Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433791 nr. 7

33 791 Verduidelijking van de rookverboden in de Tabakswet, met inbegrip van een algemeen rookverbod in de horeca

Nr. 7 NADER VERSLAG

Vastgesteld 30 april 2014

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft naar aanleiding van de op 1 april 2014 ontvangen nota naar aanleiding van het verslag en nota van wijziging (Kamerstukken 33 791, nrs. 5 en 6) besloten tot het uitbrengen van een nader verslag. De commissie heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de in het nader verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende door de regering worden beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

blz.

     

Algemeen

1

     

1.

Inleiding

1

2.

Inhoud en onderbouwing

2

3.

Uitzonderingen op en alternatieven voor het rookverbod

2

4.

Gevolgen voor uitvoering, handhaving en rechtspraak, alsmede de gevolgen voor burgers, bedrijfsleven (regeldruk), overheid en milieu

3

5.

Overig

4

     

Artikelsgewijs

6

Algemeen

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en de bijbehorende nota naar aanleiding van het verslag. Genoemde leden hebben nog een aantal vragen hierbij.

De leden van de PvdA-fractie danken de regering voor haar uitgebreide beantwoording van de eerdere vragen van de Kamer en zij hebben met instemming kennisgenomen van de nota van wijziging die garandeert dat het rookverbod in de horeca een permanent karakter krijgt. Deze leden hebben geen aanvullende vragen. Zij hopen dat dit wetsvoorstel zonder verdere vertragingen met gezwinde spoed in beide Kamers kan worden behandeld en afgerond, zodat zoveel mogelijk mensen tegen de dodelijke gevolgen van tabaksrook worden beschermd, en wordt voorkomen dat een jonge, nog gezonde generatie met verslavende nicotine in aanraking komt. Dat is volgens de leden van de PvdA-fractie onze dure plicht.

De leden van de SP-fractie hebben de nota van wijziging met belangstelling gelezen. Zij hebben naar aanleiding hiervan nog enkele vragen en opmerkingen.

2. Inhoud en onderbouwing

De leden van de VVD-fractie houden ernstige bedenkingen bij het schrappen van de huidige uitzondering op het rookverbod voor kleine cafés. In de memorie van toelichting wordt aangegeven: «Meer dan voorheen wordt daarbij ingezet op het gezondheidsbelang van degenen die de horeca willen bezoeken.» Tabak is een product dat legaal gekocht en gebruikt kan worden. De uitzondering voor de kleine horeca kan eenvoudig en duidelijk worden aangegeven, zodat bezoekers een eigen keuze kunnen maken ten aanzien van welke horeca zij bezoeken. Genoemde leden achten mensen ook in staat om deze keuze zelf te maken. Deze keuzevrijheid van bezoekers én de keuzevrijheid van kleine ondernemers om te ondernemen op een door hen gekozen manier wordt aanzienlijk ingeperkt met deze wetswijziging. Graag ontvangen deze leden een reactie hierop van de regering.

De leden van de VVD-fractie maken zich grote zorgen over de mogelijkheden voor kleine horecaondernemers om hun onderneming voort te zetten na deze aanpassing. Wat is de verwachting van de regering ten aanzien van het voortbestaan en de omzetontwikkeling van kleine cafés zonder personeel, wanneer deze maatregel doorgang vindt? Kan de regering hierbij ook ingaan op die horeca die qua locatie niet kan rekenen op omzet vanwege toerisme?

De gedachtegang achter dit voorstel is dat de naleving van het rookverbod zal verbeteren wanneer alle cafés onder het rookverbod vallen. Echter, dat houdt in dat er een aanzienlijke uitbreiding is van het aantal cafés dat onder het rookverbod valt, terwijl de handhavingscapaciteit slechts beperkt zal toenemen. Dit lijkt een weinig logische redenering te zijn. Graag ontvangen de leden van de VVD-fractie hierop een reactie van de regering.

3. Uitzonderingen op en alternatieven voor het rookverbod

Bij nota van wijziging schrapt de regering de uitzonderingsmogelijkheid dat andere maatregelen getroffen kunnen worden waarmee blootstelling aan tabaksrook kan worden voorkomen, als alternatief voor het rookverbod. De argumentatie om deze mogelijkheid te schrappen ontgaat de leden van de VVD-fractie. Zoals de regering eerder had aangegeven zag deze mogelijkheid op nieuwe technieken, en werd de wet daarmee toekomstbestendig gemaakt. Die argumentatie geldt nog steeds. Deze bepaling is bovendien op geen enkele manier onduidelijk. Ook de uniformiteit van het rookverbod wordt niet aangetast. Wel biedt deze bepaling perspectief voor ondernemers, en prikkels voor ondernemers om slimme nieuwe oplossingen te bedenken. Door deze mogelijkheid nu weer te schrappen wordt dergelijke innovatie ontmoedigd. De leden van de VVD-fractie vragen de regering daarom deze wijziging te onderbouwen met relevante argumenten, en hierbij in te gaan op prikkels tot innovatie en perspectief voor ondernemers.

De regering stelt voor een zinsnede toe te voegen aan artikel 10, tweede lid, waarin wordt gesteld dat er nadere regels kunnen worden gesteld voor categorieën van ondernemers, ruimten in gebouwen en andere plaatsen waar werkzaamheden worden verricht waar het rookverbod niet voor geldt. De leden van de SP-fractie vragen of hier niet expliciet moet worden opgenomen dat het gaat om uitzonderingen die betrekking hebben op die gevallen waarin geen inbreuk kan worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. De nu gekozen formulering doet de vraag rijzen of deze uitzondering ook van toepassing kan zijn op andere categorieën. Het lijkt er in ieder geval op dat de regering die mogelijkheid openhoudt. Genoemde leden vragen of dit een bewuste keuze is en waarom de regering hiervoor kiest. Wanneer dit een bewuste keuze is vragen de leden van de SP-fractie in welke andere dan in de nota naar aanleiding van het verslag genoemde uitzonderingen de regering die bepaling kan toepassen c.q. van plan is toe te passen.

De leden van de SP-fractie vragen de regering of het schrappen van artikel 10, derde lid, waarin de mogelijkheid open wordt gehouden om in plaats van het rookverbod maatregelen te treffen die blootstelling aan tabaksrook voorkomen, er ook mee te maken heeft dat dit een puur theoretische situatie is die in de praktijk nooit bereikt zal worden. Deze leden vragen de regering waarom zij in dat geval de mogelijkheid tot een toekomstige wetsaanpassing openhoudt.

4. Gevolgen voor uitvoering, handhaving en rechtspraak, alsmede de gevolgen voor burgers, bedrijfsleven (regeldruk), overheid en milieu

De kosten van de uitbreiding van de handhaving worden gevonden binnen de begroting van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Eerder is ten aanzien van de NVWA besloten dat de heffingen voor het bedrijfsleven aanzienlijk verhoogd worden. De leden van de VVD-fractie constateren dat het beeld ontstaat dat het bedrijfsleven hiermee opdraait voor de handhavingskosten van het rookverbod. Zij vragen een reactie van de regering hierop. Daarnaast vragen deze leden hoe dit voornemen in verhouding staat tot het eerder gepresenteerde plan van aanpak om het toezicht van de NVWA te verbeteren.

De leden van de SP-fractie constateren dat de regering het zichzelf gestelde doel om de horeca rookvrij te laten zijn zeer vrijblijvend formuleert. Zij streeft «over een aantal jaren» een nalevingspercentage van 96% na voor de gehele horeca. Volgens deze leden is een echte definitieve cultuuromslag pas mogelijk wanneer de handhaving op zodanige wijze is geregeld dat de pakkans zeer hoog is. Genoemde leden vragen de regering of zij ervan overtuigd is dat de verhoging van het aantal inspecties zoals nu voorgesteld voldoende is om die cultuuromslag definitief te maken. Voorts vragen zij of de regering het met de leden van de SP-fractie eens is dat een verdere verhoging van de handhavingscapaciteit voor een aantal jaren die cultuuromslag kan bewerkstelligen. Genoemde leden vragen waarom de regering hier niet voor kiest. Daarnaast vragen deze leden de regering concreet te maken binnen hoeveel jaar de regering het nalevingspercentage van 96% voor de gehele horeca denkt te bereiken. De leden van de SP-fractie vragen de regering de benodigde handhavingscapaciteit daarop aan te passen, zodat de regering met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dit doel weet te behalen.

5. Overig

Tijdens het debat over de verhoging van de minimumleeftijd voor tabak heeft de regering toegezegd onderzoek te laten uitvoeren naar de effectiviteit van onder andere het beperken van het aantal verkooppunten.1 De leden van de SP-fractie vragen de regering wanneer de resultaten van dit onderzoek verwacht mogen worden. Genoemde leden lezen in de beantwoording van Kamervragen van het lid Van Gerven, ontvangen op 7 februari 2014, dat de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) voornemens is dat onderzoek voor het zomerreces naar de Kamer te zenden.2 Deze leden vragen of de resultaten van dat onderzoek voor de behandeling van voorliggend wetsvoorstel naar de Kamer kunnen worden gezonden. Zij denken dat dit mogelijk moet zijn omdat er al meerdere wetenschappelijke onderzoeken zijn verschenen waarin het effect van het beperken van het aantal verkooppunten wordt beschreven. Tijdens de behandeling van de wet waarin de verhoging van de tabaksleeftijd werd geregeld zijn deze onderzoeken door het lid Van Gerven aangehaald. Het ging daarbij om onderzoek gepubliceerd in het American Journal of Public Health, waaruit blijkt dat jongeren die regelmatig een winkel bezoeken waarin sigaretten staan uitgestald, 50% meer kans hebben om ooit te gaan roken. Maar ook Engels onderzoek, van onder andere de Division of Epidemiology and Public Health, waaruit blijkt dat jongeren tussen 11 en 15 jaar die dagelijks een winkel bezoeken, een twee keer zo grote kans hebben om te roken ten opzichte van jongeren tussen 11 en 15 jaar die dat slechts eenmaal per week doen. Daarop voortbordurend hoeft het geen tijdrovende klus te zijn om tot conclusies te komen over het effect van het beperken van het aantal verkooppunten. Voorts vragen de leden van de SP-fractie of de regering aanvullende maatregelen om het roken terug te dringen, waarvan uit onderzoek blijkt dat deze effectief zijn, ook gaat uitvoeren. Genoemde leden vragen dit omdat de regering lijkt te aarzelen om plain packaging in te voeren terwijl uit Australisch onderzoek blijkt dat dit een positief effect heeft op zowel rokers als jongeren die nog niet roken. De regering neemt hier een afwachtende houding aan. De leden van de SP-fractie zouden liever zien dat de regering een voortrekkersrol op zich neemt. Zij vragen waarom de regering niet pro-actiever handelt in plaats van de minimumvereisten van de nieuwe Europese tabaksproductenrichtlijn aan te houden waarin slechts 65% procent van de verpakking verplicht bestaat uit een gecombineerde gezondheidswaarschuwing van tekst en foto. Veel verstandiger zou het in de ogen van de leden van de SP-fractie zijn om de gehele verpakking te standaardiseren waardoor het lokken van (potentiële) rokers door middel van een merkbeeltenis niet meer mogelijk is.

Zoals bekend zijn de leden van de SP-fractie er voorstander van om de verkoop van sigaretten te beperken tot speciaalzaken. Daarmee wordt wat deze leden betreft ook de verkoop van sigaretten via het internet aan banden gelegd. Zij vragen de regering nader in te gaan op de afspraken die in dit kader zijn gemaakt in de Europese tabaksproductenrichtlijn. Welke uitwerking heeft deze richtlijn voor de mogelijkheden van Nederland om de internetverkoop aan banden te leggen? Genoemde leden vragen hoe de regering de verplichting gaat invullen dat er een notificatieplicht en een leeftijdsverificatiesysteem moeten komen. Voorts vragen deze leden welke lidstaten voor een verbod van verkoop op afstand kiezen en welke argumenten zij hiervoor hebben. De leden van de SP-fractie vragen waarom deze lidstaten de bezwaren niet zien die de regering wel ziet.

In de Europese tabaksproductenrichtlijn is bepaald dat de mogelijkheid blijft bestaan dat een e-sigaret mits onderbouwd als geneesmiddel wordt aangemerkt. Dit kan gebeuren op initiatief van een fabrikant of door de overheid. Tot nu toe kiest de regering er echter voor om de e-sigaret slechts door middel van een algemene maatregel van bestuur op te nemen in de Warenwet vooruitlopend op een wijziging van de Tabakswet. Allereerst vragen de leden van de SP-fractie wanneer deze algemene maatregel van bestuur te verwachten is en wanneer de daaropvolgende wijziging van de Tabakswet op dit punt naar de Kamer wordt gezonden. Ook kiest de regering ervoor om een minimumleeftijd van 18 jaar in te stellen. Met dat laatste zijn genoemde leden het uiteraard eens maar het zou naar hun mening nog beter zijn om de e-sigaret aan te merken als geneesmiddel. Uit onderzoek blijkt namelijk dat de e-sigaret tabaksfabrikanten de mogelijkheid biedt om nieuwe generaties beter te bereiken en aan het roken te helpen. Ook wordt geprobeerd de e-sigaret sociaal acceptabel te maken. Beter zou het zijn om de e-sigaret uitsluitend in te zetten om mensen te helpen bij het stoppen met roken. De leden van de SP-fractie constateren dat de regering ook hier een afwachtende houding aanneemt door erop te wijzen dat er meer onderzoek nodig is naar de e-sigaret. Dat is wat genoemde leden betreft teleurstellend. Liever zouden deze leden zien dat de regering het voortouw neemt in het beschermen van mensen tegen een rookverslaving en het bieden van mogelijkheden voor mensen om van een rookverslaving af te komen. Het aanmerken van de e-sigaret als geneesmiddel past daar wat deze leden betreft bij. Genoemde leden vragen welke lidstaten hier wel voor kiezen en welke argumenten zij hiervoor hebben. Voorts vragen deze leden waarom de regering dit nalaat.

In de brief van de Staatssecretaris van VWS van 28 november 2013 staat te lezen dat de NVWA constateert dat de reclame voor de e-sigaret zich vooral richt op de positieve eigenschappen van het product terwijl de negatieve aspecten onderbelicht blijven.3 Er zijn zelfs reclames op tv waarin gesuggereerd wordt dat uitgeademde lucht van e-sigaretten veilig is. De NVWA constateert echter dat de uitgeademde lucht schadelijke stoffen kan bevatten. De leden van de SP-fractie vragen of de regering naar aanleiding hiervan van plan is vooruitlopend op opname in de Tabakswet ook een verbod op reclame voor de e-sigaret in te voeren. Deze leden merken hierbij op dat het aanmerken van de e-sigaret als geneesmiddel dit probleem direct oplost omdat reclame voor geneesmiddelen niet is toegestaan. Genoemde leden vragen of de regering deze visie deelt.

In algemene zin vragen de leden van de SP-fractie op welke termijn de regering voornemens is de Europese tabakproductenrichtlijn om te zetten in nationale wetgeving. Genoemde leden vragen of de regering van plan is voortvarend aan de slag te gaan met een verbod op kenmerkende aroma’s dat uit de richtlijn voortkomt. Voorts vragen deze leden uit welke personen het onafhankelijk comité van experts zal bestaan dat bij twijfel beoordeelt of een aroma «kenmerkend» is of niet. Daarnaast vragen zij welke criteria worden gehanteerd om te bepalen of een aroma kenmerkend is of niet. De leden van de SP-fractie vragen de regering te benoemen welke aroma’s als kenmerkend zullen worden aangemerkt en welke niet. Genoemde leden vrezen dat de tabaksindustrie er alles aan zal doen om het voor te laten komen alsof een aroma niet kenmerkend is om dit product op die manier op de markt te houden. Deze leden vragen of de regering die vrees deelt en hoe zij gaat voorkomen dat dit gebeurt. De leden van de SP-fractie vinden het teleurstellend dat producten met een kenmerkend aroma die een omzet hebben van drie procent of meer binnen een productcategorie vier jaar worden uitgezonderd. Genoemde leden vragen welke aroma’s het hier naast menthol betreft. Voorts vragen deze leden welke mogelijkheden er zijn om hiervan af te wijken en eerder over te gaan tot een verbod.

Artikelsgewijs

Artikel III

De leden van de SP-fractie vragen waarom de regering ervoor heeft gekozen om de inwerkingtredingsbepaling flexibeler te maken zodat het mogelijk wordt dat delen van de wet later in werking kunnen treden. Deze leden vragen aan welke delen van de wet de regering denkt en zij vragen de regering te motiveren waarom zij dit noodzakelijk acht.

De voorzitter van de vaste commissie, Neppérus

De adjunct-griffier van de vaste commissie, Clemens


X Noot
1

Handelingen II, 2013/14, nr. 8, item 6.

X Noot
2

Aanhangsel Handelingen II, 2013/14, nr. 1150.

X Noot
3

Kamerstuk 32 793, nr. 111.