33 935 Tijdelijke bepalingen in verband met de instelling van een deelfonds sociaal domein (Tijdelijke wet deelfonds sociaal domein)

Nr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State d.d. 14 maart 2014 en het nader rapport d.d. 7 mei 2014, aangeboden aan de Koning door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 11 februari 2014, no. 2014000330, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet inzake tijdelijke bepalingen in verband met de instelling van een deelfonds sociaal domein (Tijdelijke wet deelfonds sociaal domein), met memorie van toelichting.

Het voorstel houdt verband met de voorgenomen decentralisatie van taken in het sociale domein: maatschappelijke ondersteuning (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Wmo 2015)2, jeugdzorg (Jeugdwet)3 en participatie (Participatiewet)4. Op deze terreinen worden taken en verantwoordelijkheden overgedragen aan gemeenten. In verband daarmee wordt de omvang van het gemeentefonds fors uitgebreid. Om vanuit het Rijk een vinger aan de pols te houden wordt met het voorstel voorzien in de introductie van een deelfonds sociaal domein voor drie jaar. Anders dan voor de algemene uitkering van het gemeentefonds, bestaat voor deze middelen een bestedingsplicht, waardoor deze middelen alleen mogen worden besteed in het kader van de Wmo 2015, de Jeugdwet en de participatievoorzieningen in de Participatiewet.

Omdat de middelen binnen het sociale domein vrij besteedbaar zijn, is ook geen sprake van een specifieke uitkering. Aangezien het om een tijdelijke voorziening gaat is ervoor gekozen om de voorgestelde regeling niet op te nemen in de Financiële-verhoudingswet, maar in een afzonderlijke wet.

De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt opmerkingen over de effectiviteit en de eindtermijn van het wetsvoorstel, over de afbakening tussen de inzet van middelen in het sociaal domein en de inzet van middelen buiten dat domein, over de controle door de Algemene Rekenkamer en over de opschortingsmogelijkheden. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 11 februari 2014, nr. 2014000330, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het voorstel van wet houdende tijdelijke bepalingen in verband met de instelling van een deelfonds sociaal domein (Tijdelijke wet deelfonds sociaal domein) rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 14 maart 2014, nr. W04.14.0031/I, bied ik U, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, hierbij aan.

De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt opmerkingen over de effectiviteit en de eindtermijn van het wetsvoorstel, over de afbakening tussen de inzet van middelen in het sociaal domein en de inzet van middelen buiten dat domein, over de controle door de Algemene Rekenkamer en over de opschortingsmogelijkheden. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is.

De opmerkingen van de Afdeling worden in het navolgende besproken.

Daarbij worden de volgorde en nummering van het advies van de Afdeling aangehouden.

1. Effectiviteit en eindtermijn

a. De doelstelling van het tijdelijke deelfonds is «te borgen dat de decentralisaties, ook tijdens de transitieperiode succesvol verlopen».5 Met de decentralisaties worden de verschillende taken in het sociale domein samengebracht. Gemeenten beschikken over een ruime beleids- en bestedingsvrijheid bij de uitvoering van de nieuwe taken binnen het sociaal domein, waardoor een integrale benadering, ook in financiële zin, mogelijk is. Er vindt geen verticale verantwoording plaats aan het Rijk. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor een rechtmatige besteding van de middelen en het college legt daarover horizontaal verantwoording af aan de gemeenteraad.

De Afdeling merkt op dat het voorstel hierdoor een beperkte opzet kent, waarbij slechts door het Rijk wordt bezien of de beschikbaar gestelde middelen door gemeenten daadwerkelijk voor het sociaal domein worden besteed. Een bestedingsverplichting is op zichzelf echter geen waarborg voor een succesvolle uitvoering.

De Afdeling adviseert in de toelichting aannemelijk te maken dat met de bestedingsverplichting een succesvolle uitvoering kan worden bereikt.

b. De Afdeling merkt voorts op dat de regering stelt het wenselijk te vinden dat er na drie jaar gestreefd moet worden naar integratie van de beschikbaar gestelde middelen in de algemene uitkering in het gemeentefonds. De Afdeling wijst erop dat artikel 9 van het wetsvoorstel regelt dat deze wet drie jaar na inwerkingtreding vervalt. In de toelichting wordt echter minder stringent over de termijn van drie jaar gesproken.6

De Afdeling adviseert de toelichting in overeenstemming te brengen met de tekst van artikel 9 van het wetsvoorstel.

c. Daarnaast merkt de Afdeling op dat de inspanningen er op gericht moeten zijn om in de overgangsperiode van drie jaar daadwerkelijk over te gaan tot opheffing van het deelfonds sociaal domein en tot verstrekking van de middelen als uitkering uit het gemeentefonds zonder specifieke bestedingsvoorwaarden.

De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan.

1. Effectiviteit en eindtermijn

a. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is in de memorie van toelichting verduidelijkt op welke manier de bestedingsverplichting bijdraagt aan een succesvolle uitvoering tijdens de transitieperiode. Het kabinet is het met de Afdeling eens dat een bestedingsverplichting op zichzelf geen succesvolle uitvoering kan waarborgen. Primair wordt de succesvolle uitvoering geborgd door de kwaliteit die de gemeenten leveren door in een krachtige gemeentelijke organisatie en bestuur de nieuwe taken op een goede manier tot uitvoering te brengen. De randvoorwaarden hiervoor zijn in de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Participatiewet vastgelegd. De grote opgave tot een succesvolle uitvoering ligt op lokaal niveau. Het kabinet heeft het vertrouwen dat gemeenten dit kunnen. Wel vindt het kabinet het van belang dat de transitie van de taken zorgvuldig verloopt. Het kabinet wil gemeenten daarin de eerste jaren ondersteunen. Daarbij past ook een overgangstermijn voor de nieuwe middelen naar het gemeentefonds, zonder gemeenten te beperken in het voeren van integraal beleid. Deze werkwijze biedt gemeenten de eerste jaren houvast bij het begroten van de uitgaven voor de nieuwe taken en zorgt ervoor dat de ontwikkeling van de uitgaven door het Rijk goed kan worden gevolgd en waar nodig kan worden bijgestuurd. Op deze manier ondersteunt het deelfonds, als één van de instrumenten, een succesvolle uitvoering.

b. en c. In het wetsvoorstel is een horizonbepaling opgenomen, waardoor de wet na drie jaar automatisch vervalt. Na drie jaar wordt het deelfonds opgeheven en worden de middelen zonder voorwaarden verstrekt via het gemeentefonds. Dat heeft ook de uitdrukkelijke steun van de Tweede Kamer blijkens de motie Van ’t Wout en Bergkamp7 waarin de regering wordt verzocht de middelen voor gemeenten ten behoeve van de taken in het sociale domein zonder interne schotten en, na een overgangstermijn, zonder beperkingen binnen het gemeentefonds over te hevelen. Op dat moment zal worden bezien in welke hoedanigheid de middelen in het gemeentefonds worden opgenomen. Het uitgangspunt is na de overgangstermijn zoveel mogelijk middelen op te nemen in de algemene uitkering binnen het gemeentefonds. In een uiterst geval kan het echter ook nodig kan zijn te kiezen voor opname in het gemeentefonds in de vorm van een -eveneens geheel vrij besteedbare- decentralisatie- of integratie-uitkering. Dit kan alleen wanneer de algemene uitkering om verdeelsysteemtechnische redenen niet mogelijk is. De eventuele keuze voor een decentralisatie- of integratie-uitkering doet niets af aan de volledige vrije besteedbaarheid van deze uitkering. Het gebruik van een decentralisatie- of integratie-uiterking heeft nadrukkelijk niet de voorkeur van het kabinet, ook gezien het advies van de Afdeling. In de memorie van toelichting is dit verduidelijkt.

2. Afbakening

De voorgestelde bestedingsplicht maakt een scherpe afbakening noodzakelijk tussen het sociaal domein en andere beleidsterreinen. Zonder zo’n afbakening is het immers niet mogelijk te beoordelen of aan de bestedingsplicht is voldaan. In het wetsvoorstel zijn de taken in het sociaal domein gedefinieerd als de taken die in de Jeugdwet en de Wmo 2015 aan gemeenten zijn toegekend alsmede de taak voor gemeenten om participatievoorzieningen aan te bieden.8 Deze afbakening veronderstelt dat de taken in het sociale domein kunnen worden onderscheiden van andere taken. De Afdeling betwijfelt of een scherpe afbakening in de praktijk wel goed mogelijk is. Met de decentralisatie van taken kunnen gemeenten immers bestaande en nieuwe taken op het gebied van onder andere participatie, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, schuldhulpverlening, onderwijs (bijvoorbeeld volwasseneducatie en leerplicht) samenbrengen. Ook zijn er in de praktijk sterke raakvlakken met terreinen die in veel opzichten verder van het sociaal domein afstaan, zoals integraal veiligheidsbeleid en jeugdcriminaliteitsbestrijding. Het is de Afdeling niet duidelijk hoe bij een integrale benadering een scherpe afbakening gemaakt kan worden tussen de inzet van middelen in het sociaal domein en de inzet van middelen buiten dat domein.

Voorts merkt de Afdeling op dat het deelfonds volgens de toelichting de middelen zal omvatten die vanaf 2015 voor de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015 nieuw voor gemeenten beschikbaar komen, alsmede het gebundelde participatiebudget, zoals dat beschikbaar komt.9 De Afdeling wijst er in dat verband op dat gemeenten op al deze terreinen reeds taken verrichten en hiervoor in de algemene uitkering uit het gemeentefonds een vergoeding ontvangen. De bestedingsverplichting geldt dientengevolge slechts voor de middelen die vanaf 2015 overgaan naar gemeenten. Zij mogen de middelen uit het deelfonds sociaal domein blijkens de wettekst ook besteden aan «oude», reeds bestaande taken op het gebied van jeugd, maatschappelijke ondersteuning of participatie. Uit de toelichting komt onvoldoende duidelijk naar voren wat hiervan de betekenis en de gevolgen zijn.

De Afdeling adviseert in de toelichting nader op het vorenstaande in te gaan.

2. Afbakening

Het kabinet vindt het van belang bij de vormgeving van het deelfonds gemeenten zoveel mogelijk beleids- en bestedingsvrijheid te laten om een integrale en doelmatige afweging te faciliteren. Daarom heeft het kabinet ervoor gekozen de bestedingsvoorwaarde van het deelfonds alleen te verbinden aan de middelen die nieuw overgaan naar gemeenten. Middelen die nu al in het gemeentefonds zitten voor het sociaal domein vallen niet onder de bestedingsvoorwaarde en blijven zodoende geheel vrij besteedbaar. Gemeenten kunnen deze middelen zowel besteden aan de taken die in de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 aan gemeenten zijn toegekend als aan de taak voor gemeenten om participatievoorzieningen aan te bieden. Dit past volgens het kabinet het beste bij de beoogde bestedingsvrijheid. Wanneer aan het tijdelijke deelfonds ook middelen die nu reeds in het gemeentefonds zitten zouden worden toegevoegd, zou dit betekenen dat de besteding van middelen die nu geheel vrij besteedbaar zijn voor gemeenten, wordt beperkt. Dit acht het kabinet ongewenst. Bovendien zorgt de afbakening van de besteding van het deelfonds tot «taken die in de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 aan gemeenten zijn toegekend alsmede de taak voor gemeenten om participatievoorzieningen aan te bieden» ervoor dat gemeenten de middelen zowel mogen besteden aan «oude» als «nieuwe» Wmo-taken. Beide taken zijn immers onderdeel van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Ten slotte mogen gemeenten middelen ook reserveren om schommelingen in de (zorg)vraag op te kunnen vangen. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling is de memorie van toelichting op dit punt aangevuld. Ook is aan het wetsvoorstel een artikel toegevoegd waarin de mogelijkheid is opgenomen voor gemeenten om middelen te reserveren.

3. Controle Algemene Rekenkamer

Met het voorstel wordt een uitkering aan gemeenten gecreëerd die enerzijds het karakter van een algemene uitkering heeft, aangezien over de besteding van de desbetreffende middelen (horizontaal) verantwoording moet worden afgelegd aan de gemeenteraad. Anderzijds bevat het stelsel elementen van een specifieke uitkering als gevolg van de bestedingsplicht.

De bestedingsplicht brengt mee dat de verantwoordelijke minister tegenover de Staten-Generaal verantwoording moet kunnen afleggen over de juiste besteding van de voor het deelfonds beschikbaar gestelde middelen, namelijk dat deze middelen door gemeenten binnen het sociale domein zijn besteed. In de toelichting staat dat het Rijk via de Informatie voor derden (IV-3), nog te formuleren bepalingen in het Besluit accountantscontrole decentrale overheden en een nog te ontwikkelen beleidsmatige monitor om de prestaties te monitoren, de informatie zal verkrijgen ten behoeve van de beoordeling van de besteding van de middelen voor het sociaal domein door de individuele gemeenten. In de toelichting wordt niet ingegaan op de wijze waarop de Algemene Rekenkamer haar controlerende taak in deze kan uitvoeren, nu in het wetsvoorstel gekozen is voor een afwijkend regime van financiering.

De Afdeling adviseert in de toelichting nader op het vorenstaande in te gaan.

3. Controle Algemene Rekenkamer

Het deelfonds betreft een tijdelijke bijzondere uitkeringsvariant, los van de bestaande varianten algemene uitkering, integratie-uitkering, decentralisatie-uitkering en specifieke uitkering. Gezien de omvang en complexiteit van de opgave acht het kabinet geen van deze varianten passen en het heeft er daarom voor gekozen om gedurende drie jaar een apart regime in het leven te roepen, waarbij de middelen enerzijds deel uitmaken van het gemeentefonds, maar waarbij anderzijds de voorwaarde geldt dat de middelen moeten worden besteed aan de doelen in het sociaal domein.

Het college van burgemeester en wethouders legt over de besteding en reservering ten laste van de uitkering uit het deelfonds geen financiële verantwoording af aan het Rijk maar uitsluitend aan de gemeenteraad via de jaarrekening en het jaarverslag bedoeld in artikel 198, eerste lid, van de Gemeentewet.

De controle over de rechtmatigheid en doelmatigheid van de besteding van deze middelen vindt, evenals bij de overige middelen in het gemeentefonds, uitsluitend op lokaal niveau plaats op de in artikel 213 en 213a van de Gemeentewet beschreven wijze. De rechtmatigheidscontrole op Rijksniveau door de accountantsdienst als bedoeld in artikel 66 van de Comptabiliteitswet 2001 en door de Algemene Rekenkamer beperkt zich tot de controle of de middelen uit het deelfonds aan de gemeenten op rechtmatige wijze zijn toegekend, te weten op de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze (artikel 2, tweede lid, van het wetsvoorstel).

Dat de controle van de rechtmatigheid en doelmatigheid uitsluitend op lokaal niveau plaatsvindt, wil overigens niet zeggen dat het Rijk geen informatie ontvangt over de besteding van de middelen.

Ten eerste ontvangt het Rijk informatie over de besteding van het deelfonds op micro-niveau per gemeente via het informatiesysteem Informatie voor Derden. Deze informatie is bedoeld om inzicht te krijgen in de hoogte van de macro-uitgaven aan het sociaal domein en geeft tevens inzicht in de bestedingen van de individuele gemeente. Er wordt eenmalig een goedkeurende accountantsverklaring gevraagd na aanpassing van het informatiesysteem Informatie voor Derden. De accountant controleert dan of er een deugdelijk administratief systeem is opgezet dat de informatie voor derden moet genereren en toetst eenmalig de jaaruitkomsten van de werking van dat systeem. Op deze manier wordt geborgd dat de informatie die het Rijk ontvangt over de hoogte van de uitgaven op een betrouwbare wijze tot stand is gekomen.

Ten tweede ontvangt het Rijk informatie over de reguliere accountantsverklaring van gemeenten op de gemeentelijke jaarstukken. Het Rijk weet zo per gemeente of zij een goedkeurende verklaring heeft ontvangen op de jaarstukken, waar de uitgaven aan het sociaal domein onderdeel van uitmaken. Bij het ontbreken van een goedkeurende verklaring zal worden nagegaan of dit veroorzaakt wordt door de bestedingsvoorwaarde van het sociaal deelfonds. Indien dat het geval is, kan dat aanleiding zijn voor de vakminister om nader onderzoek te doen naar de prestaties van de desbetreffende gemeente, wat vervolgens aanleiding kan zijn voor nader onderzoek naar de oorzaken.

Deze informatie zorgt ervoor dat het Rijk de systeemverantwoordelijkheid van zowel de fondsbeheerders (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën) als de desbetreffende vakministers kan borgen. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is het artikel dat de financiële verantwoording over de middelen uit het deelfonds regelt (artikel 5) aangepast en de memorie op dit punt verduidelijkt.

4. Opschortingsmogelijkheden

a. Voorgesteld wordt dat de betalingen uit het deelfonds sociaal domein kunnen worden opgeschort indien – kort gezegd – een aanwijzing van de bevoegde minister niet of onvoldoende wordt nageleefd.10 De noodzaak van deze bepaling is de Afdeling niet duidelijk.

Opschortingsmogelijkheden als de voorgestelde komen voor bij specifieke uitkeringen, met name in artikel 17b van de Financiële-verhoudingswet. De opschortingsmogelijkheid houdt verband met de rijksverantwoordelijkheid voor de goede besteding van de middelen. Van een specifieke uitkering is bij het deelfonds sociaal domein evenwel geen sprake.

Voorts is het de Afdeling niet duidelijk waarom een aparte opschortingsplicht nodig is, nu de bestaande wetgeving reeds generieke mogelijkheden geeft om in te grijpen indien een gemeente ernstig tekortschiet bij de uitvoering van aan haar toebedeelde taken (taakverwaarlozingsregeling). Zoals de Afdeling reeds in eerdere adviezen heeft opgemerkt, behoeft een specifieke interventiebevoegdheid in dat geval een bijzondere rechtvaardiging en een daartoe strekkende overtuigende motivering.11

De Afdeling adviseert nader op het voorgaande in te gaan en zo nodig het voorstel aan te passen.

b. De Afdeling merkt verder op dat de in artikel 6 van het wetsvoorstel opgenomen opschortingsmogelijkheid niet geldt ter zake van de Jeugdwet, terwijl deze wel een aanwijzingsbevoegdheid kent.12 Zij adviseert artikel 6, eerste lid, aan te vullen.

4. Opschortingsmogelijkheden

a. De decentralisaties in het sociaal domein zijn omvangrijk en complex en hebben grote impact op de samenleving. Het is van groot belang dat de taken op adequate wijze worden uitgevoerd op lokaal niveau. Het kabinet heeft er om die reden voor gekozen, om een extra waarborg in te bouwen in de vorm van een aanwijzingsbevoegdheid voor de verantwoordelijke minister om een goede uitvoering te borgen.

In aansluiting op deze aanwijzingsbevoegdheid voorziet het wetsvoorstel in een de mogelijkheid tot opschorting van de betalingen uit het deelfonds sociaal domein indien de door de vakminister gegeven aanwijzing niet (of niet voldoende) wordt nageleefd. Deze opschortingsbevoegdheid, die vergelijkbaar is met de opschortingsbevoegdheid van artikel 17b van de Financiële-verhoudingswet, dient als sluitstuk op de aanwijzingsbevoegdheid door aan het niet opvolgen van een door de vakminister gegeven aanwijzing een sanctiemogelijkheid te koppelen in de vorm van een opschorting van de betalingen uit het deelfonds. Dit is in de memorie van toelichting nader verduidelijkt.

b. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is artikel 6, eerste lid, (thans artikel 7, eerste lid, van het wetsvoorstel aangevuld met de aanwijzingsbevoegdheid van artikel 2.15 van de Jeugdwet.

5. Redactionele opmerkingen

De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

5. Redactionele opmerkingen

De redactionele opmerkingen van de Afdeling zijn verwerkt, met uitzondering van de opmerking van de Afdeling over het niet laten vervallen van artikel 7 van het wetsvoorstel. Met het in werking treden van de wet en daarmee van artikel 7 (thans artikel 8), wordt de Wet participatiebudget ingetrokken. Artikel 7 is vanaf dat moment uitgewerkt. Het is dan ook niet nodig aan artikel 9 (thans artikel 10) toe te voegen dat artikel 7 niet vervalt drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet. Dit geldt echter wel voor artikel 9 (thans artikel 17), waarin een overgangsvoorziening is getroffen voor uitkeringen die aan het college zijn verleend of verstrekt op grond van de Wet participatiebudget. Dit artikel moet ook na het vervallen van de Tijdelijke wet deelfonds sociaal domein blijven voortbestaan en is om die reden uitgezonderd in artikel 18.

6. Verdere wijzigingen

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt het wetsvoorstel en de memorie van toelichting op een aantal punten te actualiseren, aan te vullen, te verduidelijken of anderszins te verbeteren. De belangrijkste wijzigingen zijn de volgende:

  • Er is voorzien in de medeondertekening door de Staatssecretaris van Financiën. Als medefondsbeheerder ligt medeondertekening van het wetsvoorstel in de rede.

  • In de memorie van toelichting is nog eens verduidelijkt dat de middelen van het deelfonds naar alle afzonderlijke gemeenten gaan. Eén uitzondering hierop is de reeds gemaakte afspraak met de VNG om de taak beschermd wonen te laten uitvoeren door centrumgemeenten en de middelen tijdelijk rechtstreeks aan deze gemeenten te doen toekomen (ca. 1,2 miljard). De middelen voor beschermd wonen worden tijdelijk opgenomen in het deelfonds en via de verdeling rechtstreeks verstrekt centrumgemeenten. Bij het opheffen van het deelfonds (na 3 jaar) gaan de middelen via de algemene uitkering van het gemeentefonds over naar alle gemeenten, tenzij dit om verdeelsysteemtechnische redenen niet mogelijk is. Deze generiek te hanteren lijn is nader verduidelijkt in de memorie van toelichting.

  • Met het vervallen van de Wet participatiebudget kunnen verwijzingen en beoogde wijzigingen in andere wetten en wetsvoorstellen naar de Wet participatiebudget komen te vervallen. Hierin is voorzien in de nieuw toegevoegde artikelen 9 tot en met 16.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State,

J.P.H. Donner

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no. W04.14.0031/I

  • In artikel 6, eerste lid, onderdeel a, «artikel 2.6.6. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015» vervangen door: artikel 2.6.7. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • Aan artikel 6, eerste lid, onder b, toevoegen dat opschorting op grond van dit artikel niet mogelijk is wanneer de opschortingsmogelijkheid van artikel 76, derde lid, van de Participatiewet kan worden toegepast.

  • In artikel 6, tweede en derde lid, «vakminister» telkens vervangen door: minister die het aangaat.

  • Aan artikel 9 toevoegen dat artikel 7 niet vervalt drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet.


X Noot
1

De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
2

Kamerstukken II 2013/14, 33 841.

X Noot
3

Kamerstukken I 2013/14, 33 684, A.

X Noot
4

Vierde nota van wijziging van het voorstel wet werken naar vermogen (Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 108).

X Noot
5

Paragraaf 2, tweede tekstblok, eerste zin, van de toelichting.

X Noot
6

Zie de laatste alinea van paragraaf 7 van de toelichting onder «Advies VNG», welke alinea luidt: «De regering is net als de VNG van mening dat het in zijn algemeenheid wenselijk is dat er gestreefd moeten worden naar integratie na drie jaar in de algemene uitkering in het gemeentefonds.».

X Noot
7

Kamerstukken II, 30 597, nr. 300.

X Noot
8

Artikel 1, onder d, van het wetsvoorstel.

X Noot
9

Toelichting, paragraaf 4 en paragraaf 7.

X Noot
10

Artikel 6 van het wetsvoorstel.

X Noot
11

Zie onder andere punt 1 van het advies van de Raad van State van 5 maart 2010 over het voorstel van wet het voorstel van Wet interbestuurlijk toezicht gemeentelijke inkomens- en werkvoorzieningen (W12.09.0542/III).

X Noot
12

Zie artikel 2.15 van het voorstel van wet houdende regels over de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (Jeugdwet) (Kamerstukken I 2013/14, 33 684, nr. A).

Naar boven