33 836 Personen- en familierecht

Nr. 77 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 juli 2022

Tijdens het commissiedebat «Personen- en familierecht» van 24 maart 2022 (Kamerstuk 33 836, nr. 69) en het opvolgende tweeminutendebat van 25 mei 2022 (Handelingen II 2021/22, nr. 84, Tweeminutendebat Personen- en familierecht) sprak ik met uw Kamer over uiteenlopende kwesties binnen dit rechtsgebied. Tijdens deze debatten heb ik verschillende toezeggingen gedaan, waarvan een aantal al een reactie vóór het zomerreces behoeven. Middels deze brief informeer ik uw Kamer daarom over de volgende vier onderwerpen, namelijk

  • a) ouderverstoting;

  • b) het WODC-onderzoek naar eenvoudige adoptie;

  • c) aanpak en beoogde planning meerouderschap; en

  • d) de gezamenlijke plaatsing van broers en zussen bij uithuisplaatsing.

a. Ouderverstoting

Er is een mindsetverandering nodig over hoe om te gaan met gezinnen in complexe scheidingssituaties. Een kentering van werken vanuit controle en beheersing van het conflict, naar uitgaan vanuit eigen verantwoordelijkheid, verbinding en vertrouwen. De handelingsprincipes die in de bijlage staan genoemd moeten leiden tot een nieuw perspectief voor professionals die in de praktijk werken met ouders die in een destructieve dynamiek zijn beland. Ik ga de komende tijd deze visie verspreiden in het land en die laten ontwikkelen tot handelingsperspectief per beroepsgroep. Daarbij betrek ik ook de uitkomsten van het experiment over de specialist contactverlies. Zoals het Expertteam ouderverstoting al had aanbevolen, is gebleken dat werken in een interdisciplinair team binnen gemeenten veel complexe casuïstiek kan voorkomen. In het experiment «Een goed begin» ga ik de komende jaren deze nieuwe visie en werkwijze nader in de praktijk beproeven.

Kinderen moeten, ook na een scheiding, blijvend contact houden met beide ouders. In het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het kind (IVRK) en in het Burgerlijk Wetboek is vastgelegd dat jeugdigen recht hebben op omgang met beide ouders, tenzij dit niet in hun belang is (Richtlijn NJI, 2020). Helaas komt het nog te vaak voor dat het kind een van zijn ouders niet meer ziet en dat leidt tot schrijnende gezinssituaties.

Ik constateer dat professionals1 het moeilijk vinden om in te schatten op welke wijze de vaak ingewikkelde situaties met omgangsproblemen benaderd en aangepakt kunnen worden. Een gevolg hiervan is dat professionals vaak trachten om de situatie controleerbaar en beheersbaar te maken en de verantwoordelijkheid van het gezin overdragen. Zo schakelen ze Veilig Thuis of de Raad voor de Kinderbescherming in en kan het kind of een ouder via een uitspraak van een rechter een kinderbeschermingsmaatregel of sanctie opgelegd krijgen. Dit is een begrijpelijke reflex. Deze stappen kunnen echter juist de destructieve dynamiek versterken in het conflict en het wantrouwen vergroten tussen ouders, met in de meest complexe situaties tot gevolg dat het kind langdurig wordt weggehouden bij een ouder.

Ik constateer dat het op die manier benaderen van complexe scheidingszaken onvoldoende werkt. Het is dan ook tijd voor een nieuwe manier van werken, vanuit een hernieuwde visie en een concreet handelingsperspectief.

Naar een nieuwe werkwijze in de praktijk

In de pilots binnen het Programma Scheiden zonder Schade (SzS) is geëxperimenteerd met een andere manier van werken met deze complexe scheidingssituaties, vanuit een nieuwe visie. De uitkomsten van deze pilots zijn zo kansrijk – zelfs de meest vastgelopen casussen konden worden vlot getrokken – dat ik in het experiment «Een nieuw begin» de komende jaren deze visie en deze nieuwe scheidingsaanpak met een interdisciplinaire team van specialisten verder in de praktijk wil beproeven.

In de visie – zie bijlage 1 – staat het tot stand brengen van een duurzame oplossing en een positieve ouder-kindrelatie centraal. Dit betekent het handelen vanuit controle en beheersing (dwang en/of het vaststellen van sancties) ombuigen naar een gezamenlijke visie en werkwijze met focus op vertrouwen, verbinding en verantwoordelijkheid tussen zowel de professionals onderling als met en tussen beide ouders. Dejuridiseren en de-escaleren zijn hierbij de uitgangspunten – problemen rond het naleven van omgangsafspraken moeten primair als emotionele en relationele problemen worden gezien in plaats van als een juridisch en veiligheidsprobleem.

De handelingsprincipes laat ik de komende periode door de specialisten contactverlies, aangesloten bij het Programma SzS, verspreiden in het land. Dit moet leiden tot een handelingsperspectief per beroepsgroep. Deze specialisten zullen uiteraard ook hun ervaringen met de nieuwe werkwijze in een interdisciplinair team uitdragen en de inzichten die ze opdoen meenemen in het experiment «Een nieuw begin». De bijeenkomsten zullen allereerst gehouden worden in de regio’s en proeftuinen van het Programma Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming en in regionale netwerken waar zorg en straf samenkomen.

Ik zal uw Kamer in het najaar over de voortgang berichten.

b. WODC-onderzoek naar eenvoudige adoptie

De leden Bergkamp en Van den Berge hebben begin 2021 een gewijzigde motie ingediend die vraagt om vervolgonderzoek naar de vraag of eenvoudige adoptie tegemoetkomt aan de behoeften en belangen van (voormalige) pleegkinderen, geadopteerde pleegkinderen en indien mogelijk de oorspronkelijke ouders (Kamerstuk 31 265, nr. 90). Eenvoudige adoptie is een vorm van adoptie waarbij de juridische banden (familierechtelijke betrekkingen) met de oorspronkelijke ouders van een pleegkind niet worden doorgesneden – zoals bij de huidige vorm van adoptie het geval is – maar in stand blijven. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door de Vrije Universiteit Amsterdam onder begeleiding van het WODC. Omwille van de zorgvuldigheid van het onderzoek waarbij de behoeften en belangen van (huidige, voormalige en geadopteerde) pleegkinderen en hun oorspronkelijke ouders worden geïnventariseerd, is volgens de begeleidingscommissie meer tijd nodig dan eerder was voorzien. Met name vanwege de extra inzet op het leggen van contact met de oorspronkelijke ouders, worden de uitkomsten het van onderzoek niet eerder dan 1 november 2022 verwacht. Hierna zal ik uw Kamer zo snel mogelijk informeren over de uitkomsten van het onderzoek en mijn reactie hierop.

c. Aanpak en beoogde planning meerouderschap

Eerder heb ik uw Kamer toegezegd via de Emancipatienota te informeren over de beoogde planning voor een wettelijke regeling voor meerouderschap- en gezag. Ik hecht waarde eraan uw Kamer samen met de Minister van OCW met de Emancipatienota na het zomerreces integraal te informeren over het rijksbrede emancipatiebeleid en de uitvoering van het Regenboogstembusakkoord.

De gewijzigde motie van de leden Van Ginneken en Ellian2 bevestigt mijns inziens dat we de juiste stappen aan het zetten zijn. In afstemming met de Minister van OCW wil ik komen tot de oprichting van een interdepartementale werkgroep voor de invoering van meerouderschap. In deze werkgroep wil ik samen mijn collega’s de uitvoeringsconsequenties op betrokken beleidsvelden nader in beeld brengen, voortbouwend op de eerdere analyse invoering meerouderschap3. De motie verzoekt conclusies hiervan voor de zomer van 2023 met de Kamer te delen. Ik acht dit haalbaar. Ook wil ik verkennen hoe op een zorgvuldige manier uitvoering kan worden gegeven aan de invoering van meerouderschap- en gezag conform de afspraken in het coalitieakkoord.

d. Gezamenlijke plaatsing van broers en zussen bij uithuisplaatsing

De aangenomen motie van de leden Van Nispen en Westerveld verzoekt de regering in de wet vast te leggen dat het uitgangspunt bij uithuisplaatsingen van broers en zussen moet zijn: samen, tenzij4. Het voornemen is dit uitgangspunt op te nemen in de Jeugdwet. De ministeries van JenV en VWS gaan hiervoor de komende tijd in gesprek met gemeenten en andere betrokken partijen. Uw Kamer zal op de hoogte gehouden worden van de ontwikkelingen.

Ik sluit af met de constatering dat er veel werk verzet is en dat we elkaar over deze familierechtelijke onderwerpen de komende tijd nader zullen spreken.

De Minister voor Rechtsbescherming, F.M. Weerwind


X Noot
1

Vanuit verschillende domeinen kan een professional direct of indirect betrokken zijn. Dit kan uiteen lopen van kinderopvang, onderwijs en sportverenigingen (sociale basis), huisarts en jeugdhulp (zorg en welzijn), advocatuur en rechter (juridisch) en jeugdbescherming tot Raad voor de Kinderbescherming, Veilig Thuis en Politie (veiligheid).

X Noot
2

Kamerstuk 33 836, nr. 75: gewijzigde motie van de leden Van Ginneken-Ellian over een werkgroep die de doorwerking van meerouderschap in overige wet- en regelgeving nauwkeurig uiteenzet.

X Noot
3

Kamerstuk 33 836, nr. 58 (Kamerbrief): Analyse invoering meerouderschap

X Noot
4

Kamerstuk 33 836, nr. 73.

Naar boven