Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2017-201833861 nr. A

33 861 Wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten in verband met de uitbreiding van de mogelijkheden om ten aanzien van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren disciplinaire maatregelen op te leggen en tevens andere maatregelen te treffen

A GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

6 februari 2018

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de mogelijkheden om disciplinaire maatregelen ten aanzien van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren op te leggen te verruimen en enkele andere maatregelen te kunnen treffen, alsmede een verklaring omtrent het gedrag als verplicht vereiste voor benoeming in een rechterlijk ambt te introduceren;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4a

  • 1. Tot rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding kan slechts worden benoemd degene die in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, niet ouder dan drie maanden en afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op degene die op het moment van zijn benoeming al rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding is.

B

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zesde lid wordt vernummerd tot zevende lid.

2. Na het vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 6. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding ontvangt over de tijd gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn werkzaamheden te verrichten geen salaris.

3. In het zevende lid (nieuw) wordt «tweede, derde en vijfde lid» vervangen door: tweede, derde, vijfde en zesde lid.

C

Aan artikel 46 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Indien artikel 17, zesde lid, van toepassing is vervallen de aanspraken genoemd in het eerste lid, naar evenredigheid.

D

Artikel 46c komt te luiden:

Artikel 46c

Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar kan een disciplinaire maatregel worden opgelegd, indien hij:

  • a. de waardigheid van het ambt, zijn ambtsbezigheden of zijn ambtsplichten verwaarloost;

  • b. de bepalingen overtreedt waarbij hem het uitoefenen van een beroep wordt verboden, een vast en voortdurend verblijf wordt aangewezen, verboden wordt zich in een onderhoud of een gesprek in te laten met partijen of haar advocaten of gemachtigden of een bijzondere inlichting of schriftelijk stuk van hen aan te nemen, de verplichting wordt opgelegd een geheim te bewaren of de verplichting wordt opgelegd de functionele autoriteit in kennis te stellen van de betrekkingen die hij buiten zijn ambt vervult; of

  • c. door zijn handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen.

E

Na artikel 46c wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 46ca

  • 1. De disciplinaire maatregelen die ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar kunnen worden opgelegd, zijn:

    • a. schriftelijke berisping;

    • b. inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand;

    • c. schorsing voor de duur van ten hoogste drie maanden; of

    • d. ontslag.

  • 2. De disciplinaire maatregel van ontslag wordt niet opgelegd enkel op grond van artikel 46c, onderdeel a.

  • 3. De Hoge Raad kan bij de beslissing, waarbij de rechterlijk ambtenaar wordt geschorst, bepalen dat tijdens de duur van de schorsing de bezoldiging geheel of gedeeltelijk zal worden ingehouden.

  • 4. De Hoge Raad kan bij het opleggen van de disciplinaire maatregel van schorsing bepalen dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de rechterlijk ambtenaar zich gedurende een daarbij te stellen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk handelen als waarvoor het opleggen van de disciplinaire maatregel plaatsvindt of enig ander handelen of nalaten als bedoeld in artikel 46c, en hij zich houdt aan bij het opleggen van de schorsing eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.

  • 5. Met het toezicht op de naleving van de voorwaarden als bedoeld in het vierde lid is de functionele autoriteit belast. Ten aanzien van de met rechtspraak belaste rechterlijk ambtenaar, niet zijnde president van een gerecht, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van het gerecht waar betrokkene werkzaam is. Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar die tevens president is van een rechtbank, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van het gerechtshof van het ressort waarbinnen die rechtbank is gelegen. Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar die tevens president is van een gerechtshof, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van de Hoge Raad.

F

Artikel 46d wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, wordt «schriftelijke waarschuwing wordt opgelegd» vervangen door: schriftelijke berisping wordt, anders dan door de Hoge Raad, opgelegd.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De overige disciplinaire maatregelen genoemd in artikel 46ca, eerste lid, worden uitsluitend door de Hoge Raad opgelegd.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Gedurende een procedure ingevolge artikel 46o wordt jegens de betrokken rechterlijk ambtenaar, anders dan door de Hoge Raad, geen disciplinaire maatregel opgelegd voor de gedraging waarop die procedure betrekking heeft.

G

Artikel 46e wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «schriftelijke waarschuwing» vervangen door: schriftelijke berisping.

2. Er wordt een lid toegevoegd dat luidt:

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping wordt opgelegd door de Hoge Raad.

H

Het opschrift van paragraaf 6A.3 komt te luiden:

§ 6A.3. Schorsing als ordemaatregel

I

Artikel 46f wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van het onderdeel door een punt, na «wegens een misdrijf is veroordeeld» ingevoegd: tot een vrijheidsstraf.

2. Het eerste lid, onderdeel c, vervalt.

3. In het tweede lid, worden, onder verlettering van onderdeel b tot onderdeel e, de volgende onderdelen ingevoegd:

  • b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld tot een andere straf dan een vrijheidsstraf;

  • c. aan hem een nog niet onherroepelijke strafbeschikking is opgelegd wegens het plegen van een misdrijf;

  • d. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft gekregen, dan wel wegens schulden is gegijzeld;

J

Na artikel 46f wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 46fa

  • 1. In de gevallen bedoeld in artikel 46f, eerste en tweede lid, kan een daartoe aangewezen enkelvoudige kamer van de Hoge Raad de rechterlijk ambtenaar in verband met onverwijlde spoed buiten functie stellen.

  • 2. De rechterlijk ambtenaar wordt niet buiten functie gesteld dan nadat het in artikel 46d, eerste lid, bedoelde gezag, een verzoek als bedoeld in artikel 46o, tweede lid, heeft ingediend tot vordering van schorsing van de rechterlijk ambtenaar op grond van artikel 46f. Bij het verzoek tot schorsing kan een verzoek tot buitenfunctiestelling worden gedaan. De buitenfunctiestelling kan ook ambtshalve door de procureur-generaal worden gevorderd.

  • 3. Artikel 46o, derde lid en vierde lid, tweede volzin, zijn niet van toepassing op de procedure tot buitenfunctiestelling.

  • 4. De buitenfunctiestelling op grond van het eerste lid heeft tot gevolg dat de rechterlijk ambtenaar gedurende die periode zijn werkzaamheden niet mag verrichten.

  • 5. De buitenfunctiestelling op grond van het eerste lid eindigt na dertig dagen, of zo veel eerder als door de Hoge Raad op de vordering tot schorsing is beslist.

K

Na artikel 46ka wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 46kb

Ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar kan, bij wijze van ordemaatregel en om redenen van zwaarwegend organisatorisch belang van het gerecht waar de rechterlijk ambtenaar op dat moment is geplaatst, door de Hoge Raad, op voorstel van de functionele autoriteit in een verzoek als bedoeld in artikel 46o, tweede lid, de vaststelling, bedoeld in artikel 5b, eerste lid, van het gerechtshof of de rechtbank waar het ambt bij wordt vervuld, worden gewijzigd.

L

Artikel 46m wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder verlettering van onderdelen b en c tot onderdelen c en d wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • b. een onherroepelijke strafbeschikking opgelegd heeft gekregen wegens het plegen van een misdrijf;.

2. In onderdeel c (nieuw) wordt «surséance» vervangen door: surseance.

M

In artikel 46n, eerste lid, wordt «46c, tweede en derde lid» vervangen door «46ca, eerste lid, onderdeel d» en wordt «onderdelen a en b» vervangen door: onderdelen a, b en c.

ARTIKEL II

De Wet op de rechterlijke organisatie wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 15, vijfde lid, wordt toegevoegd: Voorafgaand aan een benoeming als bestuurslid wordt van betrokkene een verklaring omtrent het gedrag, niet ouder dan drie maanden en afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, verlangd.

B

In de artikelen 16, eerste lid, en 86, eerste lid, wordt «17, eerste tot en met vijfde lid, en 18 tot en met 19» telkens vervangen door: en 17 tot en met 19.

C

In de artikelen 48b, eerste lid, 66, tweede lid, en 67, derde lid, wordt na «46c,» telkens ingevoegd: 46ca,.

D

Aan artikel 84, derde lid, wordt toegevoegd: Voorafgaand aan een benoeming als lid van de Raad wordt van betrokkene een verklaring omtrent het gedrag, niet ouder dan drie maanden en afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, verlangd.

E

In artikel 86, zevende lid, wordt «artikelen 17, zesde lid» vervangen door: artikelen 17, zevende lid.

F

In artikel 119, eerste lid, wordt «46c, eerste lid» vervangen door: 46c, 46ca, eerste lid, onderdeel a.

ARTIKEL III

De Advocatenwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 46b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het veertiende lid wordt «46c, tweede lid» vervangen door: 46c, onderdelen b en c, 46ca, eerste lid, onderdeel d.

2. In het vijftiende lid wordt «46c, tweede lid» vervangen door: 46c, onderdelen b en c.

B

In het eerste lid van artikel 54 wordt «46c, tweede lid» vervangen door: 46c, onderdelen b en c, 46ca, eerste lid, onderdeel d.

ARTIKEL IV

In artikel 4, eerste lid, onderdeel g, van de Beroepswet wordt «schriftelijke waarschuwing» vervangen door: schriftelijke berisping.

ARTIKEL V

De Comptabiliteitswet 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 54, tweede lid, vervalt.

B

Artikel 74, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de tweede volzin wordt «46c, eerste lid, onder b, tweede en derde lid» vervangen door: 46c, onder b en c, 46ca, eerste lid, onder c en d, tweede en derde lid.

2. Na het eerste gedachtestreepje wordt «schriftelijke waarschuwing» vervangen door: schriftelijke berisping.

ARTIKEL VI

In artikel 36, derde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet wordt «artikel 46c, tweede lid» vervangen door: 46c, onderdelen b en c, 46ca, eerste lid, onderdeel d.

ARTIKEL VII

In de eerste volzin van artikel 32 van de Loodsenwet wordt «artikel 46c, tweede lid» vervangen door: 46c, onderdelen b en c, 46ca, eerste lid, onderdeel d.

ARTIKEL VIII

In artikel 5, zesde lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931 wordt na «46c,» ingevoegd: 46ca,.

ARTIKEL IX

Artikel 54 van de Wet bescherming persoonsgegevens wordt als volgt gewijzigd:

1. Na «46c,» wordt ingevoegd: 46ca,.

2. In onderdeel a wordt «46c, eerste lid» vervangen door: 46ca, eerste lid, onderdeel a.

3. In onderdeel b wordt «46c, eerste lid» vervangen door: 46c.

ARTIKEL X

In artikel 5, eerste lid, onderdeel g, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie wordt «schriftelijke waarschuwing» vervangen door: schriftelijke berisping.

ARTIKEL XI

Artikel 17, eerste lid, van de Wet College voor de rechten van de mens wordt als volgt gewijzigd:

1. Na «46c,» wordt ingevoegd: 46ca,.

2. In onderdeel a wordt «46c, eerste lid» vervangen door: 46ca, eerste lid, onderdeel a.

3. In onderdeel b wordt «46c, eerste lid» vervangen door: 46c.

ARTIKEL XII

In artikel 33, derde lid, van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst wordt na «46c,» ingevoegd: 46ca,.

ARTIKEL XIII

In de eerste volzin van artikel 60 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg wordt «46c, tweede en derde lid» vervangen door: 46c, onderdelen b en c, 46ca, eerste lid, onderdeel d.

ARTIKEL XIV

In artikel 3, tweede lid, van de Wet op de Raad van State wordt «gewaarschuwd» vervangen door: berispt.

ARTIKEL XV

In de eerste volzin van artikel 22 van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 wordt «46c, tweede lid» vervangen door: 46c, onderdeel b en c, 46ca, eerste lid, onderdeel d.

ARTIKEL XVI

In artikel 8.19 van de Wet dieren wordt «46c, tweede lid» vervangen door: 46c, onderdelen b en c, 46ca, eerste lid, onderdeel d.

ARTIKEL XVII

In artikel 95, tweede lid, van de Wet op het notarisambt wordt «46c, tweede lid» vervangen door: 46c, onderdelen b en c, 46ca, eerste lid, onderdeel d.

ARTIKEL XVIII

In artikel 18, vierde lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants wordt «op de gronden aangeven in de artikelen 46c, tweede lid» vervangen door: overeenkomstig de artikelen 46c, onderdelen b en c, 46ca, eerste lid, onderdeel d.

ARTIKEL XIX

In artikel 12, tweede lid, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 wordt «46c, tweede lid» vervangen door: 46c, onderdelen b en c, 46ca, eerste lid, onderdeel d.

ARTIKEL XX

In artikel 80 van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 wordt na «46c,» ingevoegd: 46ca,.

ARTIKEL XXI

In artikel 55d, eerste lid, van de Wet zeevarenden wordt «46c, tweede lid» vervangen door: 46c, onderdelen b en c, 46ca, eerste lid, onderdeel d.

ARTIKEL XXII

1. Indien het bij koninklijke boodschap van 7 mei 2010 ingediende voorstel van wet tot aanpassing van de Advocatenwet en enige andere wetten in verband met de positie van de advocatuur in de rechtsorde en herziening van het toezicht op advocaten (Wet positie en toezicht advocatuur) (32 382) tot wet is verheven of wordt verheven, en artikel I, onderdeel Za, van die wet later in werking is getreden of treedt dan, onderscheidenlijk op dezelfde datum in werking treedt als, deze wet, komen in artikel I, onderdeel Za, van die wet het tweede tot en met vijfde lid van artikel 36c als volgt te luiden:

  • 2. Het hof van discipline schorst op verzoek van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, gehoord de algemene raad, een lid van het college, indien en voor zolang:

    • a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;

    • b. hij bij nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld tot een vrijheidsstraf dan wel hem bij een dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft.

  • 3. Het hof van discipline kan op verzoek van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, gehoord de algemene raad, een lid van het college schorsen, indien:

    • a. tegen hem een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf is ingesteld; of

    • b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld tot een andere straf dan een vrijheidsstraf;

    • c. aan hem een nog niet onherroepelijke strafbeschikking is opgelegd wegens het plegen van een misdrijf;

    • d. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen, dan wel wegens schulden is gegijzeld; of

    • e. er een ander ernstig vermoeden is voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag zouden kunnen leiden.

  • 4. Het hof van discipline beëindigt desgevraagd of ambtshalve een schorsing als bedoeld in het tweede of derde lid, wanneer de grond hiervoor is vervallen.

  • 5. Het hof van discipline kan op verzoek van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, gehoord de algemene raad, een lid van het college ontslaan, indien:

    • a. bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld dan wel hem bij een dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;

    • b. aan hem een onherroepelijke strafbeschikking is opgelegd wegens het plegen van een misdrijf; of

    • c. hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen, dan wel wegens schulden is gegijzeld.

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 7 mei 2010 ingediende voorstel van wet tot aanpassing van de Advocatenwet en enige andere wetten in verband met de positie van de advocatuur in de rechtsorde en herziening van het toezicht op advocaten (Wet positie en toezicht advocatuur) (32 382) tot wet is verheven of wordt verheven, en artikel I, onderdeel Za, van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan, onderscheidenlijk op dezelfde datum in werking treedt als, deze wet, komen het tweede tot en met vijfde lid van artikel 36c van de Advocatenwet te luiden:

  • 2. Het hof van discipline schorst op verzoek van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, gehoord de algemene raad, een lid van het college, indien en voor zolang:

    • a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;

    • b. hij bij nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld tot een vrijheidsstraf dan wel hem bij een dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft.

  • 3. Het hof van discipline kan op verzoek van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, gehoord de algemene raad, een lid van het college schorsen, indien:

    • a. tegen hem een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf is ingesteld; of

    • b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld tot een andere straf dan een vrijheidsstraf;

    • c. aan hem een nog niet onherroepelijke strafbeschikking is opgelegd wegens het plegen van een misdrijf;

    • d. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen, dan wel wegens schulden is gegijzeld; of

    • e. er een ander ernstig vermoeden is voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag zouden kunnen leiden.

  • 4. Het hof van discipline beëindigt desgevraagd of ambtshalve een schorsing als bedoeld in het tweede of derde lid, wanneer de grond hiervoor is vervallen.

  • 5. Het hof van discipline kan op verzoek van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, gehoord de algemene raad, een lid van het college ontslaan, indien:

    • a. bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld dan wel hem bij een dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;

    • b. aan hem een onherroepelijke strafbeschikking is opgelegd wegens het plegen van een misdrijf; of

    • c. hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen, dan wel wegens schulden is gegijzeld.

ARTIKEL XXIIa

1. Indien het bij koninklijke boodschap van 6 februari 2015 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Advocatenwet, de Gerechtsdeurwaarderswet en de Wet op het notarisambt in verband met het doorberekenen van de kosten van toezicht en tuchtrechtspraak aan de beroepsgroepen (Wet doorberekening kosten toezicht en tuchtrecht juridische beroepen) (34 145) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel E, van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, wordt in artikel 48aa, derde lid, van de Advocatenwet «artikel 87» vervangen door: artikel 46a, eerste lid,.

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 6 februari 2015 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Advocatenwet, de Gerechtsdeurwaarderswet en de Wet op het notarisambt in verband met het doorberekenen van de kosten van toezicht en tuchtrechtspraak aan de beroepsgroepen (Wet doorberekening kosten toezicht en tuchtrecht juridische beroepen) (34 145) tot wet is of wordt verheven en artikel II, onderdeel G, van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, komen de tweede en derde volzin van artikel 78, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet als volgt te luiden:

De kosten die samenhangen met de uitoefening van het bij of krachtens deze wet geregelde toezicht en ten laste komen van de Staat worden door de KBvG vergoed aan de Staat. De KBvG vergoedt eveneens de kosten die samenhangen met de uitoefening van de bij of krachtens deze wet geregelde tuchtrechtspraak en ten laste komen van de Staat.

3. Indien het bij koninklijke boodschap van 6 februari 2015 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Advocatenwet, de Gerechtsdeurwaarderswet en de Wet op het notarisambt in verband met het doorberekenen van de kosten van toezicht en tuchtrechtspraak aan de beroepsgroepen (Wet doorberekening kosten toezicht en tuchtrecht juridische beroepen) (34 145) tot wet is of wordt verheven en artikel III, onderdelen A en E, van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, wordt de Wet op het notarisambt als volgt gewijzigd:

a. De tweede en derde volzin van artikel 87, eerste lid, komen als volgt te luiden:

De kosten die samenhangen met de uitoefening van het bij of krachtens deze wet geregelde toezicht en ten laste komen van de Staat worden door de KNB vergoed aan de Staat. De KNB vergoedt eveneens de kosten die samenhangen met de uitoefening van de bij of krachtens deze wet geregelde tuchtrechtspraak en ten laste komen van de Staat.

b. Artikel 103a, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Wordt de geldboete niet voldaan binnen de termijn, krachtens het tweede lid gesteld, dan kan de kamer, na de betrokken notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris in de gelegenheid te hebben gesteld daarover te worden gehoord, ambtshalve beslissen een of meer tuchtrechtelijke maatregelen op te leggen als bedoeld in artikel 103, eerste lid, of de maatregel als bedoeld in artikel 103, derde lid, laatste deelzin.

4. Indien het bij koninklijke boodschap van 6 februari 2015 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Advocatenwet, de Gerechtsdeurwaarderswet en de Wet op het notarisambt in verband met het doorberekenen van de kosten van toezicht en tuchtrechtspraak aan de beroepsgroepen (Wet doorberekening kosten toezicht en tuchtrecht juridische beroepen) (34 145) tot wet is of wordt verheven en die wet later in werking treedt dan deze wet, wordt die wet als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onderdeel E, onder 1, wordt «artikel 87» vervangen door: artikel 46a, eerste lid,.

B

Artikel II, onderdeel G, komt als volgt te luiden:

G

Artikel 78 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de huidige tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In het eerste lid (nieuw) wordt na de eerste volzin ingevoegd:

De kosten die samenhangen met de uitoefening van het bij of krachtens deze wet geregelde toezicht en ten laste komen van de Staat worden door de KBvG vergoed aan de Staat. De KBvG vergoedt eveneens de kosten die samenhangen met de uitoefening van de bij of krachtens deze wet geregelde tuchtrechtspraak en ten laste komen van de Staat.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Bij verordening kunnen regels worden gesteld over de doorberekening van de kosten die de KBvG maakt in verband met de uitoefening van toezicht en tuchtrechtspraak aan haar leden.

C

Artikel III wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel A komt als volgt te luiden:

A

Artikel 87 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de huidige tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In het eerste lid (nieuw) wordt na de eerste volzin ingevoegd:

De kosten die samenhangen met de uitoefening van het bij of krachtens deze wet geregelde toezicht en ten laste komen van de Staat worden door de KNB vergoed aan de Staat. De KNB vergoedt eveneens de kosten die samenhangen met de uitoefening van de bij of krachtens deze wet geregelde tuchtrechtspraak en ten laste komen van de Staat.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Bij verordening kunnen regels worden gesteld over de doorberekening van de kosten die de KNB maakt in verband met de uitoefening van toezicht en tuchtrechtspraak aan haar leden.

2. Onderdeel E, onder 2, komt te luiden:

2. In het vierde lid wordt «boete» vervangen door: «geldboete» en wordt «als bedoeld in artikel 103, eerste lid, onder c, e of f, » vervangen door: als bedoeld in artikel 103, eerste lid, of.

5. Indien het bij koninklijke boodschap van 6 februari 2015 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Advocatenwet, de Gerechtsdeurwaarderswet en de Wet op het notarisambt in verband met het doorberekenen van de kosten van toezicht en tuchtrechtspraak aan de beroepsgroepen (Wet doorberekening kosten toezicht en tuchtrecht juridische beroepen) (34 145) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel E, artikel II, onderdeel G en artikel III, onderdelen A en E, van die wet later in werking treden dan deze wet, worden artikel I, onderdeel E, artikel II, onderdeel G en artikel III, onderdelen A en E, van die wet als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onderdeel E, onder 1, wordt «artikel 87» vervangen door: artikel 46a, eerste lid,.

B

Artikel II, onderdeel G, komt als volgt te luiden:

G

Artikel 78 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de huidige tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In het eerste lid (nieuw) wordt na de eerste volzin ingevoegd:

De kosten die samenhangen met de uitoefening van het bij of krachtens deze wet geregelde toezicht en ten laste komen van de Staat worden door de KBvG vergoed aan de Staat. De KBvG vergoedt eveneens de kosten die samenhangen met de uitoefening van de bij of krachtens deze wet geregelde tuchtrechtspraak en ten laste komen van de Staat.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Bij verordening kunnen regels worden gesteld over de doorberekening van de kosten die de KBvG maakt in verband met de uitoefening van toezicht en tuchtrechtspraak aan haar leden.

C

Artikel III wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel A komt als volgt te luiden:

A

Artikel 87 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de huidige tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In het eerste lid (nieuw) wordt na de eerste volzin ingevoegd:

De kosten die samenhangen met de uitoefening van het bij of krachtens deze wet geregelde toezicht en ten laste komen van de Staat worden door de KNB vergoed aan de Staat. De KNB vergoedt eveneens de kosten die samenhangen met de uitoefening van de bij of krachtens deze wet geregelde tuchtrechtspraak en ten laste komen van de Staat.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Bij verordening kunnen regels worden gesteld over de doorberekening van de kosten die de KNB maakt in verband met de uitoefening van toezicht en tuchtrechtspraak aan haar leden.

2. Onderdeel E, onder 2, komt te luiden:

2. In het vierde lid wordt «boete» vervangen door: «geldboete» en wordt «als bedoeld in artikel 103, eerste lid, onder c, e of f, » vervangen door: als bedoeld in artikel 103, eerste lid, of.

ARTIKEL XXIII

  • 1. De disciplinaire maatregelen van inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand, schorsing en ontslag, genoemd in artikel 46ca kunnen voor handelingen in strijd met artikel 46c van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, zoals deze komt te luiden na inwerkingtreding van artikel I van deze wet, die hebben plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, alleen worden opgelegd voor gedragingen waarvoor onder het recht dat gold op de dag voor de datum van inwerkingtreding van artikel I van deze wet de disciplinaire maatregel van ontslag kon worden opgelegd.

  • 2. Ten aanzien van degene die voor de datum van inwerkingtreding van artikel I van deze wet de bepalingen heeft overtreden zoals omschreven in artikel 46c, onder b, kan de maatregel van ontslag voor deze overtreding alleen worden opgelegd indien voor de datum van inwerkintreding van artikel I van deze wet de maatregel van een schriftelijke waarschuwing wegens een gelijke overtreding is opgelegd op grond van artikel 46c van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, zoals deze op dat moment luidde.

ARTIKEL XXIV

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister voor Rechtsbescherming,