33 844 Wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en enkele andere wetten in verband met het vervoer, het medisch klachtrecht en enkele andere onderwerpen

Nr. 7 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 18 november 2015

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

a

Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:

1. Na het eerste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

1a. In onderdeel g vervalt: als bedoeld in artikel 15, derde lid.

2. Er worden 3 leden toegevoegd, luidende:

3. Onderdeel q vervalt.

4. De onderdelen r tot en met w worden verletterd tot q tot en met v.

5. In onderdeel u (nieuw) vervalt: , met name door de wijze waarop hij het recht op deelname aan de in de inrichting beschikbare arbeid heeft aangewend of door andere, vergelijkbare, activiteiten binnen de inrichting,.

b

Na onderdeel D wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Da

Artikel 13, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen a en b vervallen.

2. De onderdelen c tot en met e worden verletterd tot a tot en met c.

c

In onderdeel E vervallen het eerste lid alsmede de aanduiding «2.» voor het tweede lid.

d

Na onderdeel E worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Ea

In artikel 16, tweede lid, vervalt: met inachtneming van de artikelen 20, tweede lid, 21 en 22, eerste lid.

Eb

Onder vernummering van hoofdstuk IVA tot IVB en de artikelen 18a tot en met 18c tot 18b tot en met 18d, wordt na artikel 18 een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK IVA. DETENTIE- EN RE-INTEGRATIEPLAN

Artikel 18a

1. De directeur draagt zorg dat uiterlijk binnen een maand na binnenkomst van de gedetineerde in een inrichting, zo veel mogelijk in overleg met hem, een detentie- en re-integratieplan wordt vastgesteld.

2. De directeur draagt zorg dat de tenuitvoerlegging overeenkomstig het detentie- en re-integratieplan plaatsvindt.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de eisen waaraan een detentie- en re-integratieplan ten minste moet voldoen en de voorschriften die bij de vaststelling of een wijziging van het plan in acht moeten worden genomen.

e

Onderdeel F wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «hoofdstuk IVA» vervangen door: hoofdstuk IVB (nieuw).

2. Hoofdstuk IVB wordt vernummerd tot IVC.

3. De artikelen 18d en 18e worden vernummerd tot 18e en 18f.

f

Na onderdeel F worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Fa

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «algehele dan wel beperkte gemeenschap» vervangen door: een gemeenschapsregime.

2. Het tweede lid vervalt.

3. Het derde lid wordt vernummerd tot tweede lid.

Fb

De artikelen 20 tot en met 22 komen te luiden:

Artikel 20

Gedetineerden die in een gemeenschapsregime zijn geplaatst worden zo veel mogelijk in de gelegenheid gesteld met andere gedetineerden aan activiteiten deel te nemen.

Artikel 21

Gedetineerden die in een individueel regime zijn geplaatst worden in de gelegenheid gesteld aan activiteiten deel te nemen. De directeur bepaalt de mate waarin de gedetineerde in staat wordt gesteld individueel dan wel met andere gedetineerden aan activiteiten deel te nemen.

Artikel 22

De mate waarin een gedetineerde in de gelegenheid wordt gesteld aan activiteiten deel te nemen is mede afhankelijk van de mate waarin ten aanzien van de gedetineerde is gebleken van goed gedrag.

g

Na artikel G worden drie onderdelen ingevoegd, luidende:

Ga

In artikel 30, tweede lid, wordt «Artikel 29, derde lid,» vervangen door: Artikel 29, vierde lid,.

Gb

In de artikelen 31, derde lid, en 34, tweede lid, wordt «Artikel 29, vierde lid,» vervangen door: Artikel 29, vijfde lid,.

Gc

In artikel 34a, eerste lid, wordt «een individueel regime als bedoeld in artikel 22 of in een extra beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder e,» vervangen door: een individueel regime als bedoeld in artikel 21 of in een extra beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder c,.

h

Na onderdeel H wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ha

In artikel 36, tweede lid, wordt «artikel 37, eerste of tweede lid,» vervangen door: artikel 37, eerste lid,.

i

Na onderdeel K wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ka

Artikel 47 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. De gedetineerde kan in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan de in de inrichting beschikbare arbeid.

2. In het tweede lid wordt «de aard van de detentie» vervangen door: de aard of de duur van de detentie.

3. Het derde lid vervalt.

4. Het vierde en vijfde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid.

5. In het vierde lid (nieuw) komt de eerste volzin te luiden: Onze Minister stelt regels omtrent de toepassing van het tweede lid en omtrent de samenstelling en de hoogte van het arbeidsloon.

j

In onderdeel Q wordt in het artikel 68a, eerste lid, «bedoeld in artikel 18e», vervangen door: bedoeld in artikel 18f.

k

Onderdeel S komt te luiden:

S

In de aanhef van artikel 75, eerste lid, wordt na «behoudens ingeval» ingevoegd «Onze Minister, de Medisch Adviseur,» en wordt na «beroepscommissie» ingevoegd: , de beklagcommissie, bedoeld in hoofdstuk XIIA, of de beroepscommissie, bedoeld in hoofdstuk XIIA of XIIB,.

B

Artikel II wordt als volgt gewijzigd:

a

In onderdeel B, wordt «artikel 8» vervangen door: artikel 9.

b

Na onderdeel F wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Fa

In de artikelen 25, derde lid, 29, tweede lid, en 44, vijfde lid, wordt »23, vierde lid» telkens vervangen door: 23, vijfde lid.

C

Artikel III wordt als volgt gewijzigd:

a

Na onderdeel I worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Ia

In artikel 35, tweede lid, wordt »Artikel 34, derde lid» vervangen door: Artikel 34, vierde lid.

Ib

In de artikelen 36, derde lid, en 39, tweede lid, wordt »Artikel 34, vierde lid» telkens vervangen door: Artikel 34, vijfde lid.

b

In onderdeel N wordt het tweede artikel 73a vernummerd tot artikel 73b.

D

Na artikel IV worden vier artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IVa

Indien het bij koninklijke boodschap van 4 juni 2010 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg)(Kamerstukken 32 398) tot wet is of wordt verheven en de artikelen 7.7 en 7.8 van die wet later in werking treden dan de artikelen I en II van deze wet, dan wordt die wet als volgt gewijzigd:

1. Artikel 7.7, onderdeel H, van die wet komt te luiden:

H

Artikel 36 wordt gewijzigd als volgt:

a. In onderdeel l wordt «justitiële particuliere inrichting» vervangen door: private instelling.

b. In onderdeel m wordt «inrichting» vervangen door: instelling.

2. In artikel 7.8, onderdeel B, onder c, wordt na «een psychiatrisch ziekenhuis» ingevoegd: als.

ARTIKEL IVb

Indien het bij koninklijke boodschap van 4 juni 2010 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg)(Kamerstukken 32 398) tot wet is of wordt verheven en artikel 7.8 van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel I van deze wet, wordt in artikel 15, vijfde lid, van de Penitentiaire beginselenwet na «een psychiatrisch ziekenhuis» ingevoegd: als.

ARTIKEL IVc

A

Indien het bij koninklijke boodschap van 4 juni 2010 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg)(Kamerstukken 32 398) tot wet is of wordt verheven en artikel 7.7, onder E en F, van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel II van deze wet, wordt artikel II van deze wet als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel C wordt «inrichting» telkens vervangen door: instelling.

2. Onderdeel D vervalt.

3. Onderdeel E wordt als volgt gewijzigd:

a. De aanhef komt te luiden:

Hoofdstuk III komt te luiden:

HOOFDSTUK III. VERVOER

b. De artikelen 15a en 15b worden vernummerd tot de artikelen 11 en 12.

B

Indien het bij koninklijke boodschap van 4 juni 2010 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg)(Kamerstukken 32 398) tot wet is of wordt verheven en artikel 7.7, onder E en F, van die wet later in werking treedt dan artikel II van deze wet, wordt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden als volgt gewijzigd:

1. Hoofdstuk IIIA wordt vernummerd tot hoofdstuk III.

2. De artikelen 15a en 15b worden vernummerd tot de artikelen 11 en 12.

ARTIKEL IVd

A

Indien het bij koninklijke boodschap van 30 juni 2009 ingediende voorstel van wet houdende regels ten aanzien van zorg en dwang voor personen met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap (Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten)(Kamerstukken 31 996) tot wet is of wordt verheven en artikel III van deze wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel 66, onder B, van die wet, wordt in artikel 66, onder B, van die wet «de selectiefunctionaris» vervangen door: Onze Minister.

B

Indien het bij koninklijke boodschap van 30 juni 2009 ingediende voorstel van wet houdende regels ten aanzien van zorg en dwang voor personen met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap (Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten)(Kamerstukken 31 996) tot wet is of wordt verheven en artikel III van deze wet later in werking treedt dan artikel 66, onder B, van die wet, wordt in artikel III, onder E, van deze wet, na «de artikelen» ingevoegd: 12, achtste lid,.

E

In artikel V wordt «artikel 18d van deze wet» vervangen door: artikel 18e van deze wet.

F

Artikel VI komt te luiden:

Artikel VI

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Toelichting

In de brief van 21 november 2014 (Kamerstukken II 2014/15, 24 587, nr. 608, blz. 7 e.v.) zijn voorstellen opgenomen voor een aanpassing van de detentiefasering. Kort samengevat, wordt in de voorgestelde aangepaste detentiefasering meer nadruk gelegd op een persoonsgerichte aanpak. De gedetineerde wordt daarbij nadrukkelijk ook aangesproken op zijn eigen verantwoordelijkheid, hetgeen ook van belang is voor een succesvolle terugkeer in de maatschappij en daardoor het terugdringen van recidive. Deze aanpak wordt vormgegeven door een systeem van promoveren en degraderen. Dit ziet er als volgt uit. In beginsel starten alle gedetineerden in een basisprogramma. Het basisprogramma bevat 43 uur aan activiteiten. Door het vertonen van positief gedrag kunnen gedetineerden promotie naar het plusprogramma verdienen. Daarvoor komt de gedetineerde na een veroordeling in eerste aanleg in aanmerking wanneer hij zes weken lang op alle onderdelen van een lijst met gedragsregels positief scoort. Zelfmelders starten in het plusprogramma, omdat zij blijk hebben gegeven hun eigen verantwoordelijkheid te nemen door zichzelf te melden voor het ondergaan van hun detentie. Het promoveren naar een plusprogramma betekent dat de gedetineerde meer – specifiek ten aanzien van hem geldende – vrijheden krijgt. Bij negatief gedrag kan iemand weer degraderen naar het basisprogramma. Aldus wordt de eigen verantwoordelijkheid van de gedetineerde gestimuleerd. Dit is, zoals gezegd, ook van belang voor een succesvolle terugkeer in de maatschappij en het terugdringen van de recidive; door het aanspreken van de eigen verantwoordelijkheid worden gedetineerden gestimuleerd actief bij te dragen aan hun eigen re-integratie. Uiteraard zullen medewerkers van DJI in het kader van de motiverende bejegening alles in het werk stellen om ongemotiveerde gedetineerden alsnog te stimuleren hun gedrag aan te passen. Dit principe is ook bij de penitentiaire arbeid doorgevoerd. Ik kom daarop bij de toelichting op de voorgestelde wijziging van artikel 47 (zie de toelichting op onderdeel i van deze nota van wijziging) nog terug.

Met de in de eerdergenoemde brief geschetste vormgeving komt in de ogen van de regering een volwaardig stelsel van detentiefasering tot stand waarin de gedetineerde in de latere fase van de detentie naast interne vrijheden ook in aanmerking kan komen voor externe vrijheden in de vorm van een persoonsgericht re-integratieverlof. De gedetineerde kan hiervoor in aanmerking komen gedurende de laatste drie maanden voor de – al dan niet voorwaardelijke – invrijheidsstelling of voorafgaand aan een penitentiair programma, dat behouden blijft. Dit is een belangrijke wijziging ten opzichte van het door de Eerste Kamer verworpen wetsvoorstel waarin werd voorgesteld de algemeen geldende detentiefasering af te schaffen en elektronische detentie als enige extramurale detentiemodaliteit in te voeren. Door het persoonsgerichte verlof op concrete re-integratiedoelen te richten vervalt de vrijblijvendheid en ongerichtheid die het huidige algemene verlof en het regimesgebonden verlof in de (Zeer)Beperkt Beveiligde Inrichtingen (ZBBI) kenmerken. Bij het persoonsgerichte re-integratieverlof gaat het om activiteiten die niet binnen de muren van de inrichting plaats kunnen vinden, zoals bijvoorbeeld het voeren van een sollicitatiegesprek en het regelen van woonruimte.

In eerdergenoemde de brief van 21 november is aangegeven welke wijzigingen van de Penitentiaire beginselenwet noodzakelijk zijn. Deze brief was geagendeerd voor het Algemeen Overleg (AO) Gevangeniswezen op 22 januari 2015. De toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft destijds toegezegd de nota van wijziging met de bedoelde wijzigingen aan Uw Kamer te doen toekomen. Deze nota van wijziging voorziet hierin.

De hierboven genoemde invoering van het persoonsgerichte re-integratieverlof maakt geen deel uit van dit wetsvoorstel. Zoals in de meergenoemde brief aangekondigd kunnen de invoering van het persoonsgerichte re-integratieverlof en het intrekken van het algemeen verlof en het regimair verlof worden geregeld door aanpassing van de ministeriële regeling Tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi).

Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om een enkele technische en redactionele verbetering aan te brengen in het wetsvoorstel. Deze technische aanpassingen worden bij het desbetreffende onderdeel toegelicht.

Onderdeel A

Onderdeel A van deze nota van wijziging voorziet – met uitzondering van de kleine technische aanpassingen in de onderdelen d, h en k – in de wijzigingen van de Pbw naar aanleiding van de brief van 21 november 2014.

Onder a

Onderdeel a brengt enkele nadere wijzigingen aan in artikel 1 van de Pbw. In artikel 1 van de Pbw worden omschrijvingen gegeven van verschillende in de Pbw gebruikte begrippen. In het artikel komt de definitie van het begrip «regime» (het huidige onderdeel q) te vervallen. In de definitie van «goed gedrag» komt het zinsdeel «met name door de wijze waarop hij het recht op deelname aan de in de inrichting beschikbare arbeid heeft aangewend of door andere, vergelijkbare, activiteiten binnen de inrichting» te vervallen.

Onder b

Onderdeel b bevat een wijziging van artikel 13 Pbw. Op basis van het huidige artikel 13 Pbw kan een onderscheid worden gemaakt tussen vijf beveiligingsniveaus, te weten zeer beperkt beveiligd, beperkt beveiligd, normaal beveiligd, uitgebreid beveiligd en extra beveiligd. In het Masterplan DJI is aangekondigd alle (zeer) beperkt beveiligde inrichtingen te gaan sluiten; aan deze aan het regime gebonden beveiligingsniveaus is met de vervanging van het regimair verlof door het persoonsgerichte re-integratieverlof geen behoefte meer.

Onder c

De wijziging opgenomen in het nieuw voorgestelde onderdeel Ea houdt verband met de wijziging van de artikelen 20, 21 en 22 Pbw. Zie ook de toelichting bij onderdeel f.

De wijziging opgenomen in het nieuw voorgestelde onderdeel Eb voorziet in de wettelijke basis voor het detentie- en re-integratieplan (D&R-plan). De persoonsgerichte aanpak (zie ook de eerdergenoemde brief van 21 november), krijgt onder andere vorm in het persoonlijke D&R-plan dat voor iedere gedetineerde wordt opgesteld. Iedere gedetineerde wordt bij binnenkomst gescreend en geobserveerd, waarbij onder andere wordt gekeken naar bestaande informatie over gedetineerden bij de ketenpartners. De screening geeft inzicht in de mogelijkheden en problematiek van de gedetineerde en vormt daarmee een eerste aanzet voor het D&R-plan. De gedetineerde krijgt een mentor toegewezen die zijn eerste aanspreekpunt is en hem zo nodig ondersteunt bij het ontwikkelen van gewenst gedrag en de uitvoering van het D&R-plan. Het D&R-plan wordt binnen een termijn van uiterlijk één maand op hoofdlijnen opgesteld. In het plan wordt onder andere opgenomen welk beveiligingsniveau noodzakelijk wordt geacht, welke zorg de gedetineerde nodig heeft, welke (re-integratie) doelen de gedetineerde tracht te behalen (afhankelijk ook van de verwachte verblijfsduur) en welke invulling zijn activiteitenprogramma zal krijgen. Ook is er aandacht voor de nazorg.

Het D&R-plan is een dynamisch document dat kan worden aangevuld of bijgesteld. De directeur zorgt voor het vast- en bijstellen van het detentie- en re-integratieplan.

Het detentie- en re-integratieplan vormt een leidraad voor de invulling van de detentie. Niet langer is er een dagprogramma dat geldt voor alle gedetineerden; in plaats daarvan heeft iedere gedetineerde een persoonlijk programma (zie ook de toelichting bij onderdeel f hieronder), dat is gebaseerd op het D&R-plan.

In de Penitentiaire maatregel kunnen regels worden gesteld over de eisen waaraan het D&R-plan moet voldoen. Ook kunnen regels worden gesteld over de vaststelling en wijziging van het plan.

Onder d

Het eerste lid van artikel I, onderdeel E, betrof een technische verbetering van de wettekst van artikel 15 zoals dat zou luiden na de aanvaarding en inwerkingtreding van het wetsvoorstel forensische zorg (Kamerstukken 32 398). Dit artikellid is derhalve verplaatst naar de samenloopbepalingen, die worden ingevoegd na artikel IV (zie onderdeel D van deze nota van wijziging).

Onder e

De wijziging betreft een vernummering van het hoofdstuk over vervoer, die verband houdt met het invoegen van de bepalingen over het D&R-plan (zie het nieuwe onderdeel Eb, toegelicht hierboven onder c).

Onder f en g

Onderdeel f wijzigt de artikelen 19 tot en met 22 van de Pbw, die zien op het regime.

Onder de huidige wetgeving bestaan twee gemeenschapsregimes, een regime van algehele en een regime van beperkte gemeenschap. Ten tijde van de inwerkingtreding van de Pbw gold in beide gemeenschapsregimes het uitgangspunt dat het dag- en activiteitenprogramma min of meer collectief werd doorlopen door alle gedetineerden die op een afdeling verbleven. Het verschil tussen beide regimes is dat in een regime van algehele gemeenschap gedetineerden overdag met elkaar verkeren of gemeenschappelijk deelnemen aan activiteiten, terwijl in een regime van beperkte gemeenschap gedetineerden in beginsel slechts activiteiten gemeenschappelijk hebben. In de memorie van toelichting bij de Pbw werd destijds echter reeds aangegeven dat het «zeer wel denkbaar» was «dat naarmate met het standaardregime alsmede met de bijzondere regimaire voorzieningen die daarboven uitgaan meer ervaring is opgedaan, de begrippen algehele en beperkte gemeenschap herijking behoeven» (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, blz. 40). Deze herijking is thans geboden.

Reeds ten tijde van de invoering van de Pbw was er al een beleidsverandering gaande, waarbij steeds meer werd toegegaan naar een op de individuele gedetineerde gericht detentietraject. De in de brief van 8 november 2011 beschreven wijzigingen in de detentiefasering (zie Kamerstukken II 2011/12, 29 270, nr. 61) en de hierboven al genoemde brief van 21 november 2014 vormen het sluitstuk van deze beleidsverandering, waarbij definitief wordt overgegaan van een nadruk op een groepsprogramma naar een nadruk op individuele programma’s van gedetineerden. Ook binnen het gemeenschapsregime dient uitdrukkelijk ruimte te zijn voor deze individuele benadering.

In de huidige situatie geldt dat de mate waarin een gedetineerde interne vrijheden (meer bewegingsruimte binnen de penitentiaire inrichting) heeft, grotendeels afhankelijk is van de vraag of hij in een regime van algehele of een regime van beperkte gemeenschap verblijft, waarbij een gedetineerde in een regime van algehele gemeenschap (automatisch) veel interne vrijheden geniet. Met de voorgestelde wijzigingen in de detentiefasering (zie de hierboven al genoemde brief van 21 november 2014) verdwijnt de automatische koppeling tussen interne vrijheden en het regime waarin de gedetineerde verblijft; de toekenning van interne vrijheden wordt per individuele gedetineerde bepaald en is mede afhankelijk van diens gedrag. Als gevolg hiervan komt in plaats van een regime van algehele en een regime van beperkte gemeenschap één gemeenschapsregime (zie de hierboven al genoemde brief van 21 november 2014), waaraan de volgende invulling zal worden gegeven.

Het uitgangspunt dat voor iedere gedetineerde een basisregime geldt, dat collectief wordt doorlopen, wordt binnen het gemeenschapsregime niet verlaten. Dit blijft het kenmerkende verschil met het individuele regime, waar de mate waarin gedetineerden gezamenlijk met anderen aan (basis)activiteiten deelnemen ter beoordeling van de directeur staat. Voor de bijzondere voorzieningen die boven de basisactiviteiten uitgaan geldt dat die meer individueel bepaald en ingevuld zullen worden. Deelname aan deze activiteiten moet worden verdiend. De deelname aan en de invulling van deze activiteiten is persoonsgebonden en wordt per individuele gedetineerde en per activiteit bepaald (zie ook de toelichting hierboven bij onderdeel c over het D&R-plan). Ten aanzien van deze activiteiten zal derhalve geen sprake zijn van een groepsprogramma, maar van individuele programma’s voor gedetineerden. Niettemin zal binnen een gemeenschapsregime in de praktijk ook bij deze activiteiten zo veel mogelijk binnen de gemeenschapsgedachte worden gehandeld. Daar waar gedetineerden aan dezelfde activiteiten deelnemen en de activiteit zich daartegen niet verzet, worden gedetineerden in de gelegenheid gesteld daaraan met andere gedetineerden deel te nemen. Dit betekent dat als twee gedetineerden bijvoorbeeld samen dezelfde (vak)opleiding volgen (en even ver in de opleiding zijn gevorderd), zij in de gelegenheid kunnen worden gesteld deze opleiding samen te volgen. Anders dan thans veelal de praktijk is, zal de gezamenlijke deelname niet per se beperkt zijn tot enkel gedetineerden die op dezelfde afdeling verblijven. Het kan voorkomen dat de medegedetineerden op de afdeling waar de betrokkene verblijft (nog) niet aan een bepaalde activiteit deelnemen, maar dat een gedetineerde op een andere afdeling binnen de inrichting daaraan wel deelneemt. De mogelijkheid bestaat dan om deze twee gedetineerden gezamenlijk aan die activiteit deel te laten nemen.

Wanneer er geen andere gedetineerden zijn die aan dezelfde activiteit deelnemen of wanneer de activiteit niet geschikt is voor gezamenlijke deelname (denk bijvoorbeeld aan een op het individu gerichte gedragsinterventie) dan zal de gedetineerde daaraan individueel deelnemen.

Aan gedetineerden die niet aan een bepaalde plusactiviteit deelnemen, hoeft geen alternatieve activiteit te worden geboden en zij kunnen worden verplicht zich in hun verblijfsruimte op te houden. Dit vloeit voort uit het uitgangspunt dat interne vrijheden verdiend moeten worden (zie de eerdergenoemde brief van 21 november 2014).

Onderdeel g bevat een technische wijziging van artikel 34a van de Pbw, die het gevolg is van het verplaatsen van de bepaling over het individueel regime van artikel 22 naar artikel 21 van de Pbw. Daarnaast bevat onderdeel g enkele technische wijzigingen die verband houden met het invoegen van een nieuw tweede lid in artikel 29 (zie artikel I, onderdeel G, van het wetsvoorstel).

Onder h

In artikel, I, onderdeel I, van het wetsvoorstel wordt voorgesteld het tweede lid van artikel 37 van de Pbw te laten vervallen. De verwijzing naar dat artikellid in artikel 36 van de Pbw kan daarmee eveneens komen te vervallen.

Onder i

Arbeid tijdens detentie draagt bij aan een zinvolle dagbesteding en vergroot de kans op een succesvolle terugkeer in de maatschappij na detentie en is daarom van belang voor het terugdringen van de recidive. Evenals bij de andere activiteiten, staan ook bij de penitentiaire arbeid een persoonsgerichte aanpak en de eigen verantwoordelijkheid van de gedetineerde centraal. Net als voor andere activiteiten, zal ook ten aanzien van arbeid een systeem van «promotie en degradatie» gelden. Dit systeem zal er bij aanvaarding van dit wetsvoorstel echter enigszins anders uitzien dan bij andere activiteiten.

Onder het huidige artikel 47 Pbw is de deelname aan de beschikbare arbeid voor gedetineerden een recht en voor afgestraften een plicht. Op de directeur rust de plicht om te zorgen voor de beschikbaarheid van arbeid, voor zover de aard van de detentie zich daar niet tegen verzet. Overeenkomstig mijn brief van 21 november 2014, staat ook bij de penitentiaire arbeid de eigen verantwoordelijkheid van de gedetineerde centraal. Voorgesteld wordt van het recht op arbeid een voorrecht te maken en de arbeidsplicht af te schaffen. Arbeid zal niettemin onderdeel uit blijven maken van het basisprogramma. Voor de directeur blijft de inspanningsverplichting bestaan om voor de beschikbaarheid van arbeid(splaatsen) te zorgen, mits de aard of de (korte) duur van de detentie zich niet tegen het aanbieden van arbeid verzet.

Het programma in detentie dient bij te dragen aan het vergroten van de kansen van de gedetineerden op een maatschappelijk aanvaardbaar bestaan bij hun terugkeer in de vrije samenleving. De penitentiaire arbeid moet daarom zo veel mogelijk lijken op het werken op de arbeidsmarkt («normaliseren»). Dit betekent dat gedetineerden waar mogelijk langer dan de huidige twintig uur per week gaan werken, loon naar werken ontvangen (dit zal nader worden uitgewerkt in de Loonregeling Gedetineerden) en dat gemotiveerde gedetineerden de kans krijgen om zich door middel van scholing verder in een vak te bekwamen om zo hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.

Om arbeid te kunnen laten bijdragen aan een succesvolle terugkeer van de gedetineerde in de samenleving is het nodig dat gedetineerden gemotiveerd zijn en zich voldoende inzetten om van de deelname aan arbeid een succes te maken. Onderdeel van het stelsel van promoveren en degraderen vormt dan ook dat gedetineerden in een plusprogramma in aanmerking kunnen komen voor aantrekkelijkere en verantwoordelijkere werkzaamheden. Bij onvoldoende inzet en prestatie kan iemand ook weer degraderen naar eenvoudigere arbeid. Gedetineerden die wel in staat, maar niet bereid zijn om zich in te zetten en een prestatie te leveren, moeten bovendien voor kortere of langere tijd kunnen worden uitgesloten van de arbeid. Deze uitsluiting is nodig, omdat anders ook aanwijsbaar ongemotiveerde gedetineerden beloond worden met een arbeidsloon, hetgeen de stimulering van de eigen verantwoordelijkheid zou doorkruisen.

Om te bevorderen dat gedetineerden door arbeid geld verdienen is het eigen geld waarover de gedetineerde in de inrichting kan beschikken (op zijn rekening-courant) en dat niet door middel van arbeid is verdiend, vergaand beperkt.

Door prestaties en eigen verantwoordelijkheid te verlangen van gedetineerden en hen bij gewenst gedrag te belonen, worden gedetineerden gestimuleerd actief bij te dragen aan hun eigen re-integratie. Tegenover de omzetting van het recht op arbeid in een voorrecht staat dat de plicht tot deelname aan arbeid komt te vervallen. Voor gemotiveerde gedetineerden is de arbeidsplicht overbodig. Bovendien zal een deel van de gedetineerden gemotiveerd worden voor de arbeid door het vooruitzicht van verblijf buiten de cel, een arbeidsloon (waardoor de gedetineerde over geld beschikt om artikelen in de inrichtingswinkel te kopen) en de mogelijkheid te promoveren naar uitdagender werk. Degenen die niet willen werken, zullen door een arbeidsplicht niet tot een ander oordeel over reguliere (loon)arbeid worden gebracht en laten over het algemeen bijzonder weinig inzet zien gedurende de arbeid. Daardoor lijkt het verplichten van daarvoor ongemotiveerde gedetineerden om deel te nemen aan arbeid amper bij te dragen aan een meer succesvolle re-integratie na detentie en is voor deze plicht niet langer plaats in de Pbw. Dit neemt overigens niet weg dat de penitentiaire inrichtingswerkers in het kader van de motiverende bejegening alles in het werk stellen om de betrokken gedetineerden alsnog de voordelen te doen inzien van het verrichten van arbeid.

Onder j

Deze wijziging houdt verband met de vernummering van de artikelen 18d en 18e tot 18e en 18f, zoals voorgesteld in onderdeel d.

Onder k

Dit betreft het herstel van een kennelijke verschrijving. In verband met de overzichtelijkheid wordt artikel I, onderdeel S, van het wetsvoorstel opnieuw uitgeschreven.

Onderdeel B

Onder a

Dit onderdeel betreft het herstel van een kennelijke verschrijving.

Onder b

In artikel II, onder F, van dit wetsvoorstel worden de leden van artikel 23 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) vernummerd. Dit heeft gevolgen voor de verwijzing naar dat artikel in de artikelen 25, 29 en 44 van de Bvt.

Onderdeel C

In artikel III, onderdeel I, van het wetsvoorstel wordt een nieuw lid in artikel 34 Bjj ingevoegd. Als gevolg daarvan moeten ook de verwijzingen naar artikel 34, derde lid, in de artikelen 35 en 36 van de Bjj worden aangepast. Onderdeel C van deze nota van wijziging voorziet hierin.

Onderdeel D

Onderdeel D bevat enkele samenloopbepalingen met andere wetsvoorstellen.

Onderdeel E

Deze wijziging houdt verband met de vernummering van de artikelen 18d en 18e tot 18e en 18f, zoals voorgesteld in onderdeel A, onder d, van deze nota van wijziging.

Onderdeel F

Er wordt voorzien in de mogelijkheid van een gefaseerde inwerkingtreding. De gefaseerde inwerkingtreding kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer op het moment dat het wetsvoorstel is aanvaard, de commissie van toezicht voor het vervoer bij de DV&O nog enkele aanpassingen moet doorvoeren om de wettelijke taken te kunnen uitvoeren, terwijl de bepalingen inzake het medisch klachtrecht (een technische wijziging) wel reeds in werking kunnen treden.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, K.H.D.M. Dijkhoff

Naar boven