Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2016-201733716 nr. K

33 716 Wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Wet op het kindgebonden budget, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet studiefinanciering 2000 en enige andere wetten in verband met hervorming en versobering van de kindregelingen (Wet hervorming kindregelingen)

K VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 16 februari 2017

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 heeft kennisgenomen van de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 september 2016 en de daarbij aangeboden BUS-E Monitor Alleenstaande Ouders.2 Naar aanleiding hiervan is bij brief van 12 oktober 2016 een aantal vragen gesteld aan de Minister.

De Minister heeft op 14 februari 2017 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van Dooren

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Den Haag, 12 oktober 2016

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 14 september 2016 en de daarbij aangeboden BUS-E Monitor Alleenstaande Ouders.3 De leden van de fracties van SP en ChristenUnie, daarin gesteund door de fractie van GroenLinks, leggen u naar aanleiding van deze brief nog graag enkele vragen voor.

Het valt de leden van de ChristenUnie-fractie op dat de brief en de onderzoekconclusies onvoldoende op elkaar aansluiten. Zo ontbreekt de beleidsmatige reflectie op een van de kernconclusies van het onderzoek, namelijk dat gemeenten hun zorg uiten dat de doelgroep die geraakt wordt door het aflopen van het overgangsrecht veel groter is dan de nieuwe instroom die in de monitor onder de loep is genomen.4 De leden van de fractie van de ChristenUnie verzoeken alsnog om deze bredere beleidsmatige reflectie.

De leden van de fracties van SP en GroenLinks sluiten zich aan bij dit verzoek om een bredere beleidsmatige reflectie. De leden van de beide fracties verzoeken u tevens om de conclusies naar aanleiding van het BUS-E rapport ter advies voor te leggen aan de Landelijke Cliëntenraad (LCR) en vernemen graag dit advies en uw reactie daarop.

De leden van de commissie zien uw antwoord met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A.H.G. Rinnooy Kan

BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 februari 2017

Met mijn brief d.d. 14 september 2016 heb ik u de BUS-E Monitor Alleenstaande Ouders van het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) toegezonden. Naar aanleiding van de inhoud van deze monitor, hebben de leden van de fracties van SP en ChristenUnie, daarin gesteund door de fractie van GroenLinks, in de brief van 12 oktober 2016 nog een aantal vragen aan mij voorgelegd.

Volgens de vragenstellers zouden mijn brief van 14 september 2016 en de onderzoekconclusies in de monitor onvoldoende op elkaar aansluiten omdat een beleidsmatige reflectie op een van de kernconclusies van het onderzoek ontbreekt. De vragenstellers doelen hierbij op de zorg die gemeenten hebben geuit dat de doelgroep die geraakt wordt door het aflopen van het overgangsrecht veel groter is dan de nieuwe instroom die in de monitor onder de loep is genomen. Genoemde leden verzoeken mij alsnog om deze bredere beleidsmatige reflectie. Voorts verzoeken de leden van de SP en GroenLinks om de conclusies naar aanleiding van het BUS-E rapport ter advies voor te leggen aan de Landelijke Cliëntenraad (LCR).

In verband daarmee het volgende.

De CBS monitor geeft onder andere weer hoe groot de groep nieuw instromende alleenstaande ouders met toeslagpartner is, die geen recht heeft op de alleenstaande ouderkop en die een beroep doet op bijzondere bijstand; hoe dat zich verhoudt tot andere groepen alleenstaande ouders en hoe gemeenten hiermee omgaan. Zoals ik in mijn brief d.d. 14 september jl. meldde, blijkt uit de monitor dat alleenstaande ouders met toeslagpartner in de bijstand niet meer of vaker bijzondere bijstand krijgen dan andere groepen alleenstaande ouders. Deze groep blijkt volgens de gegevens uit de monitor verhoudingsgewijs geen bovenmatig beroep op bijzondere bijstand te doen.

In uw brief van 12 oktober 2016 vraagt u naar een beleidsmatige reflectie op de groep alleenstaande ouders zonder toeslagpartner, die vanaf 1 januari 2016 is geraakt door het aflopen van het overgangsrecht en daardoor alsnog met een inkomensachteruitgang te maken krijgt. In de monitor is te lezen dat deze overgangsgroep de gemeenten zorgen baart, omdat deze veel groter is dan de groep nieuwe instroom in 2015. De monitor meldt hieromtrent dat de nieuwe instroom 2015 uit een groep van 2450 alleenstaande ouders bestaat, en dat de overgangsgroep uit 3940 personen bestaat. Voor wat betreft de nieuwe instroom in 2015 bevat de CBS monitor representatieve kwantitatieve informatie over de mate waarin compensatie via de bijzondere bijstand heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van de in de monitor geuite zorgen «door gemeenten» is echter een nuancering op zijn plaats. Het betreft hier namelijk uitdrukkelijk aanvullende informatie uit diepte-interviews bij een aantal grote(re) gemeenten, met als doel meer inzicht te verkrijgen in de werkwijze die wordt gehanteerd om alleenstaande ouders zonder toeslagpartner al dan niet te compenseren via de bijzondere bijstand. Deze gemeenten kunnen volgens het CBS echter niet als een representatieve steekproef worden aangemerkt. Bovendien bevat de monitor geen kwantitatieve informatie over de mate waarin deze overgangsgroep in 2016 door gemeenten is gecompenseerd met bijzondere bijstand.

Om met betrekking tot dit laatste punt alsnog beleidsmatig inzicht te verkrijgen heb ik het CBS gevraagd om een aanvullend kwantitatief onderzoek te doen naar de groep bijstandsgerechtigden waarvan op 1 januari 2016 het overgangsrecht verliep. Naar verwachting heb ik hier aan het eind van het zomerreces 2017 de beschikking over en zal ik vervolgens aan de hand van de door het CBS te genereren gegevens meer inhoudelijk op uw verzoek ingaan.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Nagel (50PLUS), Ten Hoeve (OSF), Ester (CU) (vice-voorzitter), De Grave (VVD), Hoekstra (CDA), Postema (PvdA),Sent (PvdA), Kok (PVV), Kops (PVV), Dercksen (PVV), Don (SP), Bruijn (VVD), Van Kesteren (CDA), Krikke (VVD), Lintmeijer (GL), Meijer (SP), Nooren (PvdA), Oomen-Ruijten (CDA), Prast (D66), Rinnooy Kan (D66) (voorzitter), Rombouts (CDA), Schalk (SGP), Schnabel (D66), Teunissen (PvdD), Van de Ven (VVD), vac. (PvdA), Köhler (SP).

X Noot
2

Kamerstukken I 2015/16, 33 716, J en bijlage.

X Noot
3

Kamerstukken I 2015/16, 33 716, J en bijlage.

X Noot
4

Rapport BUS-E Monitor Alleenstaande ouders, p. 40.