In het Energieakkoord is afgesproken dat voor windenergieprojecten vanaf 15 MW voorafgaand
aan de aanvraag een participatieplan wordt opgesteld. Tevens is in het Energieakkoord
afgesproken dat het Rijk in de Omgevingswet verankerd dat nadere eisen kunnen worden
gesteld aan het organiseren van draagvlak. Projectontwikkelaars dienen hiervoor zorg
te dragen.
In de Invoeringswet Omgevingswet zal de Elektriciteitswet 1998 worden aangepast zodat
de projectprocedure van toepassing wordt verklaard voor windenergieprojecten (Kamerstukken
II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 177, voetnoot 108).
In de voorgestelde Omgevingswet staan alleen procedurele afspraken over participatie
bij projectbesluiten, maar is het in het Energieakkoord afgesproken participatieplan
en de mogelijkheid van nadere eisen ten aanzien van financiële participatie of compensatie
bij windenergieprojecten, niet opgenomen.
In de Omgevingswet is de projectprocedure het instrument dat gebruikt wordt om een
project voor complexe maatschappelijke opgaven in de leefomgeving via een integrale
verkenning tot besluitvorming te brengen.
Vroegtijdige participatie is van groot belang voor het verkennen van de maatschappelijke
opgaven en mogelijke oplossingsrichtingen daarvoor. In de praktijk blijkt dat vroegtijdige
participatie «aan de voorkant» leidt tot een breder gedragen besluit en daarmee minder
beroepen «aan de achterkant». Omgekeerd geldt ook dat projecten waarbij minder aandacht
is geweest voor vroegtijdige participatie minder snel tot een (gedragen) besluit komen.
Volgens de projectprocedure moet in het projectbesluit worden gemotiveerd hoe met
participatie is omgegaan. Hiermee is participatie wettelijk verankerd in de Omgevingswet.
Allereerst wordt met dit amendement geborgd dat het bevoegd gezag ook voor aanvang
van de verkenning aangeeft op welke wijze participatie gaat plaatsvinden middels een
participatieplan. Hiermee wordt beoogd dat het bevoegd gezag en de (particuliere)
initiatiefnemer, voorafgaand aan de verkenning, afspreken hoe participatie plaatsvindt
en voor welke vormen wordt gekozen. Hoe dat wordt ingevuld is maatwerk, zodat het
bevoegd gezag en de initiatiefnemer optimaal kunnen inspelen op de projectspecifieke
context en de lokale omstandigheden. Tegelijkertijd draagt dit bij aan de rechtszekerheid
voor burgers.
Ten tweede borgt dit amendement dat over het participatieplan nadere regels worden
gesteld. Deze nadere regels kunnen betrekking hebben op alle projectprocedures, maar
ook op specifieke categorieën projectprocedures zoals windenergieprojecten. Nadere
eisen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op financiële participatie of compensatie
van omwonenden of belanghebbenden bij windenergieprojecten of het werken volgens afspraken
zoals opgenomen in een in deze nadere regels aan te wijzen gedragscode. Dit kan de
«Gedragscode draagvlak en participatie wind op land»1 zijn, maar ook een nieuw op te stellen gedragscode. Naast genoemde gedragscode zijn
er immers momenteel ook andere gedragscodes voor windenergieprojecten opgesteld. In
de genoemde gedragscode worden als opties voor financiële participatie of compensatie
bijvoorbeeld genoemd: financiële deelneming met aandelen/obligaties, een lokaal fonds,
omwonendenregeling zoals groene stroom met korting, korting op de energierekening
of een andere (financiële) vergoeding en het creëren van lokale werkgelegenheid).
Door dergelijke afspraken aan de voorkant te maken kan het draagvlak voor projecten
aanmerkelijk worden vergroot.
In de nadere regels of via een in deze regels op te nemen gedragscode kan ook worden
geborgd dat het participatieplan wordt opgesteld in samenspraak met belanghebbenden
en welke onderwerpen in het participatieplan in ieder geval moeten worden geregeld.
Wetstechnisch is dit amendement vormgegeven door toevoeging van twee leden aan artikel
5.45.