsprijs voor windenergie op zee gesubsidieerd. Aangezien de werkelijke elektriciteitsprijs stijgt en daalt over de jaren heen, stijgen en dalen ook de werkelijke uitgaven van de SDE+. De uitgaven in de huidige SDE+ zijn echter wel gemaximeerd. Indien de elektriciteitsprijs extreem laag wordt, wordt niet meer het volledige verschil tussen de kosten en de werkelijke elektriciteitsprijs gesubsidieerd, maar het verschil tussen de kosten en de basiselektriciteitsprijs. Deze basiselektriciteitsprijs wordt vooraf vastgelegd en is gelijk aan twee derde van de lange termijn elektriciteitsprijs. Het verschil tussen de afgesproken maximale gemiddelde kosten (zie bovenstaande tabel) en de basiselektriciteitsprijs is de maximale subsidie per kWh. Door deze maximale subsidie per kWh te vermenigvuldigen met het te realiseren vermogen van 3500 MW in de periode 2015–2019, het aantal van 4.000 vollasturen en de subsidieduur van 15 jaar kan de totale maximale subsidie worden berekend. Deze totale maximale subsidie is gelijk aan circa € 18 miljard. In de maximale subsidie is dus rekening gehouden met de afgesproken kostenreductie van € 0,005 / kWh per jaar. Indien er geen sprake zou zijn van kostenreductie dan zou de maximale subsidie veel hoger liggen dan € 18 miljard.

Op het moment dat de tenders voor windenergie op zee zijn afgerond kan de definitieve maximale subsidie worden berekend. De winnaar van de tender kan immers lager bieden dan de maximale kosten en de basiselektriciteitsprijs wordt bij iedere tender geactualiseerd. De uiteindelijk uitgaven binnen de SDE+ zijn vervolgens afhankelijk van de werkelijke ontwikkeling van de elektriciteitsprijs. Op basis van de huidige lange termijn ramingen van ECN zouden de werkelijke uitgaven ruim € 9 miljard zijn. De ontwikkeling van de elektriciteitsprijs laat zich echter moeilijk voorspellen.

In het Energieakkoord is vastgelegd dat het startniveau van de kosten gelijk is aan € 0,150 / kWh, inclusief een radiale aansluiting naar land. Deze kosten zouden volledig door de windparkeigenaar worden gedragen. Het aanwijzen van TenneT leidt in eerste instantie tot een herverdeling van de kosten. De windparkeigenaar draagt alleen nog de kosten voor het windpark; TenneT draagt de kosten voor de aansluiting naar land. Zonder kostenreductie blijven de kosten van TenneT en de windparkeigenaar gezamenlijk € 0,150 / kWh.

De aanwijzing van TenneT heeft ook gevolgen voor de verdeling van de afgesproken kostenreductie. De 40% kostenreductie is afgesproken over de kosten die een windparkeigenaar draagt, inclusief de radiale aansluiting naar land (€ 0,150 / kWh in 2014). De verschuiving van de kosten van de aansluiting naar land naar TenneT betekent dat TenneT ook voor een deel van de kostenreductie zorg zal dragen. Gezamenlijk zorgen TenneT en de eigenaar van het windpark nog steeds voor 40% kostenreductie. Hierdoor blijven de totale kosten, de kosten van TenneT plus de subsidie binnen de SDE+, gelijk aan maximaal € 18 miljard. Pas als TenneT meer dan 40% kostenreductie realiseert op haar deel van de kosten en de windparkeigenaren ook 40% op hun deel, dan zullen de maximale totale kosten van € 18 miljard gaan dalen. Over de vraag of zowel TenneT en de windparkeigenaren ieder 40% kosten moeten reduceren of dat een van de twee meer doet en de ander minder, maar samen nog steeds 40%, wordt nog overleg gevoerd tussen de partijen binnen het Energieakkoord.

Momenteel maakt ECN berekeningen van enkel de kosten van windparken, zonder aansluiting naar land, voor de gebieden die zijn aangewezen in de routekaart (Borssele, Hollandse Kust Zuid-Holland en Hollandse Kust Noord-Holland). Als deze berekeningen zijn afgerond kan het effect op de SDE-gelden worden berekend.

De leden van de D66-fractie vroegen hoe de besparing van TenneT onderdeel wordt van de 40% kostendaling en welk effect de aanwijzing van TenneT heeft op de SDE-gelden. Tot slot vroegen de leden van de D66-fractie aan de regering om aan te geven of de besparing van € 3 miljard ook terug te zien is in de Rijksbegroting en indien dit het geval is, hoeveel, waar en in welke budgettaire nota het is verwerkt. Voor het antwoord op het eerste deel van de vragen verwijs ik naar de bovenstaande antwoorden. Zolang de berekeningen niet zijn afgerond, kan het niet in de begroting worden verwerkt.

2 Relatie tussen gebieden en kavels

De leden van de CDA-fractie vroegen hoeveel vierkante kilometer er meer nodig is in het gebied Ten Noorden van de Waddeneilanden voor 700 MW. Voor de korte termijn wordt niet voorgesteld om in het gebied Ten Noorden van de Waddeneilanden 700 MW te realiseren. De vijf keer 700 MW in de periode 2015 – 2019 wordt gerealiseerd in de gebieden Borssele en Hollandse Kust. Het gebied Ten Noorden van de Waddeneilanden is duurder dan deze gebieden. Na het behalen van de doelstelling van 16% in 2023 wordt een traject ingezet naar een duurzame energiehuishouding in 2050. In de loop van dat traject komen er andere gebieden in beeld. In het overleg van 17 november 2014 over het onderdeel energie van de begroting van Economische Zaken (Kamerstukken II, 2014/15, 34 000 XIII, nr. 142) heb ik toegezegd dat ik bereid ben om het gebied Ten Noorden van de Waddeneilanden voor die vervolgfase in beeld te brengen. Het is op dit moment dan ook niet opportuun om een exact aantal vierkante kilometers te geven dat nodig zou zijn. Dit is bovendien afhankelijk van andere belangen zoals mijnbouw, visserij, ecologie en scheepvaart in dat gebied. Het gebied Ten Noorden van de Waddeneilanden is met de partiële herziening van het Nationaal Waterplan aangewezen voor de realisering van windenergie (circa 200 km2). Binnen dit gebied wordt reeds 600 MW gerealiseerd door het windpark Gemini.

Daarnaast vroegen de leden van de CDA-fractie of een gemeenschappelijke kabel naar land niet een kabel minder vanuit land naar zee zou betekenen. Voor de kabels naar de kust worden in Borssele momenteel vier kabels op een spanningsniveau van 220 kV voorzien. Kabels met een grotere capaciteit zijn momenteel nog niet commercieel beschikbaar. Er zijn dus geen mogelijkheden om het aantal kabels naar de kust te verminderen, gegeven de 1.400 MW die in Borssele wordt voorzien. De kabels naar de kust hebben precies voldoende capaciteit voor de windparken die erop aangesloten worden. Dit geldt ook voor de kabels die de Belgische windparken aansluiten op het hoogspanningsnet in België. Bij veel wind – vanaf circa windkracht 6 – worden zowel de kabels naar de kust in Nederland als de kabels naar de kust in België maximaal benut. Het onderling verbinden van de platforms heeft alleen voordeel wanneer een kabel uitvalt, omdat de windturbines lang niet altijd de maximale hoeveelheid elektriciteit leveren. Omdat op elk platform van TenneT twee windparken worden aangesloten en alle onderdelen daarmee reeds dubbel worden uitgevoerd en TenneT mogelijk de twee platforms ook nog onderling verbindt, is de toegevoegde waarde van een extra verbinding met de Belgische windparken zeer klein. De kosten van die extra kabel wegen niet op tegen de baten van de extra elektriciteit die naar de kust kan worden gebracht, omdat de windparken in Borssele in elk geval twee aan twee en – bij het onderling verbinden van de platforms – zelfs alle vier van elkaars restcapaciteit gebruik kunnen maken als er een kabel of ander onderdeel tijdelijk uitvalt.

3 Belangenafweging

De leden van de CDA-fractie vroegen of er gekeken wordt om binnen windparken visserij met pulstuig of garnalenvisserij toe te laten en hoe wordt bepaald welke vistuigen toegestaan worden. Daarnaast vroegen deze leden of de visserijsector een tegemoetkoming voor het verlies van visserijgronden krijgt. Op 12 december 2014 is het Ontwerp Nationaal Waterplan 2016–2021 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2014/15, 31 710, nr. 35). De ontwerpBeleidsnota Noordzee is hier een onderdeel van. In de ontwerpBeleidsnota Noordzee staat dat eind 2015 een definitief besluit zal worden genomen over het al dan niet toestaan van doorvaart en medegebruik voor vaartuigen kleiner dan of gelijk aan 24 meter lengte. Hierbij worden de effecten op de Search and Rescue (SAR) en de handhaving van mogelijke voorwaarden waaronder medegebruik kan plaatsvinden ook onderzocht. De intentie is om medegebruik in beginsel mogelijk te maken voor activiteiten die niet leiden tot bodemberoering. Daarbij gaat het om bestaande technieken (visserij met passieve vistuigen) en om randvoorwaarden voor het mogelijk toelaten van nieuwe innovatieve vistechnieken. Ik wil de windsector en visserijsector nauw betrekken bij het ontwikkelen van dit kader. Een tegemoetkoming voor het verlies van visserijgronden wordt niet voorzien.

4 Inhoud en procedure

De leden van de GroenLinks-fractie vroegen of het mogelijk is beroep in te stellen bij de Raad van State of het College van Beroep voor het bedrijfsleven tegen het schrappen van de bestaande vergunningen volgens artikel 34, tweede lid. Dit is niet mogelijk. Het vervallen van de vergunningen volgt rechtstreeks uit het voorgestelde artikel 34, tweede lid. De formele wetgever is geen bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (zie 1:1, tweede lid, onderdeel a, van deze wet). Een beslissing van de formele wetgever is om die reden geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht – een besluit wordt volgens de Algemene wet bestuursrecht altijd genomen door een bestuursorgaan – en zonder besluit kan geen beroep bij een bestuursrechter worden ingesteld. De burgerlijke rechter fungeert in dit geval wel als restrechter.

5 Uitbreiden taken netbeheerder voorbereidingsfase

De leden van de PVV-fractie vroegen of TenneT de kosten met terugwerkende kracht tot de dag van het afsluiten van het Energieakkoord in rekening mag brengen. Deze leden stelden ook dat het voorbereiden van een net op zee altijd nog gedaan kan worden. Volgens het Energieakkoord worden de eerste windturbines in 2019 gerealiseerd. De ruimtelijke inpassing is de meest kritische factor voor de tijdige realisatie van een net op zee. Om de windparken in 2019 op het net op zee aan te kunnen sluiten, moeten de ruimtelijke inpassingsactiviteiten nu doorlopen worden. Als TenneT hiermee pas zou starten na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, dan is het gereed hebben van het net op zee in 2019 niet meer mogelijk. Er is immers veel tijd nodig voor het ontwerpen van het net op zee, de vergunningverlening, het daadwerkelijk bestellen van de benodigde componenten, de aanleg en het testen van het net op zee. Als het net op zee er in 2019 nog niet is, blijft alleen de mogelijkheid over dat deze windparken zelf individueel aansluiten op het bestaande elektriciteitsnet op land. De keuze voor de terugwerkende kracht tot de datum van het Energieakkoord is pas na het debat over het Energieakkoord gemaakt bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel. Daarmee heeft dit ook geen gevolgen voor andere afspraken uit het Energieakkoord.

Met betrekking tot het in rekening mogen brengen van voorbereidingskosten door TenneT constateerden de leden van de PVV-fractie dat het wetsvoorstel nog niet door de Kamer is behandeld en meenden deze leden dat de regering buiten haar bevoegdheden is getreden door dit toe te staan. Ik wil benadrukken dat de regering met de voorgestelde wijziging van de Elektriciteitswet 1998 heeft voorgesteld dat TenneT bepaalde voorbereidingskosten voor het net op zee in de tarieven mag opnemen. Dit voorstel houdt in dat daar ook bepaalde kosten onder vallen die TenneT heeft gemaakt voordat dit wetsvoorstel in werking treedt. Het is nu aan uw Kamer om zich over dit voorstel uit te spreken. Zolang het wetsvoorstel niet in werking is getreden, is het TenneT vanzelfsprekend niet toegestaan voorbereidingskosten voor het net op zee in de tarieven op te nemen. Er wordt derhalve niet op het oordeel van uw Kamer vooruit gelopen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) stelt de hoogte van de tarieven van TenneT vast, en ook de ACM zal uiteraard niet op deze voorgestelde bepaling vooruit lopen.

6 Handhaving

De leden van de D66-fractie vroegen om de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgever en de ACM te verduidelijken. Deze bevoegdheidsverdeling wordt mede bepaald door het Europese recht op het terrein van elektriciteit. Buiten twijfel is dat het Europese recht de ruimte laat aan de wetgever om energiebeleid te formuleren en kaders te stellen waarbinnen de toezichthouder zijn reguleringstaken zal uitvoeren. Die kaders kunnen ook richting geven aan de wijze waarop de taken door de toezichthouder worden uitgevoerd, maar juist op het gebied van de taken van de toezichthouder die krachtens het Europese Recht aan de toezichthouder zijn toegekend, mag deze bemoeienis niet te indringend zijn – ook niet door middel van een wet in formele zin. De voorgestelde wijzing van de Elektriciteitswet 1998 blijft binnen deze randvoorwaarden en bevat geen bepalingen die inbreuk maken op de zelfstandige en onafhankelijke oordeelsvorming die de ACM toekomt bij het vaststellen van de tarieven en van de methoden daartoe. Het vaststellen van de tarieven is een besluit waartegen belanghebbenden in bezwaar en beroep kunnen gaan. Het is uiteindelijk aan de rechter om te bepalen of de ACM de tarieven correct heeft vastgesteld.

De leden van de D66-fractie vroegen tevens om de bevoegdheidsverdeling tussen wetgever en ACM voor te leggen aan de Europese Commissie of de Raad van State. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft reeds advies heeft uitgebracht over het wetsvoorstel en heeft geen opmerkingen gemaakt bij de voorgenomen bevoegdheidsverdeling. Ik zie dan ook geen aanleiding het voorgestelde artikel nogmaals aan de Afdeling of aan de Europese Commissie voorleggen.

Tot slot vroegen deze leden of er mogelijkheden zijn om de kosten voor de uitrol van het net op zee als duurzame infrastructuurinvesteringen uit de SDE+ te vergoeden. Gelet op de hoogte van de investeringen die TenneT moet doen om het net op zee te realiseren, zijn er diverse manieren om deze investeringen op een evenwichtige manier over burgers en bedrijfsleven te verdelen. Subsidiëring is een van de manieren die ik daarbij in overweging neem.

7 Overgangsrecht

De leden van de D66-fractie vroegen om de datum waarop de bestaande vergunningen vervallen te onderbouwen en wilden daarbij weten of deze datum er toe kan leiden dat er uiteindelijk geen vergunningen voor windenergie meer uitstaan, mocht het huidige voornemen geen doorgang vinden. In het wetsvoorstel wordt voorgesteld om de bestaande vergunningen die niet worden benut, op de datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel te laten vervallen. Ik heb telkens aangegeven dat de beoogde datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel 1 juli 2015 is. Mocht de behandeling van het wetsvoorstel langer duren, dan heeft dat tot gevolg dat de bestaande vergunningen op een latere datum, maar nog steeds gelijk met de datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel, zullen vervallen. De reden om de bestaande vergunningen op de datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel te laten vervallen is dat ik het onwenselijk vind om twee systemen gedurende een bepaalde periode naast elkaar te laten bestaan. Het nieuwe systeem heeft voordelen op het gebied van ruimtelijke ordening, betere concurrentie om de subsidie en een meer efficiënte uitrol van het net op zee. De bestaande vergunningen hebben deze voordelen niet. Vanuit maatschappelijk oogpunt kan ik niet motiveren waarom het voort laten bestaan van de bestaande vergunningen bijdraagt aan de verdere ontwikkeling van windenergie op zee.

De leden van de D66-fractie vroegen ook of het altijd het plan is geweest om de bestaande vergunningen op een specifieke datum te laten vervallen. Ik wijs hierbij allereerst op de oorspronkelijke bepaling in de vergunningen dat deze drie jaar na de datum van verlening zouden vervallen indien de vergunninghouder niet met de bouw was aangevangen. Deze bepaling geeft de oorspronkelijke voorwaarde weer waaronder de vergunningen zijn verleend: vergunningen die niet worden benut, blijven niet oneindig lang bestaan. De reden hiervoor was dat een dergelijke vergunning geen garantie of zelfs concreet uitzicht bood op daadwerkelijke realisatie van een windpark. Ruimteclaims van niet-realiseerbare projecten op zee zijn onwenselijk, omdat ze nieuwe – wel realiseerbare – ontwikkelingen belemmeren. Naar aanleiding van de motie van Van Veldhoven c.s. (Kamerstukken II, 2010/11, 32 500 A, nr. 52) bleven de vergunningen geldig tot 2020, op het moment dat er nog geen voorstel voor een nieuw stelsel lag. Geen van de vergunninghouders heeft tussen 2010 en 2013 SDE-subsidie aangevraagd, of is zonder subsidie gestart met de bouw. In 2013 is in het Energieakkoord afgesproken dat de kosten voor windenergie op zee met 40% moeten dalen, dat het kabinet zorg draagt voor een nieuw wettelijk uitgiftestelsel en dat bestaande vergunningen slechts een rol konden hebben indien zij zouden bijdragen aan de doelstellingen van het Energieakkoord. In de versie van het wetsvoorstel dat is geconsulteerd was geen bepaling over het vervallen van de vergunningen opgenomen. Op dat moment was nog niet helder of en op welke wijze partijen een invulling aan de afspraak van het Energieakkoord zouden geven. In de versie die voor advies naar de Raad van State is gestuurd, was een datum van één jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel opgenomen. Met die bepaling zouden de houders van de bestaande vergunningen aan één tender mee kunnen doen. Langer gebruik maken van de bestaande vergunningen zou betekenen dat de voordelen van het wetsvoorstel gedurende een langere periode teniet zouden worden gedaan. Tot slot is de sector in de zomer van 2014, op het moment dat het wetsvoorstel voor advies bij de Raad van State lag, met een voorstel gekomen. Dat voorstel beantwoordde niet aan de eisen van het Energieakkoord en daarmee was voor mij de reden om deze vergunninghouders gedurende één ronde de mogelijkheid te geven mee te doen met een tender, niet langer gerechtvaardigd.

De leden van de GroenLinks-fractie merkten op dat het per wet intrekken van de bestaande vergunningen de rechtszekerheid aantast en niet is voorgelegd aan de Raad van State. Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het bovenstaande antwoord.

De leden van de GroenLinks-fractie merkten op dat de bestaande vergunningen de ontwikkeling van het gebied Borssele niet belemmeren en vroegen waarom de bestaande vergunningen toch moeten vervallen. De bestaande vergunningen staan een grootschalige uitrol van windenergie op zee op een zo doelmatig mogelijke wijze in de weg. Gebruik maken van de bestaande vergunningen leidt tot hogere maatschappelijke kosten en tot een ruimtelijk inefficiënt gebruik van de zee (namelijk inefficiënte uitrol van het gebied Hollandse Kust) en waardoor ook het net op zee niet efficiënt kan worden aangelegd. Ik ben derhalve niet van plan een subsidietender te organiseren waaraan de bestaande vergunningen kunnen meedoen. Ik ben daar vanaf het moment dat ik het voorstel van de sector heb ontvangen, duidelijk over geweest. In dat licht bied ik liever de duidelijkheid – namelijk met het voorstel om de bestaande vergunningen te laten vervallen – dan deze nog in stand te laten, maar deze vergunningen voor geen enkele subsidietender in aanmerking te laten komen. Deze vergunningen zouden in dat laatste geval nog jarenlang als loze ruimteclaims hun stempel blijven drukken op de Noordzee om pas in 2020 te worden ingetrokken.

De leden van de GroenLinks-fractie vroegen of de compensatie van de bestaande vergunninghouders ondertussen geregeld is en voor welke vergunningen deze geldt. De compensatie geldt voor de vergunninghouders die bezig waren een serieuze aanvraag in te dienen voor subsidieverlening in 2014 voor windenergie op zee. Gesprekken hierover lopen nog. Na afronding van deze gesprekken zal ik uw Kamer informeren over de uitkomsten.

8 Overig

De leden van de CDA-fractie vroegen wanneer het wetsvoorstel voor de nieuwe Elektriciteits- en gaswet wordt voorgelegd aan de Kamer. Het wetsvoorstel Elektriciteits- en gaswet in het kader van de wetgevingsagenda STROOM ligt momenteel voor advies bij de Afdeling advisering van de Raad van State. Na ontvangst en verwerking van dit advies zal dit wetsvoorstel zo spoedig mogelijk bij uw Kamer worden ingediend.

De leden van de CDA-fractie vroegen tevens wat de kostprijs is van zonnecellen op het gebouw van De Nederlandsche Bank (DNB) en het leveren van stroom aan dit gebouw door windturbines voor de Hollandse Kust. Voor het behalen van de doelstelling van 14% duurzame energie in 2020 en 16% in 2023 zijn alle vormen van duurzame energie nodig, zowel zonnecellen als windenergie op zee. Dat maakt het met elkaar vergelijken tussen wijze van opwekking van duurzame energie minder zinvol. In de op 6 februari 2015 gepubliceerde Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2015 is aangegeven dat in 2015 het basisbedrag voor zonnecellen € 0,141 per kWh bedraagt. In het Energieakkoord is afgesproken dat de kosten voor windenergie op zee met 40% dalen. In de periode 2017–2019, als de gebieden voor de Hollandse Kust worden getenderd, is het basisbedrag voor een gemiddeld windpark inclusief aansluiting volgens die afspraken maximaal € 0,135, € 0,130 en € 0,125 per kWh (zie ook tabel 1 in paragraaf 1). Wat de precieze maximale bedragen, na aftrek van de kosten van het net op zee, en de uitkomsten van de tender zijn, is nu nog niet bekend. Daarmee zijn ook de precieze kosten van windenergie op zee voor de Hollandse Kust niet bekend. De basisbedragen zullen in ieder geval lager zijn dan hierboven genoemd.

II Artikelsgewijs

Artikel 34

De leden van de GroenLinks-fractie vroegen om artikel 34, tweede lid, zodanig te formuleren dat de bestaande vergunningen vervallen zodra de eerste aanbesteding (verlening van SDE+) een feit is. Zoals in paragraaf 7 in antwoord op vragen van leden van dezelfde fractie is aangegeven ben ik, vanaf het moment dat ik het voorstel van de sector heb ontvangen, duidelijk geweest dat ik niet van plan ben subsidie te verlenen aan houders van de bestaande vergunningen. Om die reden zie ik geen aanleiding artikel 34 aan te passen. Ook indien het onderhavige wetsvoorstel later in werking zou treden dan de beoogde datum van 1 juli 2015, vormen de bestaande vergunningen geen reëel alternatief voor de tussenliggende periode. De eerste kavelbesluiten worden al voorbereid.

Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel kan binnen drie maanden de SDE+-regeling voor de eerste tender worden gepubliceerd en kunnen na vijf maanden de definitieve kavelbesluiten worden vastgesteld en gaat de tender open.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp