Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433815 nr. 3

33 815 Goedkeuring van het op 29 november 2012 te Washington tot stand gekomen Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking betreffende nationale en civiele veiligheid (Trb. 2012, 227 en 2013, 149)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Nederland en de Verenigde Staten (VS) werken intensief samen op het gebied van nationale en civiele veiligheid, vooral op het gebied van «cyber veiligheid». In februari 2012 spraken beide landen af om in het kader van deze samenwerking gezamenlijk onderzoek en technologische ontwikkeling te stimuleren. Omdat ook op andere terreinen van nationale en civiele veiligheid een nauwe samenwerkingsrelatie bestaat tussen Nederland en de VS werd tevens afgesproken de samenwerkingsrelatie te bestendigen en voorbereidingen te treffen voor het sluiten van een bilateraal verdrag met afspraken voor samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie op bovengenoemde terreinen.

Op 29 november 2012 werd in Washington het Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake wetenschappelijk en technologische samenwerking betreffende nationale en civiele veiligheid (Trb. 2012, 227) (hierna het «verdrag») tot stand gebracht. Hoewel in het verdrag de regeringen als partijen worden genoemd, zal het verdrag gelden tussen de staten.

2. Inhoud

Bij brief van 16 november 2012 van de eerste ondergetekende van deze nota ontving de Tweede Kamer informatie over de inhoud van het verdrag (zie Kamerstukken II 2012–2013, 26 643, nr. 259).

Met het verdrag is door Nederland en de Verenigde Staten (hierna de «verdragspartijen») een kader geschapen op basis waarvan gezamenlijk onderzoek in Nederland en de Verenigde Staten op het gebied van nationale en civiele veiligheid kan plaatsvinden. Dit betekent dat gezamenlijk onderzoek kan plaatsvinden op dat beleidsterrein, te weten nationale veiligheid, terrorismebestrijding, cyber veiligheid, crisisbeheersing en migratie. Het verdrag biedt de Nederlandse overheid, maar ook die van de Verenigde Staten, een kans om over en weer te profiteren van de reeds opgebouwde kennis en elkaar op die manier te versterken bij het doen van onderzoek op deze terreinen. Door gezamenlijk te werken in onderzoek- en ontwikkelprojecten kunnen kennis en inzicht worden vergroot, technologische capaciteit verruimd, dubbel werk worden voorkomen en kosten worden bespaard.

Het verdrag bevat afspraken over onder meer de voorwaarden waaronder gezamenlijke projecten kunnen worden gestart (zie artikel 7), de financiering ervan (zie artikel 10) en de publicatie van onderzoeksresultaten (zie artikel 13). Het verdrag verplicht niet tot het uitvoeren van gezamenlijk onderzoek. Samenwerking vindt slechts dan plaats wanneer door beide verdragspartijen is ingestemd met een concreet onderzoeksvoorstel.

Het verdrag is tot stand gekomen naast en als aanvulling op de al bestaande kaders voor samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie in Europese Unie-verband. Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007–2013) (PbEU 2006, L 412) (Zevende Kaderprogramma – KP7) is het belangrijkste instrument van de Europese Commissie om onderzoek en ontwikkeling in Europa te stimuleren. Civiele veiligheid («Security») is een van de onderzoeksthema’s in het Kaderprogramma en vanaf 2014 ook in de opvolger van KP7, Horizon 2020. Binnen dit thema gaat het om onderzoeksvoorstellen die leiden tot nieuwe technologie en kennis voor het bestrijden van terrorisme en georganiseerde misdaad en het verbeteren van het crisismanagement. In dit kader bestaat sinds november 2010 de Uitvoeringsovereenkomst tussen de Commissie en de regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake samenwerkingsactiviteiten op het gebied van onderzoek naar de binnenlandse en de civiele veiligheid (PbEU 2010, L 125). Het onderhavige verdrag maakt het mogelijk dat Nederland en de Verenigde Staten ook bilateraal onderzoek kunnen doen. Hier is voor gekozen omdat onder de bepalingen van dit verdrag goede afspraken over de informatie (uitwisseling) en het karakter ervan kunnen worden gemaakt. Immers tussen twee partijen is dat beter te garanderen, dan met meerdere partijen. Daarbij zullen beide partijen het openbaar maken van de onderzoeksresultaten nastreven. Tevens is bepaald dat indien een van de partijen bezwaren tegen de publicatie heeft er nadere afspraken moeten volgen over de voorwaarden alvorens tot publicatie gekomen kan worden (zie artikel 13).

Binnen de Nederlandse rijksoverheid is het ministerie van Veiligheid en Justitie eerstverantwoordelijk voor de uitvoering van het verdrag. Ook andere ministeries die taken en verantwoordelijkheden hebben op genoemde terreinen zijn betrokken bij de samenwerking op basis van het verdrag. Dit gaat vooral om de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Defensie, Economische Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, alsmede diensten en agentschappen van deze ministeries. De samenwerking op basis van het verdrag is niet beperkt tot de genoemde onderdelen van de rijksoverheid maar betreft zowel aan Nederlands als aan Amerikaanse zijde ook de wetenschappelijke gemeenschap, de kennisinstellingen en het bedrijfsleven.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Het verdrag bestaat uit 20 artikelen die hieronder worden toegelicht. Het verdrag bevat twee bijlagen. Deze Bijlagen I en II vormen op grond van artikel 18 van het verdrag een integraal onderdeel van het verdrag en zijn van uitvoerende aard. Verdragen tot wijziging van de bijlagen behoeven ingevolge artikel 7, onderdeel f, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring, tenzij de Staten-Generaal zich thans het recht tot goedkeuring ter zake voorbehouden.

Artikel 1

In dit artikel 1 worden enkele begrippen in het verdrag omschreven. Hieronder worden enkele van die begrippen verduidelijkt.

Vertrouwelijke bedrijfsinformatie is informatie waarmee een burger of een bedrijf economisch voordeel of een concurrentievoordeel kan behalen ten opzichte van burgers of bedrijven die over deze informatie niet beschikken. Er kan geen sprake zijn van vertrouwelijke bedrijfsinformatie indien de informatie algemeen bekend is, via publieke bronnen beschikbaar is of de informatie eerder zonder verplichting deze te beschermen beschikbaar is gesteld. Ten aanzien van dit begrip wordt verwezen naar Bijlage I, punt IV. In dat onderdeel wordt aangegeven dat vertrouwelijke bedrijfsinformatie beschermd wordt in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving, Amerikaanse of Nederlandse, en bestuurlijke praktijk.

Gerubriceerde informatie is, in Nederland, informatie waarvan de kennisname door niet-geautoriseerden nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen van de Staat, van zijn bondgenoten of één of meer ministeries. Dit is bepaald in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere informatie 2013 (VIRBI 2013) (Stcrt. 2013, nr. 15497). De rubriceringen en merkingen zijn bepaald in artikel 5 van dat besluit.

Gecontroleerde ongerubriceerde informatie is informatie die niet als gerubriceerde informatie wordt aangemerkt, maar waarop, op grond van wet- en regelgeving of beleid beperkingen ten aanzien van toegang en verspreiding van toepassing zijn. Voorbeelden van gecontroleerde ongerubriceerde informatie zijn persoonsgegevens of vertrouwelijke bedrijfsinformatie.

Van vitale infrastructuur wordt gesproken wanneer het gaat om producten, diensten en de onderliggende processen die, als zij uitvallen, maatschappelijke ontwrichting kunnen veroorzaken en een serieuze, negatieve impact hebben op de fysieke, economische, territoriale of ecologische veiligheid of sociaal-politieke stabiliteit. Dat kan zich voordoen als er sprake is van veel slachtoffers en/of van grote economische schade, dan wel wanneer het herstel zeer lang gaat duren en er geen reële alternatieven voorhanden zijn, terwijl de betreffende producten en diensten niet gemist kunnen worden. Vanwege de grote internationale verwevenheid van deze vitale producten en diensten is het van groot belang om Europees en mondiaal samen te werken. Verder zal vanwege de dynamiek en ontwikkelsnelheid van moderne technologieën de samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling een grote toegevoegde waarde kunnen bieden.

Need-to-know is een gangbaar uitgangspunt om toegang van individuen tot informatie objectief te verbinden met de noodzaak die er moet zijn om kennis te nemen van de betreffende informatie in relatie tot de activiteiten die in het kader van de samenwerking onder het verdrag worden uitgevoerd.

Niet-openbaarmakingsovereenkomst is een overeenkomst die Nederland of de VS, sluit met deelnemers. Het doel van een dergelijke overeenkomst is de openbaarmaking van verstrekte informatie tegen te gaan en gebruik te beperken tot het doel waarvoor de informatie is verstrekt.

Ten aanzien van deelnemer wordt, met betrekking tot het begrip regionale overheden, aan de zijde van de VS onder meer verstaan een overheid op het niveau van een desbetreffende Amerikaanse staat.

Transportveiligheid heeft betrekking op de sector transport. De transportsector is één van de randvoorwaardelijke vitale sectoren; stagneert het transport dan ondervinden andere sectoren daar onmiddellijk de gevolgen van. De veiligheid en continuïteit van deze sector is daarmee ook een randvoorwaarde voor de continuïteit van andere vitale sectoren.

Artikelen 2 en 3

Artikel 2 gaat in op de doelstellingen van het verdrag en biedt ruimte voor samenwerking op de terreinen die in de onderdelen a tot en met g van het artikel worden vermeld. In onderdeel g is bepaald dat ook bij andere door de verdragspartijen vast te stellen activiteiten op het gebied van terrorisme en nationale veiligheid kan worden samengewerkt. Aangezien het verdrag valt onder de verantwoordelijkheid van het Amerikaanse «Department of Homeland Security», zullen aan Amerikaanse zijde deze activiteiten vallen binnen de bevoegdheden van dat ministerie, te weten nationale veiligheid, terrorismebestrijding, cyber veiligheid, crisisbeheersing en migratie. Een belangrijk uitgangspunt voor de samenwerking op basis van het verdrag is dat de vrijheid en fundamentele rechten van de onderdanen van beide verdragspartijen niet worden beperkt.

Artikel 3 beschrijft de wijzen waarop de doelstellingen gerealiseerd kunnen worden. Van die manieren wordt in het eerste lid en het tweede lid een niet-limitatieve opsomming gegeven. Ingevolge het derde lid is het mogelijk om ook buiten het verdragskader om samen te werken. Dit geldt voor samenwerking met ondernemingen, door de overheid gefinancierde onderzoeks- en ontwikkelingscentra en -organisaties, als ook universiteiten. Indien evenwel samenwerking plaatsvindt met het genoemde Amerikaanse ministerie, en in het kader van die samenwerking financiering beschikbaar wordt gesteld door dat ministerie, geschiedt dit op basis van een projectakkoord als bedoeld in artikel 7 van het verdrag.

Artikelen 4 en 5

In artikel 4 wordt zowel aan Nederlandse zijde als aan Amerikaanse zijde een «uitvoerende agent» aangewezen. Deze «uitvoerende agent» is in het kader van de uitvoering van het verdrag de eerstverantwoordelijke voor het toezicht op de samenwerkingsactiviteiten in eigen land, onderzoeksagendering en voor het sluiten van projectakkoorden. Voor Nederland is de minister van Veiligheid en Justitie aangewezen als «uitvoerende agent». Voor de uitoefening van de taken is op grond van artikel 2 van de Mandaatregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011 (Stcrt. 2011, nr. 22850) mandaat verleend aan de secretaris-generaal van het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Artikel 5 bepaalt dat de Nederlandse en de Amerikaanse uitvoerende agent ieder een eigen beheerder aanwijzen die de activiteiten uit hoofde van het verdrag, zoals opgesomd in het eerste lid, bevordert. Door de uitvoerende agent van de VS is de directeur van de afdeling Internationale Programma’s van het directoraat-generaal Onderzoek en Technologie van het ministerie van Binnenlandse Veiligheid benoemd tot beheerder. Voor Nederland is de directeur van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Veiligheid en Justitie benoemd tot beheerder.

Artikelen 6 en 7

Artikel 6 bepaalt dat wanneer een samenwerkingsactiviteit of een project wordt gepland, hiervoor eerst tussen de verdragspartijen schriftelijk overeenstemming moet zijn over de aard, de reikwijdte en de duur. Ten aanzien hiervan verwijst het tweede lid naar Bijlage II waarin verschillende vormen van samenwerking worden beschreven. Voor de ondersteuning van de activiteit of het project is in het derde lid vastgelegd dat hiervoor waar nodig en opportuun contracten met onder meer aannemers worden gesloten (zie hieronder toelichting op artikel 9).

Artikel 7 geeft aan dat in de regel de samenwerkingsactiviteiten worden vorm gegeven in projecten. Aan het begin van elk project wordt een overeenkomst gesloten, het zogenoemde projectakkoord, waarbij naast de verdragspartijen ook deelnemers betrokken kunnen zijn. In het tweede lid van artikel 7 worden de voorwaarden genoemd die een akkoord moet bevatten. De voorwaarden die zijn opgenomen in een projectakkoord voorzien in een algemene beschrijving van de doelstelling, reikwijdte, duur, financiering en een beschrijving van de gerubriceerde informatie die wordt gebruikt in het project en de wijze waarop dit geschiedt. Indien een akkoord afwijkt van deze voorwaarden, dan zijn ingevolge het derde lid de voorwaarden van het verdrag doorslaggevend.

Artikel 8

Artikel 8 geeft een regeling ten aanzien van degenen die Nederland of de VS in kunnen schakelen om de samenwerkingsactiviteiten in het kader van het verdrag uit te voeren. Dit kunnen private organisaties en wetenschappelijke instellingen zijn. Deze zogenoemde deelnemers zullen ingevolge het tweede lid aan een voorafgaand onderzoek worden onderworpen. Verder is voor de deelname schriftelijke toestemming nodig van zowel de Nederlandse als de Amerikaanse uitvoerende agent. In het derde lid wordt expliciet vastgelegd dat de verdragspartij die een deelnemer betrekt bij een samenwerkingsactiviteit een rechtsbetrekking aangaat met die deelnemer. Die rechtsbetrekking kan verschillende vormen aannemen. Het ligt voor de hand dat de rechtsbetrekking de vorm aanneemt van een overeenkomst tot het verlenen van diensten waarbij de verdragspartij de opdrachtgever is en de deelnemer de opdrachtnemer. Opdrachtgever en opdrachtnemer sluiten een overeenkomst op basis van een onderzoeks- of een ontwikkelplan waarin onder andere de te leveren prestaties, de kosten en de termijnen van levering worden omschreven. Op deze overeenkomsten zijn in Nederland de wetgeving op het gebied van aanbesteding en met name de Algemene Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van diensten (ARVODI 2011, Stcrt. 22 juni 2011, nr. 10874) van toepassing. Daarnaast dient een niet-openbaarmakingsovereenkomst te worden gesloten, die de verplichting schept bepaalde informatie niet (waaronder begrepen: niet voor een bepaalde datum) openbaar te maken en/of het gebruik van die informatie te beperken (zie ook artikel 1). De overige leden van artikel 8 bepalen dat in onderling overleg afspraken gemaakt worden voor het afleggen van verantwoording door de deelnemer en de reikwijdte en frequentie hiervan, alsmede voor het geval er een bezwaar is gerezen tegen een deelnemer. Daarnaast kunnen activiteiten van een deelnemer worden opgeschort of kan de deelnemer worden vervangen.

Artikel 9

Artikel 9 bevat een regeling over de contracten die waar nodig en opportuun projectakkoorden zullen ondersteunen. De contracten moeten ervoor zorgen dat goederen of diensten worden geleverd (zie artikel 1 van het verdrag waarin het begrip contract wordt omschreven). In die contracten zijn de precieze voorwaarden opgenomen over onder meer financiering, informatiebeveiliging, beheer van intellectuele eigendom en gebruik van informatie, publicatie van onderzoeksresultaten en verkoop van onderzoeksresultaten door derden.

Artikel 10

Artikel 10 ziet op de financiering van samenwerkingsactiviteiten op basis van het verdrag. Afspraken over financiering worden voorafgaand aan de start van een samenwerkingsactiviteit gemaakt. Op basis van het verdrag kan voor verschillende wijzen van financiering worden gekozen. Dit kan betekenen dat Nederland en de VS samenwerkingsactiviteiten beide voor een evenredig deel financieren, maar ook dat één land een samenwerkingsactiviteit volledig financiert en het andere land personeel of materieel ten behoeve van een samenwerkingsactiviteit beschikbaar stelt. Ingevolge het vijfde lid worden de aldaar genoemde kosten gedragen door de VS, Nederland of een deelnemer. Het zesde lid bevat een regeling voor de gevallen dat de financiering niet toereikend is en een project niet meer voortgezet kan worden. Het zevende lid richt zich op een afspraak over de audit die in overeenstemming met de eigen nationale praktijk moet zijn. Nederland en de VS dienen ieder voor zich zorg te dragen voor een audit.

Artikel 11

In het eerste lid van artikel 11 wordt bepaald dat uitwisseling van informatie, apparatuur en materialen, waaronder ook begrepen gerubriceerde informatie en gecontroleerde ongerubriceerde informatie, altijd in overeenstemming zijn met geldende nationale wet- en regelgeving, zoals in Nederland de Wet bescherming persoonsgegevens en het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst – bijzondere informatie. Daarnaast wordt bepaald dat alle gerubriceerde en gecontroleerde ongerubriceerde informatie, die ingevolge het verdrag, en de daarbij behorende projectakkoorden, wordt verstrekt of geproduceerd, in overeenstemming met het verdrag wordt opgeslagen, behandeld, verzonden en bewaard. In principe zullen geen beperkingen worden gesteld aan de overdracht van technische gegevens, tenzij dat vanuit nationale wet- en regelgeving voor exportcontrole of toezicht op gerubriceerde informatie vereist is. Indien exportcontrole van toepassing is op informatie, apparatuur of materialen, mogen deze niet uitgewisseld worden, tenzij in overeenstemming met nationale wet- en regelgeving en beleid van de verzendende partij.

In het tweede lid worden waarborgen gecreëerd om te voorkomen dat gerubriceerde informatie die ingevolge dit verdrag wordt verstrekt of geproduceerd, verder wordt verspreid dan noodzakelijk is in het kader van de samenwerking. De afspraken, niet zijnde in verdragsvorm, zullen op het gebied van de veiligheid worden gemaakt in overeenstemming met het voornoemde Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst – bijzondere informatie. Overeenkomstig dit Voorschrift moet alle gerubriceerde informatie die wordt uitgewisseld worden voorzien van de juiste markering, opdat behandeling van de informatie door de ontvangende partij in overeenstemming met de van toepassing zijnde beveiligingseisen kan plaatsvinden (onderdeel a).

Beide verdragspartijen benoemen een beveiligingsautoriteit voor begeleiding van de implementatie en toezicht op naleving van de overeengekomen beveiligingsregelingen. De Beveiligingsambtenaar van het ministerie van Veiligheid en Justitie is voor Nederland de aangewezen beveiligingsautoriteit. Dit sluit aan bij de taken en verantwoordelijkheden die de beveiligingsambtenaar op grond van het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst – bijzondere informatie ook heeft ten aanzien van gerubriceerde informatie binnen het ministerie van Veiligheid en Justitie (onderdeel b).

Voor toegang tot gerubriceerde informatie is het uitgangspunt van «need-to-know» leidend en zal altijd voorafgaand aan kennisname een op het niveau van rubricering toegesneden betrouwbaarheidsonderzoek met goed gevolg zijn doorstaan (onderdeel c).

In projectakkoorden zal telkens geborgd worden dat de beveiligingseisen uit het verdrag nageleefd worden. Specifieke bepalingen en beperkingen kunnen daarin ook telkens worden opgenomen (onderdeel d).

Voor de bescherming van gerubriceerde informatie die in het kader van dit verdrag wordt uitgewisseld, hebben de verdragspartijen zich ertoe verplicht alle maatregelen te nemen die op grond van nationale wet- en regelgeving verplicht en toegestaan zijn. Hiervan kan slechts afgeweken worden indien de andere partij met de afwijking heeft ingestemd (onderdeel e).

Alle uitwisseling van gerubriceerde informatie zal via overheidskanalen geschieden. Voor de bescherming van ontvangen gerubriceerde informatie worden de voor het overeenkomstige nationale rubriceringsniveau vereiste beveiligingsmaatregelen genomen. Daartoe wordt alle ontvangen gerubriceerde informatie voorzien van de overeenkomstige nationale rubricering en een legenda met vermelding van het land van herkomst, de voorwaarden waaronder de informatie vrijgegeven kan worden en de vermelding van het verdrag. Dit is in overeenstemming met hetgeen in Nederland bepaald is in het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst – bijzondere informatie (onderdeel f).

Elk mogelijk verlies of elke mogelijke bekendmaking aan personen die daartoe niet zijn geautoriseerd van gerubriceerde informatie die ingevolge het verdrag is geproduceerd of verstrekt wordt onderzocht. De andere partij wordt hiervan direct op de hoogte gesteld, alsmede van de resultaten van het onderzoek en van eventuele maatregelen die genomen worden om herhaling te voorkomen (onderdeel g).

Indien informatie op grond van de nationale veiligheid gerubriceerd wordt, worden maatregelen genomen om te voorkomen dat andere, niet bij het verdrag betrokken landen direct of indirect via ingezetenen of entiteiten uit dat land toegang hebben tot deze gerubriceerde informatie. Tenzij schriftelijk overeengekomen, is hiervan geen afwijking toegestaan (onderdeel h).

Het derde lid ziet op gecontroleerde ongerubriceerde informatie en bepaalt dat de uitgangspunten voor gebruik van en toegang tot gecontroleerde ongerubriceerde informatie doelbinding en «need-to-know» zijn. Nederland en de VS verplichten zich ertoe alle krachtens wet- en regelgeving toegestane maatregelen te nemen om kennisname door ongeautoriseerden dan wel ongeoorloofde verdere verspreiding te voorkomen. Ook gecontroleerde ongerubriceerde informatie moet adequaat gemarkeerd worden om te waarborgen dat een correcte behandeling ervan plaatsvindt door de ontvangende partij (onderdeel d).

Het is niet toegestaan onder het verdrag uitgewisselde gecontroleerde ongerubriceerde informatie te gebruiken in juridische, gerechtelijke of administratieve procedures of processen of in andere processen waar dit kan leiden tot publicatie van die informatie, noch mag de informatie verstrekt worden aan buitenlandse regeringen of internationale organisaties (onderdeel f).

Het vierde lid regelt de bescherming en beveiliging ven vertrouwelijke bedrijfsinformatie. Zonder toestemming van de verstrekkende partij mag deze niet worden doorgezonden. In Bijlage I worden concrete maatregelen hiervoor benoemd. Alle deelnemers in de samenwerking moeten wettelijk verplicht zijn vertrouwelijke bedrijfsinformatie in overeenstemming met dit verdrag te beveiligen.

In het vijfde lid is bepaald dat persoonsgegevens uitsluitend worden uitgewisseld indien de verdragspartijen daartoe besluiten ter ondersteuning van een projectakkoord. Het is niet voorzien dat op basis van dit verdrag op regelmatige basis persoonsgegevens worden uitgewisseld. Voor deze formulering is gekozen om te verzekeren dat, indien toch persoonsgegevens worden uitgewisseld, dit slechts dan mogelijk is indien dat geschiedt in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving op dit terrein, met name de Wet bescherming persoonsgegevens. Indien uitwisseling niet mogelijk is of er vraagtekens bestaan over de wijze waarop van Nederlandse zijde verstrekte persoonsgegevens worden verwerkt, dan wordt ervoor gekozen om geen persoonsgegevens uit te wisselen.

Artikel 12

Artikel 12 en Bijlage I betreffen het beheer van intellectuele eigendom. Wanneer een partij achtergrondinformatie verschaft, behoudt zij al haar rechten ten aanzien van die informatie. Op de door deelnemers verstrekte achtergrondinformatie kunnen ook beperkingen van toepassing zijn van de houders van intellectuele-eigendomsrechten. Die rechten worden niet aangetast. In verband met voorgrondinformatie geldt dat elk van de partijen en/of deelnemers in het eigen rechtsgebied en in het rechtsgebied van de andere partij en/of deelnemer intellectuele-eigendomsrechten mag bezitten en exploiteren.

Elke partij heeft recht op een niet-exclusieve, onherroepelijke, royalty-vrije vergunning in alle landen voor de vertaling, verveelvoudiging en openbare verspreiding van wetenschappelijke en technische tijdschriftartikelen, rapporten en boeken die rechtstreeks uit de samenwerking in het kader van het Verdrag voortvloeien. Elk intellectuele-eigendomsrecht dat is gecreëerd door personen in dienst van of gesponsord door een partij in het kader van samenwerkingsactiviteiten, en dat geen betrekking heeft op de hiervoor genoemde artikelen, rapporten en boeken, behoort toe aan die partij. Intellectuele-eigendomsrechten gecreëerd door personen in dienst van of gesponsord door beide verdragspartijen behoren toe aan de partijen gezamenlijk.

Artikel 13

Ingevolge artikel 13 kan een publicatie over de geboekte onderzoeksresultaten plaatsvinden. Het artikel geeft hiervoor de voorwaarden aan. Publicatie van onderzoeksresultaten wordt in beginsel nagestreefd om aldus bij te dragen aan het stimuleren van verder onderzoek in de publieke of private sector. Bij het voornemen tot publicatie of enige andere vorm van openbaarmaking stelt de ene verdragspartij de andere daarvan op de hoogte onder het overleggen van het relevante materiaal. Indien deze niet binnen een termijn van 60 werkdagen heeft gereageerd mag de instemming met publicatie of openbaarmaking worden aangenomen. Indien de andere partij te kennen geeft niet akkoord te gaan met enige vorm van openbaarmaking zal hiertoe niet worden overgegaan dan nadat over de voorwaarden waaronder tot openbaarmaking overgegaan kan worden overeenstemming is bereikt. Deze bepaling laat onverlet de niet-openbaarmakingsovereenkomst die bij de start van een project kan zijn aangegaan tussen een partij en een deelnemer in een onderzoek- of ontwikkel-project waarin afspraken zijn gemaakt over het niet of beperkt openbaar maken van bepaalde informatie door de deelnemer.

Artikel 14

Artikel 14 heeft betrekking op de binnenkomst van personeel en het invoeren van apparatuur en materiaal in Nederland respectievelijk de VS. De toegang tot het wederzijdse grondgebied moet in overeenstemming zijn met de geldende douane- en visumwetgeving. Voor het Nederlandse douaneterrein moet worden voldaan aan de voorwaarden gesteld in Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG 1992, L 302), de Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PBEG 1987, L 256) en de Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PbEU 2009, L 324) inclusief de bij die verordeningen behorende uitvoeringsverordeningen. Daarnaast geldt de aanvullende nationale wetgeving in de Algemene douanewet en haar uitvoeringsbepalingen. Op het gebied van visa moet worden voldaan aan het bepaalde in Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PbEU 2009, L 243) en in Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PbEU 2001, L 81). Bij langer verblijf dan drie maanden moet worden voldaan aan de nationale wetgeving in de Vreemdelingenwet 2000. Indien in het kader van het verdrag arbeid in Nederland wordt verricht door vreemdelingen die niet de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie hebben moet worden voldaan aan de Wet Arbeid Vreemdelingen. Ten slotte moet in het geval van overbrenging van goederen voor tweeërlei gebruik in voorkomende gevallen worden getoetst aan Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (PbEG 2009, L 134) en de nationale uitvoeringswetgeving in de Algemene douanewet en het Besluit strategische goederen, alsmede aan de Wet strategische diensten. Voor de overbrenging van goederen voor tweeërlei gebruik naar de Verenigde Staten voorziet genoemde EU-verordening overigens in een Uniale Algemene Vergunning Nr. EU001, waardoor voor de meeste van die goederen geen aparte vergunning voor uitvoer naar de Verenigde Staten aangevraagd hoeft te worden.

Artikel 15

Hierboven is met betrekking tot artikel 7 een toelichting gegeven op de projecten.

Met de vaststelling van een projectakkoord wordt de algemene reikwijdte voor samenwerking op een bepaald terrein (bijvoorbeeld «cyber veiligheid») vastgelegd. Met het oog op de uitvoering van die projecten is in artikel 15 van het verdrag bepaald dat er rekening zal worden gehouden met de veiligheid van werknemers, burgers en het milieu. Voor de personen die betrokken zijn bij het project zullen maatregelen ter bescherming van het welzijn worden getroffen, zoals medische verzorging en, waar passend, financiële hulp.

Artikel 16

Artikel 16 bevat een regeling over de verkoop, bekendmaking of overdracht van het bezit van voorgrondinformatie of van apparatuur die voorgrondinformatie omvat, bijvoorbeeld door Nederland aan derden, in welk geval schriftelijke toestemming van de VS nodig is (onderdeel a). Ook wanneer Nederland te maken heeft met een verkoop, bekendmaking of overdracht door anderen, is schriftelijke toestemming van de VS nodig en moet als extra voorwaarde in acht worden genomen het beheer van intellectuele eigendom en het gebruik van informatie, zoals omschreven in artikel 12 van het verdrag (onderdeel b).

Artikelen 17 tot en met 20

De artikelen 17 tot en met 20 bevatten de gebruikelijke slotbepalingen voor een verdrag. In artikel 17 wordt een geschillenbeslechtingsprocedure geregeld. Geschillen over intellectuele eigendom worden beslecht volgens de procedure beschreven in Bijlage I, punt II, onder D.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, wordt het verdrag vanaf 29 november 2012 voorlopig toegepast, hetgeen noodzakelijk werd geacht zodat vanaf dat moment reeds een begin gemaakt kon worden met enkele projecten op het gebied van cyber veiligheid en forensische samenwerking.

Voor een voorlopige toepassing is gekozen om in te kunnen haken op bestaande of op handen zijnde onderzoeksvoorstellen, om te beginnen met name op het gebied van cybersecurity, cyberforensics en forensische samenwerking1, die positief uitwerken op de positie van Nederland op de onderzoeksmarkt. Daarbij geldt dat het van groot belang is om met projecten te kunnen starten, omdat de ontwikkelingen op deze terreinen snel gaan en vanuit het perspectief van nationale veiligheid het noodzakelijk is om de kennis en kunde op dit terrein permanent te versterken. Samenwerking met kennisinstellingen in de VS is hierbij van grote toegevoegde waarde. Indien de samenwerking vertraging oploopt krijgt Nederland nu niet reeds toegang tot relevante onderzoeksresultaten en missen Nederlandse kennisinstellingen belangrijke kansen tot samenwerking met toonaangevende Amerikaanse partners die zich nu reeds aandienen. Dit zal de kennispositie van Nederland verzwakken. Ten slotte draagt het gezamenlijke onderzoek op het brede terrein van dit verdrag bij aan de veiligheid in Nederland en leidt het tot kostenbesparingen.

De leden 4, 5 en 6 van artikel 20 hebben betrekking op de beëindiging van het verdrag. Een dergelijke beëindiging heeft geen gevolgen voor de samenwerkingsactiviteiten en projecten die tijdens de beëindiging nog niet zijn voltooid. Verder is bepaald dat de geldende rechten en verantwoordelijkheden gebaseerd op de artikelen 11, 12, 13, 16 en Bijlage I ook na de beëindiging van het verdrag blijven gelden. Met name gaat het dan om bescherming van gerubriceerde informatie die in het kader van het verdrag wordt uitgewisseld of geproduceerd.

III. Koninkrijkspositie

Artikel 20, derde lid, bepaalt dat het verdrag uitsluitend van toepassing is op het Europese deel van Nederland. Zoals in de inleiding van deze toelichtende nota is vermeld, werkt Nederland reeds intensief samen met de Verenigde Staten op het gebied van nationale en civiele veiligheid, met name op het terrein van cyber veiligheid. Dit verdrag dient ertoe de huidige samenwerkingsrelatie tussen Nederland en de VS te bestendigen. Om die reden is de reikwijdte van het verdrag vooralsnog beperkt tot het Europese deel van Nederland. Indien in de toekomst de Verenigde Staten of Aruba, Curaçao, Sint Maarten en/of het Caribische deel van Nederland met het verzoek komen om de bepalingen van dit verdrag te kunnen uitbreiden tot Aruba, Curaçao, Sint Maarten en/of het Caribische deel van Nederland, dan zal het verzoek in overweging worden genomen in samenspraak met deze Caribische delen van het Koninkrijk of de Verenigde Staten. In het geval de territoriale reikwijdte van het verdrag wordt uitgebreid, dan zal het verdrag waarin de uitbreiding wordt geregeld, uiteraard ter goedkeuring worden voorgelegd aan het parlement.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

De Minister van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans


X Noot
1

Er zijn (t/m september 2013) 4 concrete contracten tot uitvoer van projecten afgesloten: reducing challenges to making cyber security investments in the private sector; improving cyber security incident response teams skills, dynamics and efectiveness; operating system agnostic computer memory analysis; dynamic ink aging.