Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433942 nr. 22

33 942 Rapporten van de Algemene Rekenkamer bij de jaarverslagen 2013 en bij de Nationale verklaring 2014

Nr. 22 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 16 juni 2014

De commissie voor de Rijksuitgaven heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Financiën over het rapport van de Algemene Rekenkamer «Staat van de rijksverantwoording 2013, rijksbrede resultaten en thema’s» (Kamerstuk 33 942, nr. 1).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 13 juni 2014. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Harbers

De griffier van de commissie, Groen

Vraag 1

Wanneer en op welke manier wordt het verdeelmodel voor het gemeentefonds vastgesteld?

Antwoord

Op 23 mei 2014 heeft de minister van BZK de brief «Groot onderhoud gemeentefonds in 2015 en 2016» naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstuk 33 750 B, nr. 15). Dit betreft de 1e fase van aanpassing van het verdeelmodel voor het gemeentefonds.

In de meicirculaire 2014 die namens de minister van BZK aan gemeenten wordt gestuurd is de nieuwe verdeling van de 1e fase van het groot onderhoud in het gemeentefonds opgenomen, onder voorbehoud van goedkeuring van de Tweede Kamer (Kamerstuk 33 750 B/33 750 C, nr. 16).

De 2e fase groot onderhoud is aangekondigd in de brief van 23 mei. De resultaten hiervan zullen worden gepubliceerd in de meicirculaire 2015.

Vraag 2

Wat is de reactie op de risico’s beschreven door het CPB?

Antwoord

Het onderzoek van het CPB heeft in september geleid tot een eerste rapportage. Deze rapportage is op 11 september 2013, inclusief kabinetsreactie, naar de Kamer gestuurd (Kamerstuk 33 400 B/33 400 C, nr. 22).

Voor het vervolgtraject is afgesproken dat in een tweede en laatste rapportage van het CPB meer gedetailleerd zicht moet worden verkregen op de (beleids)instrumenten waarmee de risico’s van de decentralisaties in de uitvoering kunnen worden beperkt en de kansen kunnen worden gemaximaliseerd. Dit gegeven de budgettaire kaders en kijkend naar de drie decentralisaties als geheel. Verwacht wordt dat deze tweede rapportage in de eerste week van juli aan uw Kamer kan worden aangeboden.

Vraag 3

Hoe wordt geborgd dat de decentralisaties per 1 januari 2015 haalbaar zijn?

Antwoord

Het Kabinet heeft er vertrouwen in dat decentraliseren per 1 januari 2015 haalbaar is. Daartoe heeft zij dan ook de nodige acties ondernomen. Zie hiervoor ook antwoord op vraag 15 bij het BZK jaarverslag.

Ook wordt er een transitiecommissie sociaal domein ingesteld. Deze gaat toetsen of gemeenten de noodzakelijke bestuurlijke, organisatorische en financiële maatregelen hebben getroffen om de decentralisaties in samenhang uit te kunnen voeren. Deze commissie kan aan de bel trekken, specifieke thema's aanwijzen of in specifieke gemeenten op knelpunten wijzen.

Vraag 4

Kan de regering duidelijk aangeven waar nog resterende risico’s zitten als het gaat om fraude, en welke maatregelen zij nog moet treffen om deze risico’s zoveel mogelijk te verkleinen?

Antwoord

Het kabinet heeft in de voorbereiding op de rijksbrede aanpak fraude een uitgebreide risicoanalyse uitgevoerd. Deze analyse heeft ten grondslag gelegen aan en heeft geresulteerd in het actieprogramma met bijbehorende maatregelen uit de brief van 20 december 2013 die aan de Kamer is gestuurd. De uitvoering van dit actieprogramma is thans in volle gang. Zoals toegezegd door de Minister van Veiligheid en Justitie tijdens het debat over fraude in Nederland op 15 mei 2014 ontvangt de Tweede Kamer in december 2014 een rapportage waarin wordt ingegaan op de voortgang van de maatregelen, waarbij ook de eerder verrichte risicoanalyse wordt geactualiseerd en eventueel benodigde nieuwe maatregelen worden aangekondigd.

Vraag 5

Hoe wordt ervoor gezorgd dat de passages over fraude in de bedrijfsvoeringsparagrafen aan scherpte winnen?

Antwoord

In het verantwoordingsdebat vorig jaar is toegezegd dat departementen in de jaarverslagen aandacht zouden schenken aan fraude en de wijze waarop ze dat systematisch bestrijden. In de bedrijfsvoeringsparagrafen zoals deze nu in de jaarverslagen zijn opgenomen wordt vooral ingegaan op zaken die «interne» fraude betreffen, zoals integriteitsvraagstukken.

Daarnaast heeft het kabinet een groot aantal maatregelen genomen om fraude met publiek geld aan te pakken, bijvoorbeeld in de zorg, bij de toeslagen en bij de studiefinanciering. Ook zijn er domeinoverstijgende projecten in gang gezet, om regelgeving fraudebestendiger te maken, de informatiepositie van diensten te verbeteren, onderliggende fraudefenomenen te bestrijden en fraudeurs aan te pakken. Over deze maatregelen is de Kamer geïnformeerd in de brief over de Rijkbrede aanpak fraude van 20 december 2013. Het kabinet zal eind dit jaar hierover wederom rapporteren.

In de bedrijfsvoeringsparagrafen zal worden verwezen naar de resultaten van de rijksbrede aanpak fraude, in het bijzonder de uitkomsten van de maatregelen die zijn genomen om fraude met publiek geld aan te pakken door het desbetreffende departement.

Vraag 6

Heeft de regering al meer inzicht in de frauderisico's in relatie tot de tax gap?

Antwoord

Er bestaat geen inzicht in de frauderisico’s in relatie tot de tax gap. Aan de tax gap kunnen verschillende oorzaken ten grondslag liggen: complexe regelgeving, onduidelijk beleid, problematiek in de uitvoering van wetgeving, onkunde of onwil bij belastingplichtigen om regels na te leven (fraude). De onderlinge verhouding in dit samenstel van de tax gap is niet bekend.

Vraag 7

Wanneer worden de resultaten van het onderzoek naar de tax gap verwacht?

Antwoord

De Belastingdienst maakt samen met het CBS een analyse van de btw-gap. De Kamer kan deze analyse vóór het zomerreces tegemoet zien.

Vraag 8

Hoe heeft de tax gap zich -voor zover bekend- de afgelopen 10 jaar ontwikkeld?

Antwoord

Tot op heden is de tax gap niet integraal en systematisch onderzocht.

Vraag 9

Hoe verklaart de regering de fout van bijna 50 miljoen euro op het beleidsartikel Woningmarkt?

Antwoord

Het betreffen hier niet daadwerkelijke fouten in de uitvoering, maar een meest waarschijnlijke rechtmatigheidsfout op basis van statistische analyse (steekproef). Het bedrag van € 48,7 mln. in 2013 aan onrechtmatig uitbetaalde huurtoeslag is een extrapolatie van de uitkomsten van de jaarlijkse steekproef. Uit de steekproef blijkt dat 1,7% van de uitgekeerde huurtoeslagen onterecht is. De steekproeven worden elk jaar door de Belastingdienst geanalyseerd om te kijken of er structurele fouten in zitten om zodoende lessen naar de toekomst te trekken.

De Algemene Rekenkamer heeft geconstateerd dat de uitgaven voor de huurtoeslag € 2,8 miljard euro bedragen in 2013. Op basis van statistische analyse constateert de Algemene Rekenkamer dat de meest waarschijnlijke rechtmatigheidsfout € 48,7 miljoen euro is. De fouten worden vooral veroorzaakt door uitbetaalde huurtoeslag op basis van (niet aangewezen) onzelfstandige woonruimtes en afwijkingen in de huurgegevens, de bewonerssituatie en de opgegeven inkomens.

Vraag 10

Waarom neemt de regering de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer niet over om de minister van Wonen en Rijksdienst de regie te laten nemen ten aanzien van de transparantie van uitgaven en opbrengsten van de huurtoeslag?

Vraag 11

Welke concrete acties gaat de regering ondernemen om een vollediger beeld te geven over de financiële informatie betreffende de huurtoeslag? Graag uitsplitsen in uitgaven, verloop voorschotten en andere balansposten?

Antwoord op vraag 10 en 11

De minister van Financien heeft in zijn bestuurlijke reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer aangegeven dat hij in overleg met de betrokken (beleids)ministers nagaat op welke manier er beter verwezen kan worden naar de verschillende plekken waar financiële gegevens over de toeslagen vermeld worden. Opname in één verantwoording ligt niet in de rede vanwege de verantwoordelijkheidsverdeling, waarbij de ministers van de beleidsdepartementen verantwoordelijk zijn voor het beleid en de minister van Financiën verantwoordelijk voor de uitvoering door de Belastingdienst. Door deze verantwoordelijkheidsverdeling staan de uitgaven en ontvangsten op de begroting van het ministerie van Wonen en Rijksdienst; de voorschotten en vorderingen (beide balansposten die ontstaan door de uitvoering van de regeling) staan op de begroting van het ministerie van Financiën.

Vraag 12

Kan een overzicht worden gegeven van de uitgaven per jaar aan fiscale maatregelen ten behoeve van zuinige auto's in de periode 2004–2013, zowel als totaal als per maatregel? Wat zijn de opbrengsten van de BPM geweest over de periode 2004–2014, absoluut en als percentage van de totale inkomsten van het Rijk?

Antwoord

In het onderzoek dat momenteel in opdracht van het Ministerie van Financiën voor de Autobrief 2.0 wordt uitgevoerd, zal een overzicht worden gegeven van de jaarlijkse derving van de BPM-inkomsten, MRB-inkomsten en de inkomsten uit bijtelling voor privégebruik auto als gevolg van de getroffen stimuleringsmaatregelen voor zuinige auto’s. Bovendien zal in Autobrief 2.0 een overzicht gegeven worden van het budgettaire belang van de KIA, MIA en Vamil. Autobrief 2.0 zal na de zomer van 2014 door de Staatsecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Onderstaande tabel toont de opbrengsten BPM over de periode 2004–2013, 2014 is immers nog niet gerealiseerd.

Gerealiseerde ontvangsten BPM
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

in miljoen euro

3.012

3.198

3.436

3.603

3.271

2.150

2.065

1.999

1.495

1.134

als % totale belasting- en premieontvangsten

1,7%

1,7%

1,7%

1,7%

1,5%

1,0%

1,0%

0,9%

0,7%

0,5%

Vraag 13

Wat is de rode draad in de onvolkomenheden bij de ministeries van Defensie, Economische Zaken en Wonen en Rijksdienst gedurende de afgelopen 10 jaar? Hoe wordt dit verbeterd?

Antwoord

Defensie heeft lange tijd veel onvolkomenheden gekend. Sinds 2009 is in de vorm van meerjarige verbeterplannen systematisch toegewerkt naar het oplossen van de onvolkomenheden. Kernbegrippen daarbij zijn geweest het standaardiseren van processen, eenvoud en vooral ook risicoweging. Defensie streeft doelbewust niet langer naar perfectie, maar kiest voor realistische doelstellingen waarbij de belangrijke risicogebieden met prioriteit worden opgepakt. Dit heeft geleid tot een aanzienlijke daling van het aantal onvolkomenheden.

Jaar

Aantal onvolkomenheden

2004

15

2005

17

2006

18

2007

18

2008

22

2009

23

2010

22

2011

17

2012

5

2013

6

De rode draad inzake de onvolkomenheden bij Economische Zaken de afgelopen 10 jaar betreft het inkoopbeheer. Het gaat daarbij met name om het contractenbeheer en de naleving van aanbestedingsregels. Door het treffen van een reeks van maatregelen zoals bundeling van expertise binnen het kerndepartement en uitvoerende diensten, de vorming van een Inkoop Uitvoeringscentrum (IUC), het uitvoeren van inkoopanalyses en verscherping van het toezicht op de processen worden verbeteringen gerealiseerd.

Het departementale jaarverslag van Wonen en Rijksdienst (WenR) 2013 betreft het eerste jaarverslag van dit departement. Vier onvolkomenheden van het ministerie van BZK over 2012 zijn in 2013 «overgenomen» in het nieuwe begrotingshoofdstuk WenR. Dit betreft:

  • Jaarafsluiting van de Werkmaatschappij;

  • inkoopbeheer FM Haaglanden;

  • financieel beheer Doc-Direkt;

  • controleraamwerk P-Direkt.

In 2013 zijn de onvolkomenheden «jaarafsluiting van de Werkmaatschappij» en «financieel beheer Doc-Direkt» opgelost. In 2013 is één nieuwe onvolkomenheid ontstaan. Dit betreft het inkoopbeheer bij de Rijksgebouwendienst.

Voor de onvolkomenheden «controleraamwerk P-Direkt», «inkoopbeheer FM Haaglanden» en «inkoopbeheer Rijksgebouwendienst» heeft de minister voor WenR verbetermaatregelen in gang gezet en verwacht hij dat de onvolkomenheden in 2014 worden opgelost.

Vraag 14

Waarom is het niet bekend of decentrale overheden zich houden aan het schatkistbankieren? Op welke wijze wordt van regeling afgeweken? Hoe wordt, en op welke termijn, meer inzage verkregen in de naleving van de regeling?

Antwoord

De controle op de naleving van de regelgeving op het gebied van schatkistbankieren vindt plaats op decentraal niveau. Dat is een logisch uitvloeisel van de wijze waarop het staatsbestel is ingericht. Het is aan horizontale verantwoording op decentraal niveau om, ondersteund door de accountant, te controleren op rechtmatigheid. Stapeling van toezicht op toezicht acht het kabinet ongewenst.

Wat met zekerheid kan worden gesteld is dat nagenoeg alle decentrale overheden zich bij het Agentschap van het ministerie van Financiën hebben aangemeld of zijn uitgezonderd van deelname, omdat ze geen eigen bankrekening hebben of op korte termijn worden opgeheven; dit betreft veelal (kleinere) gemeenschappelijke regelingen.

Daarnaast heeft het kabinet in reactie op de bevindingen van de Algemene Rekenkamer contact gezocht met de Nederlandse Vereniging van Accountants om de aandacht voor schatkistbankieren in de reguliere accountantscontrole van de jaarrekening extra te borgen.

Vraag 15

Hoeveel gemeenten besteden minder dan één euro per inwoner aan hun lokale rekenkamer? Hoe wordt verwacht dat deze verhouding zich de komende jaren ontwikkelt? Hoe wordt geborgd dat ook gemeenten die minder dan één euro per inwoner besteden aan hun rekenkamer de rechtmatigheid controleren van hun bestedingen?

Antwoord

In 81j lid 1 Gemeentewet is vastgelegd dat de raad, na overleg met de rekenkamer, de rekenkamer de nodige middelen ter beschikking stelt voor een goede uitoefening van haar werkzaamheden. Vaak wordt daarvoor een vuistregel van 1 euro per inwoner aangehouden. Het is momenteel niet bekend hoeveel gemeenten minder dan 1 euro besteden per inwoner aan rekenkameronderzoek. Het gemiddelde bedrag dat in Nederland per inwoner wordt besteed aan rekenkameronderzoek door gemeenten bedraagt 1,08 euro volgens de Algemene Rekenkamer. Uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer blijkt dat er door gemeenten wordt bezuinigd op rekenkamers. Volgens de Algemene Rekenkamer zal deze ontwikkeling zich de komende jaren voortzetten. De minister van BZK heeft begrip voor de zorgen die hieromtrent leven. De minister van BZK heeft daarom onlangs aangekondigd in de beantwoording op schriftelijke vragen van het lid Fokke dat hij deze ontwikkeling goed in de gaten gaat houden en een nieuw onderzoek van de Nederlandse Vereniging voor Rekenkamers en Rekenkamercommissies (NVRR) naar de budgetten van rekenkamer(commissie)s zal ondersteunen.

De controle op de rechtmatigheid van gemeentelijke bestedingen wordt geborgd door zowel de accountant als de rekenkamer(commissie). De controle op de rechtmatigheid van de bestedingen wordt uitgevoerd door de accountant, door middel van een controle van de jaarrekening. De accountant brengt daarover verslag uit aan de raad (artikel 213 Gemeentewet). Daarnaast verricht de rekenkamer onderzoek naar de doelmatigheid, doeltreffendheid en rechtmatigheid van het gevoerde bestuur (artikel 182 Gemeentewet). Een onderzoek naar de rechtmatigheid van het gevoerde bestuur door de rekenkamer bevat echter geen controle van de jaarrekening (artikel 182 Gemeentewet), want die taak is specifiek belegd bij de accountant. Binnen deze kaders is de rekenkamer vrij in de keuze voor een onderzoeksonderwerp.