Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2015-201633994 nr. C

33 994 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten met het oog op het verbeteren van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging, alsmede het voorkomen van faillissementsfraude (herziening strafbaarstelling faillissementsfraude)

C MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 27 november 2015

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Met grote belangstelling heb ik kennisgenomen van het voorlopig verslag. In dit verslag gaven de leden van de SP-fractie uiting aan hun blijdschap dat de regering faillissementsfraude harder gaat aanpakken, terwijl de leden van de PvdA-fractie stelden met waardering te hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel dat tot doel heeft de strafrechtelijke faillissementswetgeving te moderniseren en aan te vullen. Deze positieve bewoordingen doen mij veel genoegen. Ook de leden van de VVD-fractie gaven aan met belangstelling te hebben kennisgenomen van het voorstel. De vragen die de leden van de genoemde fracties nog stelden over het voorstel zal ik in het hiernavolgende graag van een antwoord voorzien.

2. Maatschappelijke impact en aanpak van faillissementsfraude

De leden van de SP-fractie wezen erop dat de maatschappelijke gevolgen van faillissementsfraude groot zijn. De aanname van deze leden dat ZZP-ers en vertegenwoordigers van het midden- en kleinbedrijf in de praktijk niet bij de politie terecht zouden kunnen met een aangifte van faillissementsfraude, komt niet overeen met mijn eigen waarneming. Uiteraard zal wel sprake moeten zijn van de belangrijkste bestanddelen van een misdrijf van faillissementsfraude (een ingetreden faillissement, benadeling van schuldeisers) en een vermoeden van frauduleuze handelingen. Dat laatste kan in de praktijk soms moeilijk liggen; bijvoorbeeld wanneer de administratie van een failliet verklaarde rechtspersoon is verdwenen. Mede daarom is het van belang dat onderhavig wetsvoorstel een nieuwe strafbaarstelling van overtreding van de administratie- en bewaarplicht creëert: waar thans de vaststelling dat de administratie ontbreekt vaak in de weg staat aan mogelijkheden om bij een faillissement strafrechtelijk op te treden, levert dit op grond van dit wetsvoorstel juist de verdenking van een misdrijf op. Ook allerlei andere maatregelen worden genomen om effectiever op te treden tegen faillissementsfraude met als doel te voorkomen dat ondernemers en burgers door frauduleus handelen worden gedupeerd. Zo zal een strafrechtelijk onderzoek enorm gebaat zijn bij aangifte door de curator van mogelijke fraude en een verslag van diens bevindingen inzake de afhandeling van het faillissement. Om deze reden krijgt de curator op grond van het wetsvoorstel versterking positie curator de opdracht om actiever te letten op fraude, en daarvan melding bij de rechter-commissaris in faillissementszaken te maken c.q. aangifte te doen. Ook mag worden verwacht dat de vereenvoudigde redactie van de strafrechtelijke faillissementsbepalingen in het onderhavige wetsvoorstel – in het bijzonder waar het de eisen met betrekking tot het opzet van de dader betreft – de toepassing in de praktijk faciliteert.

De aan het woord zijnde leden van de SP-fractie vroegen verder om nadere duiding van de door mij in de nota naar aanleiding van het verslag genoemde cijfers over bij het openbaar ministerie ingestroomde zaken van faillissementsfraude, vooral ook met het oog op het gevolg dat aan deze zaken was gegeven. Onderstaand overzicht strekt tot beantwoording van deze vragen.

 

2011

2012

2013

2014

Instroom

56

116

133

184

         

Uitstroom

85

97

124

156

         

OM-afdoeningen

43

34

34

48

Administratief beëindigd

     

2

Overdracht

4

5

1

Onvoorwaardelijk sepot

30

22

27

36

Voorwaardelijk sepot

3

2

2

4

OM-strafbeschikking

     

2

OM-transactie

6

5

3

3

Voegen

   

1

1

         

Afdoening door de rechter

42

63

90

108

Strafoplegging

34

57

76

86

Schuldigverklaring zonder oplegging straf of maatregel

 

1

1

1

Ontslag van alle rechtsvervolging

     

1

OM niet ontvankelijk

   

2

1

Vrijspraak

7

4

10

12

Overig (veelal ter terechtzitting gevoegd)

1

1

1

7

         

Vrijheidsstraf

25

44

38

41

Werkstraf

18

26

45

55

Geldboete

3

1

9

8

Schademaatregel

4

4

5

10

De vraag die de leden van de SP-fractie stelden over opsporingscapaciteit gereserveerd voor de bestrijding van faillissementsfraude, kan ik als volgt beantwoorden. In het kader van de aanpak van horizontale fraude (waaronder ook faillissementsfraude valt) is in de Veiligheidsagenda 2015–2018 bepaald dat het aantal strafzaken inzake horizontale fraude dat door de regionale eenheden zal worden aangepakt, de komende jaren met 50 procent zal stijgen naar 2.300 in 2018. In het Inrichtingsplan van de Nationale Politie is rekening gehouden met beschikbare capaciteit voor de aanpak van financieel-economische criminaliteit (totaal 1.156 fte); in vergelijking met de situatie enkele jaren geleden betreft het een grote uitbreiding van opsporingscapaciteit. Ik merk hierbij overigens nog op dat binnen deze recherchecapaciteit vanwege wisselende criminaliteitstendensen geen specifieke capaciteit is gelabeld voor onderzoek naar faillissementsfraude of andere vormen van financieel-economische criminaliteit. Bij de FIOD is daarvan wel sprake. Dit is tot uitdrukking gebracht in het aantal jaarlijks beschikbare manuren voor het verrichten van opsporingsonderzoek in zaken van complexe faillissementsfraude. Dit geeft het onderstaande beeld.

2011

72.500

2012

85.000

2013

85.000

2014

91.000

2015

100.000

Een van de doelstellingen bij de strafrechtelijke aanpak van faillissementsfraude is het afnemen van het met het plegen van fraude verkregen vermogen. Het gaat dan, zoals deze leden beschreven, om vermogen dat onder andere is vergaard ten detrimente van civiele schuldeisers van de failliet, en/of bijvoorbeeld UWV en Belastingdienst. Er bestaan meerdere manieren om dit criminele vermogen in het kader van het strafrecht af te nemen en ten goede te laten komen aan rechthebbenden of terug te geleiden naar de overheid; dit kan onder andere geschieden via ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel of door oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. In de rechtspraktijk wordt de opbrengst van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet uitgesplitst naar misdrijf, reden waarom ik het antwoord schuldig moet blijven op de vraag van deze leden hoeveel er is ontnomen in zaken van faillissementsfraude. Dat het overigens bij een ontnemingsvordering inzake faillissementsfraude ook om forse bedragen kan gaan, blijkt bijvoorbeeld uit de strafzaak die wordt besproken in het tijdschrift van het openbaar ministerie Opportuun (Opportuun 2015, nr. 3 (juli), p. 10–13); daarin is een bedrag van ongeveer twee miljoen euro aan de orde. Ook met betrekking tot het UWV en de Belastingdienst zijn alleen cijfers bekend zonder uitsplitsing naar frauduleuze gedraging (zie Kamerstukken II 2014/15, 17 050, nr. 496, blz. 11–13).

De vrees die ik bij de leden van de SP-fractie proefde, dat de scherpere focus van het openbaar ministerie op het afnemen van crimineel vermogen – die de afgelopen jaren vruchten begint af te werpen – zou leiden tot verminderde aandacht voor de bestrijding van faillissementsfraude, acht ik niet terecht. De aanpak van faillissementsfraude is geborgd in de rijksbrede aanpak van fraude en de afspraken over opsporing van zaken van horizontale fraude zoals die zijn neergelegd in de Veiligheidsagenda. Verder wijs ik er op dat in het kader van de rijksbrede aanpak van fraude de aandacht ook ten volle is gericht op ontneming in de vorm van het innen van niet afgedragen sociale premies, het terugvorderen van onterecht genoten uitkeringen en belastingvoordelen en – indien sprake is van verwijtbaar gedrag – oplegging van bestuursrechtelijke boetes. Het kabinet rapporteert jaarlijks over de rijksbrede samenwerking in de fraudebestrijding en over de resultaten die zijn behaald om geld terug te halen waar burgers of bedrijven geen recht op hebben (zie Kamerstukken II 2014/15, 17 050, nr. 496, blz. 11–12).

3. Samenhang met andere voorstellen tot versterking van het faillissementsrecht

De leden van de VVD-fractie vroegen hoe de regering de samenhang en consistentie borgt met het wetsvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod (Kamerstukken 34 011) en het wetsvoorstel versterking positie curator (Kamerstukken 34 253), thans in behandeling bij de Tweede Kamer. Zoals deze leden reeds vermeldden, is ter verzekering van de samenhang en consistentie een programmastructuur ingericht waarbinnen nauw wordt samengewerkt bij de voorbereiding van de verschillende onderdelen van het wetgevingsprogramma. De (concept-)wetsvoorstellen worden binnen bedoelde structuur met elkaar in verband gebracht en getoetst aan de gemeenschappelijke doelstellingen van stroomlijning, terugdringen van maatschappelijke kosten en verbetering van fraudebestrijding. Over de wijze waarop de verschillende wetsvoorstellen in onderling samenhang werken, op welke wijze zij elkaar in dit verband aanvullen en versterken, wordt zoveel mogelijk ook verantwoording afgelegd in de toelichting op de wetgevingsstukken van de diverse voorstellen. Daarnaast wordt het parlement separaat halfjaarlijks geïnformeerd over de voortgang van het programma in zijn geheel en over de status van de verschillende wetsvoorstellen in het bijzonder (zie Kamerstukken II 33 695, nrs. 1–8). Het geheel is erop gericht om stakeholders en adviesorganen in staat te stellen omvattend te adviseren over de inhoud van (concept-)wetsvoorstellen en het parlement gelegenheid te bieden om op basis van een zo volledig mogelijk beeld de inhoud en de wenselijkheid van de diverse wetsvoorstellen te beoordelen.

4. Financiële en capacitaire gevolgen

De analyse van de leden van de VVD-fractie dat het voor een effectief optreden tegen faillissementsfraude noodzakelijk is dat politie en openbaar ministerie als ook andere onderdelen van de strafrechtsketen beschikken over voldoende deskundigheid en capaciteit kan ik onderschrijven. Dit benadrukt ook het belang van de vraag die zij in dit verband stelden naar de wijze waarop wordt bewerkstelligd dat genoemde instanties daadwerkelijk over voldoende deskundigheid en capaciteit beschikken. Drie aspecten zijn hier van belang. Absolute randvoorwaarde is de aanwezigheid van voldoende opsporingscapaciteit voor de aanpak van financieel-economische criminaliteit. Dit wordt onderkend en benoemd in het voornoemde Inrichtingsplan van de Nationale Politie, op grond waarvan kwaliteit en deskundigheid in de opsporing van financiële delicten worden geborgd. De opsporing en vervolging van faillissementsfraude door de politie worden voorts ondersteund door de stapsgewijze beschrijving in de Leidraad eenvoudige faillissementsfraude die de politie hanteert.

Een tweede aspect betreft de regie over de inzet van capaciteit. Die regie geschiedt door het openbaar ministerie, onder andere op grond van de nieuwe Instructie faillissementsfraude. Op basis van een centraal overzicht wordt de verdeling van zaken tussen de politie en de FIOD gestroomlijnd op een wijze die beter aansluit op de nieuwe organisatiestructuur van de politie. Op meta-niveau vindt regie plaats door afspraken in de Veiligheidsagenda over resultaten in de zin van verrichte onderzoeken op het terrein van horizontale fraude alsmede door afspraken over de inzet van opsporingsuren van de FIOD voor de aanpak van complexe faillissementsfraude.

Ten slotte wordt ingezet op vernieuwing van de bestrijding van faillissementsfraude, gericht op efficiënt gebruik van capaciteit en waar mogelijk bundeling van krachten. Het gaat hier om vormen van slimme samenwerking binnen, maar zeker ook buiten de strafrechtketen. Aansprekend voorbeeld is het spreekuur faillissementsfraude. Daarin wordt, onder voorzitterschap van een rechter-commissaris samen met een ervaren curator, en vertegenwoordigers van de Belastingdienst, de FIOD en van het openbaar ministerie bezien welke civiel-, bestuurs- of strafrechtelijke interventie, het meeste perspectief biedt in een concreet geval van fraude. Dit spreekuur, ontwikkeld bij de rechtbank Den Haag, krijgt steeds verder navolging. Inmiddels bestaan ook fraudespreekuren bij de rechtbanken Rotterdam, Amsterdam, Midden-Nederland, Oost-Nederland en Noord-Nederland.

5. Overig

De leden van de PvdA-fractie veronderstelden dat het nodig zou zijn om de motivatie bij politie en openbaar ministerie te bevorderen om faillissementsfraude aan te pakken. Ik meen evenwel dat al sinds enkele jaren op dit vlak een duidelijke omslag in denken en doen heeft plaatsgevonden. Die omslag vond plaats door een breed gevoelde onvrede over de aanpak van faillissementsfraude – ik verwijs onder andere naar de analyse van die aanpak zoals gegeven door professor Hilverda (C.M. Hilverda, De bestrijding van faillissementsfraude, waar een wil is... (oratie Nijmegen), Kluwer, Deventer 2012). De omslag is ook gemarkeerd in de brief van de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie van 26 november 2012 (Kamerstukken II 2012/13, 29 911, nr. 74), waarin een groot aantal maatregelen ter verbetering van de aanpak van faillissementsfraude werd aangekondigd alsmede een omvangrijk wetgevingsprogramma. De aangekondigde maatregelen zijn op voortvarende wijze ter hand genomen en waar nodig nader geconcretiseerd, onder meer in de Veiligheidsagenda. Dat we getuige zijn van een positieve kentering in de aanpak van faillissementsfraude wordt gestaafd door aansprekende resultaten in de praktijk, onder andere in de vorm van een stijging van het aantal strafrechtelijke onderzoeken.

De aan het woord zijnde leden van de PvdA-fractie vroegen voorts om een reactie op de conclusie van een korte bijdrage over het wetsvoorstel die enige tijd geleden is verschenen in het tijdschrift Vennootschap & Onderneming. Die conclusie had als strekking dat de in het voorliggende wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen lang zo eenvoudig nog niet zijn (zie M. van der Linden, «Problemen met de aanpak van faillissementsfraude van tafel?», V&O 2014, p. 161–164). In de desbetreffende bijdrage lees ik vooral een bevestiging van de gekozen lijn. Slechts op enkele punten plaatst de auteur een kanttekening. Die punten zal ik hier bespreken. De auteur vangt aan met de vaststelling dat nieuwe wetgeving alleen niet volstaat om de bestrijding van faillissementsfraude te verbeteren. Deze visie wordt door het kabinet onderschreven en ook uitgedragen: verwezen kan worden naar hetgeen over de bestrijding van faillissementsfraude is bepaald in de rijksbrede aanpak van fraude en in het kader van de Veiligheidsagenda. De bespreking van de vereenvoudiging van de strafbaarstelling van de inlichtingenplicht (artikel 194 Sr) wordt door de auteur besloten met de conclusie dat «de toepassing van artikel 194 Sr naar verwachting in de praktijk wel zal kunnen rekenen op veel complexe vragen». Niet helemaal duidelijk is waarop deze conclusie betrekking heeft. Het lijkt te gaan om de verhouding tussen de inlichtingenplicht die rust op de failliet en het nemo tenetur-beginsel. In die verhouding brengt het wetsvoorstel echter geen verandering ten opzichte van de bestaande situatie. Relevant is wel de doorwerking van recente rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens over de reikwijdte van het nemo tenetur-beginsel. Op grond van die rechtspraak heeft de Hoge Raad bepaald dat zogenoemde wilsafhankelijk informatie die wordt verkregen op basis van een (met gijzeling) gesanctioneerde inlichtingenplicht niet mag worden gebruikt in het kader van een strafvervolging (Hoge Raad 24 januari 2014, NJ 2014, 70). Met deze regel kan de praktijk uit de voeten. Een kanttekening plaatst de auteur ook bij de voorgestelde strafbaarstelling van niet-naleving van de administratieplicht in de Wet op de economische delicten. De auteur stelt dat de «preventieve werking die van de voorgestelde overtreding uitgaat nog zal moeten blijken». Te dien aanzien merk ik op dat met deze strafbaarstelling niet uitsluitend preventieve strafdoelen worden nagestreefd. Het gaat er vooral om dat indien uit onderzoek naar fraudemisdrijven blijkt dat niet kan worden beschikt over een goede administratie al op dat moment strafrechtelijk optreden mogelijk wordt. Met betrekking tot de keuze die in het wetsvoorstel wordt gemaakt om de misdrijven die worden gepleegd door bestuurders en commissarissen van een failliete rechtspersoon apart in te richten – vergelijk de artikelen 341-nieuw en 343-nieuw Sr – merkt de auteur op dat hij die keuze «zonder nadere onderbouwing lastig te volgen» vindt. De keuze voor een aparte strafbaarstelling van faillissementsfraude gepleegd door bestuurders en commissarissen is gestoeld op de erkenning van het specifieke karakter van de handelingen waaruit faillissementsfraude in het kader van het bestuur van een onderneming kan bestaan. Op grond van een aparte delictsomschrijving kan vervolgens op het niveau van de wet – en in het verlengde daarvan, in de rechtspraak – differentiatie plaatsvinden; zowel ten aanzien van strafbaar gestelde handelingen als de aan te leggen norm. Met betrekking tot het gebruik van de term «buitensporig» in diverse van de in het wetsvoorstel voorgestelde strafbaarstellingen, merkt de auteur terecht op dat het gaat om een open term. Tegelijkertijd geldt dat die term ook nu reeds in de strafrechtelijke faillissementswetgeving voorkomt (vgl. artikel 340 Sr) en dat de Hoge Raad hieraan nadere invulling heeft gegeven. Het wetsvoorstel sluit daarbij aan. De auteur stelt voorts nog dat hem niet helder is wat in de voorgestelde strafbaarstellingen wordt bedoeld met «vóór het faillissement». Mocht de auteur daarmee doelen op het feit dat de strafbaarstelling niet is gekoppeld aan een bepaalde tijdsperiode voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement, dan klopt dat. Het verband tussen de strafbaar gestelde handeling vóór het faillissement en dat faillissement wordt gelegd door het vereiste opzet van de dader («weten dat door de handeling die hij verricht schuldeisers worden benadeeld»). In dat (voorwaardelijk) opzet ligt ook een op enig moment intredend faillissement besloten. Ten slotte maakt de auteur een opmerking over de nieuwe strafbaarstelling van laakbaar handelen zonder dat het faillissement is gevolgd (artikel 347 Sr). Hij stelt dat «de toegevoegde waarde van dit voorstel lastig te duiden» is, omdat in veel gevallen op grond van het huidige artikel 347 Sr – waarin een overtreding van de statuten van de rechtspersoon centraal staat – ook al strafbaarheid zou bestaan, of ten minste op grond van andere fraudedelicten. Afgezien van de vraag of dit juist is, en daarbij of andere delicten een reële mogelijkheid tot vervolging van de dader zouden bieden, gaat de stelling voorbij aan hetgeen mede de strekking van de desbetreffende bepaling is. De afgelopen tijd is het bewustzijn ontstaan dat in de situatie waarin ondernemingen door externe factoren ternauwernood van een faillissement worden gered (anders dan in het geval een faillissement wel zou zijn ingetreden) op grond van de faillissementsfraudebepalingen niet kan worden opgetreden tegen frauduleus handelen terwijl het evenzeer om strafwaardig handelen gaat. Dat is vanuit het oogpunt van effectieve bescherming van het onderliggende rechtsgoed – net als bij andere faillissementsmisdrijven, gaat het daarbij primair om bescherming van de belangen van schuldeisers – niet aanvaardbaar. Bovendien biedt de voorgestelde strafbaarstelling een handvat om bij een mogelijk naderend faillissement eerder op te kunnen treden en waar mogelijk de schade te beperken. Met het vorenstaande vertrouw ik erop de vraag van de leden van de PvdA-fractie voldoende te hebben beantwoord.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I

Onderdeel C

De leden van de SP-fractie memoreerden dat een amendement van het lid van de Tweede Kamer Gesthuizen de maximumstraf voor het nieuwe misdrijf van opzettelijke overtreding van administratieplicht (artikel 344a Sr) heeft verhoogd van twee jaren naar vier jaren (Kamerstukken II 2014/15, 33 994, nr. 9). Op de vraag van deze leden waarom bij bepaling van het strafmaximum door de regering geen aansluiting is gezocht bij de maximumstraf voor de zwaarste misdrijven van opzettelijke faillissementsfraude – zes jaar gevangenisstraf – verduidelijk ik graag dat de reden daarvan gelegen is in het feit dat het vereiste van opzet op faillissementsfraude hier doelbewust buiten de delictsomschrijving van artikel 344a Sr is gelaten. In de praktijk vormde dit vereiste namelijk een belemmering voor effectieve vervolging wegens het opzettelijk ontbreken van een goede administratie bij faillissement. Voor de nieuwe strafbaarstelling van de enkele overtreding van de administratieplicht biedt een maximumstraf van vier jaar naar mijn oordeel ruimschoots de mogelijkheid aan de rechter om te komen tot een passende bestraffing van de gedraging. Ik deel de visie van deze leden dan ook niet dat het zou gaan om een dermate laag strafmaximum dat dit fraudeurs zou aansporen hun administratie te laten verdwijnen. Integendeel, de eenvoud van de voorgestelde strafbaarstelling maakt dat in het vervolg zeer moeilijk zal zijn voor faillissementsfraudeurs om de dans te ontspringen door hun administratie te laten verdwijnen. In dat geval is voor de curator en het openbaar ministerie relatief gemakkelijk vast te stellen dat sprake is van een misdrijf dat wordt bedreigd met een fors strafmaximum. Bovendien kunnen op grond van een verdenking van dit misdrijf de nodige opsporingsbevoegdheden worden toegepast. Het komt mij voor dat dit een onaantrekkelijk vooruitzicht is voor personen die overwegen op deze manier fraude te plegen.

Onderdeel D

De leden van de VVD-fractie merkten op dat in de voorgestelde delictsomschrijving van artikel 347 Sr het bestanddeel «ernstig nadeel» centraal staat. Het moet gaan, zoals deze leden aangaven, om ernstig nadeel dat een gevaar voor het voortbestaan van de onderneming oplevert. De aan het woord zijnde leden vroegen of teneinde vast te stellen of de onderneming op een bankroet afstevent dan wel dat actie van buitenaf nodig is om de onderneming voort te kunnen zetten, toch niet de solvabiliteit en met name de liquiditeit van de onderneming zouden moeten worden bepaald. Graag verduidelijk ik dat dit laatste vanzelfsprekend een rol kan spelen, maar dat de strafbaarstelling in de praktijk vermoedelijk veelal aan de orde zal zijn in situaties waarin het ook zonder onderzoek naar de solvabiliteit en liquiditeit duidelijk is dat het voortbestaan van de onderneming in gevaar is. Ik noem, naast een reddingsoperatie door de banken van de onderneming, de situatie waarin een onderneming aanspraak moet doen op een onderling waarborgfonds teneinde te overleven. Voorts is een geval voorstelbaar waarin een onderneming die in zwaar weer verkeert, een kapitaalinjectie van de overheid krijgt omdat het in het kader van het algemeen belang wenselijk wordt geacht dat de onderneming haar werkzaamheid kan voortzetten. Weer een ander voorbeeld betreft de waarneming van een concrete handeling van bestuurders van een onderneming die het voortbestaan van de onderneming in gevaar brengt: zoals het in één keer vervreemden van bijna alle activa van de onderneming. In al deze gevallen is een exacte bepaling van de liquiditeit en solvabiliteit van een onderneming waarschijnlijk van ondergeschikt belang waar het gaat om het vaststellen van de aanwezigheid van de bestanddelen van de delictsomschrijving.

De leden van de SP-fractie vroegen mij nader toe te lichten waarom bij het voorgestelde artikel 347 Sr de strafbedreiging niet gelijk is aan die welke uit hoofde van artikel 343 Sr geldt voor opzettelijke faillissementsfraude. Deze leden wezen daarbij, onderbouwd door voorbeelden, op de grote schade die dergelijke gedragingen kunnen veroorzaken.

In antwoord op hun vraag wil ik vooropstellen dat juist de door deze leden aangehaalde ernst van die gedragingen voor het kabinet aanleiding is geweest om de nieuwe strafbaarstelling van artikel 347 Sr voor te stellen. De strafbaarstelling van artikel 347 Sr kent in vergelijking met artikel 343 Sr echter wel duidelijk verschillen. Zo verlangt het nieuwe artikel 347 Sr niet dat het tot een faillissement van de onderneming is gekomen; dit impliceert in voorkomende gevallen dat de schade geringer zal zijn dan wanneer het een faillissement reeds zou zijn ingetreden en dat in een aantal gevallen wellicht ook nog de mogelijkheid bestaat om (verdere) schade te voorkomen. Belangrijker is dat het voor strafbaarheid op grond van artikel 347 Sr niet is vereist dat de dader opzet heeft gehad op benadeling van schuldeisers. Dit zijn betekenisvolle verschillen met de strafbaarstelling van opzettelijke faillissementsfraude die zich ook vertalen in een lagere strafpositie.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur