34 035 Wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de introductie van een nieuw stelsel van studiefinanciering in het hoger onderwijs en de uitvoering van een toekomstgerichte onderwijsagenda voor het hoger onderwijs (Wet studievoorschot hoger onderwijs)

X VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 27 januari 2017

De leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 hebben kennisgenomen van de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 1 december 20162 inzake studievoorschot en geneeskundestudenten in hun coschapfase.

Naar aanleiding hiervan hebben zij de Minister op 20 december 2016 een brief gestuurd.

De Minister heeft op 27 januari 2017 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde nader schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, De Boer

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Den Haag, 20 december 2016

De leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 1 december 20163 inzake studievoorschot en geneeskundestudenten in hun coschapfase.

De leden van de fractie van D66 hebben naar aanleiding van uw brief nog enige nadere vragen. De leden van de fracties van het CDA, de PvdA en GroenLinks sluiten zich bij deze vragen aan.

Het fundamentele verschil tussen een coassistentschap en een stage, op grond waarvan een werkgever/werknemer relatie tussen coassistent en ziekenhuis door u noch mogelijk noch wenselijk wordt geacht, is gelegen in uw karakterisering van het coassistentschap als pure «onderwijswerkvorm». «Dat moet het vooral ook blijven», zo stelt u4.

Bij deze leden bestaat echter de indruk dat in sommige ziekenhuizen coassistenten wel degelijk met regelmaat productieve arbeid verrichten in (grote) zelfstandigheid die zich niet onderscheidt van (elders wel degelijk gehonoreerde) stageverrichtingen. In die situatie vervalt uw tegenargument, zo stellen zij. Coassistenten zouden dan immers niet betaald worden voor inspanningen die daarvoor wel in aanmerking komen, en blijven zelfs tijdens deze episodes additionele studieschuld opbouwen. Hun weekbelasting van 46 uur laat ook nog eens relatief weinig ruimte over voor het verwerven van neveninkomsten, zo merken deze leden op.

Zij vragen waar u uw overtuiging op baseert dat van deze productieve arbeid nergens enige sprake is. Is er enig empirisch onderzoek verricht dat deze opvatting ondersteunt? Zo nee, zou het dan niet zinnig zijn zulk onderzoek te verrichten en met enige regelmaat te herhalen, dan wel aan de inspectie op de gezondheidszorg te vragen op de feitelijke werkzaamheden van coassistenten actief toezicht te houden, zo vragen zij. Bent u bereid laatstgenoemde stap te nemen in afstemming met uw collega's van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Sociale Zaken en Werkgelegenheid?

U weerlegt de honorering van coassistenten met het argument van de onderwijswerkvorm, zo merken deze leden op. Deelt u het oordeel van deze leden dat van u dan in redelijkheid verwacht zou mogen worden dat u er actief naar streeft om het pure opleidingsgerichte karakter van deze werkvorm voor de geneeskundestudenten veilig te stellen, om zo ongelijkheid in behandeling te voorkomen?

De leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 13 januari 2017.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, G. de Vries-Leggedoor

BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 januari 2017

In antwoord op uw brief van 20 december 2016 (met kenmerk: 15814.11u), deel ik u mee dat de nadere schriftelijke vragen van de leden van de D66 fractie – waarbij de leden van de fracties van het CDA, de PvdA en GroenLinks zich aansluiten – over de financiële positie van geneeskundestudenten als coassistent, worden beantwoord zoals aangegeven in de bijlage van deze brief.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

Nadere vragen aan de Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap van de fractie van D66. De leden van het CDA, de PvdA en GroenLinks sluiten zich bij deze vragen aan.

Vraag 1.

Het fundamentele verschil tussen een coassistentschap en een stage, op grond waarvan een werkgever/werknemer relatie tussen coassistent en ziekenhuis door u noch mogelijk noch wenselijk wordt geacht, is gelegen in uw karakterisering van het coassistentschap als pure onderwijswerkvorm. «Dat moet het vooral ook blijven», zo stelt u. Bij de leden bestaat de indruk dat in sommige ziekenhuizen coassistenten wel degelijk met regelmaat productieve arbeid verrichten in (grote) zelfstandigheid die zich niet onderscheidt van (elders wel degelijk gehonoreerde) stage verrichtingen. In die situatie vervalt uw tegenargument, zo stellen zij.

  • De leden vragen zich af waar u de overtuiging op baseert dat er van productieve arbeid nergens enige sprake is.

  • Is er empirisch onderzoek verricht dat deze opvatting ondersteunt? Zo nee, zou het dan niet zinnig zijn zulk onderzoek te verrichten en met enige regelmaat te herhalen, dan wel aan de inspectie op de gezondheidszorg te vragen op de feitelijke werkzaamheden van coassistenten actief toezicht te houden?

  • Bent u bereid laatstgenoemde stap te nemen in afstemming met uw collega’s van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Sociale Zaken en Werkgelegenheid?

Antwoord op vraag 1.

Het coassistentschap is er als opleidingstraject op gericht om vaardigheden aan te leren waarmee de student het beroep van arts in de toekomst zelfstandig kan uitvoeren. Dit betekent dan ook dat er gedurende het coschap vanzelfsprekend sprake is van een toenemende mate van bekwaamheid en zelfstandigheid. De eindverantwoordelijkheid voor de handelingen van de coassistent blijft echter te allen tijde bij de opleider, ook als de coassistent deze handelingen in de eindfase van zijn studie zonder nabijheid van de opleider uitvoert.

Dit is bijvoorbeeld ook het geval in de laatste fase van het coschap, de semi-arts stage, waarin de coassistenten verantwoordelijkheid krijgen over een beperkt aantal patiënten op de afdeling onder directe supervisie van een ervaren beroepsbeoefenaar. Deze semi-arts stage is didactisch erg belangrijk; door verantwoordelijkheid te krijgen zal de student enerzijds meer geprikkeld worden om het goede te doen, meer opzoeken, meer leren, het beste beentje voorzetten en anderzijds zal de overgang naar de arts-assistent fase geleidelijk zijn en daardoor minder bedreigend. Tenslotte zal de student een attitude verwerven van «leven lang leren», wat essentieel is in het vak van arts-zijn.

Kortom, ook de toenemende zelfstandigheid in het klinisch redeneren en het uitvoeren van klinische vaardigheden dient een leerdoel. Coassistenten worden niet in een ziekenhuis ingezet met het doel om waarde aan de werkzaamheden toe te kennen. Zo vloeit uit de Wet op de Beroepen in de individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) voort dat coassistenten niet zelfstandig voorbehouden handelingen mogen verrichten. Deze mogen zij alleen verrichten in opdracht van een bevoegde beroepsbeoefenaar. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ) ziet er op toe dat de regels over het geven en nemen van opdrachten tot uitvoeren van voorbehouden handelingen worden nageleefd.

Als het gaat om (empirisch) onderzoek dat de opvatting over het opleidingsgerichte karakter van de coschapfase ondersteunt, baseer ik mij op de accreditatie van de geneeskundeopleidingen door de Nederlands-Vlaams accreditatieorganisatie (NVAO). Door de NVAO wordt iedere opleiding elke zes jaar gevisiteerd ten behoeve van accreditatie. Hierbij worden de onderwijsleeromgeving, de onderwijskwaliteit en de kwaliteitszorg beoordeeld en daarmee ook het opleidingsgerichte karakter van coschappen.

Uit de meest recente (openbare) visitatierapporten voor geneeskunde, blijkt dat er geen problemen zijn met de kwaliteitsstandaarden van de opleidingen geneeskunde en het opleidingsgerichte karakter van de coschappen. De visitatierapporten gaan ook in op zaken als studiebegeleiding, studielast en uitkomsten van studentenevaluaties (bijvoorbeeld over werktijden) en hoe daarmee wordt omgegaan door de betreffende universiteit en geneeskundefaculteit. Er ligt immers niet alleen bij de coschaplocaties maar juist ook bij de universiteiten en geneeskundefaculteiten zelf, de verantwoordelijkheid om hun verplichtingen jegens deze specifieke groep studenten na te komen en om adequaat om te gaan met signalen van individuele studenten.

In 2017 worden alle geneeskunde opleidingen opnieuw gevisiteerd en wordt de onderwijsleeromgeving, waaronder ook de coschapfase, opnieuw beoordeeld. De instellingen gaan over publicatie van de visitatierapporten. De NVAO publiceert de rapporten samen met de accreditatiebesluiten, circa zes maanden na indiening van de accreditatieaanvraag. Dat zal rond eind 2018 zijn.

De NVAO werkt nauw samen met de Inspectie van het Onderwijs als toezichthouder op stelselniveau. De inspectie kan in incidentele gevallen een onderzoek instellen als er een vermoeden is dat de «checks and balances» in en rondom een instelling tekort schieten en dit een uitstraling kan hebben naar het stelselniveau. Zoals ik hierboven aangeef, is dit niet aan de orde.

Het toezicht van de IGZ waar u in uw vragen naar refereert, richt zich op de kwaliteit van geleverde zorg en patiëntveiligheid. Het valt niet onder de toezichtstaak van de IGZ om de onderwijsleeromgeving te beoordelen.

De Inspectie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW) organiseert haar toezicht op naleving van de arbeidswetgeving programmatisch en risicogericht, zowel actief als reactief naar aanleiding van meldingen. Aangezien er geen arbeidsrelatie is bij coschappen en coassistenten ook niet met een arbeidsdoel worden ingezet, is er ook voor de Inspectie SZW geen logische rol om hierop toe te zien bij instellingen die coschappen bieden aan geneeskundestudenten.

Kortom, via de universiteiten en geneeskundefaculteiten zelf en de beoordeling in het kader van accreditatie, wordt er mijns inziens regulier en in voldoende mate gekeken naar de onderwijsleeromgeving en het opleidingsgerichte karakter van coschappen. Zoals ik aangaf in mijn reactie op het nader verslag schriftelijk overleg Tweede Kamer d.d. 19 september jl. zie ik geen aanleiding om het opleidingsgerichte karakter van de coschapfase nader te onderzoeken.5

Vraag 2.

De leden merken op dat u de honorering van coassistenten weerlegt met het argument van de onderwijswerkvorm. Deelt u het oordeel van deze leden dat van u dan in redelijkheid verwacht zou mogen worden dat u er actief naar streeft om het pure opleidingsgerichte karakter van deze werkvorm voor de geneeskundestudenten veilig te stellen, om zo ongelijkheid in behandeling te voorkomen?

Antwoord op vraag 2.

Dat oordeel deel ik zeker en ik ben van mening dat via accreditatie, via wetgeving (zoals rechtsbescherming voor studenten) en beleid van de universiteiten en geneeskundefaculteiten zelf, de juiste «checks and balances» zijn ingebouwd om het opleidingsgerichte karakter van de coschapfase veilig te stellen en ongelijkheid in behandeling van geneeskundestudenten te voorkomen. De NFU als vertegenwoordiger van de acht universitair medische centra, heeft bij mij aangegeven ook geen signalen te hebben over gebreken in de leeromgeving bij coschappen.


X Noot
1

Samenstelling:

Nagel (50PLUS), Ten Hoeve (OSF), Koffeman (PvdD), De Vries-Leggedoor (CDA) (voorzitter), Ganzevoort (GL), Martens (CDA), Sent (PvdA), Van Strien (PVV), Bruijn (VVD), Gerkens (SP), Kops (PVV), Van Apeldoorn (SP), Atsma (CDA), Bikker (CU), Van Hattem (PVV), Köhler (SP), Krikke (VVD), Nooren (PvdA), Pijlman (D66), Rinnooy Kan (D66), Schalk (SGP), Schnabel (D66) (vice-voorzitter), Jorritsma-Lebbink (VVD), Klip-Martin (VVD), Sini (PvdA).

X Noot
2

Zie verslag schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2016–2017, 34 035, W.

X Noot
3

Zie verslag schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2016–2017, 34 035, W.

X Noot
4

Zie verslag schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2016–2017, 34 035, W, pagina 6.

X Noot
5

Kamerstuk 24 724, nr. 155.

Naar boven