Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333645 nr. 3

33 645 Aanpassing van een aantal OCW-wetten voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba voornamelijk in verband met wijzigingen in de equivalente onderwijswetten voor Europees Nederland (Aanpassingswet OCW-wetten BES)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

1. Algemeen deel

1.1. Achtergrond

De wetten op het terrein van het onderwijs die gelden in Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba), de zogenaamde BES-onderwijswetten zijn in belangrijke mate ontleend aan de onderwijswetten die gelden in het Europese deel van Nederland. Uiteraard zijn zij aangepast aan de bijzondere omstandigheden op de eilanden. Zij verschillen echter alleen voor zover die specifieke situatie daartoe aanleiding geeft. De wetteksten die de basis hebben gevormd voor de BES-onderwijswetten zijn de teksten van Europees Nederlandse onderwijswetten (EN-onderwijswetten) zoals deze luidden op 1 augustus 2009.

Sinds januari 2011 wordt bij voorgenomen wijzigingen van Europees Nederlandse onderwijswetten als onderdeel van de procedure altijd bezien of de desbetreffende wijziging ook in de equivalente BES-wet moet plaatsvinden. Als een wijziging ook voor Caribisch Nederland moet gelden dan wordt in het betrokken wetsvoorstel ook een wijziging van de desbetreffende BES-wet opgenomen. Als niet gekozen wordt voor het wijzigen van de BES-wet, dan wordt die keuze in de toelichting op het wetsvoorstel verantwoord.

In de tijd tussen 1 augustus 2009 en januari 2011 zijn de EN-onderwijswetten verscheidene malen gewijzigd. Om geen ongewenste verschillen te laten bestaan tussen de Europees Nederlandse wetten en die voor Caribisch Nederland, is een inventarisatie gemaakt van alle wijzigingen die tussen augustus 2009 en januari 2011 in de Europees Nederlandse wetten hebben plaatsgevonden.1 Het gaat om wijzigingen van de Wet op het primair onderwijs (WPO), de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO), de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB), de Leerplichtwet 1969 (Lpw 1969) en de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf). Gezien deze achtergrond zijn alle wijzigingen waarvan geconcludeerd is dat er geen reden is voor afwijking van de Europees Nederlandse regels, in het onderhavige wetsvoorstel samengevoegd. Hetzelfde geldt voor de voorgestelde wijzigingen die tot een aan de situatie in Caribisch Nederland aangepaste regeling hebben geleid.

Vervolgens is van elk van de wijzigingen nagegaan of deze ook in de equivalente BES-wet zou moeten worden opgenomen. Het uitgangspunt daarbij is, zoals hiervoor al is weergegeven, dat de BES-wetten alleen mogen afwijken van de EN-wetten als de situatie op de eilanden daarom vraagt. Hoewel dit uitgangspunt leidt tot nieuwe regelgeving voor Caribisch Nederland, is er geen sprake van strijd met de afspraken rond legislatieve terughoudendheid. Deze afspraken hebben namelijk voor de OCW-wetgeving een andere invulling gekregen.2 Voor de onderwijswetgeving houdt de legislatieve terughoudendheid in dat de regels weliswaar worden gesteld, maar dat zij gefaseerd worden ingevoerd.De regels die in het onderhavige wetsvoorstel worden gesteld, leiden nauwelijks tot een belasting van scholen en overheid in Caribisch Nederland. Het gaat om wijzigingen die op twee uitzonderingen na (artikel II, onderdeel F, en artikel III, onderdeel J), pas op termijn effect zullen krijgen, hoewel wordt voorgesteld om de wijzigingen direct in werking te laten treden. Daarmee voldoet ook dit wetsvoorstel aan het uitgangspunt dat legislatieve terughoudendheid richtsnoer is bij het introduceren van nieuwe regels. Bij elke voorgestelde wijziging is in deze toelichting aangegeven welke inwerkingtredingstermijn voor ogen staat.

Het onderhavige wetsvoorstel bevat allereerst de wijzigingen waarvoor de conclusie is getrokken dat er op de eilanden geen uitzonderlijke situatie bestaat die noopt tot afwijkende regelgeving. In die gevallen zijn de wijzigingen van de Europees Nederlandse onderwijswetten onverkort overgenomen in de BES-wetten. Ten aanzien van fusies is geconcludeerd dat er voor Caribisch Nederland weliswaar behoefte bestaat aan regels, maar dat deze gelet op het aantal scholen op de eilanden anders moeten zijn dan de Europees Nederlandse regels. Het voorstel bevat (in de volgorde van het wetsvoorstel) wijzigingen van de Leerplichtwet BES (Lpw BES), de Wet educatie en beroepsonderwijs BES (WEB BES), de Wet primair onderwijs BES (WPO BES) en de Wet voortgezet onderwijs BES (WVO BES).

De wijzigingen die sinds augustus 2009 zijn aangebracht in de Wsf, hebben geen van alle tot een voorstel tot wijziging van de Wet studiefinanciering BES (Wsf BES) geleid. Voor een aantal van deze wijzigingen geldt dat zij betrekking hebben op onderwerpen die in de Wsf BES geheel niet of geheel anders zijn geregeld dan in de Wsf. Het gaat om een wijziging in verband met de OV-chipkaart die we in Caribisch Nederland niet kennen. Verder betreft het een wijziging in de begripsomschrijving van de opleidingen op verschillende niveaus in de Wsf; een onderscheid dat de BES-wet niet maakt. Tenslotte is de Wsf gewijzigd met betrekking tot de periode van langdurige afwezigheid, hetgeen ook een onderwerp is dat de Wsf BES niet kent. Deze wijzigingen of wijzigingsvoorstellen geven dan ook geen aanleiding een wijziging in de Wsf BES voor te stellen.

In het onderhavige wetsvoorstel zijn initiatiefvoorstellen niet betrokken. De regering gaat ervan uit dat de initiatiefnemers zelf aandacht zullen besteden aan de vraag of de wijziging die wordt voorgesteld voor de Europees Nederlandse wet ook aangebracht zal moeten worden in de Caribisch Nederlandse wet.

Ook bevat het wetsvoorstel een wijziging van het overgangsrecht met betrekking tot de voorziening in de onderwijshuisvesting in Caribisch Nederland. Een deel van deze wijziging is ook opgenomen in het wetsvoorstel overheveling taak en budget voor aanpassingen in de onderwijshuisvesting waarmee de ministerraad op 8 februari 2013 heeft ingestemd en zal tezijnertijd uit dat wetsvoorstel worden geschrapt. Een ander deel is nieuw. Het doel van deze aanvullende wijziging is het verbeteren van de aansluiting van het desbetreffende wetsartikel op de gewenste c.q. gegroeide uitvoeringspraktijk.

Ten slotte bevat het wetsvoorstel een wijziging van de Monumentenwet BES die inhoudt dat er voor elk van de openbare lichamen in Caribisch Nederland een Meldpunt maritiem archeologisch erfgoed zal zijn. Het gaat om een wijziging waardoor de thans geldende (Antilliaanse) regeling in de Monumentenwet BES wordt vastgelegd.

1.2. De gemaakte keuzes ten aanzien van een aantal hoofdpunten

Hieronder wordt ten aanzien van een aantal belangrijke beleidspunten de keuze voor het al dan niet opnemen in de BES-onderwijswetten verantwoord. Voor het overige zijn de keuzes toegelicht in het artikelsgewijze deel van deze memorie.

1.2.1. Referentieniveaus

In 2010 is voor Europees Nederland de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen tot stand gekomen (Stb. 2010, 194). Bij deze wet zijn referentieniveaus voor Nederlandse taal en rekenen geïntroduceerd in het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs, het beroepsonderwijs en het volwassenenonderwijs.

In de WVO zijn die referentieniveaus verwerkt in de eindexamenprogramma’s Nederlandse taal en Nederlandse taal en literatuur en is een rekentoets onderdeel geworden van het eindexamen. Dankzij de koppeling tussen het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) en het reguliere voortgezet onderwijs, geldt dit ook voor het vavo.

In de WEB houdt de regeling van de referentieniveaus in de opdracht aan de minister om bij het vaststellen van de kwalificatieniveaus voor het beroepsonderwijs de referentieniveaus in acht te nemen. Voorts is er centrale examinering ingevoerd voor de onderdelen Nederlandse taal en rekenen.

Ook in de WPO zijn naar aanleiding van de introductie van de referentieniveaus wijzigingen aangebracht.

De regering acht het op dit moment niet verstandig in Caribisch Nederland voor het basisonderwijs referentieniveaus in te voeren. De scholen zijn daarvoor op dit moment te veel in beweging. Er wordt op dit moment gewerkt aan de implementatie van de Onderwijsagenda Caribisch Nederland. Hierin is het doel opgenomen dat in het schooljaar 2016–2017 de onderwijskwaliteit van de scholen in Caribisch Nederland op een naar Nederlandse en Caribische maatstaven aanvaardbaar niveau is.

De scholen zijn bezig met het implementeren van onderwijsverbeterplannen die met name gericht zijn op het verbeteren van het taal- en rekenonderwijs. Op deze manier krijgen zij de tijd om ervaring op te doen en dit geeft hen ook de ruimte om zelf taalbeleid te ontwikkelen waarvoor draagvlak in de samenleving bestaat. Dit is met name belangrijk vanwege de bestaande situatie met een tweede, gelijkwaardige instructietaal naast het Nederlands: Papiaments op Bonaire en Engels op Sint Eustatius. Voor Saba geldt een afwijkende regeling (zie Tweede aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba-B, Kamerstukken II 2009/10, 32 419, nr. 3, toelichting op artikel 10.16).

Op basis van soortgelijke overwegingen worden voor het beroepsonderwijs eveneens op dit moment geen verdergaande regels betreffende de referentieniveaus voorgesteld. In Caribisch Nederland wordt het beroepsonderwijs vormgegeven op basis van eindtermendocumenten of, voorlopig nog alleen op verzoek van de school zelf, dezelfde kwalificatiedossiers als in het Europese deel van Nederland. In laatstgenoemde documenten zijn de onderdelen Nederlandse taal en rekenen al opgenomen en deze maken aldus deel uit van de exameneisen. Verdere regelgeving zal in het bijzonder betrekking hebben op de invoering in Caribisch Nederland van centrale examinering voor deze onderdelen. Dat vergt een zorgvuldig invoeringstraject. Daartoe zal op termijn een afzonderlijk voorstel worden voorbereid.

Anders ligt het voor het voortgezet onderwijs. Met ingang van het schooljaar 2014/2015 worden voor het voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland (voor een belangrijk deel) dezelfde examens afgenomen als in het Europese deel van Nederland. Dit betekent dat de leerlingen in beide delen van Nederland op dat moment hetzelfde niveau moeten hebben. In de examens Nederlandse taal zullen voor het vmbo in het schooljaar 2014/2015, voor de havo in het schooljaar 2015/2016 en voor het vwo in het schooljaar 2016/2017 de referentieniveaus verwerkt worden. Zie voor de regeling van de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen in de WVO BES artikel IV, onderdelen A, C, G, H en I.

Aangezien de examens voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland (met uitzondering van Saba) hetzelfde zullen zijn als die in het Europese deel van Nederland, dienen de referentieniveaus op grond van de gewijzigde WVO BES gelijkluidend te zijn aan de referentieniveaus die op grond van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen voor het voortgezet onderwijs zijn vastgesteld. Zoals hiervoor al ten aanzien van de regeling voor Europees Nederland is opgemerkt, gelden – dankzij de koppeling tussen het vavo en het reguliere voortgezet onderwijs – de referentieniveaus ook voor het vavo. Aangezien er op dit moment geen vavo wordt aangeboden in Caribisch Nederland, heeft deze wijziging slechts in theorie betekenis.

Wetstechnisch wijkt het systeem voor de referentieniveaus af van het voor Europees Nederland geldende systeem. Omwille van de overzichtelijkheid is er niet voor gekozen om een aparte Wet referentieniveaus BES te maken. De referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen zijn verweven in de WVO BES.

1.2.2. Fusieregels

Ten aanzien van mogelijke fusies is de situatie in Caribisch Nederland niet te vergelijken met die in Europees Nederland. Zo zijn er in Caribisch Nederland, verdeeld over de eilanden, maar 12 scholen voor basisonderwijs (7 op Bonaire, 4 op Sint Eustatius en 1 op Saba) en is er op elk van de eilanden maar één school voor voortgezet onderwijs. Bestuurlijke fusies (dat wil zeggen fusies tussen schoolbesturen of de overdracht van de instandhouding van een school aan een ander bestuur) van scholen voor voortgezet onderwijs op de verschillende eilanden zijn theoretisch denkbaar, maar dermate onwaarschijnlijk dat voor dergelijke fusies in de WVO BES geen regels worden voorgesteld. Ook voor fusies tussen instellingen voor beroepsonderwijs zijn geen regels nodig. Evenmin zijn regels nodig voor fusies tussen scholen voor voortgezet onderwijs en instellingen voor beroepsonderwijs.

Tussen scholen voor basisonderwijs onderling kan wel sprake zijn van fusies (zowel institutioneel als bestuurlijk). In Europees Nederland is een fusietoets vereist bij:

  • a. bestuurlijke fusies als daarbij minimaal 10 scholen betrokken zijn of

  • b. institutionele fusies als daarbij ten minste 500 leerlingen betrokken zijn.

In Caribisch Nederland zijn deze regels niet toepasbaar omdat er sprake is van een beperkt aantal scholen met een relatief geringe omvang in leerlingenaantallen. Waar in Europees Nederland een rem op schaalvergroting gewenst is, ligt dat in Caribisch Nederland dus heel anders.

Bij scholen van een geringe omvang is de kwaliteit van het onderwijs vaak een kwetsbaar punt. Institutionele fusies kunnen de kwaliteit ten goede komen, waardoor dergelijke fusies niet bezwaarlijk zijn. Omdat de scholen in Caribisch Nederland zo klein zijn kunnen institutionele fusies juist wenselijk zijn om de kwaliteit van het onderwijs beter te kunnen waarborgen; overheidsinvloed bij institutionele fusies is dan ook niet nodig.

Om blijvend te kunnen voorzien in voldoende keuzevrijheid tussen besturen is het wel wenselijk de mogelijkheid te hebben tot het stellen van regels bij bestuurlijke fusies. Om die reden wordt een wijziging van de WPO BES voorgesteld die inhoudt dat bij ministeriële regeling voorschriften kunnen worden gegeven omtrent bestuurlijke fusies. Het kan daarbij gaan om bestuurlijke fusies binnen het basisonderwijs en tussen het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Het voorgestelde artikel geeft een niet limitatieve maar wel richtinggevende opsomming van de onderwerpen waarop deze voorschriften betrekking kunnen hebben. Het gaat om de mogelijkheid toestemming vooraf te eisen (een fusietoets), criteria te stellen of eisen te stellen aan de procedure die in acht moet worden genomen; zie artikel III, onderdeel C.

1.2.3. Minimumleerresultaten

Ten aanzien van de regeling van de minimumleerresultaten werd in de memorie van toelichting bij de Tweede Aanpassingswet Bonaire, Sint Eustatius en Saba – B als volgt aangegeven dat de introductie daarvan in Caribisch Nederland niet wenselijk is.

«In de WPO is, net als in de [...] WVO, een bepaling over minimumleerresultaten als bekostigingsvoorwaarde opgenomen. Voor het primair onderwijs geldt dat de leerresultaten ernstig of langdurig tekortschieten als over een periode van drie jaren de resultaten van taal en rekenen te laag zijn. Deze minimumleerresultaten worden in het Europese deel van Nederland uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur en vervolgens in een ministeriële regeling. Op basis van onder meer een vergelijking van leerresultaten van leerlingen van scholen in dezelfde schooljaren met een vergelijkbaar leerlingenbestand wordt een minimum normering vastgesteld. Bij langdurig achterblijven van de leerresultaten in vergelijking met deze normering, kan de minister uiteindelijk overgaan tot het beëindigen van de bekostiging van een bijzondere school dan wel het opheffen van de openbare school. Het onderwijs op de BES zal echter eerst een lange periode van aanpassing moeten doormaken en de scholen zullen – net als in het Europese deel van Nederland het geval was – ook de tijd moeten krijgen om vertrouwd te raken met het inspectietoezicht om te kunnen komen tot billijke toepassing van deze «ultieme sanctie». Op de BES is het leerlingenbestand te klein om de normering van de minimumleerresultaten te onderbouwen met een vergelijking zoals die in het Europese deel van Nederland wordt gemaakt tussen scholen met dezelfde schooljaren en met een vergelijkbaar leerlingenbestand. De veranderingen in de inhoud van het onderwijs als gevolg van de inwerkingtreding van de WPO BES en de WVO BES zullen zodanig zijn, dat vooralsnog de ervaring ontbreekt om op basis van de meting van de resultaten een normering vast te stellen. Zo is in augustus 2011 gestart met het eerste leerjaar volgens de WVO BES. De eerste examens die in overeenstemming met de WVO BES zullen worden afgenomen zullen dan 4, 5 of 6 jaar later plaatsvinden. Als drie jaar lang examens conform de WVO BES zijn afgenomen is het wellicht mogelijk om tot een onderlinge vergelijking te komen. Ook het gegeven dat op de BES het primair onderwijs in twee instructietalen wordt aangeboden komt de vergelijkbaarheid van de meting van de resultaten niet ten goede. De bepaling over minimumleerresultaten uit de WPO, inclusief de grondslag voor een algemene maatregel van bestuur, is dan ook niet overgenomen. Ook de uiterste consequentie van ernstig of langdurig tekortschietende leerresultaten, namelijk de mogelijkheid om een school te sluiten, is daarmee ook niet opgenomen in de WPO BES en de WVO BES. Overigens blijven ook bij het ontbreken van de mogelijkheid om een school te sluiten bij ernstig of langdurig tekortschietende leerresultaten, nog voldoende mogelijkheden overeind om slagvaardig op te kunnen treden bij onvoldoende onderwijskwaliteit. Wat betreft de kwaliteit van het onderwijs zal het toezichtskader van de inspectie ook op de BES toegepast worden. De inspectie kan verder prestatieafspraken maken met scholen, de mogelijkheden die nu in de WVO en de WPO bestaan om bekostiging in te houden of op te schorten worden opgenomen in de WPO BES en de WVO BES en ook de aanwijzingsbevoegdheid wordt overgenomen (artikel 128 van de WPO BES).»

Het vorenstaande geldt nog onverkort. Er worden op het punt van minimumleerresultaten dan ook geen wijzigingsvoorstellen gedaan.

1.2.4. Wijzigingen met betrekking tot het meldingsregister relatief verzuim

Een aantal van de tussen 1 augustus 2009 en 1 januari 2011 tot stand gekomen wetten bevatten wijzigingen met betrekking tot het meldingsregister voor relatief verzuim. Aangezien in Caribisch Nederland niet met een centraal meldingsregister wordt gewerkt behoeven deze wijzigingen niet in de CN-onderwijswetten te worden overgenomen.

1.2.5. Wijziging van het overgangsrecht voorziening in de huisvesting in Caribisch Nederland

In de Tweede halfjaarrapportage 2012 BES signaleert de Cft (Commissie Financieel Toezicht) dat de huidige BES wetgeving om diverse redenen niet altijd volledig wordt nageleefd. Dat vraagt volgens het Cft om een antwoord op de principiële vraag of dergelijke wetgeving uit een oogpunt van uitvoering en toezicht gehandhaafd moet worden. Ook voor artikel 167a Wet primair onderwijs BES, artikel 11.1b van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en artikel 208 van de Wet voortgezet onderwijs BES geldt dat deze wettelijke voorschriften niet naar de letter worden nageleefd. De regering en alle andere betrokkenen zijn van mening dat aanpassing wenselijk is. Beoogd wordt om de wettelijke regeling in overeenstemming te brengen met de praktijk zoals die door alle betrokkenen wenselijk wordt geacht. Een en ander zal hierna puntsgewijs worden toegelicht.

  • 1. Aangezien gebleken is dat de overgangsperiode van 2011–2015 te kort is om de huisvesting in Caribisch Nederland op een acceptabel niveau te brengen, wordt het overgangrecht met twee jaar verlengd. Gebleken is dat pas later met aanpassing van de huisvesting kon worden begonnen dan beoogd. Bovendien is er in Caribisch Nederland sprake van een beperkte bouwcapaciteit. Tenslotte zijn meer en ingrijpender aanpassingen van de huisvesting nodig dan aanvankelijk gedacht. Dit alles maakt dat de thans geldende looptijd met twee jaar moet worden verlengd.

  • 2. In genoemde artikelen dient tot uitdrukking te worden gebracht dat de basis voor de huisvestingsplannen is gelegen in de convenanten die tussen de Staat en de afzonderlijke openbare lichamen zijn gesloten en dat de huisvestingsplannen per eiland worden vastgesteld. Dit brengt ook mee dat de Minister met de desbetreffende openbare lichamen slechts overlegt over het plan dat het openbare lichaam aangaat.

  • 3. De geldstroom dient anders te worden geregeld. Werd aanvankelijk uitgegaan van een bijzondere uitkering aan de Openbare lichamen die op de eilandsbegroting beheerd zou worden en die aan OCW verantwoord moest worden, thans worden de budgetten van OCW en van de eilanden beheerd op de OCW-begroting. OCW schiet de bijdrage van de eilanden ten behoeve van de Onderwijshuisvestingsplannen in de periode 2012–2017 voor door middel van een renteloze lening als bedoeld in artikel 89 van de Wet financiën Openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Met de Openbare lichamen is afgesproken dat het gehele budget – de bijdrage van OCW én de renteloze lening aan de Openbare lichamen – beheerd wordt op de OCW-begroting en dat het programma- en projectmanagement ter uitvoering van de plannen bij de Rijksgebouwendienst wordt belegd. De renteloze lening wordt door de Openbare lichamen afgelost doordat jaarlijks een bedrag in mindering wordt gebracht op de vrije uitkering uit het BES-fonds conform een met de Openbare lichamen afgesproken ritme. Het bedrag dat in mindering wordt gebracht op de vrije uitkering wordt overgeboekt van de begroting van BZK naar die van OCW.

  • 4. Om te borgen dat de openbare lichamen daadwerkelijk de afgesproken voorzieningen in de huisvesting zouden treffen voor alle scholen en instellingen, is nu nog in artikel 167a bepaald dat de plannen integraal, inclusief de per project beschikbare budgetten, bekend moeten worden gemaakt aan de instellings- en schoolbesturen en in de Staatscourant moeten worden gepubliceerd. Het belang van publicatie is aanmerkelijk minder geworden doordat de onderwijshuisvesting zich heeft ontwikkeld tot een (tijdelijke) taak voor de rijksoverheid die in gezamenlijkheid met de openbare lichamen wordt uitgevoerd (zie hiervoor). Nu de huisvestingsplannen integraal zijn vastgelegd in convenanten wordt het belang van publicatie nog minder en bestaat er geen bezwaar tegen de plannen uitsluitend per eiland en op hoofdlijnen te publiceren. Daarnaast moet worden vastgesteld dat de aanbestedingspositie van de onderhavige projecten aanzienlijk verslechtert door het bekendmaken van de projectbudgetten. Daarom wordt voorgesteld om het plan slechts op hoofdlijnen en de budgetten slechts per eiland bekend te maken. Concreet zullen de in de convenanten afgesproken totaalbedragen worden vermeld die OCW en het betreffende openbaar lichaam bijdragen in de kosten van de uitvoering van de plannen.

  • 5. Er kan een bestuurlijke vereenvoudiging worden aangebracht. Niet langer hoeft te worden voorgeschreven dat jaarlijks een besluit wordt genomen om het plan al dan niet te wijzigen. Deze vereenvoudiging beperkt de administratieve lasten.

  • 6. Aangezien de kinderopvang niet meer onder de beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap valt, wordt de voorziening in de huisvesting van kinderopvanginstellingen uit de WPO BES gehaald. Er is voor dat beleidsterrein dan ook geen budget meer beschikbaar op de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Dit is conform de afspraken die zijn uitgewerkt in drie convenanten die op 10 oktober 2012 zijn ondertekend door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de gedeputeerden van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.3

Het hiervoor beschreven overgangsregime geldt voor het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs. De artikelen 167a van de Wet primair onderwijs BES, 208 Wet voortgezet onderwijs BES en 11.1b Wet educatie en beroepsonderwijs BES zijn in verband hiermee aangepast.

De openbare lichamen hebben met deze wijzigingen ingestemd. Voorgesteld wordt de aanpassingen met terugwerkende kracht, dat wil zeggen tot en met het tijdstip dat de convenanten zijn gesloten (10 oktober 2012), in werking te laten treden. Voor de periode 1-1-2011 tot aan 10-10-2012 geldt dus het «oude» regime. In die periode was er weliswaar een plan per eiland, maar in de convenanten zijn die vervangen door de nieuwe plannen en daarmee zijn de bestaande plannen niet langer van betekenis. Alle projecten, ook de eerder afgesproken projecten, vallen vanaf 1 oktober 2012 onder de nieuwe plannen.

1.3. Consultatie

Een concept van het onderhavige wetsvoorstel is voorgelegd aan de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Bonaire heeft aangegeven zich in het voorstel te kunnen vinden. Van Sint Eustatius zijn redactionele en wetstechnische opmerkingen ontvangen die zijn verwerkt in het voorstel. Van Saba is geen reactie ontvangen. Via de Rijksdienst Caribisch Nederland zijn ook de scholen in Caribisch Nederland in de gelegenheid gesteld om te reageren. Geen van de scholen heeft gereageerd.

1.4. Financiële gevolgen

De verwachte financiële gevolgen zijn in kaart gebracht aan de hand van de wetten waaraan de wijzigingen van de BES-wetten zijn ontleend. De gebruikte gegevens zijn ontleend aan de bijbehorende memories van toelichting.

1.4.1. Stb. 2010, 194 (referentieniveaus)

Aangezien het in de bedoeling ligt dat voor het voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland dezelfde referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen gaan gelden, worden geen aanvullende lasten voor de rijksbegroting verwacht. Er wordt al stevig geïnvesteerd in de verbetering van het onderwijs in Caribisch Nederland. Deze investeringen zijn voor wat betreft de Nederlandse taal en het rekenen, ook nu al gericht op het bereiken van de voor de desbetreffende vorm van voortgezet onderwijs vastgestelde referentieniveaus.

1.4.2. Stb. 2011, 95 (fusieregels)

Verwacht wordt dat fusies weinig zullen voorkomen. Aangezien het nog maar de vraag is in hoeverre er behoefte is aan het stellen van regels omtrent fusies, worden weinig of geen gevolgen voor de rijksbegroting verwacht.

1.4.3. Stb. 2012, 157 (leveren van leer- en begeleidingsgegevens)

Ten behoeve van de teruglevering van leer- en begeleidingsgegevens is door DUO een systeem ontwikkeld dat ook voor Caribisch Nederland gebruikt kan worden. Bezien moet worden of de scholen ondersteuning behoeven bij de inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen. De levering van leer- en begeleidingsgegevens met gebruik van het persoonsgebonden nummer BES is afhankelijk van de invoering van het persoonsgebonden nummer in Caribisch Nederland en in de onderwijswetgeving voor Caribisch Nederland. Van die invoering is op korte termijn nog geen sprake. Om die reden zijn de financiële gevolgen nog niet aan te geven.

1.4.4. Stb. 2011, 443; Stb. 2011, 497 en Stb. 2012, 118

De wijzigingen die voortvloeien uit deze wetten hebben geen gevolgen voor de rijksbegroting.

1.5. Uitvoeringsgevolgen

Het wetsvoorstel is door de Dienst uitvoering onderwijs (DUO) getoetst op de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid. DUO verwacht op deze punten geen problemen.

1.6. Administratieve lasten

Vanwege het ontbreken van een nulmeting in Caribisch Nederland is in 2009 geconcludeerd dat er geen sprake kan zijn van het meten van de toe- of afname van administratieve lasten. De situatie aldaar is in zoverre bijzonder dat het volledige pakket van onderwijswetgeving nieuw is voor Caribisch Nederland. De inrichting van de administratieve organisatie van het onderwijsveld is van oudsher zodanig anders dat de introductie van de nieuwe regelgeving onvermijdelijk een behoorlijke toename van de administratieve lasten met zich brengt.

Zoals onder 1.1 is aangegeven, leiden de wijzigingsvoorstellen ondanks hun directe inwerkingtreding niet direct tot een verhoging van de administratieve lasten, omdat in het merendeel van de gevallen de effecten pas op termijn optreden. Een belangrijk deel van de wijzigingen heeft immers een technisch karakter. Die wijzigingen hebben geen materiële gevolgen en kunnen dan ook direct in werking treden. Uit het artikelsgewijze deel van deze toelichting zal bovendien blijken dat er verschillende wijzigingen zijn die weliswaar materiële gevolgen hebben, maar toch geen lasten met zich brengen. Aan de directe inwerkingtreding van ook deze bepalingen staat niets in de weg.

Dankzij deze omstandigheid, voldoet dit wetsvoorstel ondanks de directe inwerkingtreding van nagenoeg alle wijzigingen, aan de beloofde legislatieve terughoudendheid.

2. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I. Wijziging Leerplichtwet BES

Alle wijzigingen in de Lpw BES behalve de technische wijziging in artikel I, onderdeel D, zijn ontleend aan de Wet van 6 juli 2011 tot wijziging van de Leerplichtwet 1969, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet studiefinanciering 2000, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met het treffen van diverse maatregelen ten behoeve van het bestrijden van verzuim en voortijdig schoolverlaten (Stb. 2011, 443).

Artikel I, onderdeel A (beleggen van toezicht bij de inspectie)

In dit onderdeel wordt voorgesteld het toezicht op de naleving van de wet door de schoolhoofden, net als in de Lpw 1969, bij de Inspectie van het onderwijs te beleggen. Deze wijziging heeft materieel geen gevolgen voor het onderwijs en kan dus direct in werking treden.

Artikel I, onderdelen B en C (informatieverstrekking en kennisgevingen bij gemeenschappelijke regelingen)

De Lpw BES kent net als de Lpw 1969 de mogelijkheid tot het aangaan van gemeenschappelijke regelingen. Het ligt dan ook voor de hand in de eerstgenoemde wet de wijziging door te voeren die in de Lpw 1969 is aangebracht, inhoudende dat de informatieverstrekking (onderdeel B) en de kennisgeving (onderdeel C) in geval van een gemeenschappelijke regeling moet worden gedaan aan het orgaan dat daartoe in de gemeenschappelijke regeling is aangewezen.

Aangezien er op dit moment geen gemeenschappelijke regelingen zijn getroffen in Caribisch Nederland, heeft deze wijziging materieel geen betekenis voor de eilandsbesturen en kan zij, omdat zij geen last oplevert, direct in werking treden.

Artikel I, onderdeel D (terminologische aanpassing)

De in dit onderdeel voorgestelde wijziging houdt geen verband met het hoofddoel van het onderhavige wetsvoorstel, maar behelst een terminologische aanpassing aan de huidige terminologie van de Politiewet BES, die spreekt van «ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak». Deze wijziging brengt geen enkele last met zich en kan daarom direct in werking treden.

Artikel I, onderdeel E (vervangen van strafsanctie door bestuurlijke boete)

In verband met de wijziging in onderdeel F dient het opschrift van deze paragraaf vervangen te worden door het ruimere begrip «sanctiebepalingen». De wijziging is zuiver technisch en kan daarom direct in werking treden met de inwerkingtreding van onderdeel F.

Artikel I, onderdeel F (vervangen van strafsanctie door bestuurlijke boete)

In de Lpw 1969 is de strafsanctie die geldt voor de schoolhoofden vervangen door de mogelijkheid een bestuurlijke boete op te leggen. Het gaat daarbij om overtreding van de regels over het verlenen van (extra) verlof, het niet melden van in- en uitschrijven van leerlingen of van zogenaamd «relatief verzuim» en om het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen. De situatie in Caribisch Nederland wijkt niet af van die in Europees Nederland. Er wordt dan ook een wijziging van de Lpw BES voorgesteld waarmee de regeling in beide delen van Nederland gelijkluidend zal zijn.

De bedragen zijn de in Europees Nederland geldende bedragen, omgerekend volgens de wisselkoers die per 1 januari 2013 wordt gehanteerd (€ 1 = USD 1.30).

Door de aard van deze bepaling staat niets onmiddellijke inwerkingtreding in de weg.

Artikel II. Wijziging Wet educatie en beroepsonderwijs BES

De wijzigingen in de WEB BES zijn ontleend aan de volgende wetten:

  • a. de Wet van 6 juli 2011 tot wijziging van de Leerplichtwet 1969, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet studiefinanciering 2000, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met het treffen van diverse maatregelen ten behoeve van het bestrijden van verzuim en voortijdig schoolverlaten (Stb. 2011, 443)

  • b. de Wet van 2 februari 2012 tot wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht en enige andere wetten in verband met de invoering van geïntegreerd toezicht en de gewijzigde rol van de Inspectie van het onderwijs bij het toezichtproces (Stb. 2012, 118) en

  • c. de Wet van 8 maart 2012 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank in verband met het gebruik van het persoonsgebonden nummer bij onder meer de uitwisseling van leer- en begeleidingsgegevens van leerlingen (Stb. 2012, 157).

Artikel II, onderdeel A (duurzame borging kwaliteit onderwijspersoneel)

Ten aanzien van de eisen die aan het onderwijspersoneel worden gesteld, wijken de BES-onderwijswetten niet af van de Europees Nederlandse. Ook in Caribisch Nederland is de zorg voor de kwaliteit van het onderwijspersoneel een taak van het schoolbestuur (zij het impliciet). Dit leidt in het eerste lid tot het voorstel om de zorg voor duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel toe te voegen aan de kwaliteitselementen waar het bevoegd gezag zorg voor draagt. Dit sluit aan bij artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op het onderwijstoezicht, waarin de kwaliteit van het onderwijspersoneel expliciet wordt genoemd als punt waarop het toezicht is gericht. Omdat het gaat om een explicitering van een reeds bestaande zorgplicht is er geen bezwaar tegen directe inwerkingtreding van deze wijziging.

Artikel II, onderdeel B (wijziging in verband met een wijziging van de Comptabiliteitswet 2001)

De aanleiding tot de wijziging van de WEB was een wijziging van de Comptabiliteitswet 2001. Omdat de Comptabiliteitswet 2001 ook in Caribisch Nederland geldt, moeten de wijzigingen die in verband met de wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 in de Europees Nederlandse onderwijswetten zijn aangebracht, ook worden aangebracht in de BES-onderwijswetten. Het komt er kort gezegd op neer dat de minister de bevoegdheden die hij ontleende aan de verschillende onderwijswetten thans rechtstreeks ontleent aan de Comptabiliteitswet 2001. De afzonderlijke bepalingen zijn hierdoor overbodig geworden en kunnen derhalve worden geschrapt. Het betreft een technische wijziging die materieel geen gevolgen heeft; zij kan dus direct in werking treden.

Artikel II, onderdeel C (uitbreiding mogelijkheid gebruik persoonsgebonden nummers BES

In dit onderdeel wordt de wijziging die in 2012 in de WEB is aangebracht met betrekking tot het gebruik van de persoonsgebonden nummers ook voor de WEB BES voorgesteld. De wijziging maakt mogelijk het persoonsgebonden nummer BES te gebruiken bij de uitwisseling van leer- en begeleidingsgegevens tussen scholen; dit ten behoeve van een doorlopende leerlijn.

De artikelen waarin sprake is van een persoonsgebonden nummer zijn in de BES wetten nog niet in werking getreden. De directe inwerkingtreding van de onderhavige wijziging is mogelijk, aangezien deze pas effect heeft wanneer het te wijzigen artikel in werking treedt.

Artikel II, onderdeel D (wijziging in verband met een wijziging van de Comptabiliteitswet 2001)

Zie de toelichting op artikel II, onderdeel B.

Artikel II, onderdeel E (technische wijziging als gevolg van artikel II, onderdeel D)

Doordat artikel 2.3.9 vervalt, dient ook de verwijzing naar dat artikel in artikel 2.3.11, tweede lid, te vervallen. Deze wijziging dient in werking te treden op het tijdstip waarop artikel II, onderdeel D, in werking treedt.

Artikel II, onderdeel F (verzuimbeleid in onderwijsovereenkomst)

Deze wijziging strekt ertoe het bevoegd gezag te verplichten tot vermelding van het door hem gevoerde verzuimbeleid in de onderwijsovereenkomst. Daarmee komen de in Caribisch Nederland in de overeenkomst op te nemen onderwerpen overeen met die in Europees Nederland. Er is geen noodzaak dit onderdeel direct in werking te laten treden. Inwerkingtreding zal dan ook pas op termijn plaatsvinden.

Artikel II, onderdeel G (overgangsrecht voorziening in de huisvesting)

Tot en met het jaar 2015 gold voor de onderwijshuisvesting reeds een overgangsregime. Die overgangsperiode is ingevolge dit wetsvoorstel met twee jaar verlengd en ook overigens aangepast, hoofdzakelijk in verband met een goede aansluiting op de uitvoeringspraktijk. Een en ander is aan de orde gekomen in het algemeen deel van de toelichting. Zie paragraaf 1.2.5 van deze memorie van toelichting. Voor alle onderwijssoorten (primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs) geldt hetzelfde overgangsregime, waarvan de in oktober 2012 afgesloten convenanten de basis vormen. Om redenen van leesbaarheid is het nieuwe overgangsregime volledig uitgeschreven.

Artikel III. Wijziging Wet primair onderwijs BES

De wijzigingen in de WPO BES zijn ontleend aan de volgende wetten:

  • a. de Wet van 27 januari 2011 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het invoeren van een fusietoets in het onderwijs (fusietoets in het onderwijs) (Stb. 2011, 95),

  • b. de Wet van 6 juli 2011 tot wijziging van de Leerplichtwet 1969, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet studiefinanciering 2000, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met het treffen van diverse maatregelen ten behoeve van het bestrijden van verzuim en voortijdig schoolverlaten (Stb. 2011, 443),

  • c. de Wet van 2 februari 2012 tot wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht en enige andere wetten in verband met de invoering van geïntegreerd toezicht en de gewijzigde rol van de Inspectie van het onderwijs bij het toezichtproces (Stb. 2012, 118) en

  • d. de Wet van 8 maart 2012 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank in verband met het gebruik van het persoonsgebonden nummer bij onder meer de uitwisseling van leer- en begeleidingsgegevens van leerlingen (Stb. 2012, 157).

Artikel III, onderdeel A (duurzame borging kwaliteit onderwijspersoneel)

Voor het basisonderwijs wordt net als voor het beroepsonderwijs en het voortgezet onderwijs de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel als verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag geformuleerd. Omdat het gaat om een explicitering van een reeds bestaande zorgplicht is er geen bezwaar tegen directe inwerkingtreding van deze wijziging.

Artikel III, onderdeel B. (dermelding in schoolgids van vrijwilligheid ouderbijdrage en het verzuimbeleid)

In de WPO en de WVO zijn de bepalingen omtrent de schoolgids zodanig gewijzigd dat daarin met zo veel woorden is bepaald dat in de schoolgids moet worden vermeld dat de ouderbijdrage vrijwillig is. Ook in Caribisch Nederland is de ouderbijdrage vrijwillig. Ook in de schoolgidsen in Caribisch Nederland zal dit moeten worden vermeld. In verband hiermee wordt in het eerste lid voor de WPO BES eenzelfde wijziging voorgesteld als de wijziging die is aangebracht in de WPO. Het voorgestelde tweede lid bepaalt dat ook het verzuimbeleid dat de school voert in de schoolgids moet worden opgenomen. Het artikel kan direct inwerking treden omdat het een wijziging van een nog niet in werking getreden artikel betreft.

Artikel III, onderdeel C (fusies)

In dit onderdeel is de regeling over de fusies in het basisonderwijs, waarop in het algemeen deel van deze memorie al is ingegaan, uitgewerkt. Het artikel heeft ingevolge het derde lid niet alleen betrekking op bestuurlijke fusies tussen scholen voor basisonderwijs onderling, maar tevens op bestuurlijke fusies tussen basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs.

Recente ontwikkelingen op Bonaire laten zien dat er behoefte bestaat aan de verzelfstandiging van het openbaar onderwijs en fusies tussen de verschillende onderwijsinstellingen. In verband hiermee zal de mogelijkheid tot het stellen van regels, ter waarborging van de benodigde diversiteit, zo spoedig mogelijk effectief moeten zijn. Om die reden dient het onderhavige artikel direct in werking te treden. Op voorhand is echter niet duidelijk of ook van de mogelijkheid om regels te stellen gebruik moet worden gemaakt; dat hangt sterk af van de ontwikkelingen de komende jaren. Mochten de hiervoor genoemde ontwikkelingen doorgaan, dan biedt het voorgestelde artikel de benodigde flexibiliteit. Het stellen van regels wordt niet verplicht, maar wordt wel mogelijk gemaakt wanneer daaraan behoefte ontstaat.

Artikel III, onderdeel D (nadere voorschriften omtrent het onderwijskundig rapport)

De mogelijkheid bij algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften te geven omtrent het onderwijskundig rapport wordt met dit wijzigingsvoorstel omgezet in een verplichting om regels te geven. De wijziging kan direct in werking treden omdat deze eis pas effectief wordt bij inwerkingtreding van artikel 48 van de WPO BES.

Artikel III, onderdeel E (informeren ouders bij zeer zwakke school)

Als het bevoegd gezag van een school de ouders niet tijdig op de hoogte brengt van de omstandigheid dat zij van de Inspectie van het onderwijs het oordeel «zeer zwakke school» heeft gekregen, zendt de Minister op grond van het voorgestelde tweede lid een samenvatting van het inspectierapport aan de ouders.

Het betreft een wijziging van een nog niet in werking getreden artikel. De wijziging kan derhalve direct in werking treden.

Artikel III, onderdelen F en G (wijzigingen in verband met een wijziging van de Comptabiliteitswet 2001)

Zie de toelichting op Artikel II, onderdeel B.

Artikel III, onderdeel H (uitbreiding mogelijkheid tot gebruik persoonsgebonden nummers BES)

Zie toelichting op Artikel II, onderdeel C.

Artikel III, onderdeel I (aanpassing van een verwijzing en uitbreiding bevoegdheid van de minister om gegevens uit het basisregister onderwijs te halen)

Het eerste en derde lid zijn een doorwerking van de wijziging in artikel III, onderdeel E (informeren ouders bij zeer zwakke school). In deze leden wordt geregeld dat de minister kan putten uit de gegevens die het basisregister onderwijs bevat teneinde de ouders van de leerlingen op de hoogte te kunnen stellen van de omstandigheid dat de inspectie heeft geoordeeld dat de school van hun kinderen zeer zwak is.

Het voorgestelde tweede lid is een gevolg van een wijziging van het equivalente artikel in de WPO. In de WPO is de verwijzing naar artikelonderdelen veranderd in een verwijzing met behulp van een algemene terminologie. Eenzelfde wijziging wordt voorgesteld voor de WPO BES.

Het betreft een wijziging van een nog niet in werking getreden artikel. De wijziging kan derhalve direct in werking treden.

Artikel III, onderdeel J (overgangsrecht voorziening in de huisvesting)

Zie de toelichting bij artikel II, onderdeel G. In verband met de vele wijzigingen is het oude artikel geheel vervangen.

Artikel III, onderdeel K (overeenkomst inzake ouderbijdrage)

In artikel III, onderdeel B, wordt een wijziging van artikel 16 voorgesteld die inhoudt dat de vrijwilligheid van de ouderbijdrage in de schoolgids vermeld moet worden. Deze regeling vervangt de thans geldende regeling in artikel 44, tweede lid, van de WPO BES. Daar is thans geregeld dat overeenkomsten over de vrijwillige ouderbijdrage nietig zijn wanneer de overeenkomst niet aan bepaalde voorwaarden voldoet. Voorgesteld wordt deze bepaling net zoals voor Europees Nederland is gebeurd, te schrappen. Gezien het verband met artikel 16, kan deze wijziging pas worden doorgevoerd op het moment dat artikel 16 (in gewijzigde vorm) in werking treedt.

Artikel IV. Wijziging Wet voortgezet onderwijs BES

De wijzigingen in de WVO BES zijn ontleend aan de volgende wetten:

  • a. de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen;

  • b. de Wet van 6 juli 2011 tot wijziging van de Leerplichtwet 1969, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet studiefinanciering 2000, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met het treffen van diverse maatregelen ten behoeve van het bestrijden van verzuim en voortijdig schoolverlaten (Stb. 2011, 443),

  • c. de Wet van 29 september 2011 tot wijziging van onder meer de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de instelling van het diplomaregister hoger onderwijs, beroepsonderwijs, voortgezet (algemeen volwassenen)onderwijs, NT2 en inburgering (Stb. 2011, 497);

  • d. de Wet van 2 februari 2012 tot wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht en enige andere wetten in verband met de invoering van geïntegreerd toezicht en de gewijzigde rol van de Inspectie van het onderwijs bij het toezichtproces (Stb. 2012, 118) en

  • e. de Wet van 8 maart 2012 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank in verband met het gebruik van het persoonsgebonden nummer bij onder meer de uitwisseling van leer- en begeleidingsgegevens van leerlingen (Stb. 2012, 157).

Artikel IV, onderdelen A en C (wijziging in verband met de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen)

Op de hier voorgestelde wijzigingen is reeds ingegaan in paragraaf 1.2.1 van het algemeen deel van deze toelichting.

Deze bepalingen dienen direct in werking te treden opdat de algemene maatregel van bestuur met de referentieniveaus (zie artikel IV, onderdeel C) tot stand kan worden gebracht en de referentieniveaus zo snel mogelijk van invloed kunnen zijn op de inhoud van het onderwijs voor Nederlandse taal en rekenen. Bij de in Caribisch Nederland (met uitzondering van Saba) af te leggen eindexamens/staatsexamens wordt immers met die referentieniveaus rekening gehouden zodra de examens dezelfde zijn als de examens in het Europese deel van Nederland en de referentieniveaus in laatstgenoemde examens worden verwerkt (zie paragraaf 1.2.1, zesde alinea, van deze toelichting).

Artikel IV, onderdeel B (duurzame borging kwaliteit onderwijspersoneel)

Zie de toelichting bij Artikel II, onderdeel A.

Artikel IV, onderdeel D (informeren ouders bij zeer zwakke school)

Zie de toelichting op artikel III, onderdeel E.

Artikel IV, onderdelen E en F (vrijwilligheid ouderbijdrage en verzuimbeleid in schoolgids)

Zie de toelichting op artikel III, onderdeel B.

Artikel IV, onderdeel G (wijziging in verband met de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen)

Met de wijziging van artikel 72 wordt allereerst de verbinding gelegd tussen de eindexamenprogramma’s voor Nederlandse taal (en literatuur) en de referentieniveaus Nederlandse taal die voor de verschillende vormen van onderwijs worden vastgesteld.

Het nieuwe vijfde lid schrijft voor dat de eindexamens een rekentoets omvatten. De referentieniveaus rekenen komen tot uitdrukking in de opgaven van de rekentoets.

Voor de inwerkingtreding van het eerste lid wordt verwezen naar de toelichting op artikel IV, onderdelen A en C. Voor de inwerkingtreding van het tweede lid geldt hetzelfde als voor artikel IV, onderdeel I.

Artikel IV, onderdeel H (wijziging in verband met de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen)

Dit voorstel is een doorwerking van de invoeging van een vijfde lid in artikel 72 van de WVO BES. Dit artikel dient direct in werking te treden omdat de overige wijzigingen in verband met de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen eveneens direct in werking treden.

Artikel IV, onderdeel I (wijziging in verband met de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen)

Het voorgestelde artikel maakt een rekentoets tot een verplicht onderdeel van de staatsexamens. Bij de vaststelling van de opgaven worden de referentieniveaus rekenen in acht genomen die voor de verschillende vormen van onderwijs worden vastgesteld.

Door de voorgestelde wijziging van artikel 72, vierde lid, (zie artikel IV, onder G, eerste lid) is geregeld dat in de eindexamens de referentieniveaus Nederlandse taal in acht worden genomen. Nu er geen verschil bestaat tussen de eisen die worden gesteld aan het gewone eindexamen en het staatsexamen wordt hier niet herhaald dat in het staatsexamen de referentieniveaus Nederlandse taal in acht worden genomen.

Dit artikel kan direct in werking treden vanwege het uitgestelde effect dat een gevolg is van artikel IV, onderdeel L (wijziging overgangsrecht in verband met de introductie van een rekentoets).

Artikel IV, onderdeel J (wijziging in verband met eventueel diplomaregister en gebruik persoonsgebonden nummer BES)

Het eerste lid wordt voorgesteld de scholen te verplichten om, naast de gegevens die in het nog niet in werking getreden artikel 179 van de WVO BES worden opgesomd, ook de diplomadatum aan de minister te melden. Dit maakt dat na inwerkingtreding van het artikel alle gegevens beschikbaar zijn die nodig zijn voor een eventueel toekomstig diplomaregister voor Caribisch Nederland. Omdat artikel 179 nog niet in werking is getreden kan de wijziging onmiddellijk in werking treden. De wijziging krijgt immers pas effect bij de inwerkingtreding van artikel 179 van de WVO BES.

Voor een toelichting op het tweede lid: zie de toelichting op artikel II, onderdeel C (uitbreiding mogelijkheid gebruik persoonsgebonden nummers BES).

Artikel IV, onderdeel K (gebruik gegevens uit basisregister onderwijs)

Zie de toelichting bij het eerste lid van artikel III, onderdeel I.

Artikel IV, onderdeel L (wijziging overgangsrecht in verband met de introductie van een rekentoets)

In het nieuwe artikel 206, vierde lid, wordt bepaald dat de verplichte rekentoets voor het eerst van toepassing is op de examens in een bij koninklijk besluit te bepalen schooljaar. Dat schooljaar kan voor de verschillende vormen van voortgezet onderwijs (vmbo, havo, vwo en praktijkonderwijs) verschillend worden vastgesteld. Het koninklijk besluit of de koninklijke besluiten worden afgestemd op de invoering van de verplichte rekentoets in het Europese deel van Nederland. Vanwege de aard van deze bepaling (wettelijke basis voor een of meer koninklijke besluiten) kan zij direct in werking treden.

Artikel IV, onderdeel M (overgangsrecht voorziening in de huisvesting)

Zie de toelichting bij artikel II, onderdeel G.

Artikel V. Wijziging Monumentenwet BES

Onderdelen A en C (vervallen van definities en technische wijziging)

In artikel 13b, eerste lid, van de Monumentenwet BES4 is geregeld dat de in artikel 51 van de Wet maritiem beheer BES genoemde toezichthouders bevoegd zijn tot het stilleggen van werkzaamheden in onder meer de reden (ankerplaatsen) en de exclusieve economische zone, indien in strijd wordt gehandeld met artikel 9a, vierde en vijfde lid, van de Monumentenwet BES. Waar laatstgenoemde bepaling geen betrekking heeft op de reden en de exclusieve economische zone maar wel op de aansluitende zone, dient artikel 13b, eerste lid, in die zin te worden aangepast. Onderdeel C voorziet hierin. Nu de begrippen «rede» en «exclusieve economische zone» verder niet in de Monumentenwet BES voorkomen, kunnen deze begrippen uit artikel 1 van die wet5 worden geschrapt. Dit wordt in onderdeel A geregeld.

Onderdeel B (meldpunten maritiem archeologisch erfgoed)

Deze wijziging strekt ertoe dat er voor elk van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van rechtswege een Meldpunt maritiem archeologisch erfgoed is.

In de eerste volzin van het huidige artikel 9a, eerste lid, van die wet is voorzien in een gezamenlijk meldpunt voor de drie openbare lichamen. De reden van de voorgestelde wijziging is voortzetting van de bestaande situatie, vastgelegd in de ministeriële beschikking met algemene werking van de Nederlandse Antillen van 9 april 2010 houdende aanwijzing van een Meldpunt maritiem archeologisch erfgoed als bedoeld in de Landsverordening maritiem beheer voor de Eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Beschikking Meldpunten maritiem archeologisch erfgoed Bonaire, Sint Eustatius en Saba).

De redactie «instelling of instellingen» in de tweede volzin van artikel 9a, eerste lid, biedt de mogelijkheid voor de openbare lichamen om op het vlak van het daadwerkelijke beheer samen te werken.

De wijzigingen in het tweede, derde en zesde lid van artikel 9a zijn van technische of redactionele aard.

De wijziging kan direct in werking treden omdat het gaat een wijziging van een onderdeel van de Tweede Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba – B dat nog niet in werking is getreden.

Artikel VI. Samenloop met het wetsvoorstel doelmatige leerwegen en modernisering bekostiging beroepsonderwijs

Op 14 februari 2013 is het voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs ten behoeve van het bevorderen van doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en het moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs (33 187) door de Tweede Kamer aanvaard. In het daarin voorgestelde artikel 7.2.6, eerste lid, WEB BES is sprake van «een opleidingsdomein». De onderhavige samenloopbepaling regelt dat dit begrip vervangen wordt door «een opleidingsdomein BES». Zie artikel VI, eerste lid, voor de situatie waarin de wijziging in wetsvoorstel 33 187 eerder dan of tegelijk met het onderhavige wetsvoorstel in werking treedt en artikel VI, tweede lid, voor de situatie waarin die wijziging later in werking treedt dan het onderhavige wetsvoorstel.

In het onderhavige wetsvoorstel wordt, net als in het wetsvoorstel met nummer 33 187, artikel 8.1.5 van de WEB BES gewijzigd. In beide gevallen wordt aan het derde lid een nieuw onderdeel toegevoegd en worden de bijbehorende technische wijzigingen van de onderdelen b en c geregeld. Als het wetsvoorstel met nummer 33 187 eerder in werking zou treden dan het onderhavige wetsvoorstel zouden er zonder samenloopbepalingen twee onderdelen d worden toegevoegd aan het derde lid. Om dat te voorkomen is bij eerdere of gelijktijdige inwerkingtreding van het wetsvoorstel met nummer 33 187 voorzien in een wijziging van het onderhavige wetsvoorstel (in plaats van onderdeel d, wordt een onderdeel e toegevoegd). Bij latere inwerkingtreding van dat wetsvoorstel volgt een wijziging van dat wetsvoorstel waardoor hetgeen daar geregeld wordt in een nieuw onderdeel e wordt geplaatst. Zie voor een en ander artikel VI, derde en vierde lid.

Artikel VII. Inwerkingtreding

Zoals in het algemene deel van deze toelichting al is opgemerkt verzet het uitgangspunt van legislatieve terughoudendheid zich niet tegen de directe inwerkingtreding van nagenoeg alle wijzigingen. In het eerste lid is in verband hiermee bepaald dat de wet met uitzondering van artikel II, onderdeel F, artikel II, onderdeel G, artikel III, onderdeel J, en artikel IV, onderdeel M, in werking treedt op het eerste vaste inwerkingtredingsmoment na de totstandkoming. Dat is volgens de verwachting op 1 januari 2014. Artikel II, onderdeel F, treedt in verband met de beloofde legislatieve terughoudendheid op termijn in werking.

Op grond van het tweede lid treedt de wet, als zij na 31 december 2013 in het Staatsblad wordt geplaatst, met uitzondering van artikel II, onderdeel G, artikel III, onderdeel J, en artikel IV, onderdeel M, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel II, onderdeel G, artikel III, onderdeel J, en artikel IV, onderdeel M, treden op grond van het derde lid in werking op de dag na de datum waarop deze wet in het Staatsblad is geplaatst en werken terug tot en met 1 oktober 2012. Dit houdt verband met de datum waarop de huisvestingsconvenanten zijn gesloten. Zie voor een toelichting op de terugwerkende kracht ook de laatste alinea van paragraaf 1.2.5 van deze memorie van toelichting.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker


X Noot
1

Het gaat om de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen en de wijzigingswetten met de volgende vindplaatsen: Stb. 2011, 95; Stb. 2011, 443; Stb. 2011, 497; Stb. 2012, 118 en Stb. 2012, 157.

X Noot
2

Kamerstukken I 2011/12, 33 000 VII, C.

X Noot
3

Het Onderwijshuisvestingsplan Bonaire 2012–2017, het Onderwijshuisvestingsplan Sint Eustatius 2012–2015 en het Onderwijshuisvestingsplan Saba 2012–2016.

X Noot
4

Artikel 13b van de Monumentenwet BES is in die wet opgenomen door artikel IA van de Tweede Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, St. Eustatius en Saba – B (Stb. 2011, 33). Artikel IA is nog niet in werking getreden.

X Noot
5

Artikel 1 van de Monumentenwet BES is aangevuld door het in noot 4 genoemde artikel.