34 004 Initiatiefnota van het lid Geurts: «Een eerlijke boterham, over het versterken van de voedselketen»

Nr. 4 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 23 maart 2015

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister en de Staatssecretaris van Economische Zaken over de brief van 28 oktober 2014 over de kabinetsreactie op de Initiatiefnota van het lid Geurts: «Een eerlijke boterham, over het versterken van de voedselketen» (Kamerstuk 34 003, nr. 3).

De vragen en opmerkingen zijn op 2 februari 2015 aan de Minister en de Staatssecretaris van Economische Zaken voorgelegd. Bij brief van 20 maart 2015 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Vermeij

Adjunct-griffier van de commissie, De Vos

Inhoudsopgave

 
       

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

   

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

2

   

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

3

   

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

3

   

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

7

   

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

7

   

Vragen en opmerkingen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie

8

       

II

Antwoord / Reactie van de Minister en Staatssecretaris

8

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op de initiatiefnota van het lid Geurts «Een eerlijke boterham». Zij hebben hier nog enkele vragen over.

De Minister en Staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: de bewindspersonen) wijzen erop dat Europees mededingingsrecht een belangrijk instrument is om effectieve concurrentie te laten plaatsvinden. De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel ruimte het Europese mededingingsrecht biedt voor een nationale invulling? Kunnen de bewindspersonen hier uitgebreid op ingaan?

Voorts lezen deze leden dat de Nederlandse agrarische sector veel produceert voor de export. Meer regelgeving als gevolg van de voorstellen van de initiatiefnemer leiden tot hogere kosten voor ondernemers. Kunnen de bewindspersonen nader ingaan op de gevolgen die de voorstellen van de initiatiefnemer op de concurrentiepositie van Nederland hebben? En welk effect op de werkgelegenheid kan dit hebben? Hoeveel arbeidsplaatsen per procent prijsstijging verdwijnen er?

Voorstellen lid Geurts

Voorstel 1: onafhankelijke toezichthouder

In de kabinetsreactie wordt nog gesteld dat er eind 2014 een voortgangsrapportage over de pilot oneerlijke handelspraktijken naar de Kamer gestuurd wordt. In de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van december 2014 is dit uitgesteld naar begin 2015. De leden van de VVD-fractie vragen wat de reden is van het uitstel? Is het aantal deelnemers aan de pilot voor de agrofoodsector toegenomen? In de kabinetsreactie wordt geconstateerd dat de deelname van bedrijven uit de land- en tuinbouw nog achterloopt op de andere schakels? Hebben de bewindspersonen daarvoor een verklaring?

Voorstel 3: duidelijkheid over afspraken beleidsbrief

In de kabinetsreactie lezen de leden van de VVD-fractie dat een handleiding is toegezegd die meer duidelijkheid moet bieden over de mededingingsregels die relevant zijn voor de oprichting en activiteiten van productorganisaties. In het najaar zou de Kamer deze handleiding ontvangen. Wanneer is deze handleiding naar de Kamer gestuurd? Voorts wordt geschreven dat per 8 mei 2014 nieuwe beleidsregels zijn ingegaan. Kunnen de bewindspersonen al een beeld schetsen van de eerste resultaten en effecten van de beleidsregels?

Daarnaast vragen deze leden of de bewindspersonen uitgebreid in kunnen gaan op de ruimte die het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid biedt voor producentenorganisaties en brancheorganisaties in het licht van prijs- en productieafspraken?

Ten slotte wordt een verklaring voor het afnemen van innovatie gevonden in de economische crisis. De leden van de VVD-fractie vragen de bewindspersonen of zij al zien dat de innovatie weer toeneemt, en in welke sectoren of productgroepen dat is.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie op de initiatiefnota «Een eerlijke boterham, over het versterken van de voedselketen». Deze leden hebben een aantal vragen en opmerkingen waar ze de bewindspersonen verzoeken op in te gaan.

De leden van de PvdA-fractie zijn tevreden dat de problemen die in de initiatiefnota worden aangekaart al op verschillende wijzen worden aangepakt door middel van het huidige beleid.

Deze leden zijn tevreden om te lezen dat de huidige marktstructuur geen invloed lijkt te hebben op de innovatie. Zij zijn wel teleurgesteld dat het aantal innovaties dat consumenten uiteindelijk bereikt is afgenomen. De leden van de PvdA-fractie vragen de bewindspersonen of de verwachting is dat dit aanbod voor de consument weer toe gaat nemen in de komende jaren.

Deze leden zijn daarnaast benieuwd hoe de bewindspersonen staan tegenover het feit dat Nederland de tweede exporteur is van agrarische goederen, en daarmee laat zien dat Nederland al zelfvoorzienend kan zijn indien nodig.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie op de initiatiefnota «Een eerlijke boterham, over het versterken van de voedselketen». Ten aanzien van de kabinetsreactie en prijsvorming in de keten hebben deze leden nog vragen.

Nederlandse boeren en tuinders zijn de beste ter wereld door hun passie voor het vak en kennis. Zij produceren innovatief en volgens de hoogste standaarden en zij zorgen voor veilig voedsel voor ons allemaal. De leden van de CDA-fractie zijn trots op de agrarische sector en de vele families in de land- en tuinbouw die zorgen voor de voedselvoorziening die we in Nederland hebben. Deze leden willen dat we deze maakindustrie van eigen bodem en haar gezinsbedrijven behouden. Maar de inkomens van boeren en tuinders staan steeds meer onder druk. De jongste cijfers van het LEI laten zien dat de inkomens van agrariërs structureel laag zijn. Het gemiddelde inkomen in land- en tuinbouwbedrijven is in 2014 gedaald met 8.000 euro naar gemiddeld 35.000 euro (Actuele ontwikkeling land- en tuinbouw in 2014, LEI december 2014). In de landbouw fluctueren opbrengstcijfers sterk, terwijl er veel kapitaal nodig is en er lange dagen gemaakt worden. De veerkracht van familiebedrijven in de land- en tuinbouw is groot, maar voorkomen moet worden dat deze veerkracht wordt geknakt. De relatief lage opbrengst van land- en tuinbouwbedrijven komt onder andere voort door hun geringe marktmacht. De vele kleine familiebedrijven in de land- en tuinbouw kunnen niet opboksen tegen de toenemende marktmacht in de keten van verwerkers, supermarkten en hun inkooporganisaties. Verreweg het meeste voedsel kopen consumenten bij supermarkten. Supermarkten die de afgelopen twee decennia meer en meer zijn geconcentreerd en ook verticaal in de keten meer invloed hebben verkregen door middel van inkooporganisaties en huismerken. Om ervoor te zorgen dat de positie van de boer en tuinder verstrekt wordt is de initiatiefnota «Een eerlijke boterham, over het versterken van de voedselketen» ingediend door het lid Geurts van de CDA-fractie. In de initiatiefnota worden deze problemen geanalyseerd en worden er beleidsaanbevelingen gedaan om de positie van de boer, tuinder en visser in de keten te versterken.

Ten algemene appreciëren de leden van de CDA-fractie de inzet van de bewindspersonen en hebben deze leden goede hoop dat we samen stappen kunnen blijven zetten ten behoeve van een sterkere agrarische sector. Want het is zeker nodig om stappen te zetten.

Bij het Ministerie van Economische Zaken en bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM) is er nog steeds geen aandacht voor de grote marktconcentratie in de supermarktwereld. De leden van de CDA-fractie stellen vast dat het Ministerie van Economische zaken en de ACM niet bewust lijken te willen zijn van de toenemende verticale en horizontale marktmacht van de food retailers. Een blinde vlek van gigantische proporties. Dit blijkt onder andere uit de wijze waarop er onderzoek is gedaan door de ACM en uit de wijze waarop de resultaten van het LEI onderzoek geïnterpreteerd worden door de bewindspersonen.

Toen de Minister vorig jaar aangaf het op te nemen met de ACM om onderzoek te doen naar prijsvorming en marktmacht, hadden de leden van de CDA-fractie verwacht dat er diepgravend onderzoek ingesteld zou worden. Uiteindelijk blijkt echter dat de ACM alleen de opdracht heeft gegeven aan het LEI om met de beschikbare gegevens een beeld te schetsen van prijsvorming en brutomarges. Voor deze leden was dit rapport dat in december verscheen zeer teleurstellend. Hoe beoordelen de bewindspersonen deze inzet van de ACM? Hoe beoordelen de bewindspersonen de bruikbaarheid van het onderzoek van het LEI? Zij de bewindspersonen het eens met de leden van de CDA-fractie dat de supermarktbranche een hele grote invloed heeft op het voedsel dat Nederlandse consumenten kopen, omdat ongeveer 80% van de voedingsmiddelen door consumenten wordt gekocht in de supermarkt? Zouden de bewindspersonen de Kamer kunnen informeren over de omzet en economische waarde van de Nederlandse supermarktketens in de afgelopen jaren?

In Duitsland heeft de Bundeskartellamt in de afgelopen twee jaar een grootschalig onderzoek gedaan naar de marktmacht van de Duitse Retail welk onderzoek in september is gepresenteerd (samenvatting in het Engels beschikbaar op: http://www.bundeskartellamt.de/SharedDocs/Publikation/EN/Sector%20Inquiries/Summary_Sector_Inquiry_food_retail_sector.pdf?__blob=publicationFile&v=3). In dit onderzoek wordt onder andere ook gekeken naar de effecten van inkooporganisaties en het toenemende marktaandeel van huismerken. Aan de uitkomsten van het onderzoek worden ook conclusies verbonden ten aanzien van het toepassen van het mededingingsrecht op de Retail sector in de toekomst door de Bundeskartellamt. Hoe beoordelen de bewindspersonen dit onderzoek van de Bundeskartellamt, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Zouden de bewindspersonen kunnen toelichten of de marktconcentratie in de Nederlandse retailsector vergelijkbaar is met die in Duitsland? Verwachten de bewindspersonen dat de Nederlandse Retail sector, net zoals in het onderzoek wordt geconcludeerd over de Duitse Retail sector, een structureel onderhandelingsvoordeel heeft ten opzichte van fabrikanten en kleinere concurrenten? Achten de bewindspersonen de conclusies van het onderzoek van de Bundeskartellamt toepasbaar in Nederland? Zo nee, waarom niet? Deze leden vragen de bewindspersonen of zij bereid zijn de ACM te vragen om zelf een vergelijkbaar onderzoek te doen als de Bundeskartellamt? Zo nee, waarom niet? Zijn de bewindspersonen bereid om op andere wijze diepgravend onderzoek te doen naar de inkoopmacht van de Nederlandse food Retail? Hoe verklaren de bewindspersonen dat er in andere Europese lidstaten wel veel aandacht is vanuit de Mededingingsautoriteit voor de toenemende marktconcentratie in de food Retail, terwijl er van de Nederlandse Mededingingsautoriteit er geen signalen zijn dat zij hier aandacht voor heeft, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Wat betreft het LEI rapport over prijsvorming van december 2014 constateren de leden van de CDA-fractie dat dit rapport maar beperkt informatie geeft, zoals het LEI zelf ook ruiterlijk toegeeft. Dat de prijzen voor appels, aardappels, paprika’s en komkommers mee fluctueren in de supermarkt met de groothandel en producenten prijs zegt in feite niets over of de boer een prijs kan beuren waarmee hij uit de kosten komt. Het onderzoek geeft dus zoals de schrijvers ook al stellen «het algemene beeld dat oprijst uit dit onderzoek is dat prijsvorming in voedsel niet gekarakteriseerd wordt door eenvoud en eenduidigheid». Zijn de bewindspersonen het eens met deze leden dat uitgebreider onderzoek gewenst is? Zo nee, waarom niet?

Wat betreft de conclusies van het LEI onderzoeksrapport «Prijsvorming van voedsel» van december 2014 vinden de leden van de CDA-fractie het zeer opvallend dat juist de opmerkelijke zaken in het rapport niet benoemd worden in de brief van de Staatssecretaris (Kamerstuk 31 532, nr. 143). Volgens het LEI geeft het onderzoek zeker ook aanleiding om bijzondere aandacht te hebben voor de supermarktschakel, want de casussen ei, ui en kipfilet suggereren dat supermarkten een meer eigenstandige koers varen, waarbij ze meer op elkaars prijzen letten dan op prijsbewegingen in de desbetreffende productieketen. Op pagina 87 van het rapport wordt deze conclusie herhaald en stelt het LEI dat de conclusie van ACM van 2009 «dat er geen indicaties zijn dat de supermarkt dominant is in de prijsvorming» niet herhaald kan worden. De leden van de CDA-fractie stellen vast dat het LEI het hier dus heeft over een trendbreuk. Deze leden vragen of de Minister kan toelichten waarom hij deze belangrijke passages niet opgenomen heeft in de brief van 18 december 2014? Het LEI suggereert dat de supermarkt wel een dominante positie heeft in de prijsvorming, beamen de bewindspersonen deze conclusie? Kunnen de bewindspersonen de Kamer informeren over hoe de ACM deze indicatie van dominantie oppakt? Zijn er indicaties dat er nog andere producten zijn waarbij prijzen worden afgestemd en niet mee fluctueren met de groothandels- en producentenprijzen? Zo nee, kan dit worden onderbouwd? Zijn de bewindspersonen bereid dit verder te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?

Ten aanzien van de pilot oneerlijke handelspraktijken hebben de leden van de CDA-fractie enige vragen. Deze leden vragen de bewindspersonen wanneer de voortgangsrapportage pilot oneerlijke handelspraktijken die eind 2014 naar de Kamer gestuurd zou worden verwacht mag worden. Daarnaast vragen deze leden of de bewindspersonen bereid zijn om de pilot zelf te evalueren? Op basis van welke criteria beoordelen de bewindspersonen of de pilot oneerlijke handelspraktijken geslaagd is of niet? De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat een onafhankelijke analyse van de Minister of in zijn opdracht een aanvulling zou zijn naast het overzicht van handelingen van de stuurgroep waarin vertegenwoordigers van FNLI, CBL en LTO zitten. Is de Minister hiertoe bereid? Wat betreft het anoniem klagen vragen deze leden wat de bewindspersonen beschouwen als mogelijkheid voor anoniem klagen. Beschouwen de bewindspersonen de behandeling van een klacht door drie niet-onafhankelijke sectorvertegenwoordigers als anoniem klagen? Zijn de bewindspersonen het eens met de leden van de CDA-fractie dat er pas sprake kan zijn van anoniem klagen als dat is bij een onafhankelijke autoriteit? Een voorbeeld van een veel voorkomende oneerlijke handelspraktijk in de keten van agrarische producten is late betalingen (later dan de wettelijke 60 dagen). Hierdoor zitten de voorliggende schakels in de keten met een moeizame kaspositie en lopen zij rendement mis. Deze leden kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat de agrarische producent het gelag betaald. Marktpartijen met een dominante positie zien schulden bij hun leveranciers vaak als zeer goedkope kredieten. Hoe denken de bewindspersonen dat eerdere, eerlijke betaling afgedwongen kan worden?

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat er geen enkele Nederlandse producent van landbouwproducten staat ingeschreven bij de overkoepelende Europese organisatie van de Nederlandse stuurgroep oneerlijke handelspraktijken, namelijk de «supply chain initiative» (beschikbaar op: http://www.supplychaininitiative.eu/registry?field_country_tid=28). Is het zo dat de Europese landbouwvertegenwoordigingskoepel, COPA-COGECA, geen lid is van de «supply chain initiative», zo vragen deze leden. Indien er over een Nederlandse zaak geen overeenstemming is bereikt na overleg tussen de bedrijven en tussen de vertegenwoordigers in de stuurgroep, zou dan de zaak worden doorverwezen naar de Europese koepel «the supply chain initiative» waarin er geen landbouwvertegenwoordiging is? Heeft de vertegenwoordiging van de Europese voedselverwerking en voedsel Retail in het forum van het «supply chain initiative» de afgelopen jaar klachten behandeld?

Naast de blinde vlek voor de dominante positie van de supermarktketens zien de leden van de CDA-fractie ook dat de bewindspersonen en de ACM worstelen met de toepassing van de uitzondering op het mededingingsrecht voor producentenorganisaties in de land- en tuinbouw. De ACM heeft tot op heden op geen enkele manier laten zien zich rekenschap te geven van deze uitzonderingsbepaling. Voor deze leden staat voorop dat er meer duidelijkheid moet komen over de invulling van deze uitzonderingsbepaling en dat het kabinet en de politiek daarbij een belangrijke rol hebben. Dienaangaande is in de initiatiefnota «een eerlijke boterham, over het versterken van de voedselketen» voorgesteld om deze uitzonderingsbepaling op te nemen in de mededingingswet. De door de Minister toegezegde handleiding zou daarbij zeker een goede aanvulling kunnen zijn. De leden van de CDA-fractie vragen wel waarom deze handleiding toegezegd in het najaar van 2013 zo lang op zich laat wachten. Wat betreft de uitwerking van de handleiding voor mededingingsregels en producentenorganisaties hopen deze leden van harte dat er een handleiding op papier komt die ook echt ruimte geeft voor samenwerking binnen producentenorganisaties. Wordt in deze handleiding meer ruimte gegeven voor samenwerking binnen producentenorganisaties in de land- en tuinbouw en de visserij die zijn opgericht op basis van de Gemeenschappelijke Marktordening ten opzichte van het mededingingsrecht, ook wanneer deze producentenorganisaties geen economische eenheid vormen? Zal de handleiding duidelijkheid geven zoals de Q&A van de Britse Office of Fair Trading dat geeft, specifiek ten aanzien van pagina 16 en 17 (beschikbaar op: https://www.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/284408/OFT740rev.pdf)?

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben enkele vragen bij de kabinetsreactie op de initiatiefnota «Een eerlijke boterham, over het versterken van de voedselketen». Zij zijn benieuwd naar de huidige stand van zaken van de pilot gedragscode eerlijke handelspraktijken. Wanneer wordt de toegezegde voortgangsrapportage naar de Kamer gestuurd, vragen zij de bewindspersonen.

Ten aanzien van het voorstel van de indiener om de uitzonderingsbepaling op het mededingingsrecht expliciet toe te voegen aan de Nederlandse Mededingingswet vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of de bewindspersonen aan kunnen geven of de verordening voor de ACM voldoende basis biedt, temeer daar landen als Duitsland en Engeland de uitzonderingsbepaling wel hebben opgenomen in wetgeving of richtsnoeren.

Deze leden vragen de bewindspersonen in te gaan op het functioneren van de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen en opmerkingen bij de kabinetsreactie op de initiatiefnota «Een eerlijke boterham, over het versterken van de voedselketen».

Er is veel discussie over mededinging in relatie tot duurzaamheid. De leden van de SGP-fractie verwijzen in dit verband naar de stellingname van de ACM over de Kip van Morgen. Deze leden horen graag de reactie van de bewindslieden op deze stellingname. In hoeverre zou door aanscherping van de beleidsregel mededinging en duurzaamheid meer ruimte geboden kunnen worden voor dergelijke marktafspraken?

In de context van de moeizame verhouding tussen mededingingsbeleid en publieke belangen is de stellingname van de ACM wellicht begrijpelijk. Het roept bij de leden van de SGP-fractie wel veel vragen op. Moet vooruitgang op het gebied van dierenwelzijn en milieu omgerekend worden in financiële waardering door consumenten? Deze leden willen het graag breder trekken. Juristen wijzen erop dat hoewel de Europese Commissie de consumentenwelvaart (in enge zin) steeds meer als dé doelstelling van de mededingingsregels hanteert, de mededingingsregels zelf wel ruimte bieden voor het meewegen van andere doelstellingen (als publieke belangen) en dat het Europese Hof van Justitie de vernauwing van de Europese Commissie nog niet bevestigd heeft1. Ze wijzen er tevens op dat nationale overheden en mededingingsautoriteiten daarom niet verplicht zijn om de koers van de Europese Commissie te volgen2. Hoe zien de bewindslieden dit?

Vragen en opmerkingen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben met belangstelling en waardering kennisgenomen van de initiatiefnota van de heer Geurts over het versterken van de voedselketen waarbij er uit wordt gegaan van eerlijke prijzen en de kabinetsreactie hierop. Boeren voelen zich gedwongen om onder de kostprijs te produceren. Dat gaat ten koste van hun inkomen en heeft grote gevolgen voor de voedselveiligheid, het dierenwelzijn en het milieu. Deze leden zetten zich al jaren in voor duurzaam, diervriendelijk en veilig voedsel voor iedereen en eerlijke voedselprijzen waarin alle kosten zijn verdisconteerd.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op de initiatiefnota waaruit blijkt dat dit kabinet voornamelijk inzet op een toenemende intensivering en het verhogen van de export. Deze leden vragen de bewindspersonen het onderzoek van Eva Gocsik van de Wageningen Universiteit te beoordelen waaruit blijkt dat Nederlandse pluimvee- en varkenshouders niet uit zichzelf investeren in een hoger dierenwelzijn. Vrijwilligheid en vrijblijvendheid zijn geen basis om te komen tot voedselveiligheid en duurzaamheid, zo concluderen zij. Erkennen de bewindspersonen dat de ingezette koers van zelfregulering door de sector onvoldoende voorwaarden schept om te komen tot het behalen van internationale en nationale doelstellingen op het gebied van natuur, milieu en dierenwelzijn en een breed maatschappelijk draagvlak? Zo ja, welke consequenties verbinden de bewindspersonen hieraan?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben vernomen dat het kabinet aangeeft dat dat boeren en tuinders van bepaalde producten meer produceren dan de markt kan opnemen. Het kabinet concludeert dat dit tot prijsbederf leidt. Deze lage prijzen voor boeren en tuinders zijn in het algemeen het gevolg van een te groot aanbod, zoals ook uit het SEO-onderzoek «Boer zoekt duurzaamheid» (Kamerstuk 31 532, nr. 69) blijkt. Geven de bewindspersonen hiermee aan zich in te willen zetten voor aanbodbeperking? Immers, het is mogelijk om onder de kostprijs vlees aan te bieden omdat het aanbod zo groot is. Kunnen de bewindspersonen aangeven welke mogelijkheden er zijn om te komen tot aanbodbeperking? Zijn de bewindspersonen bereid om alsnog een vleestax in overweging te nemen? Graag een reactie.

Deze leden zijn van mening dat een eerlijke prijs alleen maar bewerkstelligd kan worden als alle kosten, inclusief maatschappelijke kosten, in de prijs verdisconteerd zijn. Dit vraagt een verdiscontering van de productie van vlees, inclusief de compensatie van de uitstoot van broeikasgas- en andere schadelijke stoffen, de kap van het tropisch regenwoud, het beslag op eindige zoetwatervoorraden, de bestrijding van dierziekten en de kosten van dierziektencrises. Zoals de bewindspersonen weten, zijn de productie- en maatschappelijke kosten van vlees (kip, rund, varken, paard) zeer hoog. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn er zeer voor dat de maatschappelijke kosten en de productiekosten verinnerlijkt worden in de prijs. Kunnen de bewindspersonen hier een reactie op geven?

II Antwoord / Reactie van de Minister en de Staatssecretaris

Met deze brief reageren we op de vragen en opmerkingen van de leden van enkele fracties betreffende de kabinetsreactie op de initiatiefnota van het lid Geurts «Een eerlijke boterham, over het versterken van de voedselketen», die we naar uw Kamer hebben gestuurd (Kamerstuk 34 004, nr. 3).

Vragen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op de initiatiefnota van het lid Geurts «Een eerlijke boterham». Zij hebben hier nog enkele vragen over.

De Minister en Staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: de bewindspersonen) wijzen erop dat Europees mededingingsrecht een belangrijk instrument is om effectieve concurrentie te laten plaatsvinden. De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel ruimte het Europese mededingingsrecht biedt voor een nationale invulling? Kunnen de bewindspersonen hier uitgebreid op ingaan?

De Europese mededingingsregels, die zijn neergelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zijn ook van toepassing in de lidstaten. Op grond van de Europese Verordening 1/2003 geldt voorts dat de toepassing van nationaal mededingingsrecht niet mag leiden tot een verbod van afspraken of overeenkomsten die op grond van het Europese kartelverbod wel zijn toegestaan. Daarnaast is ten behoeve van de uniforme toepassing van het Europese mededingingsrecht in Verordening 1/2003 de verplichting voor nationale mededingingsautoriteiten en rechters opgenomen om bij de toepassing van het nationale mededingingsrecht tevens het Europese mededingingsrecht (inzake het kartelverbod en het verbod op misbruik van een economische machtspositie) toe te passen. De ruimte om het nationale mededingingsrecht te laten afwijken van het Europese mededingingsrecht is daarom beperkt tot situaties waarin geen sprake is van een mogelijk effect op de handel tussen lidstaten. Tegen deze achtergrond, en vanwege het belang van rechtszekerheid, is bij de Nederlandse Mededingingswet zoveel mogelijk aangesloten bij het Europese mededingingsrecht en is bijvoorbeeld het kartelverbod in materieel gelijke bewoordingen neergelegd in artikel 101 VwEU en artikel 6 van de Mededingingswet. Wel kent de Nederlandse Mededingingswet een afwijkende bagatelvrijstelling, die alleen van toepassing is zolang er geen interstatelijke effecten zijn. Ook zijn er in de Mededingingswet regels opgenomen voor overheden die economische activiteiten verrichten, de zogenaamde markt en overheid bepalingen. Zowel het Europese als het nationale mededingingsrecht laten enige discretionaire ruimte bij de toepassing van de regels. Deze ruimte wordt ook door de Autoriteit Consument en Markt (ACM), als onafhankelijk toezichthouder, benut. Zo houdt de ACM in haar beschikkingspraktijk rekening met beleidsregels die door de Minister van Economische Zaken zijn opgesteld, waaronder de beleidsregel mededinging en duurzaamheid.

Voorts lezen deze leden dat de Nederlandse agrarische sector veel produceert voor de export. Meer regelgeving als gevolg van de voorstellen van de initiatiefnemer leiden tot hogere kosten voor ondernemers. Kunnen de bewindspersonen nader ingaan op de gevolgen die de voorstellen van de initiatiefnemer op de concurrentiepositie van Nederland hebben? En welk effect op de werkgelegenheid kan dit hebben? Hoeveel arbeidsplaatsen per procent prijsstijging verdwijnen er?

De voorstellen van het lid Geurts lijken niet direct een effect te hebben op de concurrentiepositie van Nederlandse ondernemers. Hij stelt voor om een onafhankelijke toezichthouder voor toezicht op naleving van de gedragscode eerlijke handelspraktijken in te stellen, maar dit betekent niet per definitie dat de kosten voor ondernemers zelf zullen stijgen. De voorstellen hebben onzes inziens geen effecten op de werkgelegenheid.

In de kabinetsreactie wordt nog gesteld dat er eind 2014 een voortgangsrapportage over de pilot oneerlijke handelspraktijken naar de Kamer gestuurd wordt. In de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van december 2014 is dit uitgesteld naar begin 2015. De leden van de VVD-fractie vragen wat de reden is van het uitstel? Is het aantal deelnemers aan de pilot voor de agrofoodsector toegenomen? In de kabinetsreactie wordt geconstateerd dat de deelname van bedrijven uit de land- en tuinbouw nog achterloopt op de andere schakels? Hebben de bewindspersonen daarvoor een verklaring?

De voortgangsrapportage bevat naast wat er gebeurd is in de tweede helft van 2014 een reactie op vragen vanuit uw Kamer tijdens het AO Voedsel van 9 december 2014 over een tijdpad met daarin doelen voor deelname van boeren en tuinders aan de pilot. Daarnaast wordt gereageerd op een motie van het lid Dijkgraaf over overschrijding van betalingstermijnen tussen bedrijven. De voortgangsrapportage is met voornoemde onderwerpen op 11 maart jl. aan uw Kamer verstuurd (Kamerstuk 22 112, nr. 1948). In deze rapportage staat vermeld dat vanuit de Nederlandse primaire sector op dit moment drie coöperaties zich hebben gemeld bij het Europese Supply Chain Initiative (SCI, het Europese zelfreguleringsinitiatief) en daarmee ook deelnemen aan de Nederlandse pilot. Twee daarvan, afzetorganisatie Fruitmasters met ruim 400 fruittelers en aardappeltelersorganisatie Nedato met ruim 500 leden, hebben zich geregistreerd bij het SCI. Eén coöperatie, zuivelcoöperatie FrieslandCampina met circa 15.000 leden, heeft de intentie uitgesproken zich te registreren. We vinden het positief dat meer boeren- en tuinderscoöperaties zich hebben gemeld bij het SCI.

In de kabinetsreactie lezen de leden van de VVD-fractie dat een handleiding is toegezegd die meer duidelijkheid moet bieden over de mededingingsregels die relevant zijn voor de oprichting en activiteiten van productorganisaties. In het najaar zou de Kamer deze handleiding ontvangen. Wanneer is deze handleiding naar de Kamer gestuurd? Voorts wordt geschreven dat per 8 mei 2014 nieuwe beleidsregels zijn ingegaan. Kunnen de bewindspersonen al een beeld schetsen van de eerste resultaten en effecten van de beleidsregels?

De handleiding die meer duidelijkheid moet bieden over de mededingingsregels voor producentenorganisaties is op 18 maart jl. aan uw Kamer verstuurd. Wat betreft eerste resultaten van de beleidsregel mededinging en duurzaamheid is eerder toegezegd dat zal worden bezien of deze beleidsregel toereikend is voor de agronutriketen (Kamerstuk 31 532, nr. 139). Hierbij zal nader worden ingaan op mogelijke alternatieven om verbetering van dierenwelzijn concreet vorm te geven, passend binnen de mededingingskaders. Wij verwachten uw Kamer hier dit voorjaar over te informeren.

Daarnaast vragen deze leden of de bewindspersonen uitgebreid in kunnen gaan op de ruimte die het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid biedt voor producentenorganisaties en brancheorganisaties in het licht van prijs- en productieafspraken?

In de handleiding over de mededingingsregels voor producentenorganisaties wordt onder meer ingegaan op prijs- en productieafspraken. Voor een uiteenzetting hierover verwijzen wij dan ook naar deze handleiding.

Ten slotte wordt een verklaring voor het afnemen van innovatie gevonden in de economische crisis. De leden van de VVD-fractie vragen de bewindspersonen of zij al zien dat de innovatie weer toeneemt, en in welke sectoren of productgroepen dat is.

WUR-LEI voert jaarlijks in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken de Innovatiemonitor uit. De Innovatiemonitor is een enquête onder bijna 1100 land- en tuinbouwbedrijven en onderzoekt hoe deze bedrijven aankijken tegen innovatie en welke vernieuwingen zij hebben doorgevoerd. In oktober 2014 heeft het LEI de resultaten van deze monitor gepubliceerd in het rapport «Innovatie in de land- en tuinbouw 2013». De resultaten van deze monitor laten zien dat het percentage bedrijven met een vernieuwing van productieprocessen of producten licht is gestegen naar 13,9% in 2012. Dit percentage is gebaseerd op zowel pure innovatoren als volgers. Na drie jaren van daling (2009, 2010 en 2011) is het percentage vernieuwende bedrijven dus weer gestegen in 2012. De verschillen tussen de diverse sectoren zijn afgenomen. Het hoogste percentage vernieuwers zien we in de akkerbouw en pluimveehouderij (bijna 20%). De melkveehouderij kent het laagste percentage vernieuwers, alhoewel dit percentage in 2012 toenam tot boven de 10%.

In 2013 is een ander WUR-LEI onderzoek afgerond naar de innovatie in de levensmiddelenindustrie. In vergelijking met zeven andere landen kwam de Nederlandse sector er wat innovatie betreft als derde uit, na Denemarken en Duitsland. Nederlandse innovaties zijn vooral gericht op verbetering van productieprocessen en minder op nieuwe producten. Toch komen er voortdurend nieuwe producten in de supermarktschappen en heeft Nederland een buitengewoon breed voedingsmiddelenpakket.

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie op de initiatiefnota «Een eerlijke boterham, over het versterken van de voedselketen». Deze leden hebben een aantal vragen en opmerkingen waar ze de bewindspersonen verzoeken op in te gaan.

De leden van de PvdA-fractie zijn tevreden dat de problemen die in de initiatiefnota worden aangekaart al op verschillende wijzen worden aangepakt door middel van het huidige beleid. Deze leden zijn tevreden om te lezen dat de huidige marktstructuur geen invloed lijkt te hebben op de innovatie. Zij zijn wel teleurgesteld dat het aantal innovaties dat consumenten uiteindelijk bereikt is afgenomen. De leden van de PvdA-fractie vragen de bewindspersonen of de verwachting is dat dit aanbod voor de consument weer toe gaat nemen in de komende jaren.

Voor verwachtingen over innovatie en aanbod verwijzen wij naar de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie.

Deze leden zijn daarnaast benieuwd hoe de bewindspersonen staan tegenover het feit dat Nederland de tweede exporteur is van agrarische goederen, en daarmee laat zien dat Nederland al zelfvoorzienend kan zijn indien nodig.

De Nederlandse agrosector levert als tweede agro-exporteur van de wereld een grote bijdrage aan de Nederlandse economie en daarmee aan de werkgelegenheid. Dit laat zien dat de sector in staat is kwalitatief hoogwaardige producten op een efficiënte manier te produceren en verhandelen. Nederland is hierbij voor een groot aantal producten meer dan zelfvoorzienend.

Vragen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie op de initiatiefnota «Een eerlijke boterham, over het versterken van de voedselketen». Ten aanzien van de kabinetsreactie en prijsvorming in de keten hebben deze leden nog vragen.

Toen de Minister vorig jaar aangaf het op te nemen met de ACM om onderzoek te doen naar prijsvorming en marktmacht, hadden de leden van de CDA-fractie verwacht dat er diepgravend onderzoek ingesteld zou worden. Uiteindelijk blijkt echter dat de ACM alleen de opdracht heeft gegeven aan het LEI om met de beschikbare gegevens een beeld te schetsen van prijsvorming en brutomarges. Voor deze leden was dit rapport dat in december verscheen zeer teleurstellend. Hoe beoordelen de bewindspersonen deze inzet van de ACM? Hoe beoordelen de bewindspersonen de bruikbaarheid van het onderzoek van het LEI? Zij de bewindspersonen het eens met de leden van de CDA-fractie dat de supermarktbranche een hele grote invloed heeft op het voedsel dat Nederlandse consumenten kopen, omdat ongeveer 80% van de voedingsmiddelen door consumenten wordt gekocht in de supermarkt? Zouden de bewindspersonen de Kamer kunnen informeren over de omzet en economische waarde van de Nederlandse supermarktketens in de afgelopen jaren?

Het ACM-onderzoek is een update van het eerdere onderzoek naar de prijsvorming in de agrifoodsector uit 2009. Op verzoek van uw Kamer is het onderzoek uitgebreid met het product kippenvlees. Naar onze mening geeft het onderzoek van het LEI een goed beeld van de totstandkoming van prijzen in de verschillende schakels in de keten en van de transparantie van prijsnoteringen. Het blijkt lastig te zijn om voor de verschillende producten de nettomarge per ketenschakel te berekenen, omdat een kostentoerekening per product veelal ontbreekt.

Het Landbouw Economisch Bericht van 2014 beschrijft de ontwikkelingen in de detailhandel. De omzet van de winkels in voedings- en genotmiddelen (supermarkten en speciaalzaken) nam in 2013 met 1,4% toe, dankzij gemiddeld 3,3% hogere prijzen. Ook geeft het LEB 2014 inzicht in de omzetcijfers en marktaandelen van de vijf grootste supermarktformules in Nederland in 2013.

Bron: WUR-LEB 2014

In Duitsland heeft de Bundeskartellamt in de afgelopen twee jaar een grootschalig onderzoek gedaan naar de marktmacht van de Duitse Retail welk onderzoek in september is gepresenteerd (samenvatting in het Engels beschikbaar op: http://www.bundeskartellamt.de/SharedDocs/Publikation/EN/Sector%20Inquiries/Summary_Sector_Inquiry_food_retail_sector.pdf?__blob=publicationFile&v=3 ). In dit onderzoek wordt onder andere ook gekeken naar de effecten van inkooporganisaties en het toenemende marktaandeel van huismerken. Aan de uitkomsten van het onderzoek worden ook conclusies verbonden ten aanzien van het toepassen van het mededingingsrecht op de Retail sector in de toekomst door de Bundeskartellamt. Hoe beoordelen de bewindspersonen dit onderzoek van de Bundeskartellamt, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Zouden de bewindspersonen kunnen toelichten of de marktconcentratie in de Nederlandse retailsector vergelijkbaar is met die in Duitsland? Verwachten de bewindspersonen dat de Nederlandse Retail sector, net zoals in het onderzoek wordt geconcludeerd over de Duitse Retail sector, een structureel onderhandelingsvoordeel heeft ten opzichte van fabrikanten en kleinere concurrenten? Achten de bewindspersonen de conclusies van het onderzoek van de Bundeskartellamt toepasbaar in Nederland? Zo nee, waarom niet? Deze leden vragen de bewindspersonen of zij bereid zijn de ACM te vragen om zelf een vergelijkbaar onderzoek te doen als de Bundeskartellamt? Zo nee, waarom niet? Zijn de bewindspersonen bereid om op andere wijze diepgravend onderzoek te doen naar de inkoopmacht van de Nederlandse food Retail? Hoe verklaren de bewindspersonen dat er in andere Europese lidstaten wel veel aandacht is vanuit de Mededingingsautoriteit voor de toenemende marktconcentratie in de food Retail, terwijl er van de Nederlandse Mededingingsautoriteit er geen signalen zijn dat zij hier aandacht voor heeft, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Het Bundeskartellamt heeft een sectoronderzoek uitgevoerd naar de Duitse retail sector. Uit de studie blijkt dat er in Duitsland vijf leidende supermarktketens zijn. Buiten de supermarktketens om zijn er weinig reële alternatieven voor fabrikanten om hun producten af te zetten. De conclusies van het Bundeskartellamt ten aanzien van het mededingingsbeleid zijn dat er met name beter moet worden opgelet bij de fusietoets en dat hier de markt waar nodig ruimer moet worden afgebakend. De situatie in Nederland is vergelijkbaar met die in Duitsland. De wijze waarop de ACM bij de beoordeling van recente overnames in de supermarktbranche kijkt naar de effecten op de mededinging sluit aan bij de conclusies van het Bundeskartellamt. De ACM heeft in deze zaken geconcludeerd dat deze overnames doorgang konden vinden. Wel betekende het soms dat winkels in bepaalde gebieden afgestoten moesten worden.

Vooralsnog zien wij geen aanleiding nader onderzoek te doen naar inkoopmacht. Er zijn al veel onderzoeken hiernaar gedaan in het verleden, zoals onder andere onderzoeken van SEO naar inkoopmacht en een naar (zelf)regulering oneerlijke handelspraktijken. Nu een nieuw onderzoek laten uitvoeren zou weinig nieuwe informatie opleveren. Wij kiezen ervoor om dit najaar eerst de eindrapportages van de pilots gedragscode eerlijke handelspraktijken af te wachten. In Europees verband wordt bovendien ook gekeken naar de voortgang van het Supply Chain Initiative. Deze evaluatie is in het najaar van 2014 gestart en de publicatie van het rapport is voorzien in het najaar van 2015. Tevens zal de Europese Commissie eind 2015 een verslag voorleggen aan de Raad en het Europees parlement. Op basis van dit verslag wordt besloten of er op EU-niveau verdere maatregelen moeten worden genomen om de problemen met oneerlijke handelspraktijken, zoals beschreven in haar mededeling van 17 juli 2014 (Kamerstuk 22 112, nr. 1910 met de kabinetsreactie daarop), aan te pakken. Nadat de eindrapportage van de nationale pilots is ontvangen zal uw Kamer, mede gezien de ontwikkelingen op Europees niveau, geïnformeerd worden over het vervolg. Op dat moment kan ook bezien worden of aanvullende onderzoeken nodig zijn.

Wat betreft het LEI rapport over prijsvorming van december 2014 constateren de leden van de CDA-fractie dat dit rapport maar beperkt informatie geeft, zoals het LEI zelf ook ruiterlijk toegeeft. Dat de prijzen voor appels, aardappels, paprika’s en komkommers mee fluctueren in de supermarkt met de groothandel en producenten prijs zegt in feite niets over of de boer een prijs kan beuren waarmee hij uit de kosten komt. Het onderzoek geeft dus zoals de schrijvers ook al stellen «het algemene beeld dat oprijst uit dit onderzoek is dat prijsvorming in voedsel niet gekarakteriseerd wordt door eenvoud en eenduidigheid». Zijn de bewindspersonen het eens met deze leden dat uitgebreider onderzoek gewenst is? Zo nee, waarom niet?

Met het huidige onderzoek hebben wij gehoor gegeven aan het verzoek om een update van het onderzoek uit 2009 naar marges in de voedselketen. We zijn van mening dat het recente onderzoek een goed beeld geeft van hoe de verkoopprijzen in een bepaalde schakel in de bedrijfskolom zijn opgebouwd en hoe deze de verkoopprijzen van andere schakels in de bedrijfskolom beïnvloeden. Uw Kamer is over de resultaten geïnformeerd (Kamerstuk 31 532, nr. 143) en wij zien op dit moment geen reden voor een uitgebreider onderzoek.

Wat betreft de conclusies van het LEI onderzoeksrapport «Prijsvorming van voedsel» van december 2014 vinden de leden van de CDA-fractie het zeer opvallend dat juist de opmerkelijke zaken in het rapport niet benoemd worden in de brief van de Staatssecretaris (Kamerstuk 31 532, nr. 143). Volgens het LEI geeft het onderzoek zeker ook aanleiding om bijzondere aandacht te hebben voor de supermarktschakel, want de casussen ei, ui en kipfilet suggereren dat supermarkten een meer eigenstandige koers varen, waarbij ze meer op elkaars prijzen letten dan op prijsbewegingen in de desbetreffende productieketen. Op pagina 87 van het rapport wordt deze conclusie herhaald en stelt het LEI dat de conclusie van ACM van 2009 «dat er geen indicaties zijn dat de supermarkt dominant is in de prijsvorming» niet herhaald kan worden. De leden van de CDA-fractie stellen vast dat het LEI het hier dus heeft over een trendbreuk. Deze leden vragen of de Minister kan toelichten waarom hij deze belangrijke passages niet opgenomen heeft in de brief van 18 december 2014? Het LEI suggereert dat de supermarkt wel een dominante positie heeft in de prijsvorming, beamen de bewindspersonen deze conclusie? Kunnen de bewindspersonen de Kamer informeren over hoe de ACM deze indicatie van dominantie oppakt? Zijn er indicaties dat er nog andere producten zijn waarbij prijzen worden afgestemd en niet mee fluctueren met de groothandels- en producentenprijzen? Zo nee, kan dit worden onderbouwd? Zijn de bewindspersonen bereid dit verder te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?

In de brief van 18 december 2014 (Kamerstuk 31 532, nr. 143) worden kort de resultaten van het door het LEI, in opdracht van de ACM, uitgevoerde onderzoek opgesomd. In deze brief is te lezen dat supermarkten bij de onderzochte producten kipfilet, eieren en uien de cyclische prijsontwikkelingen in de rest van de keten in mindere mate lijken te volgen dan bij producten als komkommer, paprika, appels en aardappels. In de brief wordt niet dieper op deze bevinding ingegaan, omdat elke keten anders is en bovenstaande conclusie niet kan worden veralgemeniseerd. In het rapport van het LEI wordt dieper ingegaan op de verschillen in prijstransmissie per keten.

Het LEI stelt op pagina 91 dat «de studie niet eenvoudig of eenduidig het vaak geuite idee dat het zwaartepunt van agrifoodketens naar de supermarkt verschuift kan onderschrijven». Het valt dan ook niet te verwachten dat de supermarkt een dominante positie heeft in de prijsvorming. Er zijn verder geen indicaties dat er nog andere producten zijn waarbij prijzen lijken te worden afgestemd en niet mee fluctueren met de groothandels- en producentenprijzen. Wij zien dan ook geen aanleiding voor verder onderzoek.

Ten aanzien van de pilot oneerlijke handelspraktijken hebben de leden van de CDA-fractie enige vragen. Deze leden vragen de bewindspersonen wanneer de voortgangsrapportage pilot oneerlijke handelspraktijken die eind 2014 naar de Kamer gestuurd zou worden verwacht mag worden. Daarnaast vragen deze leden of de bewindspersonen bereid zijn om de pilot zelf te evalueren? Op basis van welke criteria beoordelen de bewindspersonen of de pilot oneerlijke handelspraktijken geslaagd is of niet? De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat een onafhankelijke analyse van de Minister of in zijn opdracht een aanvulling zou zijn naast het overzicht van handelingen van de stuurgroep waarin vertegenwoordigers van FNLI, CBL en LTO zitten. Is de Minister hiertoe bereid? Wat betreft het anoniem klagen vragen deze leden wat de bewindspersonen beschouwen als mogelijkheid voor anoniem klagen. Beschouwen de bewindspersonen de behandeling van een klacht door drie niet-onafhankelijke sectorvertegenwoordigers als anoniem klagen? Zijn de bewindspersonen het eens met de leden van de CDA-fractie dat er pas sprake kan zijn van anoniem klagen als dat is bij een onafhankelijke autoriteit? Een voorbeeld van een veel voorkomende oneerlijke handelspraktijk in de keten van agrarische producten is late betalingen (later dan de wettelijke 60 dagen). Hierdoor zitten de voorliggende schakels in de keten met een moeizame kaspositie en lopen zij rendement mis. Deze leden kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat de agrarische producent het gelag betaald. Marktpartijen met een dominante positie zien schulden bij hun leveranciers vaak als zeer goedkope kredieten. Hoe denken de bewindspersonen dat eerdere, eerlijke betaling afgedwongen kan worden?

Voor de voortgangsrapportage over de pilot gedragscode eerlijke handelspraktijken verwijzen wij u naar de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie. De evaluatie wordt in beginsel door de stuurgroepen van beide pilots zelf gedaan. Op basis van die evaluaties, aangevuld met rapportages in Europees verband en eigen kennis en ervaring, wordt besloten welke vervolgstappen nodig zijn. Voor wat betreft uw vraag over anoniem klagen, zijn wij van mening dat anoniem klagen ook elders dan bij een onafhankelijke autoriteit mogelijk is. We hebben er vertrouwen in dat de klager bij de stuurgroep anoniem blijft. Wat betreft overschrijding van de betalingstermijnen tussen bedrijven onderling is het van belang om te identificeren waar de problemen precies zitten. Daarom gaan we, zoals aangekondigd in de brief van 11 maart jl., onderzoek laten doen naar de aard, omvang en oorzaken van de problematiek.

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat er geen enkele Nederlandse producent van landbouwproducten staat ingeschreven bij de overkoepelende Europese organisatie van de Nederlandse stuurgroep oneerlijke handelspraktijken, namelijk de «supply chain initiative» (beschikbaar op: http://www.supplychaininitiative.eu/registry?field_country_tid=28 ). Is het zo dat de Europese landbouwvertegenwoordigingskoepel, COPA-COGECA, geen lid is van de «supply chain initiative», zo vragen deze leden. Indien er over een Nederlandse zaak geen overeenstemming is bereikt na overleg tussen de bedrijven en tussen de vertegenwoordigers in de stuurgroep, zou dan de zaak worden doorverwezen naar de Europese koepel «the supply chain initiative» waarin er geen landbouwvertegenwoordiging is? Heeft de vertegenwoordiging van de Europese voedselverwerking en voedsel Retail in het forum van het «supply chain initiative» de afgelopen jaar klachten behandeld?

COPA-COGECA is inderdaad geen lid van het Europese Supply Chain Initiative. Dat is een keuze van COPA-COGECA zelf. In de governance groep van het Supply Chain Initiative zijn 4 stoelen gereserveerd voor vertegenwoordigers van COPA-COGECA, maar deze worden vooralsnog niet door hen ingenomen. Naast deze 4 gereserveerde stoelen is de zetelverdeling in de governance groep als volgt: 1 zetel voor handelaren in landbouwproducten, 4 zetels voor voedsel- en drankenindustrie, 1 zetel voor merken, 4 zetels voor detailhandel, 1 zetel voor het MKB. Uit het jaarverslag van genoemde governance groep blijkt dat er in het eerste jaar van het initiatief 39 klachten zijn ingediend. Het grootste deel (86%) van deze klachten is binnen 4 maanden intern opgelost. Klachten tussen Nederlandse deelnemers aan de pilot dienen in de nationale stuurgroep te worden behandeld. Doorverwijzing naar de Europese governance groep komt alleen in beeld wanneer het gaat om een grensoverschrijdende gebundelde klacht of wanneer er geen nationaal platform is voor de behandeling van gebundelde klachten. In Nederland is er, met de pilot in de agrofoodsector, een nationaal platform om gebundelde klachten te behandelen.

Naast de blinde vlek voor de dominante positie van de supermarktketens zien de leden van de CDA-fractie ook dat de bewindspersonen en de ACM worstelen met de toepassing van de uitzondering op het mededingingsrecht voor producentenorganisaties in de land- en tuinbouw. De ACM heeft tot op heden op geen enkele manier laten zien zich rekenschap te geven van deze uitzonderingsbepaling. Voor deze leden staat voorop dat er meer duidelijkheid moet komen over de invulling van deze uitzonderingsbepaling en dat het kabinet en de politiek daarbij een belangrijke rol hebben. Dienaangaande is in de initiatiefnota «een eerlijke boterham, over het versterken van de voedselketen» voorgesteld om deze uitzonderingsbepaling op te nemen in de mededingingswet. De door de Minister toegezegde handleiding zou daarbij zeker een goede aanvulling kunnen zijn. De leden van de CDA-fractie vragen wel waarom deze handleiding toegezegd in het najaar van 2013 zo lang op zich laat wachten. Wat betreft de uitwerking van de handleiding voor mededingingsregels en producentenorganisaties hopen deze leden van harte dat er een handleiding op papier komt die ook echt ruimte geeft voor samenwerking binnen producentenorganisaties. Wordt in deze handleiding meer ruimte gegeven voor samenwerking binnen producentenorganisaties in de land- en tuinbouw en de visserij die zijn opgericht op basis van de Gemeenschappelijke Marktordening ten opzichte van het mededingingsrecht, ook wanneer deze producentenorganisaties geen economische eenheid vormen? Zal de handleiding duidelijkheid geven zoals de Q&A van de Britse Office of Fair Trading dat geeft, specifiek ten aanzien van pagina 16 en 17 (beschikbaar op: https://www.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/284408/OFT740rev.pdf )?

Voor de handleiding over de mededingingsregels voor producentenorganisaties verwijzen wij u naar de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie. Deze handleiding zal uitleg geven over hoe de mededingingsregels werken voor producenten- en brancheorganisaties en probeert duidelijkheid te geven over wat wel en niet is toegestaan. Wat dat betreft is de handleiding vergelijkbaar met de Q&A van de Britse Office of Fair Trading.

Vragen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben enkele vragen bij de kabinetsreactie op de initiatiefnota «Een eerlijke boterham, over het versterken van de voedselketen». Zij zijn benieuwd naar de huidige stand van zaken van de pilot gedragscode eerlijke handelspraktijken. Wanneer wordt de toegezegde voortgangsrapportage naar de Kamer gestuurd, vragen zij de bewindspersonen.

Voor de voortgangsrapportage over de pilot gedragscode eerlijke handelspraktijken verwijzen wij u naar de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie.

Ten aanzien van het voorstel van de indiener om de uitzonderingsbepaling op het mededingingsrecht expliciet toe te voegen aan de Nederlandse Mededingingswet vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of de bewindspersonen aan kunnen geven of de verordening voor de ACM voldoende basis biedt, temeer daar landen als Duitsland en Engeland de uitzonderingsbepaling wel hebben opgenomen in wetgeving of richtsnoeren.

De uitzonderingsbepaling in de verordening (artikel 209 GMO) heeft rechtstreekse werking en hoeft dan ook niet omgezet te worden in nationale regelgeving. De ACM past in haar beschikkingspraktijk deze uitzondering reeds toe.

Deze leden vragen de bewindspersonen in te gaan op het functioneren van de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid.

Voor het functioneren van de beleidsregel en mededinging verwijzen wij u naar de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie.

Vragen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen en opmerkingen bij de kabinetsreactie op de initiatiefnota «Een eerlijke boterham, over het versterken van de voedselketen».

Er is veel discussie over mededinging in relatie tot duurzaamheid. De leden van de SGP-fractie verwijzen in dit verband naar de stellingname van de ACM over de Kip van Morgen. Deze leden horen graag de reactie van de bewindslieden op deze stellingname. In hoeverre zou door aanscherping van de beleidsregel mededinging en duurzaamheid meer ruimte geboden kunnen worden voor dergelijke marktafspraken?

Voor het functioneren en eventuele aanscherping van de beleidsregel en mededinging verwijzen wij u naar de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie. Over een reactie op de stellingname van de ACM over de Kip van Morgen is uw Kamer, conform het verzoek daartoe, op 18 maart jl. geïnformeerd (Kamerstuk 28 973, nr. 164).

In de context van de moeizame verhouding tussen mededingingsbeleid en publieke belangen is de stellingname van de ACM wellicht begrijpelijk. Het roept bij de leden van de SGP-fractie wel veel vragen op. Moet vooruitgang op het gebied van dierenwelzijn en milieu omgerekend worden in financiële waardering door consumenten? Deze leden willen het graag breder trekken. Juristen wijzen erop dat hoewel de Europese Commissie de consumentenwelvaart (in enge zin) steeds meer als dé doelstelling van de mededingingsregels hanteert, de mededingingsregels zelf wel ruimte bieden voor het meewegen van andere doelstellingen (als publieke belangen) en dat het Europese Hof van Justitie de vernauwing van de Europese Commissie nog niet bevestigd heeft. Ze wijzen er tevens op dat nationale overheden en mededingingsautoriteiten daarom niet verplicht zijn om de koers van de Europese Commissie te volgen. Hoe zien de bewindslieden dit?

Uit het mededingingsrecht volgt geen rechtstreekse verplichting om vooruitgang op het gebied van dierenwelzijn en milieu om te rekenen in financiële waardering voor consumenten. Deze methode past bij de ontwikkeling binnen het mededingingsrecht naar een meer economische benadering, waarbij gedragingen in grotere mate worden beoordeeld op grond van de (economische) effecten op de concurrentie en de consument en minder op basis van de (juridische) vorm van het gedrag. Een voordeel van de meer economische benadering is dat afspraken tussen ondernemingen pas tot spanning met het kartelverbod leiden indien de concurrentie daadwerkelijk wordt beperkt en de consument daarvan hinder ondervindt. Ook bij een meer economische benadering kan rekening worden gehouden met andere publieke belangen en de ACM benadrukt hier in haar toezicht nadrukkelijk oog voor te hebben. Door bijvoorbeeld de gemiddelde betalingsbereidheid van consumenten voor een duurzaamheidsinitiatief in kaart te brengen, kan de ACM de afweging tussen de betrokken publieke belangen, die per consument kan verschillen, zoveel mogelijk objectiveren en transparant maken. Het is aan de ACM om als onafhankelijk toezichthouder individuele gevallen, zoals de afspraken rond de Kip van Morgen, te beoordelen op basis van een objectieve analyse van de feiten en omstandigheden van het geval. Gelet op de verplichting tot uniforme toepassing van het Europese mededingingsrecht en het belang van rechtszekerheid voor ondernemingen heeft de ACM daarbij niet alleen te maken met de Nederlandse context, maar ook met de interpretatie van de Europese Commissie en de uitleg van de Europese rechters.

Vragen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben met belangstelling en waardering kennisgenomen van de initiatiefnota van de heer Geurts over het versterken van de voedselketen waarbij er uit wordt gegaan van eerlijke prijzen en de kabinetsreactie hierop. Boeren voelen zich gedwongen om onder de kostprijs te produceren. Dat gaat ten koste van hun inkomen en heeft grote gevolgen voor de voedselveiligheid, het dierenwelzijn en het milieu. Deze leden zetten zich al jaren in voor duurzaam, diervriendelijk en veilig voedsel voor iedereen en eerlijke voedselprijzen waarin alle kosten zijn verdisconteerd.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op de initiatiefnota waaruit blijkt dat dit kabinet voornamelijk inzet op een toenemende intensivering en het verhogen van de export. Deze leden vragen de bewindspersonen het onderzoek van Eva Gocsik van de Wageningen Universiteit te beoordelen waaruit blijkt dat Nederlandse pluimvee- en varkenshouders niet uit zichzelf investeren in een hoger dierenwelzijn. Vrijwilligheid en vrijblijvendheid zijn geen basis om te komen tot voedselveiligheid en duurzaamheid, zo concluderen zij. Erkennen de bewindspersonen dat de ingezette koers van zelfregulering door de sector onvoldoende voorwaarden schept om te komen tot het behalen van internationale en nationale doelstellingen op het gebied van natuur, milieu en dierenwelzijn en een breed maatschappelijk draagvlak? Zo ja, welke consequenties verbinden de bewindspersonen hieraan?

Wij zijn het niet eens met de bewering dat de ingezette koers van zelfregulering door de sector onvoldoende voorwaarden schept om te komen tot het behalen van internationale en nationale doelstellingen op het gebied van natuur, milieu en dierenwelzijn en een breed maatschappelijk draagvlak. De verschillende schakels in de voedselketen pakken de handschoen van verduurzaming op. Uiteraard speelt de consument hierin een belangrijke rol.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben vernomen dat het kabinet aangeeft dat dat boeren en tuinders van bepaalde producten meer produceren dan de markt kan opnemen. Het kabinet concludeert dat dit tot prijsbederf leidt. Deze lage prijzen voor boeren en tuinders zijn in het algemeen het gevolg van een te groot aanbod, zoals ook uit het SEO-onderzoek «Boer zoekt duurzaamheid» (Kamerstuk 31 532, nr. 69) blijkt. Geven de bewindspersonen hiermee aan zich in te willen zetten voor aanbodbeperking? Immers, het is mogelijk om onder de kostprijs vlees aan te bieden omdat het aanbod zo groot is. Kunnen de bewindspersonen aangeven welke mogelijkheden er zijn om te komen tot aanbodbeperking? Zijn de bewindspersonen bereid om alsnog een vleestax in overweging te nemen? Graag een reactie.

Nederlandse agrariërs opereren op een internationale afzetmarkt, waar zij veelal te maken hebben met Europese regelgeving. De EU is juist bezig om aanbodbeperking af te schaffen zoals recentelijk de superheffing op melk en op termijn de suikerquota. Wij zien geen mogelijkheden om te komen tot (nationale) aanbodbeperking. Wat betreft de vleestax is het standpunt niet veranderd. Consumenten moeten vrij zijn om hun eigen keuzes te maken en moeten niet vanuit de overheid gedwongen worden om minder vlees te eten.

Deze leden zijn van mening dat een eerlijke prijs alleen maar bewerkstelligd kan worden als alle kosten, inclusief maatschappelijke kosten, in de prijs verdisconteerd zijn. Dit vraagt een verdiscontering van de productie van vlees, inclusief de compensatie van de uitstoot van broeikasgas- en andere schadelijke stoffen, de kap van het tropisch regenwoud, het beslag op eindige zoetwatervoorraden, de bestrijding van dierziekten en de kosten van dierziektencrises. Zoals de bewindspersonen weten, zijn de productie- en maatschappelijke kosten van vlees (kip, rund, varken, paard) zeer hoog. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn er zeer voor dat de maatschappelijke kosten en de productiekosten verinnerlijkt worden in de prijs. Kunnen de bewindspersonen hier een reactie op geven?

Wij zijn ook voor een verinnerlijking van de maatschappelijke kosten en productiekosten in de prijs. Het is echter aan de consument om te kiezen en te betalen voor duurzaamheid. Op deze manier worden de maatschappelijke kosten in de prijs opgenomen.


X Noot
1

Gerbrandy, A; Duurzaamheidsbelangen in het mededingingsrecht: de positie van ACM ten opzichte van het Hof van Justitie en de Europese Commissie; Nederlands Tijdschrift voor Europees recht; november 2013, nr. 9

X Noot
2

Gerbrandy, A; Duurzaamheidsbelangen in het mededingingsrecht: de positie van ACM ten opzichte van het Hof van Justitie en de Europese Commissie; Nederlands Tijdschrift voor Europees recht; november 2013, nr. 9

Naar boven